Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:2134

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-04-2016
Datum publicatie
12-05-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 569
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ligplaatsvergunning; ponton en zes rondvaartboten; activiteiten ponton aangemerkt als watergebonden activiteiten in de zin van de VOB; beroep ongegrond.

Samenvatting:

Ligplaatsvergunning voor ponton en zes rondvaartboten door het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Zuid. Het ponton voldoet aan de begripsomschrijving van ‘bedrijfsvaartuig’ in de zin van de Verordening op het binnenwater 2010 (VOB). De rechtbank leest de bepalingen van artikel 2.3.1 van de VOB aldus dat een ligplaatsvergunning moet worden geweigerd als de situatie zich voordoet dat de andere benodigde vergunningen of ontheffingen niet kunnen worden verleend. Anders dan verweerder leest de rechtbank de toelichting bij de VOB aldus dat hieronder mede begrepen zijn omgevingsvergunningen. De situatie dat de ponton en de rondvaartboten niet vergunbaar zou zijn doet zich echter niet voor. De activiteiten die op het ponton plaatsvinden kunnen aangemerkt worden als watergebonden activiteiten in de zin van de VOB. Met de opslag van dranken ten behoeve van de passagiers op de rondvaartboten en het voorzien van een oplaadpunt inclusief alle voorzieningen die inpandig in het ponton geïnstalleerd zijn wordt immers de exploitatie van de rondvaartboten gefaciliteerd. Verweerder heeft in redelijkheid ligplaatsvergunningen voor onbepaalde tijd kunnen verlenen. Volgt ongegrondverklaring van het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/569

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 april 2016 in de zaak tussen

[de vrouw] , eiseres

[de man] , eiser,

beiden te Amsterdam,

(gemachtigde: mr. C.L. Knijff),

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Zuid van de gemeente Amsterdam, als rechtsopvolger van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuid, gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Peters).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

de besloten vennootschap Algemene Amsterdamse Rederij Noord-Zuid B.V. handelend onder de naam Blue Boat Company , te Amsterdam, de derde-partij,

(gemachtigde: mr. H.J.M. van Schie).

Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2014 (het primaire besluit I) heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuid van de gemeente Amsterdam een vergunning verleend om met een ponton en zes rondvaartboten ligplaats in te nemen ter hoogte van het adres [straatnaam] te Amsterdam.

Bij besluit van 16 september 2014 (het primaire besluit II) heeft verweerder de ligplaatsvergunning ingetrokken van de rondvaartboot ‘ [naam boot] ’ onder gelijktijdige verlening van een ligplaatsvergunning voor de rondvaartboot ‘ [naam boot] ’.

Bij besluit van 16 december 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2016. De zaak is gevoegd behandeld met zaaknummers AMS 12/6269 en AMS 15/572. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en door [werknemer] , werkzaam bij de derde-partij.

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

1.1

De rechtbank verwijst voor de relevante feiten en omstandigheden allereerst naar de overwegingen 1.1 en 1.2 van de uitspraak in de zaak AMS 12/6269. In aanvulling hierop neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

1.2

Op 15 juli 2011 is een aanvraag bij het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuid binnengekomen voor een ligplaatsvergunning voor een ponton en zes rondvaartboten. Eiseres heeft op 9 september 2011 een schriftelijke zienswijze ingediend. Op 16 oktober 2012 heeft de derde-partij een gewijzigde aanvraag ingediend. Bij het primaire besluit I heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuid vergunningen verleend aan de derde-partij om met de rondvaartboten “ [naam boot] ”, “ [naam boot] ”, “ [naam boot] ”, “ [naam boot] ”, “ [naam boot] ” en “ [naam boot] ”, alsmede een ponton met een lengte van 14,99 meter en een breedte van 4,50 meter en een hoogte van 1,31 meter (2,27 meter voor de opbouwen/toegangen tot het ruim) ligplaats in te nemen aan de [straatnaam] zoals aangegeven op de bij het bestreden besluit gevoegde en gewaarmerkte situatietekening. Bij het primaire besluit II heeft verweerder de ligplaatsvergunning ingetrokken van de rondvaartboot ‘ [naam boot] ’ onder gelijktijdige verlening van een ligplaatsvergunning voor de rondvaartboot ‘ [naam boot] ’.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de primaire besluiten onder aanvulling van de motivering in stand gelaten. Verweerder heeft hierbij deels het advies van de bezwaarschriftencommissie overgenomen.

3.1

Eisers voeren allereerst aan dat verweerder het ponton ten onrechte heeft aangemerkt als bedrijfsvaartuig en niet als object in de zin van de Verordening op het binnenwater 2010 (VOB). Ter vergelijking wordt verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank van 29 april 2014 (ECLI:N:RBAMS:2014:2238), waarin ten aanzien van een pontonboot eveneens werd geoordeeld dat het ging om een object. Het beoordelingskader voor een ligplaatsvergunning voor een object is gelet op het bepaalde in artikel 2.5.2 van de VOB strikter, in die zin dat slechts een ligplaatsvergunning kan worden verleend als de overige vereiste vergunningen of ontheffingen zijn verleend.

3.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de systematiek van de VOB voortvloeit dat als iets als bedrijfsvaartuig kan worden aangemerkt, hetgeen voor het ponton het geval is, het niet tevens onder de restcategorie object kan worden ondergebracht. Volgens verweerder wordt het ponton gebruikt voor de uitoefening van de rederij. Daarom is dit aan te merken als bedrijfsvaartuig.

3.3

Ingevolge artikel 2.2.1, sub b, van de VOB wordt onder bedrijfsvoertuig verstaan een vaartuig, daaronder begrepen een object te water, niet zijnde een zeeschip, binnenschip of dienstvaartuig, hoofdzakelijk gebruikt voor de uitoefening van een reëel bedrijf of beroep dan wel voor de uitoefening van sociaal-culturele activiteiten. Onder het begrip object – zie onder e – wordt verstaan een al dan niet drijvend voorwerp of vaartuig dat in, op of boven het water is aangebracht of gemeerd en dat niet behoort tot enig andere in dit hoofdstuk genoemde categorie. Het ponton voldoet naar het oordeel van de rechtbank aan de begripsomschrijving van ‘bedrijfsvoertuig’. De vergelijking met een door eisers aangehaalde zaak gaat niet op, omdat het in die zaak ging om het onderscheid ‘pleziervaartuig’ en ‘object’. Het geschil draaide in die zaak om de vraag vanaf welk moment de pontonboot was voorzien van een motor en stuurinrichting. Die uitspraak ziet dus op een ander soort geval. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het ponton niet kan worden aangemerkt als object in de zin van artikel 2.2.1, sub e, van de VOB. Verweerder heeft dan ook terecht toepassing gegeven aan de criteria uit artikel 2.4.1 van de VOB. Het betoog faalt.

4.1

Eisers voeren in beroep verder aan dat verweerder ten onrechte het tweede lid van artikel 2.3.1 van de VOB aan de besluitvorming ten grondslag heeft gelegd. Het derde lid van genoemd artikel is van toepassing, aldus eisers. Hieruit vloeit voort dat de ligplaatsvergunning in redelijkheid niet verleend kan worden alvorens de omgevings-vergunning is verleend dan wel duidelijk is dat deze zal worden verleend. Ten tijde van de besluitvorming bestond er een planologische strijdige situatie. Dit komt omdat het ponton niet binnen het bestemmingsplan past. Voorts vallen de rondvaartboten gedeeltelijk buiten het functieaanduidingsvlak ‘specifieke vorm van water – rondvaartboot’, ‘ligplaats’en ‘specifieke vorm van water – bedrijfsboot’, indien zij worden aangemeerd zoals weergegeven op de kaart. Daarnaast was er geen omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen ten aanzien van het ponton, zodat het ook om deze reden illegaal was gerealiseerd. Dat voor het ponton op 20 november 2014 een aanvraag omgevingsvergunning is ingediend, was ten tijde van het bestreden besluit onvoldoende om tot het oordeel te komen dat de vergunning zou worden verleend. Verwezen wordt naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1314) en van 20 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2022). Er bestonden aanwijzingen dat de omgevingsvergunning voor het strijdig gebruik van het ponton niet in redelijkheid kon worden verleend, in verband met de belangen van eisers en de voorgenomen uitwerking van de ‘Nota varen in Amsterdam 2.1’. De overschrijding van het bestemmingsvlak door de rondvaartboten is voorts niet gering en creëert een nautische onveilige situatie. Het bestemmingsvlak, zoals onherroepelijk vastgesteld in de bestemmingsplanprocedure met de uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:519), dient in het licht van de nautische veiligheid strikt te worden gehanteerd. Overigens wordt door eiseres bestreden dat de nautische situatie in de bestemmingsplanprocedure juist is beoordeeld. Dit strijdige gebruik met de rondvaartboten wordt volgens eiseres niet beschermd door het gebruiksovergangsrecht.

4.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het toetsingskader het tweede lid van artikel 2.3.1. van de VOB is. Voor zover al aan het derde lid zou dienen te worden getoetst, bestond er geen reden om te veronderstellen dat de situatie uit het derde lid zich voordeed, omdat blijkens de toelichting op artikel 2.3.1 van de VOB onder het begrip overige vergunningen of ontheffingen dient te worden verstaan vergunningen die worden verstrekt op basis van bijvoorbeeld de Keur AGV of de Waterwet. Daarmee wordt voorkomen dat er een onduidelijke situatie voor de burger ontstaat, te weten, dat deze van Waternet wel een ligplaatsvergunning krijgt, maar niet de benodigde Keurvergunning. Verder wordt de overschrijding van het bestemmingsvlak door de rondvaartboten beschermd door het overgangsrecht. Voor de oprichting van het ponton was ten tijde van het bestreden besluit een omgevingsvergunning aangevraagd. Ook het ponton valt onder het gebruiksovergangsrecht.

4.3

In artikel 2.3.1 van de VOB is het volgende bepaald:

1. Het is verboden, zonder of in afwijking van een vergunning van het college met een woonboot ligplaats in te nemen. De vergunning is persoons- ligplaats- en vaartuiggebonden.

2. De vergunning kan worden geweigerd in het belang van de welstand, ordening, de veiligheid, het milieu, het bestemmingsplan en de vlotte en veilige doorvaart.

3. De vergunning kan alleen worden verleend, indien de overige vergunningen of ontheffingen zijn of worden verleend.

4.4

De rechtbank leest deze bepalingen van de VOB aldus dat een ligplaatsvergunning moet worden geweigerd als zich de situatie voordoet dat de andere benodigde vergunningen of ontheffingen niet kunnen worden verleend. Anders dan verweerder leest de rechtbank de toelichting op de VOB aldus dat hieronder mede begrepen zijn omgevingsvergunningen. Dat vergunningen in het kader van de Keur en de Waterwet als voorbeelden worden genoemd, maakt nog niet dat omgevingsvergunningen niet onder het derde lid begrepen kunnen zijn. De situatie dat het ponton en de rondvaartboten niet vergunbaar zouden zijn, doet zich echter naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet voor. Voor zover eisers met de verwijzing naar de hiervoor vermelde uitspraken van de Afdeling willen aanvoeren dat een enkele aanvraag omgevingsvergunning onvoldoende is, overweegt de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van heden met kenmerk AMS 12/6269, dat het ponton ten tijde van het bestreden besluit legaliseerbaar was. Overigens is de omgevingsvergunning voor het ponton inmiddels op 18 februari 2015 van rechtswege verleend.

4.5

Ten aanzien van de zes rondvaartboten bestond evenmin de situatie dat hiervoor een vergunning vereist was die niet zou worden verleend. Het bestemmingsplan voorziet in zes rondvaartboten. Voor zover het bestemmingsvlak al zou worden overschreden, was niet op voorhand duidelijk dat hiervoor geen vergunning zou kunnen worden verleend. De nautische veiligheid staat daar in ieder geval niet aan in de weg. De Afdeling heeft bij haar uitspraak van 31 juli 2013 op het beroep tegen de vaststelling van het bestemmingsplan in rechtsoverweging 14.1 geoordeeld dat het ponton en de steigers niet in het doorvaartprofiel zijn gelegen en dat “vanwege het ingestelde ontmoetingsverbod […] de deelraad zich terecht op het standpunt stelt dat Blue Boat Company met haar ligplaatsen en objecten in het water geen engte creëert die onverenigbaar is met het Binnenvaartpolitiereglement. Voorts heeft de deelraad vanwege het ingestelde ontmoetingsverbod afwijking van de minimaal aan te houden vrije vaarweg van 13 m voor die delen van de [gracht] waar aan de steiger van Blue Boat Company ligplaats wordt ingenomen, gerechtvaardigd kunnen achten, nog daargelaten de vraag of de deelraad gebonden is aan het Uitwerkingsbesluit Doorvaartprofielen dat beleid is van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam”. Anders dan eisers is de rechtbank van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om te veronderstellen dat het onderzoek naar de nautische veiligheid niet deugdelijk zou hebben plaatsgevonden. De nautische veiligheid is reeds in de bestemmingsplanprocedure door Waternet feitelijk onderzocht, waarbij Waternet ook ter plaatse is geweest, hetgeen eisers niet hebben bestreden. Dat zij de foto’s niet representatief vinden, doet hieraan niet af. Voor zover er sprake is van een overschrijding van het bestemmingsvlak, hebben eisers onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze dusdanig is dat de nautische veiligheid thans wel in geding zou zijn. In het overige wat door eisers is aangevoerd ziet de rechtbank evenmin aanleiding om belemmeringen aan te nemen voor de vergunbaarheid van de activiteiten onder de Wabo.

5.1

Volgens eisers zijn de activiteiten die in en op het ponton plaatsvinden niet per definitie watergebonden, zodat niet wordt voldaan aan het vereiste van artikel 2.4.1, vijfde lid, van de VOB. Volgens eisers valt niet in te zien dat dat de opslag van dranken/de bevoorrading van de rondvaartboten niet vanaf de wal zou kunnen plaatsvinden. Eisers verwijzen naar de bedrijfsvoering van andere rederijen.

5.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de beroepsgrond dat de activiteiten op het ponton niet watergebonden zouden zijn op grond van artikel 8:69 van de Awb buiten de omvang van het geding valt, omdat dit in bezwaar niet is aangevoerd. Verder valt ook niet in te zien dat de activiteiten op het ponton – catering ten behoeve van de rondvaartboten en het fungeren als oplaadpunt – niet watergebonden zouden zijn. Namens derde-partij is ter zitting een nadere toelichting gegeven op de activiteiten die op het ponton plaatsvinden.

5.3

De rechtbank ziet aanleiding om inhoudelijk op deze beroepsgrond in te gaan. Niet valt in te zien dat een ligplaatsvergunning valt te splitsen in besluitonderdelen. Het beroep op de trechterwerking van artikel 8:69 van de Awb gaat dan ook niet op. Anders dan eisers is de rechtbank evenwel van oordeel dat de activiteiten die op het ponton plaatsvinden aangemerkt kunnen worden als watergebonden activiteiten in de zin van artikel 2.4.1, vijfde lid, van de VOB. Met de opslag van dranken ten behoeve van de passagiers op de rondvaartboten en het voorzien in een oplaadpunt inclusief alle voorzieningen die inpandig in het ponton zijn geïnstalleerd wordt immers de exploitatie van de rondvaartboten gefaciliteerd. De enkele omstandigheid dat dit soort activiteiten op zich ook aan wal zouden kunnen worden uitgeoefend en bij andere rederijen inderdaad aan wal plaatsvindt, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om anderszins te oordelen.

6.1

Eisers voeren ten slotte aan dat verweerder gelet op zijn beleid, de nota ‘Varen in Amsterdam’ (de Nota), in redelijkheid geen ligplaatsvergunning voor onbepaalde tijd heeft kunnen verlenen voor de zes rondvaartboten. Naar aanleiding van dit beleid zijn alle exploitatievergunningen voor onbepaalde tijd ingetrokken voor rondvaartboten langer dan 14 meter. De rondvaartboten van derde-partij zijn ook langer dan 14 meter. Met het verlenen van ligplaatsvergunningen voor onbepaalde tijd kan de beoogde verandering van het systeem niet plaatsvinden. Verder wordt erop gewezen dat gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 1 oktober 2015 (zaaknummer C-340/14 en C-341/14, ECLI:EU:C:2015:641) rondvaartboten onder de werking van de Dienstenrichtlijn vallen. Vanwege het onvoorwaardelijke karakter van de vergunningen werden de exploitatievergunningvoorwaarden strijdig geacht met voornoemde richtlijn. De exploitatievergunning en ligplaatsvergunning hangen nauw met elkaar samen. De wijzigingsbevoegdheid zoals verwoord in artikel 1.2.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de VOB biedt onvoldoende waarborg dat de ligplaatsvergunning wordt gewijzigd of ingetrokken wanneer de exploitatievergunning expireert.

6.2

Volgens verweerder missen de Nota en de daarop gebaseerde beleidsregels Regeling Passagiersvaart Amsterdam 2013 (RPA 2013) toepassing bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de ligplaatsvergunningen. De Nota en de RPA 2013 zien namelijk uitsluitend op de uitgifte van exploitatievergunningen. Daarbij komt dat op voorhand niet kan worden uitgesloten dat wanneer de exploitatievergunning in 2020 expireert derde-partij weer in aanmerking komt voor een nieuwe exploitatievergunning. Niet valt in te zien waarom derde-partij op dat moment weer een nieuwe ligplaatsvergunning moet aanvragen, terwijl ook niet duidelijk is welk belang van eisers hiermee wordt gediend.

6.3

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende overtuigend gemotiveerd waarom geen vergunning voor bepaalde tijd is verleend voor de rondvaartboten. Verder biedt artikel 1.2.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de VOB de mogelijkheid tot wijziging en intrekking van de vergunning. Het standpunt van eisers dat dit artikel een voor hen in de toekomst slechts een theoretische mogelijkheid biedt, acht de rechtbank op dit moment niet relevant. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid ligplaatsvergunningen voor onbepaalde tijd kunnen verlenen. Het betoog faalt.

7. Het beroep is ongegrond

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Evenmin bestaat aanleiding voor vergoeding door verweerder van het door eiseres betaalde griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzitter, en mrs. P.H.A. Knol en A.W.C.M. van Emmerik, in aanwezigheid van mr. F.K. van Wijk, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 april 2016.

griffier

voorzitter

de griffier is buiten staat te tekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.