Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:2383

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-03-2016
Datum publicatie
25-04-2016
Zaaknummer
13.752.076-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie
-
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.752.076-15

RK-nummer: 16/628

Datum uitspraak: 25 maart 2016

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 20 januari 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 23 november 2015 door the Sisä-Suomi District Prosecutor’s Office (Finland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,

ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres [adres] , [woonplaats] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 14 maart 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. J.G. Kabalt, advocaat te Breukelen, die heeft waargenomen voor mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat zij er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn. De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een decision in a pre-trial detention matter by the Pirkanmaa District Court of 19 November 2015, number 15/2543, PK15/6546.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan één naar het recht van Finland strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Finland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De Central Administration of the Criminal Sanctions Agency heeft op 18 februari 2016 de volgende garantie gegeven:

Please be advised that the Central Administration of the Criminal Sanctions Agency in Finland, as the competent authority in matters of the Council Framework Decision 2008/909/JHA (on the application of the principle of mutual recognition to judgments in criminal matters imposing custodial sentences or measures involving deprivation of liberty for the purpose of their enforcement in the European Union), hereby consents that [opgeëiste persoon] , in the event of his surrender to Finland and if the custodial sentence is imposed on him in Finland, is to be returned to the Netherlands for the execution of the sentence in a procedure according to the Council Framework Decision 2008/909/JHA.

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien het feit ook naar Nederlands recht een strafbaar feit oplevert.

Aan deze voorwaarde is voldaan.

Het onder 4 bedoelde feit is naar Nederlands recht strafbaar en levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW niet van toepassing is. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De opgeëiste persoon heeft deel uitgemaakt van het Nederlandse strafrechtelijke onderzoek “ [onderzoek] ”. Dat leidt om twee redenen evenwel niet tot weigering van de overlevering.

Ten eerste is geen sprake van een vervolging van de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon is namelijk niet gedagvaard in dit onderzoek. Ten tweede betreft het onderzoek “ [onderzoek] ” niet hetzelfde feitencomplex als het onderhavige EAB. Navraag bij de zaaksofficier van justitie heeft namelijk geleerd dat het onderzoek “ [onderzoek] ” betrekking heeft op de handel in verdovende middelen met Groot-Brittannië in juni 2014.

Hoewel artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW naar de mening van de officier van justitie toepassing mist, heeft zij de rechtbank verzocht zich uit te laten over de vraag of sprake is van een vervolging van de opgeëiste persoon in Nederland. Indien de rechtbank de overlevering toestaat, komt dezelfde vraag immers aan de orde bij de beoordeling of de feitelijke overlevering moet worden uitgesteld overeenkomstig artikel 36, eerste lid, OLW en, zo ja, of de opgeëiste persoon overeenkomstig artikel 36, tweede lid, OLW voorlopig ter beschikking kan worden gesteld aan de Finse autoriteiten.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat het onderzoek “ [onderzoek] ” niet hetzelfde feitencomplex als het onderhavige EAB betreft, maar volgens de raadsman is in dat onderzoek wel sprake van vervolging. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Van vervolging in de zin van het Wetboek van Strafvordering is sprake, zodra een magistraat zich met de zaak bemoeit. Een officier van justitie heeft telefoontaps bevolen. De rechter-commissaris heeft getuigen gehoord. De rechter-commissaris heeft bij gelegenheid van het verhoor van de opgeëiste persoon als getuige de opgeëiste persoon voorgehouden dat hij verdachte is en dat hij zich daarom kan beroepen op zijn zwijgrecht. Er is dus sprake van vervolging. Die vervolging loopt nog steeds, zoals blijkt uit het aan de autoriteiten van Groot-Brittannië gerichte rechtshulpverzoek van 29 december 2015, dat de opgeëiste persoon als verdachte vermeldt.

De raadsman heeft zich aangesloten bij het verzoek van de officier van justitie.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Het is niet in geschil dat het Nederlandse strafrechtelijke onderzoek “ [onderzoek] ” een ander feitencomplex betreft dan het onderhavige EAB. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW mist dus om die reden al toepassing, zodat de rechtbank niet toekomt aan de beantwoording van de vraag of sprake is van een strafvervolging in de zin van die bepaling.

De rechtbank gaat niet in op het verzoek om deze vraag desondanks met het oog op de mogelijke toepassing van artikel 36, eerste en tweede lid, OLW te beantwoorden. De in artikel 36, eerste lid, OLW bedoelde beslissing tot aanhouding van de feitelijke overlevering “indien en zolang tegen de opgeëiste persoon in Nederland een strafrechtelijke vervolging gaande is” is immers opgedragen aan de officier van justitie. De in artikel 36, tweede lid, OLW bedoelde beslissing over de voorlopige terbeschikkingstelling is opgedragen aan de Minister van Veiligheid en Justitie.

7. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB betrekking heeft op een strafbaar feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor dit feit.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft overeenkomstig artikel 13, tweede lid, van de OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en heeft daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

- het onderzoek is in Finland aangevangen;

- de verdovende middelen waren bestemd voor Finland en dus is met name de rechtsorde van Finland geschaad;

- de verdovende middelen zijn in Finland in beslag genomen;

- de ontvanger van de verdovende middelen is in Finland gearresteerd en vervolgd, evenals eerder overgeleverde medeverdachten.

Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Finse autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet in redelijkheid tot deze vordering heeft kunnen komen. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De opgeëiste persoon heeft alleen gedragingen in Nederland verricht. Hij zou dus ook in Nederland kunnen worden vervolgd voor het feit waarvan de Finse autoriteiten hem verdenken. Bovendien wordt de opgeëiste persoon al in Nederland vervolgd in het onderzoek “ [onderzoek] ”. Daardoor zal de feitelijke overlevering aan Finland nog geruime tijd op zich laten wachten, hetgeen een reden te meer is om de opgeëiste persoon in Nederland te vervolgen voor de (deels) Finse strafzaak.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, van de OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de OLW bedoelde weigeringsgrond.

8 Verzoek tot aanhouding van de behandeling

8.1

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de behandeling van het EAB aan te houden, omdat het dossier onvoldoende informatie bevat om te kunnen toetsen of de opgeëiste persoon in Finland een eerlijk proces zal krijgen. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

In deze zaak zijn al meerdere personen overgeleverd aan Finland. Deze personen zijn tot een gevangenisstraf van tien jaar veroordeeld. Alleen de chauffeur is tot een gevangenisstraf van acht jaar veroordeeld. Hij heeft een strafkorting van twee jaar gekregen. Kennelijk heeft de chauffeur belastende verklaringen afgelegd tegen zijn medeverdachten. Een en ander blijkt echter niet uit het overleveringsdossier. Zonder nadere informatie kan de rechtbank niet beoordelen of voldaan wordt aan artikel 6 EVRM.

8.2

Standpunt van de verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een eventuele schending van artikel 6 EVRM bij de strafrechter in Finland zal moeten worden aangevoerd en dat tegen een eventuele schending van die bepaling in Finland een rechtsmiddel openstaat.

8.3

Oordeel van de rechtbank

De stelling dat een medeverdachte voor het afleggen van belastende verklaringen tegen – onder meer – de opgeëiste persoon een strafkorting heeft gekregen, is speculatief.

Zo al aannemelijk, zou een dergelijke omstandigheid nog niet het vermoeden wettigen dat de opgeëiste persoon in geval van overlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante schending van zijn recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 EVRM.

De rechtbank wijst het verzoek om aanhouding dan ook af.

9 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

10 Toepasselijke wetsartikelen

Artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 van de Overleveringswet.

11 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Sisä-Suomi District Prosecutor’s Office ten behoeve van het in Finland tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. M. Woerdman en A.K. Glerum, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.H. Glerum, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 25 maart 2016.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

C