Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:2021

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
18-04-2016
Zaaknummer
C/13/583637 / FA RK 15-2019
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Boek 1 BW - ontkenning vaderschap - Surinaams recht v toepassing. Dit recht kent niet aan de moeder de mogelijk toe tot ontkenning. Vanwege strijd met Nederlandse openbare orde en met toepassing van art 8 EVRM is Nederlands recht toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2016/102
FJR 2016/72.19
FJR 2016/72.15
PFR-Updates.nl 2016-0113
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/583637 / FA RK 15-2019 (CdK/HHe)

Beschikking van 23 maart 2016 betreffende gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap

in de zaak van:

1 [moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij sub 1,
hierna te noemen de moeder,
advocaat mr. O.M. Karam te Amsterdam,

en

2. mr.J.L. Muller,
kantoorhoudende te Amsterdam,
in haar hoedanigheid van bijzondere curator over na te noemen minderjarige,
verzoekende partij sub 2,
hierna te noemen de bijzondere curator,
als advocaat voor zichzelf verschijnende.

tegen

[man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verwerende partij,

hierna te noemen de man,

niet verschenen.

Als informant is opgeroepen:

[naam 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna mede te noemen [naam 1] .

1 De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de ingekomen stukken, waaronder het namens de moeder op 16 maart 2015 ingediende verzoekschrift.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 18 februari 2016.

Gehoord zijn: de moeder, haar advocaat, [naam 1] en de bijzondere curator.

De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2 De vaststaande feiten

Op [datum] te [plaats] ( [land] ) zijn de moeder en de man met elkaar gehuwd. Het huwelijk is op [datum] ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van [datum] in de registers van de burgerlijke stand.

Uit het huwelijk is geboren:

[minderjarige] (hierna: [minderjarige] ),
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] .

De moeder en de man zijn gezamenlijk belast met het gezag.

De moeder, de man en [minderjarige] hebben de Surinaamse nationaliteit. De moeder en [minderjarige] hebben tevens de Nederlandse nationaliteit.

Bij beschikking van deze rechtbank van 10 juni 2015 is mr.J.L. Muller benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige] .

3 De verzoeken

3.1

De moeder verzoekt de ontkenning van het vaderschap ten aanzien van [minderjarige] gegrond te verklaren. Zij stelt dat zij en de man al jaren gescheiden van elkaar leven en dat zij gedurende het conceptietijdvak geen gemeenschap met elkaar hebben gehad. De biologische vader van [minderjarige] is volgens haar [naam 1] voornoemd.

3.2

De bijzondere curator verzoekt bij wege van zelfstandig verzoek de ontkenning van het vaderschap ten aanzien van [minderjarige] gegrond te verklaren. Zij stelt daartoe dat de man niet de biologische vader is van [minderjarige] .

4 De standpunten

4.1

De moeder

De moeder legt aan het verzoek ten grondslag dat de man niet de biologische vader is van [minderjarige] . Volgens de moeder is de man in 2008 Nederland uitgezet. Zij heeft de man in 2012 voor het laatst gezien, bij welke gelegenheid zij geen seksuele gemeenschap met hem heeft gehad. De moeder zegt zeker te weten dat niet de man, maar [naam 1] de biologische vader is van [minderjarige] . Ter zitting heeft zij een foto van de bevalling van [minderjarige] getoond. [naam 1] , die bij de bevalling aanwezig was, staat ook op de foto.

4.2

De man

De man heeft via de bijzondere curator een brief van 17 september 2015 aan de rechtbank doen toekomen. Hierin deelt hij mee dat [minderjarige] niet zijn kind is en dat hij geen bezwaar heeft tegen erkenning van [minderjarige] door de heer [naam 1] .

4.3

[naam 1]

heeft verklaard dat hij al een aantal jaren een affectieve relatie met de moeder heeft. [naam 1] is ervan overtuigd dat hij de biologische vader is van [minderjarige] . Hij was aanwezig bij zijn geboorte. Hij herkent zichzelf op de hem getoonde foto, die toen is genomen. [naam 1] heeft meegedeeld dat de moeder sinds enkele maanden een zelfstandige woning heeft, maar dat hij haar en [minderjarige] regelmatig ziet.

4.4

De bijzondere curator

De bijzondere curator heeft met de moeder en [naam 1] gesproken, maar niet met de man.

De moeder heeft verteld dat de man Nederland is uitgezet naar Suriname. Zij is in 2003 met de man gehuwd en bezocht hem samen met hun dochter [dochter] , geboren in [jaar] , elk jaar in Suriname. In april 2011 leerden de moeder en [naam 1] elkaar kennen. Zij hebben samengewoond tot juli 2014. De moeder verblijft een deel van de week bij [naam 1] .

De moeder heeft de man in de zomer 2012 voor het laatst gezien. Zij weet zeker dat [naam 1] de biologische vader van [minderjarige] is.

[naam 1] is bereid mee te werken aan een DNA-onderzoek als dat nodig is. Hij wil [minderjarige] graag erkennen.

Volgens de bijzondere curator is Surinaams recht op het verzoek gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van toepassing. Het Surinaamse recht biedt de moeder en het kind niet de mogelijkheid tot ontkenning van het vaderschap. De bijzondere curator stelt dat toepassing van Surinaams recht strijd oplevert met het gelijkheidsbeginsel alsook met de Nederlandse openbare orde. Hoewel de moeder en de man niet een gezamenlijk verzoek voor het toepassen van een ander recht verzoeken, vraagt de bijzondere curator Nederlands recht toe te passen. Zij verwijst daartoe naar artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De bijzondere curator is van mening dat het in het belang van [minderjarige] is dat de biologische en sociale band tussen hem en zijn biologische vader in juridische zin wordt bevestigd. Hij groeit op in het gezin van zijn moeder en [naam 1] . [naam 1] wil [minderjarige] erkennen zodra dat mogelijk is. Er bestaat geen band tussen [minderjarige] en de man.

Er is geen werkelijk bewijs geleverd inzake het biologisch vaderschap van [naam 1] . Indien de rechtbank dat nodig acht kan een vaderschapsonderzoek worden bevolen.

De bijzondere curator acht de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek wegens het verloop van de termijn van artikel 200 lid 5 BW en heeft een zelfstandig verzoek tot ontkenning vaderschap namens de minderjarige gedaan.

5 De beoordeling

5.1

Bevoegdheid

Nu de moeder haar woonplaats in Nederland heeft, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 Wetboek van Rechtsvordering bevoegd om kennis te nemen van het verzoek.

5.2

Het toepasselijke recht

Ingevolge artikel 10:93 lid 1 juncto 10:92 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is Surinaams recht van toepassing op het verzoek, aangezien zowel de moeder als de man ten tijde van de geboorte van [minderjarige] de Surinaamse nationaliteit heeft.

Artikel 305 Burgerlijk Wetboek van Suriname (hierna: SBW) geeft de man de mogelijkheid

de wettigheid van het kind ontkennen; artikel 309 SBW geeft de man daarvoor een termijn van één of twee maanden en nog eens twee maanden om vervolgens een rechtsvordering tot ontkenning in te stellen. De man in Suriname was niet meer bij het leven van de moeder in Nederland betrokken en heeft geen enkele in de wet genoemde actie terzake ontkenning van het vaderschap ondernomen.

De rechtbank is met de bijzondere curator van oordeel dat het Surinaamse recht, dat de moeder het recht onthoudt om het door huwelijk ontstane vaderschap van de man te ontkennen, strijd oplevert met het in Nederland geldende fundamentele recht van gelijkheid nu daarin de moeder en de man niet gelijkgesteld worden voor de wet inzake het ontkennen van het vaderschap. Er is derhalve strijd met de Nederlandse openbare orde. Op grond van artikel 10:6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt vreemd recht niet toegepast, voor zover de toepassing ervan kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. Voorwaarde voor toepassing van de openbare orde exceptie, zoals neergelegd in artikel 10:6 BW is dat het geval een voldoende sterke betrokkenheid met de Nederlandse rechtsorde heeft. Hiertoe overweegt de rechtbank dat [minderjarige] en ook de moeder en de vader in Nederland wonen en alle (tevens) de Nederlandse nationaliteit hebben. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee sprake van een voldoende sterke betrokkenheid met de Nederlandse rechtsorde.

De bepaling van artikel 10:6 BW bewerkstelligt niet automatisch gehele terzijdestelling van het buitenlandse recht, doch in het onderhavig geval zal de rechtbank het Nederlandse recht toepasselijk achten. Buiten de man kon volgens het SBW immers niemand een verzoek tot ontkenning van het vaderschap indienen en zijn de toepasselijke termijnen op de juridische vader gericht.

5.3

De ontvankelijkheid

Het verzoek is zowel door de moeder als de bijzondere curator ingediend. De moeder kan ingevolge artikel 200 lid 5 BW niet worden ontvangen in haar verzoek, nu zij dit niet binnen een jaar na de geboorte van [minderjarige] heeft ingediend. De bijzondere curator kan echter wel in het verzoek worden ontvangen.

5.4

De inhoudelijke beoordeling

Het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de bijzondere curator namens [minderjarige] is gebaseerd op artikel 1:200 BW.

[minderjarige] heeft nu de man tot vader op grond van het feit dat de man ten tijde van de geboorte met de moeder was gehuwd.

Uit de onweersproken stellingen van partijen leidt de rechtbank af dat de man niet de biologische vader van [minderjarige] is. Het verzoek zal daarom als volgt worden toegewezen, mede nu dat in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

6 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart gegrond de ontkenning van het vaderschap van de man ten aanzien van het uit de moeder geboren kind:

[minderjarige] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ;

- draagt de griffier op, nadat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.M.E. de Koning, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van H. Hendriks, griffier, op 23 maart 2016.1

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en de in de procedure verschenen belanghebbenden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.