Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:2573

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-04-2016
Datum publicatie
13-05-2016
Zaaknummer
13-751943-15 RK 16-93
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Artikel 13 Overleveringswet:

Persoonlijke belangen van de opgeëiste persoon kunnen geen rol spelen bij de beoordeling van de vordering tot afzien van de weigeringsgrond. De rechtbank verwijst naar arresten van de Hoge Raad van 28 november 2006.

Beroep op onevenredigheid:

Het beroep op de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit faalt. Dit beroep is in wezen een beroep op de onevenredigheid van de overlevering. Zo een beroep kan alleen onder zeer uitzonderlijke omstandigheden slagen, zoals de rechtbank heeft vastgesteld in haar uitspraak van 1 maart 2013. Van dergelijke omstandigheden is in het onderhavige geval geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.751.943-15

RK-nummer: 16/93

Datum uitspraak: 28 april 2016

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 5 januari 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 27 oktober 2015 door the District Judge sitting at Leeds Magistrates’ Court (Groot-Brittannië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres
[adres] , [woonplaats] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 14 maart 2016. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel.

De opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam, zijn niet verschenen omdat de rechtbank reeds voorafgaand aan de zitting had besloten het onderzoek aan te houden, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een genoegzame terugkeergarantie van de Britse autoriteiten te verkrijgen.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat zij er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

Op 14 april 2016 heeft de rechtbank het onderzoek voortgezet in aanwezigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel. De opgeëiste persoon is ter zitting verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een warrant of arrest issued at Leeds Magistrates’ Court on 27 October 2015.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan drie naar het recht van Groot-Brittannië strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1

Genoegzaamheid


Standpunt raadsman

De omschrijving van de feiten voldoet niet aan de eisen van artikel 2 OLW nu de uitvaardigende autoriteiten op geen enkele wijze hebben omschreven welke betrokkenheid de opgeëiste persoon vermoedelijk zou hebben gehad bij de íllegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Standpunt officier van justitie
De betrokkenheid van de opgeëiste persoon staat duidelijk aangegeven in het EAB: hij wordt er van verdacht als chauffeur te hebben opgetreden en heeft een aantal keer een vrachtwagen gehuurd.

Oordeel rechtbank
De rechtbank sluit zich aan bij het standpunt van de officier van justitie. De verdenking jegens de opgeëiste persoon is duidelijk en zijn vermeende betrokkenheid staat omschreven in het EAB onder e) en deze beschrijving is genoegzaam.

4 Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Standpunt raadsman
Gelet op de omschrijving van de feitelijke handelingen van de opgeëiste persoon, kon de uitvaardigende justitiële autoriteit in redelijkheid niet komen tot het oordeel dat sprake is van een lijstfeit. De handelingen zijn immers niet omschreven.

Standpunt officier van justitie
Het lijstfeit is terecht aangekruist, gelet op de omschrijving van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht.

Oordeel rechtbank
Zoals reeds onder 3.1 vastgesteld is de betrokkenheid van de opgeëiste persoon voldoende genoegzaam omschreven. Hieruit volgt dat de uitvaardigende justitiële autoriteit in redelijkheid de strafbare feiten heeft kunnen aanduiden als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Uit dit oordeel vloeit voort dat onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht achterwege moet blijven.
De feiten vallen op bedoelde lijst onder nummer 5, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Groot-Brittannië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 Onschuldbewering

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering.

6 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De Britse autoriteiten, in casu the Head of MLA & Extradition Policy (Home Office), namens the Secretary of State, heeft op 1 april 2016 schriftelijk de volgende garantie gegeven:

In accordance with Article 5(3) of the Council Framework Decision on the European arrest warrant and the surrender procedures between Member States of 13 June 2002 (‘EAW FD’), you have requested that [verdachte] ( [geboortedatum] ) be returned to the Netherlands to serve any custodial sentence which is imposed by a UK court in relation to the conduct for which his surrender to the UK from the Netherlands has been sought.

The UK undertakes that should [verdachte] receive a custodial sentence in the UK, he will, in accordance with section 153C of the Extradition Act 2003, be returned to the Netherlands as soon as is reasonably practicable after the sentencing process in the UK has been completed and any other proceedings in respect of the offence for which extradition was sought are concluded.

Full details of any sentence imposed on [verdachte] will be provided when he is returned to the Netherlands. It is considered that a transfer under EAW FD does not allow the Netherlands to alter the duration of any sentence imposed by a UK court.

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren.

Aan deze voorwaarde is voldaan, nu de onder 4 bedoelde feiten naar Nederlands recht strafbaar zijn en opleveren:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, aanhef, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, aanhef, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid, meermalen gepleegd.

De rechtbank is van oordeel dat de gegeven garantie genoegzaam is.

7. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB betrekking heeft op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor deze feiten.

De officier van justitie heeft echter overeenkomstig artikel 13, tweede lid, van de OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en heeft daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

  • -

    het onderzoek is in het Verenigd Koninkrijk aangevangen;

  • -

    de verdovende middelen waren voor het Verenigd Koninkrijk bestemd en in het

Verenigd Koninkrijk ingevoerd;

- ( (een) medeverdachte(n) is/zijn/wordt/worden voor deze zaak vervolgd in het Verenigd Koninkrijk.

Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Britse autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren. Niet zou zijn gebleken dat de verzochte overlevering aan de Britse autoriteiten en de verdere vervolging in Groot Brittannië de voorkeur verdient, boven de mogelijke afhandeling van de strafzaak door de Nederlandse autoriteiten. Daartoe is het volgende aangevoerd:

- De opgeëiste persoon is Nederlander, woont in Nederland; meerdere medeverdachten zijn Nederlanders en wonen in Nederland. De opgeëiste persoon heeft een blanco strafblad. Zijn hele leven speelt zich af in Nederland. Hij staat ingeschreven in Nederland.
Overlevering, met in het vooruitzicht een periode van voorlopige hechtenis en de periode die gemoeid zal zijn met de terugkeer zullen er voor zorgen dat sprake zal zijn van ontwrichting van het gezin. Het gezin is niet bij machte om de opgeëiste persoon regelmatig te bezoeken tijdens zijn hechtenis in het Verenigd Koninkrijk.
Het openbaar ministerie heeft geen oog voor de belangen van de opgeëiste persoon, zijn gezondheid en zijn gezin. Er is niet in redelijkheid gekeken naar andere mogelijkheden, overeenkomstig de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Tot op heden is niet serieus gekeken naar de vraag of Nederland de vervolging zou kunnen overnemen. Gelet hierop moet de overlevering worden geweigerd.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, van de OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt, met name kunnen de persoonlijke belangen van de opgeëiste persoon geen rol spelen bij de beoordeling van de vordering (ECLI:NL:HR:2006:AY6631 en ECLI:NL:HR:2006:AY6633, beide van 28 november 2006).
Het beroep op de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit faalt. Dit beroep is in wezen een beroep op de onevenredigheid van de overlevering. Zo een beroep kan alleen onder zeer uitzonderlijke omstandigheden slagen, zoals de rechtbank heeft vastgesteld in haar uitspraak van 1 maart 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ3203. Van dergelijke omstandigheden is in het onderhavige geval geen sprake.

Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de OLW bedoelde weigeringsgrond.

8 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9 Toepasselijke wetsartikelen

Artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 van de Overleveringswet.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [verdachte] aan the District Judge sitting at Leeds Magistrates’ Court ten behoeve van het in Groot-Brittannië tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. P. van Kesteren en P. Rodenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 28 april 2016.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.