Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:1917

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-04-2016
Datum publicatie
11-05-2016
Zaaknummer
AMS 15/ 4244
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat de gemachtigde van eiseres niet als beroepsmatig rechtsbijstandverlener kan worden aangemerkt. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dient degene die als derde beroepsmatig rechtsbijstand verleent voldoende deskundig te zijn en dient hij over enige juridische scholing te beschikken. Personen zonder juridische scholing kunnen niet geacht worden zodanige bijstand te verlenen. Niet is aannemelijk geworden dat de gemachtigde (enige) juridische scholing heeft genoten. Desgevraagd heeft hij in zijn schrijven van 29 februari 2016 verklaard daartoe geen stukken te kunnen overleggen en ook overigens is dit niet gebleken. Dat de gemachtigde in andere zaken wel als beroepsmatig rechtsbijstandverlener is aangemerkt, acht de rechtbank onvoldoende voor een ander oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/4244

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 april 2016 in de zaak tussen

[de vrouw] , te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: [betrokkene ] ),

en

Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ), verweerder

(gemachtigde: mr. J. Henneveld).

Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten de indicatieaanvraag van eiseres van 7 april 2015 niet in behandeling te nemen.

Bij besluit van 29 mei 2015 heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk gegrond verklaard, zonder toekenning van een proceskostenvergoeding.

Eiseres heeft tegen dit besluit op 8 juli 2015 beroep ingesteld.

Bij besluit van 16 juli 2015 heeft verweerder het bestreden besluit gewijzigd en een vergoeding van de proceskosten toegekend op basis van 1 punt en wegingsfactor 0,25 (zeer licht). Bij besluit van 4 augustus 2015 heeft verweerder het besluit nogmaals gewijzigd, vergoeding van proceskosten toegekend voor 1 punt, namelijk voor het schrijven van het bezwaarschrift, met wegingsfactor 0,25 (zeer licht), neerkomend op een bedrag van € 122,50.

Op 14 augustus 2015 en 17 augustus 2015 zijn namens eiseres aanvullende beroepsgronden ingediend.

Verweerder heeft op 9 september 2015 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2016. Eiseres noch haar gemachtigde zijn ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Bij beslissing van 23 februari 2016 heeft de rechtbank het onderzoek heropend om de gestelde gemachtigde van eiseres, de heer [betrokkene ] , in de gelegenheid te stellen schriftelijk nadere inlichtingen te verstrekken. Bij schrijven van 29 februari 2016, ontvangen bij de rechtbank op 3 maart 2016, heeft [betrokkene ] nadere inlichtingen verstrekt en de rechtbank toestemming gegeven zonder nadere zitting uitspraak te doen. De gemachtigde van verweerder heeft desgevraagd tevens toestemming gegeven zonder nadere zitting uitspraak te doen. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In geschil of verweerder ten onrechte proceskosten heeft toegekend met de factor 0,25 (zeer licht).

2. Namens eiseres is aangevoerd dat het bezwaarschrift als normaal moet worden aangemerkt en de proceskostenvergoeding op € 490,-- moet worden vastgesteld. Tevens is verzocht verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten in beroep en het betaalde griffierecht.

3. De rechtbank heeft eerst onderzocht of [betrokkene ] bevoegd was namens eiseres het beroepschrift in te dienen en eiseres in beroep te vertegenwoordigen. [betrokkene ] is immers geen advocaat en bij de indiening van het beroep was geen schriftelijke machtiging overgelegd. Evenmin kon de bevoegdheid van [betrokkene ] tijdens de behandeling ter zitting worden onderzocht, nu hij en eiseres niet ter zitting zijn verschenen.

4. De rechtbank stelt vast dat [betrokkene ] , na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, een schriftelijke machtiging van 28 februari 2016 heeft overgelegd, zodat hij wordt geacht eiseres in beroep te vertegenwoordigen.

5. Echter, om in aanmerking te komen voor vergoeding van de proceskosten op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (zowel in bezwaar als in beroep), dient op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) sprake te zijn van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Volgens vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechters houdt dat onder meer in dat het verlenen van rechtsbijstand tot de beroepsmatige taak van de gemachtigde hoort, dat de gemachtigde enige juridische scholing moet hebben genoten en dat sprake dient te zijn van een derde, waarbij een familierelatie aan het beroepsmatige karakter van de verleende rechtsbijstand in de weg zou kunnen staan.

6. De rechtbank is van oordeel dat [betrokkene ] met de overgelegde stukken voldoende heeft aangetoond dat hij niet behoort tot het huishouden van eiseres, zodat de familierelatie (eiseres is de moeder van [betrokkene ] ) niet in de weg staat aan het beroepsmatige karakter van de verleende rechtsbijstand.

7.1

Desalniettemin is de rechtbank van oordeel dat [betrokkene ] niet als beroepsmatig rechtsbijstandverlener kan worden aangemerkt. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 22 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1260, en 9 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1463, dient degene die als derde beroepsmatig rechtsbijstand verleent namelijk voldoende deskundig te zijn en dient hij over enige juridische scholing te beschikken. Personen zonder juridische scholing kunnen niet geacht worden zodanige bijstand te verlenen.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat [betrokkene ] (enige) juridische scholing heeft genoten. Desgevraagd heeft hij in zijn schrijven van 29 februari 2016 verklaard daartoe geen stukken te kunnen overleggen en ook overigens is dit niet gebleken.

7.2

Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat er in bezwaar en beroep geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De beroepsgrond van eiseres dat verweerder de proceskostenvergoeding in bezwaar had moeten vaststellen op € 490,- faalt reeds daarom.

7.3

De rechtbank overweegt nog dat de door [betrokkene ] overgelegde uitspraken van een aantal gerechten uit de periode 2004-2006 en 2012 en 2015, waarin [betrokkene ] gemachtigde was, niet tot de conclusie kunnen leiden dat sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Hieruit blijkt namelijk niet dat [betrokkene ] deze werkzaamheden heeft verricht onder toezicht en verantwoordelijkheid van een juridisch geschoold persoon of dat hij op een andere manier door deze zaken juridisch geschoold is geraakt.

7.4

Dat de rechtbank er in andere uitspraken van uit is gegaan dat [betrokkene ] wel beroepsmatig rechtsbijstand heeft verleend, leidt er niet toe dat de rechtbank in dit geval niet meer tot een ander oordeel mag komen. De rechtbank is gehouden zich zelfstandig een oordeel te vormen over de vraag of [betrokkene ] kan worden aangemerkt als een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleend. De rechtbank verwijst in dit verband bijvoorbeeld naar de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1463. Gelet hierop maakt het feit dat verweerder aan eiseres een vergoeding heeft toegekend voor de kosten in bezwaar, evenmin dat sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor zover het beroep op grond van artikel 6:19 van de Awb moet worden geacht mede te zijn gericht tegen de besluiten van verweerder van 29 mei 2015 en 16 juli 2015, is het beroep niet-ontvankelijk. Verweerder heeft deze besluiten immers vervangen door het besluit 4 augustus 2015 en niet is gebleken of aangevoerd dat eiseres nog belang heeft bij een beoordeling daarvan.

10. Voor vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank evenmin aanleiding voor een proceskostenveroordeling in beroep.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Kreb, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 april 2016.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: