Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:2037

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-02-2016
Datum publicatie
18-04-2016
Zaaknummer
C/13/576907 / HA ZA 14-1136 (tussenvonnis 2)
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vonnis na tussenvonnis. Terugkomen op bindende eindbeslissing in tussenvonnis? Aanvang verjaringstermijn en aanvang meldingsplicht bij ongevallenverzekering (blijvende invalideiteit). In dit geval geen verjaring en geen schending van de meldingsplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/576907 / HA ZA 14-1136

Vonnis van 24 februari 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat voorheen mr. N. Entzinger, thans mr. W. Langhout,

tegen

1. de naamloze vennootschap

ALLIANZ BENELUX N.V.,

gevestigd te Brussel(België),

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 2] ,

gevestigd te [plaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer.

Eiser zal hierna [eiser] genoemd worden. Gedaagden zullen hierna gezamenlijk verzekeraars genoemd worden en afzonderlijk Allianz en [gedaagde sub 2] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 1 juli 2015 (hierna: het tussenvonnis),

  • -

    de akte van verzekeraars van 29 juli 2015 met producties,

  • -

    de akte van [eiser] van 26 augustus 2015 met producties,

  • -

    de akte uitlaten producties van verzekeraars van 9 september 2015,

  • -

    de akte van [eiser] van 21 oktober 2015.

1.2.

Daarna is wederom vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Bij tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de vordering van [eiser] niet is verjaard.

2.2.

Voorts heeft de rechtbank partijen bij tussenvonnis in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de vraag of sprake is van een tekortschieten van [eiser] in zijn verplichting als vermeld in artikel 3.1.b. van de polisvoorwaarden. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat niet als vaststaand aangenomen kan worden dat verzekeraars in het bezit zijn gesteld van een volledig ingevuld en ondertekend schademeldingsformulier. Echter, zo vervolgt de rechtbank in het tussenvonnis, anders dan partijen (lijken te) veronderstellen, kan op basis hiervan niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat [eiser] de verplichting uit artikel 3.1.b. van de polisvoorwaarden niet heeft nageleefd. In dat artikel is immers opgenomen dat verzekerde verplicht is een ongeval bij ABN Amro te melden, en dus niet – zoals partijen (lijken te) veronderstellen – direct bij verzekeraars. In afwachting van de te nemen aktes is iedere verdere beslissing aangehouden.

Nieuwe producties

2.3.

Over en weer hebben partijen bij hun aktes nieuwe producties ingebracht. Voor zover partijen dat al hebben willen aanvoeren, ziet de rechtbank in de gegeven omstandigheden, mede gelet op de toelichting die beide partijen hebben gegeven voor het late moment van het indienen van de producties, geen aanleiding de stukken buiten beschouwing te laten.

Verjaring?

2.4.

Bij hun aktes hebben verzekeraars de rechtbank verzocht terug te komen op de in het tussenvonnis genomen beslissing ten aanzien van de verjaring. [eiser] heeft zich hiertegen verzet.

2.5.

De rechtbank overweegt als volgt. Bij tussenvonnis is uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist dat de vordering eerst in 2012 opeisbaar is geworden en dat, nu [eiser] in 2014 verzekeraars heeft verzocht onder de collectieve ongevallenverzekering uit te keren, van verjaring door verloop van de verjaringstermijn van vijf jaren geen sprake is, met als gevolg dat het beroep op verjaring wordt verworpen. De rechtbank heeft hiermee een bindende eindbeslissing gegeven. Voor dergelijke beslissingen geldt de hoofdregel dat daarvan in dezelfde instantie niet meer kan worden teruggekomen. Dit kan anders zijn indien de beslissingen berusten op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, dan wel de eisen van een goede procesorde om een andere reden meebrengen dat de rechter zijn eindbeslissing heroverweegt.

2.6.

Verzekeraars stellen ter onderbouwing van hun verzoek aan de rechtbank om terug te komen op de beslissing in het tussenvonnis, dat zij onverwacht na het tussenvonnis van ABN Amro de beschikking hebben gekregen over nieuwe stukken. Uit die stukken blijkt volgens verzekeraars dat de toenmalige werkgever van [eiser] op 22 mei 2008 telefonisch aan ABN Amro heeft gemeld dat [eiser] weer volledig aan het werk was en dat van blijvende invaliditeit geen sprake was, met het bericht daarbij namens [eiser] dat het dossier kon worden gesloten. Bij brief van 29 mei 2008 is daarop (door ABN Amro) aan [eiser] (onder meer) gemeld dat het dossier inzake het bedrijfsongeval van [eiser] zal worden gesloten. Volgens verzekeraars is op dat moment een nieuwe verjaringstermijn aangevangen, met als gevolg dat de vordering in 2014, toen [eiser] aanspraak maakte op dekking onder de ongevallenverzekering, was verjaard.

2.7.

De stellingen van verzekeraars komen er op neer, zo stelt de rechtbank vast, dat de beslissing in het tussenvonnis berust op een onjuiste (want onvolledige) feitelijke grondslag. De rechtbank ziet in de gegeven omstandigheden aanleiding om op de in het tussenvonnis genomen eindbeslissing terug te komen, in die zin dat zij het beroep op verjaring zal herbeoordelen met inachtneming van de door verzekeraars bij hun akte nieuw ingebrachte stukken. Anders dan verzekeraars betogen, leidt dit evenwel niet tot een andere uitkomst. Ook met inachtneming van de nieuw opgekomen stukken blijft de conclusie dat de vordering van [eiser] eerst in 2012 opeisbaar is geworden. Eerst toen is [eiser] er immers mee bekend geworden dat sprake was van (enige mate van) blijvende invaliditeit, met als gevolg dat, nu de verzekering (enkel) dekking biedt voor blijvende invaliditeit (en overlijden), [eiser] tot dat onderzoek ook niet met de dekking onder de collectieve ongevallenverzekering bekend was (zie r.o. 4.4 van het tussenvonnis). Dit wordt ook onderstreept door het feit dat [eiser] blijkens het dossier vóór 2012 nimmer aanspraak heeft gemaakt op uitkering onder de verzekering. Er is voordien enkel, in december 2007, door de toenmalige werkgever van [eiser] (als verzekeringnemer) melding van het ongeval bij ABN Amro / verzekeraars gedaan. Blijkens de door verzekeraars bij hun aktes overgelegde producties is na die melding door de werkgever bij herhaling door ABN Amro (namens verzekeraars) navraag gedaan over de aard van het letsel van [eiser] om zodoende inzicht te krijgen over de vraag of sprake was van blijvende invaliditeit. Toen ABN Amro vervolgens in mei 2008 via de werkgever van [eiser] had vernomen dat [eiser] op dat moment weer volledig aan het werk was en er van blijvende invaliditeit geen sprake was, is het dossier door verzekeraars gesloten.

2.8.

Anders dan verzekeraars betogen, wordt de conclusie dat de verjaringstermijn eerst in 2012 is aangevangen niet anders door het feit dat uit het proces-verbaal van de Arbeidsinspectie blijkt dat [eiser] op 9 mei 2007 met (de opdrachtgever van) zijn toenmalige werkgever over een schadevergoeding heeft gesproken. Uit deze enkele omstandigheid kan immers niet worden afgeleid dat [eiser] reeds voor 2012 ermee bekend was dat sprake zou zijn van blijvende invaliditeit. Hierbij is van belang dat ook de medici voor 2012 er vanuit gingen dat de klachten van [eiser] van tijdelijke aard waren. Voorts geldt dat [eiser] direct na het ongeval voor de duur van vier maanden is uitgevallen, waarna hij weer volledig aan het werk is gegaan. Dat het gesprek in mei 2007 betrekking had op een schadevergoeding in verband met deze tijdelijke tijdelijke klachten, zoals [eiser] stelt, en waarvoor hij zijn werkgever op grond van artikel 7:658 BW ook aansprakelijk heeft gesteld, is dan ook aannemelijk en door verzekeraars bovendien niet (voldoende) gemotiveerd weersproken.

2.9.

De conclusie is aldus dat de vordering van [eiser] niet is verjaard, zodat het beroep op verjaring wordt verworpen.

Te late melding?

2.10.

Op basis van de inhoud van de aktes van partijen stelt de rechtbank vast dat thans tussen partijen niet langer in geschil is dat [eiser] , in navolging van het verzoek van verzekeraars per brief van 18 december 2007, het ongevalsaangifteformulier in maart 2008 met tussenkomst van zijn voormalig werkgever aan ABN Amro heeft doen toekomen, waarna ABN Amro het in het bezit van verzekeraars heeft gesteld. Hiermee staat vast dat het (aanvankelijke) verweer van verzekeraars dat [eiser] zijn verplichtingen uit artikel 3.1.b van de polisvoorwaarden heeft geschonden omdat geen ongevalsaangifteformulier zou zijn ingediend, niet opgaat en derhalve (voor zover dat verweer door verzekeraars al is gehandhaafd) wordt verworpen.

2.11.

In hun aktes na het tussenvonnis hebben verzekeraars gesteld dat [eiser] het ongeval te laat bij verzekeraars heeft gemeld en dat verzekeraars daardoor in hun belangen zijn geschaad. Volgens verzekeraars is op grond hiervan sprake van schending van de verplichting van [eiser] uit artikel 3.1.b. van de verzekeringsovereenkomst (zie aangehaald onder r.o. 2.2 van het tussenvonnis) met als gevolg dat het recht op uitkering is komen te vervallen. [eiser] betwist dat hij het ongeval te laat heeft gemeld en voert voorts aan dat, voor zover van een te late melding al sprake zou zijn, verzekeraars daardoor niet in hun belangen zijn geschaad.

2.12.

De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 7:941 lid 1 BW is het volgende bepaald: “Zodra de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde van de verwezenlijking van het risico op de hoogte is, of behoort te zijn, is hij verplicht aan de verzekeraar de verwezenlijking te melden. Dit geschiedt zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is.”. Artikel 7:943 lid 2 BW bepaalt dat van deze bepaling niet ten nadele van de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde kan worden afgeweken. De voorliggende verzekering ziet op dekking bij blijvende invaliditeit (of overlijden). Het risico als bedoeld in artikel 7:941 lid 1 BW betreft in dit geval dus blijvende invaliditeit (of overlijden). Met [eiser] is de rechtbank van oordeel dat [eiser] in de gegeven omstandigheden niet eerder dan in 2012 (toen hij door prof. dr. Ten Duis werd onderzocht) met de verwezenlijking van de blijvende invaliditeit op de hoogte is geraakt noch behoorde te zijn. Vóór 2012 gingen immers ook de medici ervan uit dat de klachten van [eiser] van tijdelijke aard waren. Anders dan verzekeraars stellen is de meldingsplicht van [eiser] dus niet al in 2007 aangevangen, maar eerst in 2012. Het verweer van verzekeraars dat [eiser] geen aanspraak kan maken op dekking onder de polis omdat hij het voorval te laat aan verzekeraars heeft gemeld, faalt dan ook. De discussie tussen partijen over het antwoord op de vraag of verzekeraars door de te late melding in hun belangen zijn geschaad, kan hiermee in het midden worden gelaten.

Gedekt voorval?

2.13.

Nu het beroep op verjaring en het verweer met betrekking tot de te late melding falen, dient te worden geoordeeld of – zoals tussen partijen ter discussie staat – sprake is van een gedekt voorval in de zin van artikel 1.3 van de polisvoorwaarden. In artikel 1.3 van de polisvoorwaarden is het begrip “ongeval” als volgt gedefinieerd: “Een plotselinge, onmiddellijke inwerking van geweld op of in het lichaam van de verzekerde, welke inwerking een geneeskundig vast te stellen lichamelijk letsel veroorzaakt dat (…) blijvende lichamelijke en/of geestelijke invaliditeit ten gevolge heeft.”

2.14.

[eiser] stelt dat van een “ongeval” in de zin van artikel 1.3 van de polisvoorwaarden sprake is en heeft ter onderbouwing daarvan verschillende producties overgelegd.

2.15.

Verzekeraars betwisten dit en voeren aan dat van een plotselinge, onmiddellijke inwerking van geweld op of in het lichaam van [eiser] geen sprake is geweest en, als dat wel al het geval is, dat niet geneeskundig is vastgesteld dat dit lichamelijk letsel heeft veroorzaakt. Voorts stellen verzekeraars dat, als al sprake is van (geneeskundig vastgesteld) lichamelijk letsel, niet is vastgesteld dat dit blijvende invaliditeit ten gevolge heeft gehad. Zij wijzen er hierbij onder meer op dat [eiser] tot bijna drie jaar na het ongeval heeft gewerkt. Voorts benadrukken zij dat eerst in het rapport van de verzekeringsgeneeskundige van 21 februari 2013 de klachten in relatie worden gebracht met de stroomstoot in 2007. Dit echter zonder toe te lichten en te onderbouwen waarop die relatie berust. Opvallend is volgens verzekeraars dat [eiser] te kampen heeft met een tumor waarvan zonder verklaring of toelichting wordt gesteld dat die niet verantwoordelijk is voor de geuite klachten. Ter betwisting van de causaliteit tussen de elektrocutie en de beschreven klachten wijzen verzekeraars voorts op een door hen overgelegde brief van 12 mei 2015 van [verzekeringsarts] . Tot slot merken verzekeraars op dat ingevolge de polisvoorwaarden het lichamelijk letsel dat blijvende invaliditeit tot gevolg zou hebben moet blijken uit door verzekeraars op te dragen onderzoek en dient te geschieden volgens objectieve maatstaven, overeenkomstig de AMA-guide.

2.16.

De rechtbank overweegt dat, nu [eiser] zich beroept op de rechtsgevolgen van de stelling dat sprake is van een gedekt ongeval het aan hem is om dit gemotiveerd te stellen en bij betwisting te bewijzen. Mede gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door verzekeraars, onder meer aan de hand van de brief van de verzekeringsarts waarin de causaliteit tussen het voorval in 2007 en de klachten van [eiser] wordt betwist, kan thans op basis van de door [eiser] ingebrachte stukken niet als vaststaand worden aangenomen dat van een gedekt voorval in de zin van artikel 1.3 van de polisvoorwaarden sprake is. Ter comparitie heeft de raadsvrouw van [eiser] uitdrukkelijk aangeboden het gerechtelijk (concept-)expertiserapport in het geding te brengen dat zij kort na de comparitie verwachtte in een procedure tussen [eiser] en zijn voormalig werkgever (waarin de voormalig werkgever op de voet van artikel 7:658 BW door [eiser] aansprakelijk is gesteld). De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding ieder van partijen een akte te laten nemen (eerst [eiser] , daarna verzekeraars) teneinde [eiser] de gelegenheid te geven het rapport van de deskundige in het geding te brengen en zich uit te laten over de inhoud daarvan en de vraag wat de betekenis van dat rapport is voor de voorliggende zaak. Voorts zal [eiser] zich in die akte kunnen uitlaten over de stand van zaken in de procedure tussen hem en zijn voormalig werkgever, met toelichting daarbij of dat gevolgen heeft voor de voorliggende zaak en, zo ja, welke. Tot slot zal [eiser] zich in die akte kunnen uitlaten over de eventuele wenselijkheid om de onderhavige zaak aan te houden totdat de procedure tussen [eiser] en zijn voormalig werkgever (onherroepelijk) is beslecht. Verzekeraars kunnen vervolgens op een en ander reageren bij antwoordakte. De zaak zal hiertoe naar de rol van 6 april 2016 worden verwezen.

2.17.

In afwachting van de te nemen (antwoord)aktes zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 6 april 2016 voor het nemen van een akte door [eiser] voor het in r.o. 2.16 vermelde doel, waarna verzekeraars op de rol van zes weken daarna bij antwoordakte daarop kunnen reageren,

3.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.R. Wisse en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2016.