Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:2339

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-04-2016
Datum publicatie
21-04-2016
Zaaknummer
13/520100-09 (A) en 13/694015-12 (B)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vier mannen onder wie verdachte die beschuldigd werden van invoer van 4.050 kg cocaïne in 2003 en deelname aan een drugsorganisatie zijn vrijgesproken. De rechtbank acht de verklaringen van de getuigen over betrokkenheid van de vier bij het drugstransport onvoldoende betrouwbaar. Het overige bewijs is niet genoeg om tot een bewezenverklaring te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/520100-09 (A) en 13/694015-12 (B)

Datum uitspraak: 20 april 2016

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvende op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

1.1.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 8, 10, 15, 22 en 24 februari 2016 en 6 april 2016.

1.2.

De zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, zijn ter zitting van 22 mei 2012 gevoegd. De zaak met eerstgenoemd parketnummer wordt hierna zaak A en de zaak met laatstgenoemd parketnummer wordt hierna zaak B genoemd.

1.3.

De zaken tegen verdachte zijn gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met de zaken tegen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] .

1.4.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. C.J. Cnossen en H. Hoekstra (hierna: de officier van justitie) en van wat verdachte en zijn raadsman mr. B.Th. Nooitgedagt naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

2.1.

Aan verdachte is in zaak A – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij al dan niet in vereniging met een of meer anderen opzettelijk met een sleepboot ( [naam 1] ) cocaïne, die was verborgen in onopvallende compartimenten aan boord van die boot, vanuit Zuid-Amerika naar Nederland heeft vervoerd en zich aldus heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van de opzettelijke invoer van 4.050 kilogram cocaïne en/of handelingen heeft verricht ter voorbereiding en/of ter bevordering hiervan zoals contacten onderhouden, (telefonisch) afspraken maken, besprekingen houden, informatie verzamelen of verschaffen betreffende de boot (waarmee de drugs zouden worden vervoerd) en reizen maken om onder meer de ligplaats van de boot te achterhalen.

2.2.

In zaak B is aan verdachte – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer middelen, vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en het plegen van voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet.

2.3.

De officier van justitie heeft ter zitting meegedeeld dat de criminele organisatie zich heeft schuldig gemaakt aan de invoer van cocaïne met de schepen [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en de sleepboot [naam 1] .

2.4.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

3.1.

De verdediging heeft (in zaak A) aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat – zo begrijpt de rechtbank het verweer – gelet op de aanwijzingen die reeds in 2003 bekend waren betreffende de (mogelijke) betrokkenheid van verdachte bij het transport van de [naam 1] de politie reeds in 2003 of 2004 een opsporingsonderzoek tegen verdachte had kunnen en moeten starten en het Openbaar Ministerie hem eerder had kunnen en moeten vervolgen. Nu dat opsporingsonderzoek pas in 2009 is gestart en het vervolgens nog eens 7 jaar heeft geduurd voordat de zaak inhoudelijk kon worden behandeld, is geen sprake van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) omdat verdachte zich na al die jaren niet meer (adequaat en effectief) kan verdedigen.

3.2.

De rechtbank overweegt als volgt. Een van de factoren die nopen tot een voortvarende afhandeling van strafzaken, is de ongunstige invloed van het tijdsverloop op de beoordeling van de feiten als gevolg van de verbleking van de herinnering van – bijvoorbeeld – eventuele getuigen. De enkele omstandigheid dat door de dadenloosheid van de justitiële autoriteiten het opsporingsonderzoek en de vervolging pas jaren na het plegen van een misdrijf plaatsvinden, vormt echter geen grond voor het oordeel dat in de onderhavige zaak niet langer sprake zou zijn van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. De stelling dat dit wel zo is, vindt geen steun in het recht. Integendeel, de verjaringsregels bieden de verdachte bescherming tegen inactiviteit van politie en/of justitie, welke bescherming is versterkt door de wijziging van artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht bij de wet van 16 november 2005, Stb. 595, waardoor de termijn van verjaring ook na de stuiting van de verjaring aan een maximum is gebonden (Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578).

3.3.

De verdediging heeft (in zaak B) betoogd dat de officier van justitie niet kan worden ontvangen in de vervolging van verdachte omdat het Openbaar Ministerie jarenlang heeft getracht – en uiteindelijk met succes – het verhoor van [getuige 1] , de getuige op grond van wiens verklaring verdachte wordt beschuldigd van betrokkenheid bij drie grote cocaïnetransporten, door de verdediging te voorkomen. Door zijn handelwijze, het frustreren van het verhoor van [getuige 1] , heeft het Openbaar Ministerie doelbewust of in ieder geval met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte, afbreuk gedaan aan zijn recht op een eerlijk proces. Immers door toedoen van het Openbaar Ministerie is verdachte niet in staat geweest deze getuigenverklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen.

3.4.

De rechtbank stelt vast dat [getuige 1] niets belastend over verdachte heeft verklaard en volstaat met deze constatering.

3.5.

De slotsom is dat de verweren betreffende de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie worden verworpen en dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding

4.1.1.

Op 17 augustus 2003 om 23.25 uur vaart de zeesleper de [naam 1] de Nederlandse territoriale wateren binnen. De [naam 1] was onderweg naar Antwerpen met bestemming [naam 5] . Het is daar mogelijk een droogdok of ligplaats te huren waar met eigen bemanning de nodige werkzaamheden aan een boot of schip kunnen worden verricht. De loods die op 18 augustus 2003 aan boord is gekomen, acht de [naam 1] vanwege de slechte staat waarin zij verkeert niet zeewaardig en besluit niet door te varen naar Antwerpen, maar op de Rede van Vlissingen voor anker te gaan. Vervolgens vindt een douanecontrole plaats, die wordt stopgezet omdat bekend is geworden dat er mogelijk cocaïne aan boord is. Hierna wordt de [naam 1] naar Vlissingen gesleept en wordt de boot doorzocht. Uiteindelijk wordt op 20 augustus 2003 de toegang tot een verborgen ruimte gevonden. In een speciale dubbele wand achter een brandstoftank wordt een bergplaats aangetroffen met daarin 135 pakketten cocaïne. Het totaalgewicht betrof 4050 kilogram.

4.1.2.

In zaak A staat niet ter discussie dat in de ten laste gelegde periode 4.050 kg cocaïne in Nederland is ingevoerd en dat deze cocaïne verstopt zat in geheime compartimenten van de zeesleper de [naam 1] . De vraag is of verdachte bij die invoer betrokken is geweest zoals aan hem is ten laste gelegd.

4.1.3.

Uit onderzoek blijkt dat het Colombiaanse drugskartel [naam drugskartel] verantwoordelijk is voor het desbetreffende cocaïnetransport en dat deze criminele organisatie in de jaren daarvoor met de schepen de [naam 4] , de [naam 2] en de [naam 3] cocaïne naar Nederland heeft getransporteerd.

4.1.4.

In zaak B staat niet ter discussie dat in de ten laste gelegde periode verschillende cocaïnetransporten hebben plaatsgevonden en dat de cocaïne afkomstig was van het drugskartel [naam drugskartel] . De vraag in deze zaak is of verdachte heeft deelgenomen aan de (Nederlandse) criminele organisatie die zich bezighield met het invoeren van de cocaïne van [naam drugskartel] .

4.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

4.2.1.

De officier van justitie heeft in zaak A gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a Opiumwet en gevorderd verdachte vrij te spreken van (het medeplegen van) de invoer van de 4.050 kg cocaïne. In zaak B heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van het deelnemen aan een criminele organisatie voor zover het betreft de periode van 1 januari 2003 tot en met 24 augustus 2003, het [naam 1] -transport, en gevorderd verdachte van de andere transporten vrij te spreken.

4.2.2.

De officier van justitie heeft kort samengevat betoogd dat op grond van het volgende blijkt dat verdachte de invoer van cocaïne mede heeft voorbereid door contacten te onderhouden, afspraken te maken, inlichtingen uit te wisselen over onder meer een boot waarmee de cocaïne zou worden vervoerd en een reis te maken naar België om te kijken of de boot daar lag en dat verdachte door bovengenoemde activiteiten een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de door de criminele organisatie beoogde (voorbereiding) van de invoer van cocaïne en aldus aan de organisatie heeft deelgenomen.

  1. [persoon 1] verklaart dat verdachte samen met [persoon 2] de laatste week elke dag naar Antwerpen is gegaan om de boot te zoeken. Deze verklaring wordt ondersteund door de telefoongesprekken tussen [persoon 1] en [persoon 2] waarin wordt gesproken over “de kale”, in combinatie met de observaties en de observatiefoto van 22 augustus 2003, waarop verdachte en [persoon 2] te zien zijn. In het tapgesprek van 18 augustus 2003, waarin [persoon 1] informatie aan de Colombianen terugkoppelt en zegt: “Ze zijn daar naar toe(n) gegaan en er is niets... Ze komen eraan.” Dit gesprek bevestigt dat [persoon 2] niet in zijn eentje op pad ging.

  2. Uit het (telecom)onderzoek blijkt dat [persoon 2] en verdachte regelmatig telefonisch contact met elkaar onderhielden rond tijdstippen dat [persoon 2] ook (in persoon of telefonisch) contact had met [persoon 1] . De korte duur van de telefonische contacten tussen [persoon 2] en verdachte en de paallocatiegegevens in de woonomgeving van verdachte doen vermoeden dat [persoon 2] onderweg was naar verdachte, dan wel bij hem vandaan kwam.

  3. Verdachte wordt verder door de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] als compagnon van [medeverdachte 2] in de tijd van de [naam 1] omschreven. Verdachte zegt – als getuige bij de rechter-commissaris – dat hij in 2002 via [medeverdachte 2] in contact kwam met [persoon 1] en [medeverdachte 2] verklaart verdachte, [persoon 2] en [persoon 1] aan elkaar te hebben gekoppeld en zegt ook dat [verdachte] een paar keer is mee geweest met [persoon 2] om [persoon 10] aan te pakken.

  4. Verdachte komt voor op beide een-op-een-lijnen van de telefoons van [persoon 2] samen met [medeverdachte 1] en/of [persoon 1] . Ook staan zijn nummers in de zakagenda van [persoon 1] o.v.v. “ [bijnaam 1] ” vermeld en ook eenmaal o.v.v. “ [bijnaam 2] ” direct onder het nummer van [persoon 2] .

  5. De relatie tussen [medeverdachte 2] en verdachte bestond al lang voor de [naam 1] is begonnen, want [medeverdachte 2] verklaart hem sinds 1994/1995 te kennen en [getuige 1] (her)kent hem uit de periode tot het afbranden van de asielboot (2000) als xtc-contact van [medeverdachte 2] .

4.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft overeenkomstig zijn pleitaantekeningen vrijspraak bepleit. De raadsman heeft zich verder aangesloten bij het verweer van de verdediging van de medeverdachten dat de verklaringen van [getuige 2] en [persoon 1] onbetrouwbaar zijn en dus niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1.

Vrijspraak van het in zaak A ten laste gelegde (invoer 4.050 kg cocaïne)

4.4.1.1. [getuige 2]

Een van de pijlers waarop het Openbaar Ministerie zijn requisitoir heeft gebouwd, is de verklaring van [getuige 2] die volgens de officier van justitie kort gezegd inhoudt dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zich bezighielden met de invoer van (grote partijen) harddrugs en dat [medeverdachte 1] degene was die alles van boord haalde en regelde en dat verdachte de compagnon van [medeverdachte 2] was.

[getuige 2] is medio 2009 bij de politie in beeld gekomen tijdens het onderzoek genaamd Positano dat zich richtte op [medeverdachte 1] . Tijdens dat onderzoek is de woning van [persoon 2] doorzocht. Uit de internetgeschiedenis op diens computer bleek dat onder meer op [medeverdachte 1] gegoogeld was, vervolgens het artikel “Bonaire: [persoon 3] & [getuige 2] ” was opgezocht en ten slotte was gezocht naar onder anderen [medeverdachte 2] . Hierna is nader onderzoek gedaan naar (de relatie met) [getuige 2] . Inspecteur van politie [brigadier 1] , de teamleider van het onderhavige onderzoek Rex, heeft [getuige 2] gebeld en verteld dat de politie onderzoek deed naar [medeverdachte 1] en hem gevraagd of hij wat kon vertellen over [medeverdachte 1] en wat zijn relatie met [medeverdachte 1] was. [getuige 2] heeft meegedeeld dat hij wel wat kon vertellen. Hij wilde toen echter niet veel zeggen en wilde weten wat er speelde. Hij vertelde dat hij wel leuke, interessante informatie voor de politie had en dat hij de politie kon helpen. [brigadier 1] heeft in het desbetreffende telefoongesprek de namen van personen genoemd die in het onderzoek naar de 4.000 kilo voorkwamen en tegen [getuige 2] gezegd dat hij mogelijk getuige kon zijn.

[getuige 2] is vervolgens op 23, 24 en 25 november 2009 door de politie als getuige gehoord. Op 11 januari 2010 heeft brigadier van politie [brigadier 2] , nadat de voorlopige hechtenis van [medeverdachte 2] en verdachte door de rechtbank was opgeheven, contact opgenomen met [getuige 2] en hem uitgelegd dat de politie zijn betrouwbaarheid moest bevestigen. [getuige 2] heeft toen gezegd dat hij in 2002 een verklaring bij de politie had afgelegd en vervolgens het proces-verbaal waarin zijn verklaring stond naar de politie gefaxt. [getuige 2] is hierna op 23, 24, 25, 26 en 28 januari 2010 en op 4 februari 2010 wederom door de politie als getuige gehoord. In totaal heeft de politie 16 processen-verbaal van verhoor opgemaakt. Op verzoek van de verdediging is [getuige 2] op 25, 26 en 27 augustus 2010, op 14, 15, 16, 17 en 18 februari 2011 en op 10, 12 en 14 oktober 2011 door de rechter-commissaris als getuige gehoord. Ten slotte is [getuige 2] ter zitting van 8 februari 2016 als getuige gehoord. Hij heeft toen verklaard bij zijn eerdere verklaringen te blijven.

De verdediging heeft kort gezegd aangevoerd dat de verklaring van [getuige 2] niet als bewijs kan worden gebruikt omdat zowel [getuige 2] als zijn verklaring onbetrouwbaar is.

De officier van justitie heeft betoogd dat [getuige 2] weliswaar een motief had om uit boosheid belastend te verklaren over [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en dat dit betekent dat behoedzaam te werk dient te worden gaan bij het gebruik van zijn verklaring, maar dat die verklaring wel bijdraagt tot het bewijs. Dit heeft de officier van justitie als volgt onderbouwd. [getuige 2] heeft zijn wetenschap vooral uit een periode dat hij zeer goed bevriend was met [medeverdachte 2] en voor hem voor miljoenen aan (on)roerend goed in Spanje mocht aankopen. Hij kan over de criminele organisatie in algemene bewoordingen verklaren. [getuige 2] wist dat men bezig was met iets groots. Hij meende dat het om 1.000 kilogram cocaïne zou gaan. Ook zou [medeverdachte 2] volgens hem de boot zelf gaan kopen en keuren. [medeverdachte 2] heeft bevestigd dat [getuige 2] wel het een en ander van hem wist en was daarom ook bang dat [getuige 2] al eerder over hem zou hebben verklaard. Dat laatste bleek inderdaad het geval, want reeds in 2002 had [getuige 2] verklaard over de criminele groepering van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en verdachte, zonder daarbij in te gaan op een specifiek transport, aldus de officier van justitie.

[getuige 2] heeft ter zitting verklaard dat hij alles wat hij weet, van [medeverdachte 2] heeft gehoord. Hij heeft daar echter onmiddellijk aan toegevoegd dat hij ook van de zaak weet door ‘wat je in het nieuws hoort en wat je leest’ en dat hij het een en ander van andere mensen heeft gehoord. Ook tijdens zijn verhoren bij de rechter-commissaris heeft [getuige 2] verklaard dat hij het een en ander over deze zaak heeft gehoord of gelezen. De rechtbank merkt op dat na de vondst van de cocaïne in augustus 2003 van de tot dan toe grootste onderschepte partij het nodige hierover is gepubliceerd.

Onduidelijk is wat [getuige 2] van [medeverdachte 2] heeft gehoord en wat hij over de [naam 1] heeft gelezen in de krant of op het internet en/of heeft vernomen uit de media dan wel van anderen heeft gehoord. Duidelijk is wel dat hij tijdens de verhoren relevante informatie van de politie heeft gekregen. Zo is hem bijvoorbeeld tijdens een van de verhoren verteld dat het ging om 4.050 kilogram cocaïne en heeft de politie [getuige 2] op een vraag van hem om wat voor boot het ging, meegedeeld dat het ging om een zeesleper.

De slotsom is dat [getuige 2] niet al zijn informatie van [medeverdachte 2] heeft gekregen en in de jaren voorafgaand aan zijn verhoren op diverse manier kan hebben vergaard.

De rechter-commissaris die [getuige 2] als getuige heeft gehoord, heeft [getuige 2] meermalen moeten vragen hoe het zat met de boot ( [naam 1] ) en wat hij van [medeverdachte 2] had gehoord. Een duidelijk antwoord op die vraag ontbreekt. De rechter-commissaris heeft in de processen-verbaal die van de getuigenverhoren zijn opgemaakt onder meer opgemerkt dat het verhaal van [getuige 2] niet altijd even helder was, dat hij [getuige 2] soms niet kon volgen en dat het enige tijd en moeite kostte om duidelijkheid te krijgen, dat [getuige 2] heel snel antwoordde en hij hem meermalen heeft gevraagd de vraag af te wachten voordat hij met een antwoord kwam en dat de antwoorden van [getuige 2] veel onduidelijkheden opriepen. De rechtbank merkt op dat zij de bevindingen van de rechter-commissaris goed kan plaatsen. De gedachtegang van [getuige 2] is af en toe moeilijk te volgen. Tijdens het verhoor van [getuige 2] ter zitting kwam op (eenvoudige) concrete vragen niet zelden een vaag of onlogisch antwoord. Soms moest een vraag meermalen worden gesteld alvorens er een begrijpelijk antwoord kwam of gaf [getuige 2] al antwoord voordat de vraag was gesteld of reageerde hij door het maken van een vreemde associatie. De rechtbank kan zich door de manier van denken en antwoorden van [getuige 2] niet aan de indruk onttrekken dat [getuige 2] af en toe gewoon maar wat roept.

Inhoudelijk heeft het grootste gedeelte van de verklaringen van [getuige 2] geen (duidelijke) relatie met het ten laste gelegde transport van de [naam 1] en/of de ten laste gelegde criminele organisatie. Voor zover zijn verklaringen wel betrekking zouden (kunnen) hebben op het ten laste gelegde, zijn zij zo algemeen dat iedereen die over deze zaak heeft gelezen, ze zou hebben kunnen gemaakt. Specifiek over de ten laste gelegde invoer van 4.050 kilo cocaïne en criminele organisatie die achter dit transport en de andere transporten zat, heeft [getuige 2] verklaard het volgende van [medeverdachte 2] te hebben gehoord. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben 1 miljoen voor de boot betaald, de Zuid-Amerikanen hebben de 4.050 kilo cocaïne betaald en als de cocaïne in Europa zou aankomen, zouden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] eerst 1 miljoen dollar krijgen. [medeverdachte 1] zou de cocaïne van de boot halen, [verdachte] zorgde voor de beveiliging en [medeverdachte 2] had het geregeld. Over de aankoop van de boot (de [naam 1] ) heeft [getuige 2] verklaard dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] een boot nodig hadden, dat zij samen naar de Caraïben (Sint Maarten) zijn gevlogen, dat [medeverdachte 2] 1 miljoen dollar in een geldriem bij zich had en dat zij deze boot tegenkwamen en niet verder hebben gekeken. [getuige 2] heeft verder verklaard dat [medeverdachte 2] tegen hem heeft verteld dat hij de boot heeft gekocht, dat er drie motoren in zaten, dat een van die motoren het niet deed en dat hij de boot eigenlijk helemaal niet wilde hebben, maar dat hij deze toch heeft gekocht omdat hij onder druk werd gezet omdat de cocaïne ergens heen moest. Het van de boten halen van de cocaïne door [medeverdachte 1] , waarover [getuige 2] in 2002 ook heeft verklaard, vond volgens hem plaats op zee waarbij gebruik werd gemaakt van speedboten.

[getuige 2] heeft ook verklaard dat hij een foto van de [naam 1] heeft (gezien). Als hij inderdaad zou beschikken over een foto van de [naam 1] die is gemaakt tussen 2002 en augustus 2003 zou dat zijn verklaring ondersteunen, maar dat is vooralsnog niet gebleken hoewel [getuige 2] heeft aangeboden de foto die hij van [medeverdachte 2] zegt te hebben gekregen in Spanje te willen gaan halen. Het is echter wel opmerkelijk dat als [getuige 2] inderdaad over een foto van de [naam 1] beschikt(e), hij zich door de politie heeft moeten laten vertellen wat voor boot de [naam 1] was, namelijk een zeesleper. De rechtbank merkt daarbij op dat toen [getuige 2] dat hoorde, hij bij de politie informeerde of het ging om een boot van (sleepbedrijf) [bedrijf] . Tijdens de zitting heeft [getuige 2] op de vraag hoe de boot heette, verklaard dat [medeverdachte 2] hem had verteld dat de boot van de [firma 1] was en maakte hij de associatie met [naam 6] , de acteur die Tarzan speelde.

Wat daar ook van zij, de verklaring van [getuige 2] betreffende de aankoop van de [naam 1] rijmt niet met de resultaten van het rechtshulpverzoek aan Amerika, meer in het bijzonder de verklaring van [persoon 4] (pagina 10.9140 tot en met 10.960), die naar eigen zeggen tussen 2000 en 2003 voor [naam drugskartel] heeft gewerkt. Die verklaring houdt kort gezegd in dat het kartel op zoek was naar een boot met het idee om deze op een werf in Antwerpen te laten repareren om zo een legale bestemming te hebben, dat deze boot ergens in de rivier de Rio Magdalena in Colombia aan een ketting lag te verrotten en door het kartel zelf is aangekocht en dat de naam [naam 1] , [naam 1] , door het kartel zelf bedacht is en komt uit een boek over Griekse goden. Hij heeft ten slotte ook verklaard dat er geen Nederlanders in de boot hebben geïnvesteerd.

De verklaring van [getuige 2] dat de verdovende middelen die de (criminele organisatie van de) verdachten per boot vervoerden met speedboten van de desbetreffende boot werden gehaald en vervolgens aan land werden gebracht, een bekende manier van drugssmokkel (pagina 10.2526), strookt niet met het proces-verbaal van bevindingen betreffende de modus operandi van het Colombiaanse drugskartel waarmee de verdachten in zee zouden zijn gegaan. Uit de verschillende verklaringen van betrokkenen bij het drugskartel [naam drugskartel] blijkt immers dat de cocaïne per schip of boot naar Europa werd verscheept en dat het op een scheepswerf van boord werd gehaald.

De slotsom is dat de verklaringen van [getuige 2] weliswaar op onderdelen worden ondersteund door verklaringen van anderen, maar alleen op punten die geen betrekking hebben op het ten laste gelegde en zij die ondersteuning ontberen daar waar [getuige 2] zegt dat het over de [naam 1] gaat. Daar waar de verklaring van [getuige 2] over de [naam 1] gaat, is zij zelfs strijdig met de verklaring van een van de leden van het Colombiaanse drugskartel.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [getuige 2] , gelet op de omstandigheid dat [getuige 2] uit andere bronnen dan [medeverdachte 2] heeft geput, de wijze van verklaren door [getuige 2] en ten slotte de omstandigheid dat de (specifieke) verklaringen betreffende het ten laste gelegde niet worden ondersteund maar integendeel worden weersproken door de resultaten van het opsporingsonderzoek, niet kunnen meewerken tot het bewijs van het ten laste gelegde en als onvoldoende betrouwbaar terzijde moeten worden geschoven.

4.4.1.2. [persoon 1]

De andere pijler waarop het Openbaar Ministerie zijn bewijsvoering doet steunen, is de verklaring van [persoon 1] .

[persoon 1] , die zelf is veroordeeld wegens het medeplegen van de invoer van 4.050 kg cocaïne en het deelnemen aan de criminele organisatie die verantwoordelijk is voor de invoer van deze partij cocaïne, heeft belastend verklaard. Zijn (belastende) verklaring houdt kort gezegd in dat [medeverdachte 2] en zijn compagnon [medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ) de hoogste mannen in de Nederlandse organisatie waren, dat [medeverdachte 2] de opdrachtgever van het transport met de [naam 1] was en dat “ [verdachte] ” ( [verdachte] ) een soortgelijke rol vervulde als [persoon 2] door met hem in Antwerpen te zoeken naar de boot.

De verdediging heeft kort gezegd aangevoerd dat de verklaringen van [persoon 1] onbetrouwbaar zijn.

De officier van justitie heeft betoogd dat een Nederlandse organisatie betrokken is geweest bij de invoer van cocaïne met de [naam 1] en dat [persoon 1] het scharnier was tussen deze groep en het Colombiaanse kartel. Gelet op de centrale positie van [persoon 1] tussen deze groeperingen, de constatering dat hij op veel punten naar waarheid heeft verklaard en zijn eerste verklaringen over de leiders in Nederland die hij tot aan de verhoren bij de rechter commissaris heeft herhaald, consistent zijn, kan de verklaring van [persoon 1] gebruikt worden voor het bewijs, aldus de officier van justitie.

[persoon 1] is op 4 juni 2010 en op 19 maart 2013 als getuige door de rechter-commissaris gehoord. De rechter-commissaris heeft in het proces-verbaal van bevindingen van het getuigenverhoor onder meer opgemerkt dat [persoon 1] erg boos was en zei dat iedereen kon doodvallen en dat de getuige gaandeweg het verhoor nog bozer werd dan hij al was en ontplofte. De officier van justitie heeft bij het verhoor van 19 maart 2013 afgezien van het stellen van vragen omdat [persoon 1] boos was en steeds praatte over het onrecht dat hem was aangedaan.

Ter zitting van 10 februari 2016 heeft [persoon 1] zijn belastende verklaring ingetrokken en heeft hij zelfs ontkend deze te hebben afgelegd en heeft hij een zelfde soort litanie van klachten en beschuldigingen betreffende bijna alles en iedereen gehouden als bij de rechter-commissaris. Ook de rechters en raadsheren die hem hebben veroordeeld werden niet gespaard. Kort samengevat komt de bij tijd en wijle van iedere werkelijkheidszin ontblote verklaring van [persoon 1] erop neer dat iedereen tegen hem samenspant. De rechtbank volstaat met de opmerking dat er in deze zaak geen land te bezeilen is geweest met [persoon 1] en dat zowel zijn gedrag ter zitting als zijn wisselende verklaringen zijn geloofwaardigheid niet ten goede zijn gekomen.

[persoon 5] , een van de Colombianen van het Colombiaanse drugskartel met wie [persoon 1] contact had, heeft het volgende over hem verklaard. “[Hij] is een groot kind. Hij is groot van postuur en hij wil ook groot zijn van naam. Dat laatste lukt niet. Hij is explosief. Hij handelt eerst en denkt dan pas na. (…) [persoon 1] zat in de cocaïnehandel en in de marihuana. (…) Ik heb [persoon 1] in Medellin leren kennen. Hij was met een man, een Colombiaan van wie ik de naam niet meer weet. Hij was erg aanwezig. Hijzelf was groot en ook zijn bewegingen waren groot. Hij hield van de vrouwen en jij ging naar plekken waar je beter niet kunt komen. (…) Hij wilde iemand leren kennen die ik kende. Een aantal vrienden waarvan ik dacht dat het mijn vrienden waren. Ik heb het dan over de [naam drugskartel] . Dat was ook de reden dat [persoon 1] aan mij werd voorgesteld. (…) Ik heb [persoon 1] in contact gebracht met de [naam drugskartel] . Hun namen waren [persoon 6] en [persoon 7] . (…) [persoon 1] heeft alleen contact gehad met [persoon 6] . (…) Gelet echter op het feit dat [persoon 1] vanuit Nederland naar Colombia kwam om contact te maken met [naam drugskartel] ga ik ervan uit dat het te maken had met cocaïne. Van [persoon 1] weet ik dat hij zaken deed met [persoon 6] . Ik heb daarover met [persoon 1] gesproken. [persoon 1] regelde de zaken in Nederland. (…)”

[persoon 4] , ook lid van het kartel, heeft onder meer het volgende over [persoon 1] verklaard. “ [naam 7] stelde mij voor aan [persoon 5] . Dit is de man die ik eerder noemde, namelijk [persoon 5] . Deze [persoon 5] had contact bij een werf in Nederland. Hij heeft Nederlandse vrienden. (…) Hij werkte voor [persoon 6] . Nadat [persoon 6] zich terugtrok is vervolgens [naam 7] het contact geworden van [persoon 5] . (…)

V: Wie waren de contacten van [persoon 5] in Nederland? A: Een contact, de vriend van [persoon 5] , is naar Colombia toegekomen en ik heb hem gesproken. Er was een groep die naar Colombia kwam maar ik heb slechts een persoon gezien. (…) Hij sprak een beetje Spaans. (…) Onder ons noemden we hem [bijnaam 3] ( [bijnaam 3] ). (…) Om weer terug te gaan naar het gesprek dat ik met die Nederlander had. Ik heb die Nederlander de foto getoond van de sleper en ik heb ons idee met hem gedeeld. Ik kreeg van die Nederlander een papier met informatie over de werf zoals de naam, het telefoon en faxnummer van die werf. Aangezien het het idee was om het legaal te doen, middels een Colombiaans bedrijf dat contact zou hebben met de werf, wilde [persoon 8] een contract sluiten met een Nederlands bedrijf, o.b.v. de informatie van [bijnaam 3] . De gegevens van dit bedrijf kreeg ik van [persoon 5] . [persoon 8] legde vervolgens contact met die werf. De contacten tussen [persoon 8] en de werf gingen per fax. Dit contact werd later door [bijnaam 3] weer aan [persoon 5] bevestigd die het op zijn beurt via [persoon 9] aan mij bevestigde. Er kwam in ieder geval groen licht om het project door te zetten. (…) V: U verklaarde gisteren over de Nederlander [bijnaam 3] . (…) Wat besprak uzelf met [bijnaam 3] ? A: Ik heb hem de foto van de sleepboot laten zien. Hij gaf mij een papier van de werf, met telefoonnummers en dergelijke erop, alsmede daar waar het schip naartoe zou gaan in Nederland. We bespraken de reis van dit schip en dat het schip weer gerepareerd moest worden. [bijnaam 3] vertelde dat hetgeen hij in Nederland had, heel goed was. Hij gaf garanties daarover.”

Uit de verklaringen van de Colombianen komt naar voren dat het idee van de [naam 1] van de Colombianen afkomstig was en dat zij de zaken met [persoon 1] regelden. Deze verklaringen stroken niet met de rol die [persoon 1] zichzelf heeft toegedicht, die van boodschappenjongen die pas enkele weken voor aankomst van de [naam 1] werd ingeschakeld. Het is dan ook zeer de vraag of de opening van zaken die [persoon 1] heeft gegeven wel overeenstemt met de werkelijkheid. Zijn belastende verklaring roept in elk geval zoveel vragen op dat de rechtbank, mede gelet op zijn hiervoor geschetste gedrag ter zitting, daar niet op wil afgaan.

4.4.1.3. Het overige bewijs

Ten aanzien van het bewijs dat de verklaringen van [getuige 2] en [persoon 1] zou moeten ondersteunen, maar nu op zichzelf staat, overweegt de rechtbank het volgende. Dit overige bewijs bestaat kort samengevat uit telecomgegevens en het proces-verbaal van observatie van 22 augustus 2003. Verdachte heeft verklaard dat hij wel eens met [persoon 2] op stap is geweest in verband met incassowerkzaamheden maar dat dit in de buurt van Breda was. Zijn lezing wordt niet weerlegd door de bewijsmiddelen. De rechtbank is van oordeel dat, ongeacht of het telefoonnummer eindigend op # [nummer] , waarmee [persoon 2] een een-op-een-lijn onderhield, aan verdachte kan worden toegeschreven, niet boven redelijke twijfel is komen vast te staan dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan hetgeen hem wordt ten laste gelegd.

4.4.1.4. Conclusie

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan hetgeen hem wordt ten laste gelegd en zal hem daarvan vrijspreken.

4.4.2.

Vrijspraak van het in zaak B ten laste gelegde (criminele organisatie)

De rechtbank is – met de raadsman en de officier van justitie – van oordeel dat er geen bewijs is dat verdachte heeft deelgenomen aan de Nederlandse criminele organisatie die verantwoordelijk is voor de invoer van cocaïne met de schepen [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] . Uit hetgeen de rechtbank in zaak A heeft overwogen volgt dat zij ook niet bewezen acht dat verdachte heeft deelgenomen aan de Nederlandse criminele organisatie die verantwoordelijk is voor de invoer van de 4.050 kilo cocaïne met de [naam 1] . Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken.

5 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het in zaak A en B ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.J. Cohen Tervaert, voorzitter,

mrs. B. Vogel en A.B.M. Wijnveldt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 april 2016.