Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:1723

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-03-2016
Datum publicatie
04-05-2016
Zaaknummer
AWB - 13 _ 207
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:1473, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom de door eiser geclaimde schade in de vorm van inkomensderving niet het gevolg is van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. In het nieuwe bestemmingsplan zijn woonboten in de [naam]haven niet meer toegestaan, waardoor eiser geen ligplaatsen meer kan verhuren. Anders dan in het advies van de schadebeoordelingscommissie is gesteld, zou deze schade niet zijn opgetreden wanneer de planologische situatie in het bestemmingsplan ter plaatse niet zou zijn gewijzigd. Slechts de wijziging van het planologische regime en niet de feitelijke situatie is van belang bij de beoordeling van een aanvraag om tegemoetkoming van planschade. Dat alle woonboten eerder feitelijk waren verwijderd uit de [naam]haven doet in dit geval dus niet ter zake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2016-0128
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 13/207

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 maart 2016 in de zaak tussen

[de man] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. J. Rutteman),

en

het dagelijks bestuur van de bestuurscommissie Oost van de gemeente Amsterdam als rechtsopvolger van het dagelijks bestuur van stadsdeel Oost van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Haak).

Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 27 november 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. S.F.M. Heijsen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen om in onderling overleg een oplossing te vinden voor het geschil.

Nadat het partijen niet was gelukt om in onderling overleg tot een oplossing te komen, heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden op 6 januari 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [betrokkene] .

Overwegingen

1.1.

Eiser huurt sinds 1981 oppervlaktewater in het Nieuwe Diep van de Dienst Domeinen waarin hij de [naam haven] (hierna: [naam haven] ) exploiteert. Eiser heeft sinds die tijd twintig ligplaatsen voor woonboten verhuurd. Eiser had zelf drie ligplaatsen in gebruik, één voor zijn eigen woonboot en twee voor woonboten van zijn kinderen. Voor de woonschepen die in de [naam haven] lagen, waren geen ligplaatsvergunningen verleend.

1.2.

In 1999 is de Nota van Uitgangspunten Nieuwe Diep vastgesteld waarin de wens was opgenomen om een groot deel van de woonschepen te verwijderen uit het Nieuwe Diep. Vervolgens is op 25 november 2003 het bestemmingsplan “Nieuwe Diep” in werking getreden. Op grond van artikel 18 van de planvoorschriften bij dit bestemmingsplan, voor zover hier van belang, mochten gronden met de bestemming “Water (Rw)” en de aanduiding “jachthaven” gebruikt worden voor 22 ligplaatsen voor woonboten. Ter plaatse van de aanduiding “ligplaats dienstwoonboot” mocht één dienstwoonboot liggen. Verder was in artikel 18, achtste lid, van de planvoorschriften een bevoegdheid opgenomen om de bestemming van de gronden aangewezen als “Water (Rw)” te wijzigen, zodat het maximum van 22 ligplaatsen/woonboten omlaag kon worden gebracht met één of meerdere ligplaatsen/woonboten. Aan deze wijzigingsbevoegdheid mocht ingevolge die bepaling uitsluitend toepassing worden gegeven indien aangetoond kon worden dat het verminderde aantal toegestane ligplaatsen/woonboten overeenkomt met het op het moment van de terinzagelegging van het wijzigingsplan feitelijk aanwezige aantal ligplaatsen/woonboten.

1.3.

Op 19 juni 2007 heeft het dagelijks bestuur van het toenmalige stadsdeel Zeeburg ingestemd met het “Plan van aanpak verplaatsing woonboten [naam haven] ” (plan van aanpak). Hierin is onder meer het voornemen opgenomen overeenkomsten met woonbootbewoners te sluiten om de woonboten te verwijderen uit de [naam haven] . Aan de woonbootbewoners wordt een alternatieve ligplaats aangeboden. Daarin is ook voorzien dat woonboten die al voor de peildatum 1 juli 2003 (datum ter visielegging bestemmingsplan) in de [naam haven] lagen, een tijdelijke gedoogvergunning kunnen krijgen voor de duur van vijf jaar, gerekend vanaf 1 juli 2003. Deze gedoogvergunning kan eventueel verlengd worden als het niet lukt om voor 1 juli 2008 tot verplaatsing over te gaan.

1.4.

Medio juli 2010 zijn de laatste woonboten uit de [naam haven] vertrokken.

1.5.

Op 12 augustus 2010 is het bestemmingsplan “Indische buurt en Flevopark” (het bestemmingsplan) vastgesteld. Door de uitspraak van 21 december 2011 van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State is dit bestemmingsplan onherroepelijk geworden. Op grond van dit bestemmingsplan zijn ter plaatse van de [naam haven] geen woonboten meer toegestaan.

1.6.

Op 28 februari 2011 heeft eiser een aanvraag gedaan om vergoeding van geleden schade bestaande uit inkomensderving. Eiser stelt dat de schade voortvloeit uit het bestemmingsplan, omdat hij als gevolg hiervan geen ligplaatsen meer kan verhuren voor woonboten. Eiser heeft het schadebedrag begroot op € 233.600,-.

1.7.

Bij het primaire besluit heeft verweerder verwezen naar het advies van Van Oosten Planschade Advies (schadebeoordelingscommissie) van 25 augustus 2011. Volgens dat advies dient de aanvraag te worden afgewezen, omdat een causaal verband tussen de gestelde schade en de planologische maatregel ontbreekt. De geclaimde inkomensschade is volgens dit advies een gevolg van de uitvoering van het plan van aanpak en de daaruit voortvloeiende gesloten verplaatsings- en aanlegovereenkomsten met de bewoners van de [naam haven] , en niet van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. De gestelde schade zou ook zijn opgetreden wanneer de planologische situatie ter plaatse niet zou zijn gewijzigd

1.8.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de commissie van advies voor de bezwaarschriften (commissie), het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft hierbij overwogen dat het uitvoeren van beleid/het plan van aanpak heeft geleid tot de geclaimde inkomensschade en niet het wijzigen van de bestemming. Het plan van aanpak is niet te beschouwen als een oorzaak zoals genoemd in artikel 6.1, tweede lid, onder a of b, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) of één van de andere oorzaken daar genoemd.

2.1.

Ter zitting heeft verweerder opgeworpen dat eiser geen belanghebbende is. Verweerder stelt daartoe dat eiser als pachter van de [naam haven] niet de aangewezen partij is om een verzoek om vergoeding van planschade in te dienen.

2.2.

Op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wro kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Op grond van het tweede lid, voor zover van belang, is een oorzaak als bedoeld in het eerste lid een bepaling van een bestemmingsplan, beheersverordening of inpassingsplan, niet zijnde een bepaling als bedoeld in artikel 3.3, artikel 3.6, eerste lid, of artikel 3.38, derde of vierde lid.

2.3.

Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.4.

Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat eiser geen belanghebbende is bij de aanvraag om planschadevergoeding, volgt de rechtbank dit niet. In zijn hoedanigheid van pachter van de [naam haven] heeft eiser een voldoende onderscheiden eigen belang, dat ook voldoende concreet en actueel is. Dit omdat de planologische wijziging ziet op de haven die hij exploiteert en waaruit hij zijn inkomsten genereert. Eiser kan door die planologische wijziging dus schade in de vorm van inkomensschade lijden. Om die reden dient eiser als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb aangemerkt te worden, ook al is hij geen eigenaar van de [naam haven] .

3.1.

In beroep betoogt eiser dat verweerder van de bevoegdheid in artikel 18 van het bestemmingsplan “Nieuwe Diep” om ligplaatsen te laten vervallen geen gebruik heeft gemaakt. In plaats daarvan heeft verweerder in het nieuwe bestemmingsplan de positieve bestemming van 22 ligplaatsen uit de [naam haven] beëindigd. Daardoor is de bedrijfsvoering voor eiser onmogelijk geworden, terwijl die onder het bestemmingsplan “Nieuwe Diep” legaal was. Verweerder dient bij de vaststelling of planschade is geleden en de vaststelling van de omvang daarvan niet de feitelijke toestand te beoordelen, maar alleen het maximale gebruik dat planologisch is toegestaan onder het oude regime in vergelijking tot het gebruik dat het nieuwe regime toestaat. Volgens eiser leidt dit onder het oude regime tot de mogelijkheid om 22 ligplaatsen voor woonboten te verhuren, welke situatie dient te worden vergeleken met de planologische toestand onder het nieuwe bestemmingsplan die het onmogelijk maakt ligplaatsen in de [naam haven] te verhuren.

3.2.

Bij de beoordeling van het geschil stelt de rechtbank voorop dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (Afdeling), onder meer de uitspraak van 27 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:135), voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het ervoor geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van dat regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of dat heeft plaatsgevonden. Slechts ingeval realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken, aldus de Afdeling.

3.3.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit onder overneming van het advies van de commissie op het standpunt gesteld dat er geen causaal verband is tussen de inwerkingtreding van het bestemmingsplan en de gestelde schade, omdat de woonboten voordat de planologische wijziging plaatsvond als gevolg van de uitvoering van het plan van aanpak al waren verdwenen. De commissie heeft in haar advies verwezen naar het advies van de schadebeoordelingscommissie.

3.4.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling moet een bestuursorgaan zich, indien het een deskundigenadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich er van vergewissen dat dit - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is.

3.5.

De rechtbank overweegt dat ter plaatse van de [naam haven] in het bestemmingsplan “Nieuwe Diep” was voorzien in ligplaatsen voor 22 woonschepen en één dienstwoonboot (van eiser) binnen de bestemming “Water (Rw)” met nadere aanduidingen “jachthaven” en “ligplaats dienstwoonboot”. De rechtbank is uit de gedingstukken niet gebleken dat verweerder gebruik heeft gemaakt van de in artikel 18, achtste lid, van de planvoorschriften opgenomen wijzigingsbevoegdheid om ligplaatsen te laten vervallen. In het bestemmingsplan heeft de [naam haven] opnieuw de bestemming “Water” gekregen. Op grond van artikel 14.3.3, onder a, van de bij het plan behorende regels zijn woonschepen uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - woonschip'. De [naam haven] heeft in dit bestemmingsplan deze aanduiding niet gekregen, zodat woonboten ter plaatse niet meer zijn toegestaan. Eiser kan daarom in de [naam haven] geen ligplaatsen voor woonboten meer verhuren. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien dat de door eiser geclaimde inkomensderving niet het gevolg is van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Dat bij de inwerkingtreding van het bestemmingsplan als gevolg van het plan van aanpak feitelijk geen woonboten meer in de [naam haven] aanwezig waren, maakt dat voor wat betreft de planologische vergelijking niet anders. Immers, slechts de wijziging van het planologische regime en niet de feitelijke situatie is van belang bij de beoordeling van een aanvraag om tegemoetkoming van planschade. Anders dan in het advies van de schadebeoordelingscommissie is gesteld, zou deze schade niet zijn opgetreden wanneer de planologische situatie in het bestemmingsplan ter plaatse niet zou zijn gewijzigd. In dat geval had eiser opnieuw de ligplaatsen kunnen verhuren. Het advies van de schadebeoordelingscommissie is gelet hierop dan ook niet juist, Dit betekent dat verweerder dit advies niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen. Het bestreden besluit is daarmee ondeugdelijk gemotiveerd. Hieruit volgt dat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

4.1.

De rechtbank ziet in hetgeen verweerder ter zitting nog heeft aangevoerd geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Uit het standpunt van verweerder ter zitting dat hij nimmer een ligplaatsvergunning voor de aanwezige woonboten zou hebben verleend, kan niet worden geconcludeerd dat realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten. Verweerder heeft dit standpunt op geen enkele wijze onderbouwd.

4.2.

De rechtbank ziet evenmin reden om zelf in de zaak te voorzien nu de daartoe benodigde gegevens niet voorhanden zijn. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat het voor herstel van het gebrek nader onderzoek door de schadebeoordelingscommissie nodig is om aanvraag om schadevergoeding opnieuw te beoordelen en te onzeker is wanneer dat kan worden afgerond. Hieruit volgt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar zal moeten nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.240,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen op een nadere zitting, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 156,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.240,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, voorzitter, en mr. M.M. Verberne en mr. M.C.M. Hamer, leden, in aanwezigheid van mr. B.E. Giesen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2016.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening .