Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:2334

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-04-2016
Datum publicatie
11-05-2016
Zaaknummer
AMS - 15 _ 7697
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verwijst naar de hierboven genoemde uitspraak van de Afdeling van 26 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3415). Uit deze uitspraak volgt, dat vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf zich tot de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie kunnen wenden voor opvang in een vrijheidsbeperkende locatie (VBL). Uit de overgelegde uitspraken in de vreemdelingenprocedure van eisers volgt echter dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie eisers niet uit mogen zetten. Daarbij blijkt uit het dossier en het verhandelde ter zitting dat eisers onderdak hadden en hebben. Hieruit volgt dat de beroepsgrond van eisers dat niet van hun gevergd kan worden naar een VBL te gaan, hoewel op zichzelf aannemelijk, hier niet aan de orde is. De beroepsgrond faalt dan ook.

Eisers hebben niet onderbouwd dat zij voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van het FGV. De stukken die eisers hebben ingediend inzake de jeugdhulpverlening zijn daartoe onvoldoende, omdat dit geen medische situatie betreft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/7697

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2016 in de zaak tussen

[de vrouw] , eiseres,

mede namens haar minderjarige zoon [betrokkene], eiser,

beiden te Amsterdam,

(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. E.T. 't Jong).

Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een tijdelijke maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) afgewezen.

Bij besluit van 16 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2016. De rechtbank heeft de zaken AMS 15/6717, 16/2213, 15/7340, 15/7697, 15/6632, 15/7583, 15/7521, 16/116, 15/4949, 15/4856 en de aangehouden zaken 15/4870 en 15/5837 gevoegd behandeld.

Namens eisers heeft mr. W.G. Fischer de beroepen toegelicht. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. ’t Jong.

Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank de gevoegde zaken weer gesplitst.

Overwegingen

1.1.

Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1966, stelt afkomstig te zijn uit Suriname en heeft geen rechtmatig verblijf (meer) in Nederland. Op 9 februari 2015 heeft eiseres, mede namens haar zoon [betrokkene] , een melding en aanvraag ingediend om een tijdelijke maatwerkvoorziening. Eiseres heeft daarbij stukken in verband met jeugdhulpverlening aan haar zoon in de periode 2010-2012 overgelegd. Verweerder heeft het verzoek aangemerkt als een aanvraag om een maatwerkvoorziening als bedoeld in de Wmo 2015.

1.2.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen. In het primaire besluit is vermeld dat eiseres en haar zoon zich kunnen wenden tot de Dienst Terugkeer & Vertrek voor opvang in een Gezinsopvanglocatie. Eiseres heeft hiertegen, mede namens haar zoon, bezwaar gemaakt.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres met aanvulling van de motivering kennelijk ongegrond verklaard, omdat uit de aanvraag blijkt dat eiseres beschikt over een netwerk, waarmee opvang gerealiseerd kan worden totdat de verblijfsprocedure is afgerond en dat in de benodigde zorg wordt voorzien. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat het bestreden besluit ook voor eiseres’ zoon geldt en ook eiseres gaat daarvan uit. De rechtbank volgt partijen hierin.

3. Eisers stellen in beroep – samengevat – dat verweerder ten onrechte heeft volstaan zonder onderzoek te doen naar de noodzaak voor een maatwerkvoorziening. Het netwerk van eisers raakt overbelast. Eisers verwijzen ter onderbouwing naar de bij de aanvraag overgelegde stukken over de jeugdhulpverlening. Voorts maken eisers aanspraak op leefgeld bijvoorbeeld op grond van het FGV naar de norm van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva). Eisers stellen ten slotte dat van hun niet gevergd kan worden naar een VBL te gaan, omdat zij hangende de procedure inzake de aanvraag op grond van het kinderpardon niet uitgezet mogen worden. Eisers leggen ter onderbouwing uitspraken van hun vreemdelingenprocedure over van de rechtbank Den Haag en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

4.1.

Eiseres heeft verder een beroep gedaan op het bestaan van betalingsonmacht ten aanzien van de verplichting tot het betalen van griffierecht. Eiseres heeft geen verklaring omtrent inkomen en vermogen overgelegd.

4.2.

Gelet op het voorgaande en gelet op hetgeen de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 13 februari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:282) heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het beroep op betalingsonmacht dient te worden afgewezen, omdat eiseres geen ondertekende eigen verklaring omtrent de afwezigheid van vermogen heeft overgelegd. Eiseres heeft het voor onderhavige procedure verschuldigde griffierecht betaald.

5. Op grond van artikel 1.2.2 van de Wmo 2015 komt een vreemdeling voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening slechts in aanmerking indien hij rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.

6. De rechtbank wijst voorts op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) en de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 26 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3415, ECLI:NL:CRVB:2015:3803 en ECLI:NL:CRVB:2015:3834). Uit deze uitspraken blijkt dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie verantwoordelijk is voor de opvang van niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen en dat, anders dan voorheen, de door gemeenten getroffen specifieke opvangvoorzieningen voor niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen op wie het koppelingsbeginsel van toepassing is, niet (meer) worden aangemerkt als (maatschappelijke) opvang op grond van de Wmo 2015.

7. De besluitvorming van verweerder berust voor een deel op de Wmo 2015 en voor een deel op de bed-bad-broodvoorziening en het overig beleid van verweerder met betrekking tot vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf. De Raad heeft in zijn uitspraak van 24 februari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:622) overwogen dat, gelet op de hierboven aangehaalde uitspraak ECLI:NL:CRVB:2015:3834, niet hij maar de Afdeling bevoegd is kennis te nemen van hoger beroepen gericht tegen uitspraken die zien op de bed-bad-broodvoorziening en het (overige) gemeentelijke FGV-beleid. Daarom zal de rechtbank de gronden in verband met de Wmo 2015 en de gronden in verband met het verzoek om opvang en in verband met het beleid van verweerder ten aanzien van vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf afzonderlijk beoordelen.


Aanspraak op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015

8. Eisers hebben in afwachting van de procedure voor de verblijfsvergunning weliswaar rechtmatig verblijf in Nederland, maar kunnen gelet op het koppelingsbeginsel in artikel 1.2.2 van de Wmo 2015 desondanks geen aanspraak maken op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. Daarom was verweerder ook niet gehouden onderzoek te doen naar de noodzaak voor een maatwerkvoorziening.

9. De rechtbank zal het beroep voor zover het betreft de aanspraak op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 dan ook ongegrond verklaren.


Verzoek om opvang en aanspraken op grond van het beleid van verweerder

10. De rechtbank verwijst naar de hierboven genoemde uitspraak van de Afdeling van 26 november 2015. Uit deze uitspraak volgt, dat vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf zich tot de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie kunnen wenden voor opvang in een vrijheidsbeperkende locatie (VBL). Uit de overgelegde uitspraken in de vreemdelingenprocedure van eisers volgt echter dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie eisers niet uit mogen zetten. Daarbij blijkt uit het dossier en het verhandelde ter zitting dat eisers onderdak hadden en hebben. Hieruit volgt dat de beroepsgrond van eisers dat niet van hun gevergd kan worden naar een VBL te gaan, hoewel op zichzelf aannemelijk, hier niet aan de orde is. De beroepsgrond faalt dan ook.

11. Verweerder heeft beleid ontwikkeld voor vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf. Er is een bed-bad-broodvoorziening ingericht en opengesteld. Voorts kan grond van dit beleid een bepaalde categorie vreemdelingen een uitkering uit het FGV krijgen, te weten vreemdelingen met medische problematiek en juridisch perspectief.

12. Eisers hebben niet onderbouwd dat zij voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van het FGV. De stukken die eisers hebben ingediend inzake de jeugdhulpverlening zijn daartoe onvoldoende, omdat dit geen medische situatie betreft. Omdat het een aanvraagsituatie betreft, ligt het op de weg van eisers om hu aanspraken te onderbouwen. De enkele verwijzing naar een lijst met gevallen van vreemdelingen die wel een uitkering op grond van het FGV ontvangen is onvoldoende om een beroep op het gelijkheidsbeginsel te onderbouwen. Verweerder heeft daarom terecht besloten dat eisers niet in aanmerking komen voor een uitkering op grond van het FGV.

13. De rechtbank zal het beroep voor zover het betreft het verzoek om opvang en de aanspraken op grond van het beleid van verweerder dan ook ongegrond verklaren.


Proceskosten en griffierecht

14. Voor een veroordeling in de proceskosten of vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing I

De rechtbank verklaart het beroep voor zover het betreft aanspraak op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 ongegrond.

Rechtsmiddel I

Tegen dit deel van de uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Beslissing II

De rechtbank verklaart het beroep voor zover het betreft het verzoek om opvang en aanspraken op grond van het beleid van verweerder ongegrond.

Rechtsmiddel II

Tegen dit deel van de uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.


Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Otten, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2016.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: