Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:2382

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-03-2016
Datum publicatie
22-04-2016
Zaaknummer
13.752.053-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Vervolgingsoverlevering. Artikel 11 OLW: artikel 6 EVRM is niet van toepassing op de overleveringsprocedure zelf; redelijke termijn: gelet op ECLI:EU:C:2013:358 (Jeremy F.), punt 50, zal de opgeëiste persoon zich bij de strafrechter in de uitvaardigende lidstaat kunnen beroepen op zijn recht op berechting binnen een redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.752.053-15

RK-nummer: 16/474

Datum uitspraak: 25 maart 2016

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 14 januari 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 10 november 2015 door the Investigating Judge (Luxemburg) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in de [detentie adres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 14 maart 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. I.J.K. van der Meer, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat zij er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn. De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een warrant of arrest.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan drie naar het recht van Luxemburg strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, zoals aangevuld bij e-mails van 16 januari 2016 en 4 maart 2016. Door de griffier gewaarmerkte fotokopieën van dit onderdeel en deze e-mails zijn als bijlagen aan deze uitspraak gehecht.

4 Genoegzaamheid van het EAB

4.1

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat het EAB ongenoegzaam is. Zij heeft daartoe, kort samengevat, het volgende aangevoerd.

Onderdeel e) van het EAB vermeldt dat het om drie strafbare feiten zou gaan. Slechts één lijstfeit is aangekruist en wel “illicit trafficking in narcotic drugs and psychotropic substances”. Het is onduidelijk waar dit lijstfeit op ziet.

Het EAB beschrijft drie feiten. Het eerste feit, hennepteelt, zou zijn gepleegd in België. Het EAB bevat geen enkele omschrijving van de rol van de opgeëiste persoon. De e-mail van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit van 14 januari 2016 meldt dat de opgeëiste persoon wordt aangemerkt als degene die twee hennepkwekerijen heeft geëxploiteerd in België. België merkt de opgeëiste persoon niet aan als verdachte. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, kan niet vastgesteld worden dat Luxemburg hier rechtsmacht heeft.

Het tweede feit ziet op het illegale transport van grote hoeveelheden drugs, zonder dat meer specifiek is aangegeven van welke drugs en welke hoeveelheden.

Volgens de e-mail van 14 januari 2016 zou de opgeëiste persoon één van de leveranciers van [medeverdachte 1] en zijn criminele organisatie zijn. Deze mededeling zou kunnen slaan op het derde in het EAB omschreven feit, namelijk deelname aan een criminele organisatie. Er zijn onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit enige deelname, rol of betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij dit feit blijkt. Uit de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , waaraan de uitvaardigende justitiële autoriteit refereert, kan niet worden afgeleid dat de opgeëiste persoon eigenaar of exploitant van de kwekerij in [plaats 1] was of de leverancier van drugs.

Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht het EAB aan te houden om nadere gegevens over feit, tijd, plaats en rol van de opgeëiste persoon op te vragen.

4.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is.

4.3

Oordeel van de rechtbank

Onderdeel e) van het EAB bevat, samengevat, de volgende beschrijving van de drie strafbare feiten:

a. a) het telen van ten minste 4.000 cannabisplanten in [plaats 1] en ten minste 51 moederplanten en 623 cannabisstekjes in [plaats 2] ; het in circulatie brengen van tenminste 100 kilo marihuana;

b) het illegaal ten behoeve van derden vervoeren van zeer grote hoeveelheden cannabis en marihuana;

c) het deelnemen aan een organisatie die uit de opgeëiste persoon en negen anderen bestond, waarbij de feiten a) en b) daden van deelneming aan die organisatie opleveren.

Uit onderdeel e) van het EAB in samenhang met de e-mail van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 4 maart 2016 volgt dat deze feiten zouden zijn gepleegd in de periode vanaf 2012 tot 22 oktober 2015 in Luxemburg, België en Nederland.

In de e-mails van 14 januari 2016 en 4 maart 2016 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit nader gespecificeerd dat de opgeëiste persoon:

- betrokken was bij de exploitatie van ten minste twee cannabisplantages in België,

- één van de leveranciers van de organisatie was, en

- ten minste eenmaal persoonlijk drugs heeft afgeleverd in Luxemburg op een onbekende datum.

In aanmerking genomen dat:

- uit het EAB niet hoeft te blijken dat de uitvaardigende lidstaat rechtsmacht heeft over buiten zijn grondgebied gepleegde feiten,

- het EAB strekt tot strafvervolging en het strafrechtelijke onderzoek dus nog niet is afgerond, en

- het EAB betrekking heeft op een zogenoemd lijstfeit waaronder alle drie feiten vallen,

voldoet de beschrijving van de feiten aan de eisen die artikel 2, tweede lid, aanhef en onder e, OLW daaraan stelt.

De rechtbank verwerpt dan ook het primaire verweer en wijst het subsidiaire verzoek af.

5 Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Uit de bijlage bij het e-mailbericht van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 4 maart 2016 volgt dat op deze feiten naar het recht van Luxemburg telkens een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat de overlevering geweigerd moet worden voor feit c). Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Voor dat feit is geen overlevering gevraagd, nu dit feit niet als lijstfeit is aangekruist. Uit de nagezonden artikelen 7, 8 en 10 van de Luxemburgse drugswetgeving zou kunnen worden geconcludeerd dat het zich in georganiseerd verband bezig houden met het illegaal transport een strafverzwarende omstandigheid oplevert die het strafmaximum van vijf jaar verhoogt naar vijftien tot twintig jaar. Gelet op de evidente wanverhouding tussen de omschrijving van het feit, het niet aankruisen als feit waarvoor overlevering wordt verzocht en de zeer hoge strafbedreiging, mag de overlevering voor dit feit niet worden toegestaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het lijstfeit in redelijkheid heeft aangekruist.

Oordeel van de rechtbank

Het is in beginsel aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om, aan de hand van het recht van de uitvaardigende lidstaat, te beoordelen of een feit waarvoor overlevering wordt verzocht al dan niet onder voornoemde lijst valt en welk feit dient te worden aangekruist. Enkel in gevallen waarin sprake is van een evidente tegenstrijdigheid tussen de feitsomschrijving en de aangekruiste categorie zou dit tot de conclusie moeten leiden dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het feit niet in redelijkheid heeft aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt.

De beschrijving van feit c) houdt, kort gezegd, in dat de opgeëiste persoon heeft deelgenomen aan een organisatie die zich heeft bezig houden met het plegen van drugsdelicten (feiten a en b). Van een evidente wanverhouding tussen de beschrijving van dat feit en het aangekruiste lijstfeit “illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen” is dan ook geen sprake.

De hoogte van de op feit c) gestelde straf levert geen grond tot weigering van de overlevering op.

De rechtbank verwerpt dan ook het verweer.

6 Onschuldbewering

6.1

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon kennelijk onschuldig is aan de feiten. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Van de ongeveer twee jaar en tien maanden durende pleegperiode heeft de opgeëiste persoon tweeënhalf jaar in detentie doorgebracht. Voor dat deel van de pleegperiode bestaat dus een absolute en objectief vast te stellen onmogelijkheid om het feit te plegen.

Voor de overige zes maanden van de pleegperiode valt uit het EAB af te leiden dat slechts één persoon een belastende verklaring heeft afgelegd over de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon ontkent ten stelligste enige betrokkenheid bij een drugsleverantie in Luxemburg, maar verkeert in de onmogelijkheid dit verweer voor wat betreft het begin van de pleegperiode te onderbouwen.

6.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit verweer niet kan slagen. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Het is duidelijk dat de opgeëiste persoon zich een groot deel van de pleegperiode in detentie bevond, maar dit enkele feit brengt niet mee dat de opgeëiste persoon niet betrokken kan zijn geweest bij de feiten. Het gaat om medeplegen. Ook vanuit detentie is het medeplegen van de in het EAB beschreven feiten mogelijk.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Zoals de rechtbank hiervoor onder 4.3 heeft overwogen, loopt de pleegperiode vanaf 2012 tot 22 oktober 2015.

Uit de “TULP/MIR Registratiekaart” van 1 maart 2016 blijkt dat de opgeëiste persoon van 5 juli 2013 tot en met 17 november 2013 in Nederland gedetineerd is geweest en dat de opgeëiste persoon vanaf 23 juli 2015 tot heden in Nederland gedetineerd is.

De opgeëiste persoon heeft op dit punt verklaard dat hij op 18 november 2013 aan Duitsland is overgeleverd, dat hij tot 23 juli 2015 in Duitsland gedetineerd is geweest en dat hij vanaf die datum op grond van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen in Nederland is gedetineerd.

Het verweer kan om twee redenen niet slagen.

Ten eerste is de pleegperiode ruimer dan de periode die de opgeëiste persoon in detentie heeft doorgebracht. Vanaf 2012 tot 5 juli 2013 bevond de opgeëiste persoon zich immers op vrije voeten. De raadsvrouw heeft erkend dat zij het verweer voor wat betreft deze periode niet kan onderbouwen.

Ten tweede wordt de opgeëiste persoon verdacht van in vereniging begane strafbare feiten, in het bijzonder van deelneming aan een criminele organisatie. De omstandigheid dat de opgeëiste persoon in de periode van 23 juli 2015 tot 22 oktober 2015 in Nederland gedetineerd is geweest, betekent dan ook niet dat de opgeëiste persoon zich in die periode onmogelijk schuldig kan hebben gemaakt aan de in het EAB beschreven feiten.

De rechtbank verwerpt verweer.

7 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De Delegate of the General Public Prosecutor for the Enforcement of Sentences heeft op 8 maart 2016 de volgende garantie gegeven:

The undersigned [naam] , Delegate of the General Public Prosecutor for the Enforcement of Sentences hereby guarantees that if [opgeëiste persoon] is surrendered to the Luxembourgish judicial authorities and sentenced to an unconditional prison sentence, he will be allowed to serve this sentence in the Netherlands in accordance with article 5, paragraph 3 of the European Framework Decision on the European arrest warrant.

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren.

Aan deze voorwaarde is voldaan.

De onder 4 bedoelde feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:

feiten a) en b):

medeplegen van: in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel, meermalen gepleegd

feit c):

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

8 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 11 OLW

8.1

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat artikel 6 EVRM flagrant is of dreigt te worden geschonden. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De gebrekkige en summiere informatieverstrekking vanuit Luxemburg vormt nu reeds een schending van het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces. Hij kan zich immers niet naar behoren verweren in de overleveringsprocedure. Hij ontkent schuldig te zijn, maar kan zijn onschuldverweer niet onderbouwen, omdat de Luxemburgse autoriteiten geen pleegdatum geven noch de betrokkenheid en pleegplaats nader omschrijven.

Als de opgeëiste persoon wordt overgeleverd aan Luxemburg, dan zal de berechting niet binnen een redelijke termijn plaatsvinden, omdat zijn berechting pas kan aanvangen na de feitelijke overlevering. De feitelijke overlevering kan niet eerder dan in 2019 plaatsvinden. Volgens de registratiekaart is 1 oktober 2019 de einddatum van de detentie.

De Luxemburgse advocaat van de opgeëiste persoon heeft de onderzoeksrechter verzocht om tot opschorting van het EAB over te gaan en de opgeëiste persoon in Nederland in beschuldiging te stellen, opdat de advocaat toegang tot het Luxemburgse dossier kan krijgen en de opgeëiste persoon daar met inachtneming van artikel 6 EVRM kan verdedigen. De onderzoeksrechter reageert vooralsnog niet op de pogingen van de advocaat om in gesprek te raken.

Subsidiair heeft de raadsvrouw daarom verzocht de behandeling aan te houden om onderzoek te doen naar een alternatief voor overlevering.

8.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank de overlevering toestaat, de opgeëiste persoon waarschijnlijk voorlopig ter beschikking zal worden gesteld aan de Luxemburgse autoriteiten ten behoeve van zijn berechting.

8.3

Oordeel van de rechtbank

Voor zover aan het verweer ten grondslag ligt dat artikel 6 EVRM flagrant is of dreigt te worden geschonden omdat de opgeëiste persoon zijn onschuld in de overleveringsprocedure niet kan aantonen, faalt het.

De overleveringsprocedure valt niet onder het bereik van artikel 6 EVRM, omdat in deze procedure niet de burgerlijke rechten en verplichtingen van de opgeëiste persoon worden vastgesteld noch de gegrondheid van een tegen de opgeëiste persoon ingestelde strafvervolging wordt bepaald (vgl. EHRM 7 oktober 2008, nr. 41138/05, Monedero Angora/Spanje).

Ook overigens kan het verweer niet slagen.

Aan het stelsel van het EAB ligt het wederzijdse vertrouwen van de lidstaten ten grondslag “dat hun respectieve nationale rechtsordes in staat zijn een effectieve en gelijkwaardige bescherming te bieden van de op Unieniveau, in het bijzonder in het Handvest van de grondrechten, erkende grondrechten, zodat de personen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd dus binnen de rechtsorde van de uitvaardigende lidstaat eventuele rechtsmiddelen kunnen aanwenden ter betwisting van de rechtmatigheid van de procedure van strafvervolging (…)” (HvJ EU 30 mei 2013, zaak C-168/13 PPU, ECLI:EU:C:2013:358 (Jeremy F.), punt 50). Nu het EAB strekt tot strafvervolging, zal de opgeëiste persoon zich dus bij de strafrechter in Luxemburg kunnen beroepen op zijn recht op berechting binnen een redelijke termijn.

De rechtbank verwerpt het primaire verweer en wijst het subsidiaire verzoek af.

9 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB betrekking heeft op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor deze feiten.

De officier van justitie heeft echter overeenkomstig artikel 13, tweede lid, van de OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en heeft daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

- het onderzoek is in Luxemburg aangevangen;

- de verdovende middelen waren bestemd voor de Luxemburgse markt, waardoor de rechtsorde in Luxemburg direct is geschaad;

- Luxemburg heeft een terugkeergarantie verstrekt.

Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Luxemburgse autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.

De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd tegen de vordering.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, van de OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW bedoelde weigeringsgrond.

10 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

11 Toepasselijke wetsartikelen

Artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 3, 11 en 11b van de Opiumwet en de artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 van de Overleveringswet.

12 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Investigating Judge ten behoeve van het in Luxemburg tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. M. Woerdman en A.K. Glerum, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.H. Glerum, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 25 maart 2016.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

C