Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:2350

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-04-2016
Datum publicatie
12-05-2016
Zaaknummer
AMS - 15 _ 6883
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank moet de vermelding in het bestreden en primaire besluit dat toegang tot de crisisopvang is verleend, worden gezien als besluit. Verweerder heeft daarmee voldaan aan de verplichting om de geboden opvang in een besluit vast te leggen. Voorts is grondslag van de geboden crisisopvang niet onduidelijk, zoals eiser stelt, maar heeft deze een basis in beleid van verweerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2016/144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/6883

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2016 in de zaak tussen

[de man] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. E.T. 't Jong).

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een tijdelijke maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) afgewezen.

Bij besluit van 8 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1.1.

Eiser is geboren op [geboortedatum] 1965, stelt afkomstig te zijn uit Egypte en heeft geen rechtmatig verblijf (meer) in Nederland. Op 23 april 2015 heeft eiser een melding en aanvraag ingediend om een tijdelijke maatwerkvoorziening. Eiser heeft hierin vermeld dat hij op een indicatie van de GGD opvang geniet in het [gebouw] . Verweerder heeft het verzoek aangemerkt als een aanvraag om een maatwerkvoorziening als bedoeld in de Wmo 2015.

1.2.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag om een maatwerkvoorziening afgewezen. In het primaire besluit staat dat eiser crisisopvang wordt verleend zo lang sprake is van een indicatie van de GGD. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met (een kantoorgenoot van) de gemachtigde van eiser is afgesproken in deze zaak geen hoorzitting te houden, maar de bezwaren uit de hoorzitting van 28 mei 2015 in een soortgelijk geval zo veel mogelijk mee te nemen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft hieraan onder meer ten grondslag gelegd dat eiser vanwege zijn verblijfsstatus en gelet op het koppelingsbeginsel op grond van de Wmo 2015 geen aanspraak heeft op een maatwerkvoorziening. In het bestreden besluit is verder vermeld dat aan eiser – onverplicht – toegang tot de crisisopvang is verleend op indicatie van de GGD. Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat hij voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van het Fonds Gevolgen Vreemdelingenwetgeving (FGV).

3. Eiser stelt in beroep – samengevat – dat verweerder ten onrechte de geboden 24‑uursopvang aan het [adres] niet in een besluit heeft vastgelegd. Ook is de indicatie van de GGD niet overgelegd. Daardoor zijn de grondslag en de voorwaarden van de geboden opvang niet duidelijk.

4.1.

Eiser heeft verder een beroep gedaan op het bestaan van betalingsonmacht ten aanzien van de verplichting tot het betalen van griffierecht. Eiser heeft daartoe een verklaring van een hulpverlener.

4.2.

Gelet op het voorgaande en gelet op hetgeen de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 13 februari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:282) heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het beroep op betalingsonmacht dient te worden afgewezen, omdat eiseres geen ondertekende eigen verklaring omtrent de afwezigheid van vermogen heeft overgelegd. Eiseres heeft het voor deze procedure verschuldigde griffierecht betaald.

5. Op grond van artikel 1.2.2 van de Wmo 2015 komt een vreemdeling voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening slechts in aanmerking indien hij rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.

6. De rechtbank wijst voorts op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) en de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 26 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3415, ECLI:NL:CRVB:2015:3803 en ECLI:NL:CRVB:2015:3834). Uit deze uitspraken blijkt dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie verantwoordelijk is voor de opvang van niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen en dat, anders dan voorheen, de door gemeenten getroffen specifieke opvangvoorzieningen voor niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen op wie het koppelingsbeginsel van toepassing is, niet (meer) worden aangemerkt als (maatschappelijke) opvang op grond van de Wmo 2015.

7. De besluitvorming van verweerder berust voor een deel op de Wmo 2015 en voor een deel op de bed-bad-broodvoorziening en het overig beleid van verweerder met betrekking tot vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf. De Raad heeft in zijn uitspraak van 24 februari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:622) overwogen dat, gelet op de hierboven aangehaalde uitspraak ECLI:NL:CRVB:2015:3834, niet hij maar de Afdeling bevoegd is kennis te nemen van hoger beroepen gericht tegen uitspraken die zien op de bed-bad-broodvoorziening en het (overige) gemeentelijke FGV-beleid. Daarom zal de rechtbank de gronden in verband met de Wmo 2015 en de gronden in verband met het verzoek om opvang en in verband met het beleid van verweerder ten aanzien van vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf afzonderlijk beoordelen.


Aanspraak op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015

8. Omdat eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft, kan hij gelet op het voorgaande geen aanspraak maken op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. Daarom heeft verweerder deze aanvraag terecht afgewezen.

9. De rechtbank zal het beroep voor zover het betreft de aanspraak op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 dan ook ongegrond verklaren.


Aanspraken op grond van het beleid van verweerder

10. Verweerder heeft beleid ontwikkeld voor vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf. Er is een bed-bad-broodvoorziening ingericht en opengesteld en er is crisis- en ziekenboegopvang. Voorts kan op grond van dit beleid een bepaalde categorie vreemdelingen een uitkering uit het FGV krijgen, te weten vreemdelingen met medische problematiek en juridisch perspectief.

11. Naar het oordeel van de rechtbank moet de vermelding in het bestreden en primaire besluit dat toegang tot de crisisopvang is verleend, worden gezien als besluit. Verweerder heeft daarmee voldaan aan de verplichting om de geboden opvang in een besluit vast te leggen. Voorts is grondslag van de geboden crisisopvang niet onduidelijk, zoals eiser stelt, maar heeft deze een basis in beleid van verweerder.

12. Hetgeen door eiser overigens is aangevoerd, kan niet leiden tot een andersluidend besluit.

13. De rechtbank zal het beroep voor zover het betreft de aanspraken op grond van het beleid van verweerder dan ook ongegrond verklaren.


Proceskosten en griffierecht

14. Voor een veroordeling in de proceskosten of vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing I

De rechtbank verklaart het beroep voor zover het betreft aanspraak op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 ongegrond.

Rechtsmiddel I

Tegen dit deel van de uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Beslissing II

De rechtbank verklaart het beroep voor zover het betreft de aanspraken op grond van het beleid van verweerder ongegrond.

Rechtsmiddel II

Tegen dit deel van de uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Otten, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2016.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: