Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:1686

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-03-2016
Datum publicatie
11-04-2016
Zaaknummer
13/669217-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Oplegging van een gevangenisstraf voor twee pogingen tot doodslag op agenten, diefstal met braak, drugsbezit, wapenbezit en overtreding van artikel 7 Wegenverkeerswet 1994.

Verdachte is na het begaan van een diefstal met braak met een auto voor de politie op de vlucht gegaan. Tijdens de daaropvolgende achtervolging door Amsterdam is verdachte tweemaal afgereden op verbalisanten. Eerst op een verbalisant die met zijn motor deel uitmaakte van een politieblokkade, daarna op een verbalisant op politiemotor terwijl verdachte reed tegen de rijrichting in. De rechtbank is naar algemene ervaringsregels van oordeel dat verdachte met zijn rijgedrag ten aanzien van beide verbalisanten de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat die verbalisanten als gevolg van zijn toedoen zouden worden aangereden en zouden komen te overlijden. Daarbij neemt de rechtbank in het bijzonder de snelheid van de auto in aanmerking alsmede de korte afstand tussen die auto en de verbalisanten. Door met onverminderde snelheid op de verbalisanten in te blijven rijden en koste wat kost uit handen van de politie te willen blijven, zonder ook maar op enig moment bewust uit te wijken voor de verbalisanten, terwijl niet was te voorzien hoe de verbalisanten op het rijgedrag van verdachte zouden reageren, heeft verdachte die aanmerkelijke kans op de dood van de verbalisanten welbewust aanvaard.

Ook: vrijspraak van witwassen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 287
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 7
Wegenverkeerswet 1994 176
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2016/26 met annotatie van C.J. van Eekelen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/669217-15 (promis)

Datum uitspraak: 11 maart 2016

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] (Frankrijk),

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, thans gedetineerd in de [detentie adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 19 februari 2016 en 26 februari 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.E.A. Duyvendak, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij

1. op of omstreeks 11 november 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een auto (Volkswagen Golf) heeft weggenomen een (sport)tas (met hennep), geheel of ten dele toebehorend aan [persoon 1] en/of [persoon 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot die/dat (sport)tas heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen (sport)tas onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak op en/of verbreking van een ruit van voornoemde auto;

2. op of omstreeks 11 november 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (en met voorbedachte rade) [verbalisant 1] (hoofdagent van de Politie Eenheid Amsterdam) van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, met een auto met (relatief) hoge snelheid op die [verbalisant 1] is ingereden, althans met (relatief) hoge snelheid in de richting van die [verbalisant 1] is gereden;

subsidiair: op of omstreeks 11 november 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [verbalisant 1] (hoofdagent van de Politie Eenheid Amsterdam) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk dreigend met een auto met (relatief) hoge snelheid op die [verbalisant 1] ingereden, althans met een auto met (relatief) hoge snelheid in de richting van die [verbalisant 1] gereden;

3. op of omstreeks 11 november 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (en met voorbedachte rade) [verbalisant 2] (motoragent van de Politie Eenheid Amsterdam) van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, met een auto met (relatief) hoge snelheid op die [verbalisant 2] - die toen en daar was gezeten op een dienstmotor - is ingereden, althans met (relatief) hoge snelheid in de richting van die [verbalisant 2] - die toen en daar was gezeten op een dienstmotor - is gereden;

subsidiair: op of omstreeks 11 november 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [verbalisant 2] (motoragent van de Politie Eenheid Amsterdam) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk dreigend met een auto met (relatief) hoge snelheid op die [verbalisant 2] - die toen en daar was gezeten op een dienstmotor - ingereden, althans met een auto met (relatief) hoge sneldheid in de richting van die [verbalisant 2] - die toen en daar was gezeten op een dienstmotor) gereden;

4. op of omstreeks 11 november 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 10 kilogram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish), in elk geval (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

5. op of omstreeks 11 november 2015, te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van een voorwerp, te weten een geldbedrag (van ongeveer 8000,- euro), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

6. als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Amsterdam op/aan de Amstelveenseweg, op of omstreeks 11 november 2015 om 21.45 uur, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [persoon 3] ) letsel en/of schade was toegebracht;

7. op of omstreeks 11 november 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te weten een pistool (Merk, Model, Type: Crvena Zastava, M70, 7.65mm Browning) en/of munitie van categorie III, te weten 5 patronen (Kaliber: 7.65mm Browning), voorhanden heeft gehad.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn voorts geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Inleidend

Op 11 november 2015 kwam omstreeks 21.40 uur bij de politie een melding binnen van een inbraak in een auto van het merk en type Volkswagen Golf, die stond geparkeerd in de Theseusstraat te Amsterdam. Getuigen zagen dat mannen heen en weer liepen tussen de Volkswagen en een auto met het Franse kenteken [kenteken] , die naast de Volkswagen op de weg stilstond. De mannen, waarvan er volgens de getuigen één een vuurwapen in zijn handen had, haalden via een ingeslagen ruit een tas, die leek op een zwarte sporttas, uit de Volkswagen. Daarna stapten zij in de auto met het Franse kenteken en reden hard weg. (Onder 1 ten laste gelegd.)

Omstreeks 21.45 uur zagen verbalisanten ter hoogte van het Scheldeplein een auto van het merk en type Citroën C5 met het Franse kenteken [kenteken] rijden. In deze auto bevonden zich, zo bleek later, drie personen, namelijk verdachte, die de Citroën bestuurde, en [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ). Om de auto tot stoppen te dwingen hebben verschillende politie-eenheden de achtervolging ingezet op deze auto over de rijksweg A10, door Amsterdam Oud Zuid en door de Stadionbuurt. De Citroën reed echter met hoge snelheid door en bij de politie vandaan. Tijdens de achtervolging reed de Citroën onder andere af op [verbalisant 1] (hierna: [verbalisant 1] ), die met zijn politiemotor deel uitmaakte van een politieblokkade bij de afrit Oud Zuid, en [verbalisant 2] (hierna: [verbalisant 2] ), die op zijn politiemotor op de Parnassusweg reed. (Onder 2 en 3 ten laste gelegd.)

Nadat de Citroën op de rotonde Haarlemmermeer Circuit uit de bocht vloog, ramde de Citroën de auto van [persoon 3] en kwam hij tot stilstand tegen de gevel van een portiek aan de Amstelveenseweg. Verbalisanten zagen vervolgens dat de verdachten de Citroën verlieten en wegrenden over de Cornelis Krusemanstraat, waar verbalisanten hen kort daarna aanhielden. (Onder 6 ten laste gelegd.) De verdachten bleken in het bezit te zijn van grote contante geldbedragen, namelijk voor verdachte een geldbedrag van € 8.000,-, voor [medeverdachte 1] een geldbedrag van € 5.193,21 en voor [medeverdachte 2] een geldbedrag van € 4.080,-. (Onder 5 ten laste gelegd.)

Tijdens het latere sporenonderzoek bleek in de Citroën een zwarte sporttas met 8,35 kilo hennep te liggen. (Onder 4 ten laste gelegd.) Langs de vluchtroute van de verdachten op de Cornelis Krusemanstraat troffen verbalisanten voorts een vuurwapen van het merk Crvena Zastava aan. (Onder 7 ten laste gelegd.)

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich, al dan niet samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , heeft schuldig gemaakt aan de hierboven omschreven strafbare feiten. De vraag die voorligt, is of de in het dossier aangedragen feiten en omstandigheden, alsmede de resultaten van het onderzoek ter terechtzitting, voldoende redengevend zijn voor het bewijs van de betrokkenheid van verdachte bij deze strafbare feiten.

4.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, onder 2 primair, onder 3 subsidiair, onder 4, onder 6 en onder 7 ten laste gelegde feiten, met dien verstande dat bewezen kan worden dat verdachte de onder 2 primair ten laste gelegde poging tot doodslag en onder 3 subsidiair ten laste gelegde bedreiging met zware mishandeling alleen heeft begaan, omdat het bewijs voor het medeplegen van deze feiten ontbreekt.

Verdachte moet van het onder 5 ten laste gelegde feit worden vrijgesproken, omdat de criminele herkomst van het onder verdachte in beslag genomen geldbedrag niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich met betrekking tot de bewezenverklaring van de onder 1, onder 4, onder 6 en onder 7 ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Met betrekking tot de onder 2 primair en subsidiair en onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft de raadsman bepleit dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat het opzet van verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, was gericht op het doden van of toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . Van het opzet op het bedreigen van de verbalisanten is evenmin gebleken. Om die reden moet vrijspraak van deze feiten volgen.

Verdachte moet voorts vanwege gebrek aan bewijs van het onder 5 ten laste gelegde feit worden vrijgesproken.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de beoordeling van de ten laste gelegde feiten acht geslagen op de zich in het dossier bevindende stukken, in het bijzonder de bewijsmiddelen die in bijlage bij dit vonnis zijn vervat, en overweegt als volgt.

4.4.1.

Diefstal met braak uit een auto, drugsbezit, wapenbezit en verlaten van de plaats van een verkeersongeval (feiten 1, 4, 6 en 7)

Op basis van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaringen van verdachte, zijn de onder 1, onder 4 en onder 7 ten laste gelegde feiten bewezen, namelijk dat verdachte zich samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft schuldig gemaakt aan diefstal met braak uit de Volkswagen Golf van een sporttas met ongeveer acht kilo hennep, het aanwezig hebben van die hoeveelheid hennep en voorhanden hebben van het vuurwapen. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat alle drie de verdachten in de Theseusstraat uit de Citroën zijn gestapt met als doel het wegnemen van de sporttas uit de Volkswagen Golf.

Op basis van de bewijsmiddelen is ook het onder 6 ten laste gelegde feit bewezen. Verdachte heeft als bestuurder van de Citroën C5 op de rotonde Haarlemmermeer Circuit een verkeersongeval veroorzaakt en daarna, terwijl aan de auto van [persoon 3] schade was toegebracht en verdachte dit moest vermoeden, de plaats van het verkeersongeval verlaten. Dat verdachte hierbij tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft gehandeld, kan niet worden bewezen. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bevonden zich als passagiers in de Citroën en hebben geen gedragingen verricht waardoor het verkeersongeval mede is veroorzaakt. Verdachte wordt daarom van dit deel van de tenlastelegging vrijgesproken.

4.4.2.

Inrijden op verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (feiten 2 en 3)

Met betrekking tot de onder 2 en onder 3 ten laste gelegde feiten moet de rechtbank vast stellen waarop het opzet van verdachte was gericht. De rechtbank gaat in dit verband uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Met betrekking tot [verbalisant 1]

  • -

    Verdachte heeft de rijksweg A10 bij de afrit Oud Zuid via de voor hem gezien linker rijbaan verlaten. Hij heeft gezien dat politieauto’s achter hem reden. Ook heeft hij vóór zich, aan het einde van de afrit, ter hoogte van de verkeerslichten een politieblokkade gezien. Deze blokkade had duidelijk tot doel verdachte te dwingen te stoppen.

  • -

    [verbalisant 1] maakte deel uit van deze blokkade. Hijstond aan het einde van de afrit op de voor verdachte gezien rechter rijbaan. [verbalisant 1] stond tot een halve meter naast zijn politiemotor, die naar het tegemoetkomende verkeer was gericht. Op de voor verdachte gezien linker rijbaan stonden politieauto’s.

  • -

    Toen verdachte zag dat de optische- en geluidsignalen van de politieauto’s en de optische signalen van de politiemotor werden ontstoken, week hij uit naar de rechter rijbaan. Verdachte vermeerderde vervolgens zijn snelheid en reed recht op [verbalisant 1] af. Hij reed met hoge snelheid op [verbalisant 1] af.

  • -

    [verbalisant 1] moest opzij springen om niet door de auto te worden geraakt.

  • -

    Verdachte raakte vervolgens met zijn auto de politiemotor, die meters naar achteren werd geslagen.

Met betrekking tot [verbalisant 2]

  • -

    Nadat verdachte via de afrit de rijksweg A10 had verlaten, reed hij via de Amstelveenseweg en de Fred Roeskestraat naar de Parnassusweg. Op de Parnassusweg reed verdachte op de voor hem gezien linker rijbaan, tegen de rijrichting in.

  • -

    Verdachte reed met hoge snelheid en minderde op geen enkel moment vaart.

  • -

    [verbalisant 2] reed op zijn politiemotor vanaf de Stadionweg rechtsaf de Parnassusweg op. Verdachte reed met hoge snelheid in de richting van [verbalisant 2] . [verbalisant 2] reed op dat moment op het midden van de rijbaan. De optische- en geluidsignalen van zijn politiemotor waren ontstoken.

  • -

    Op de voor verdachte gezien rechter rijbaan, richting de Stadionweg, stond stilstaand verkeer, waardoor verdachte geen uitwijkmogelijkheden had.

  • -

    [verbalisant 2] moest uiterst rechts op de rijbaan rijden om verdachte te kunnen ontwijken.

  • -

    Verdachte passeerde hem met onverminderd hoge snelheid op een afstand van ongeveer één meter.

  • -

    Dit alles op een tijdstip waarop betrekkelijk veel ander verkeer op de weg was.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij, hoewel hij op de Parnassusweg tegen de rijrichting inreed, niet heeft gezien dat [verbalisant 2] hem tegemoet kwam rijden. Onder voormelde omstandigheden en gezien de verklaring van verdachte dat hij koste wat kost aan de politie wilde ontkomen en bij de achtervolging steeds heeft opgelet, acht de rechtbank die verklaring ongeloofwaardig. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat verdachte de verbalisant wel heeft gezien en schuift de verklaring van verdachte hierover terzijde.

Voorwaardelijk opzet

Uit het verhandelde ter terechtzitting en de inhoud van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte zogenoemd boos opzet op de dood van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] had. Om te kunnen spreken van voorwaardelijk opzet hierop, moet komen vast te staan dat als gevolg van het handelen van verdachte een aanmerkelijke kans op het intreden van de dood bestond en dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard.

De rechtbank is naar algemene ervaringsregels van oordeel dat verdachte door het hierboven omschreven rijgedrag ten aanzien van zowel [verbalisant 1] als [verbalisant 2] de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat de verbalisanten als gevolg van zijn toedoen zouden worden aangereden en zouden komen te overlijden. Daarbij neemt de rechtbank in het bijzonder de snelheid van de auto in aanmerking alsmede de korte afstand tussen die auto en de verbalisanten. Door met onverminderde snelheid op de verbalisanten in te blijven rijden en koste wat kost uit handen van de politie te willen blijven, zonder ook maar op enig moment bewust uit te wijken voor de verbalisanten, terwijl niet was te voorzien hoe de verbalisanten op het rijgedrag van verdachte zouden reageren, heeft verdachte die aanmerkelijke kans op de dood van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] voorts welbewust aanvaard. Dat hij hierbij heeft gehandeld met voorbedachte raad, kan niet worden bewezen.

Conclusie

Dit alles leidt tot de slotsom dat de onder 2 primair en onder 3 primair ten laste gelegde feiten bewezen zijn, namelijk dat verdachte zich, alleen, heeft schuldig gemaakt aan twee pogingen tot doodslag. Verdachte wordt van wat aan hem onder deze feiten meer of anders is ten laste gelegd, vrijgesproken.

4.4.3.

Witwassen (feit 5)

Op 11 november 2015 is onder verdachte een geldbedrag van € 8.000,- in beslag genomen. Verdachte heeft hierover ter terechtzitting verklaard dat hij dit geldbedrag bij zich had om te gebruiken bij het plegen van een ripdeal. Een deel van dit geldbedrag had verdachte gespaard en een ander deel had hij geleend.

Voor een bewezenverklaring van witassen moet vast komen te staan dat voormeld geldbedrag (on)middellijk van enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte dat wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden. Als voorts sprake is van de omstandigheid dat het geldbedrag uit een eigen misdrijf afkomstig is, dan geldt als vereiste voor witwassen dat er een handeling moet zijn die is gericht op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat geldbedrag.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de hoogte van het in beslag genomen contante geldbedrag vraagtekens kunnen worden gezet bij de herkomst hiervan. Op basis van het dossier kan echter niet worden bewezen dat het geldbedrag van enig misdrijf afkomstig is. Dit betekent dat het onder 5 ten laste gelegde feit niet is bewezen en verdachte hiervan wordt vrijgesproken.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit

op 11 november 2015 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een auto (Volkswagen Golf) heeft weggenomen een sporttas met hennep, toebehorend aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en zijn mededaders, waarbij hij, verdachte, en zijn mededaders die weg te nemen sporttas onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking van een ruit van voornoemde auto;

ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde feit

op 11 november 2015 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [verbalisant 1] (hoofdagent van de Politie Eenheid Amsterdam) van het leven te beroven, met dat opzet met een auto met hoge snelheid op die [verbalisant 1] is ingereden;

ten aanzien van het onder 3 primair ten laste gelegde feit

op 11 november 2015 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [verbalisant 2] (motoragent van de Politie Eenheid Amsterdam) van het leven te beroven, met dat opzet met hoge snelheid op die [verbalisant 2] is ingereden;

ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit

op 11 november 2015 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 8 kilogram hennep;

ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde feit

als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Amsterdam op de Amstelveenseweg omstreeks 11 november 2015 om 21.45 uur, de plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [persoon 3] ) schade was toegebracht;

ten aanzien van het onder 7 ten laste gelegde feit
op 11 november 2015 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen een wapen van categorie III, te weten een pistool (Merk, Model, Type: Crvena Zastava, M70, 7.65mm Browning) en munitie van categorie III, te weten 5 patronen (Kaliber: 7.65mm Browning), voorhanden heeft gehad.

Voor zover taal- en schrijffouten in de tenlastelegging staan, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. In de tenlastelegging staat onder 4 dat verdachte (samen met anderen) een hoeveelheid van ongeveer 10 kilo hennep aanwezig heeft gehad. Uit het dossier blijkt echter dat het gaat om een hoeveelheid van ongeveer 8 kilo. De rechtbank ziet dit als een kennelijke verschrijving en heeft de bewezenverklaring op dit punt dan ook aangepast. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, gezien de ernst van de door hem bewezen geachte feiten, waarbij hij gelijk gewicht heeft toegekend aan het onder 2 primair en onder 3 subsidiair bewezen geachte, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 34 maanden, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht, en een ontzegging van de bevoegdheid om motorvoertuigen te besturen voor de duur van zes maanden.

7.2.

Het standpunt van de verdediging


De raadsman heeft verzocht om bij strafoplegging ook acht te slaan op het tegen verdachte gebruikte geweld bij de aanhouding en de omstandigheid dat hij schuldbesef en berouw heeft getoond. Gelet hierop moet, vanwege de verzoeken om vrijspraak, worden volstaan met oplegging van een gevangenisstraf van ongeveer tien maanden.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder die feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een diefstal met braak, door een ruit van een auto in te slaan en uit die auto een tas met een handelshoeveelheid hennep weg te nemen. Daarbij waren verdachte en zijn mededaders in het bezit van een vuurwapen. Verdachte en zijn mededaders hebben de tas met hennep vervolgens meegenomen en geprobeerd om per auto te ontvluchten, waarbij verdachte nietsontziend en met hoge snelheid door Amsterdam heeft gereden, terwijl politie-eenheden hem tot stoppen probeerden te dwingen. Verdachte is tijdens zijn vlucht zo ver gegaan dat hij op verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] is ingereden en zich daarmee heeft schuldig gemaakt aan twee pogingen tot doodslag. Ook is verdachte later in botsing gekomen met een auto, die plaatsmaakte voor de achtervolgende politieauto’s. Verdachte is ook hier gewoon doorgereden.

De omstandigheid dat de twee verbalisanten geen ernstig letsel hebben opgelopen en het er levend vanaf hebben gebracht, is niet aan verdachte te danken. Verdachte heeft er alles aan gedaan om uit handen te blijven van de politie. Hij heeft daarbij onaanvaardbare risico’s genomen en zich niet bekommerd om het (levens)gevaar dat zijn rijgedrag opleverde voor anderen. Zijn handelen getuigt dan ook van een gebrek aan respect voor andermans lijf en leven. Dat er als gevolg van het uiterst riskante rijgedrag van verdachte geen (ernstige) ongelukken zijn gebeurd, waarbij ook willekeurige weggebruikers hadden kunnen worden getroffen, mag voorts een wonder heten.

Met de diefstal uit de auto hebben verdachte en zijn mededaders schade veroorzaakt. Verdachte en zijn mededaders hebben zich verder met een vuurwapen op de openbare weg begeven, waardoor een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen is ontstaan.

Verdovende middelen zijn voorts voor de gezondheid van gebruikers daarvan zeer schadelijke stoffen en het gebruik ervan is bezwarend voor de samenleving, onder meer vanwege de daarmee gepaard gaande criminaliteit, waaronder wapenbezit. De handel in en het bezit van verdovende middelen worden daarom krachtig bestreden.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting ook acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel van het European Criminal Records Information System van 17 december 2015 en de door de verdediging naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank ziet hierin echter geen strafmatigende omstandigheid.

Alles afwegende, waaronder de toepassing van de artikelen 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de straffen die rechtbanken en gerechtshoven in soortgelijke zaken plegen op te leggen, acht de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van dertig maanden gerechtvaardigd.

Op zichzelf acht de rechtbank een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid, zoals door de officier van justitie geëist, gelet op de ernst van de met een auto gepleegde misdrijven, een passende sanctie. De rechtbank ziet in de omstandigheden dat het rijbewijs van verdachte is afgegeven door een daartoe bevoegd gezag buiten Nederland en verdachte niet in Nederland woonachtig is, echter aanleiding hiervan af te wijken en deze sanctie niet op te leggen.

8 De vorderingen benadeelde partij

De benadeelde partijen [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben elk betaling van € 500,- aan immateriële schadevergoeding gevorderd. Deze vorderingen worden toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting en de onderbouwing van de vorderingen benadeelde partij is duidelijk geworden dat [verbalisant 1] en [verbalisant 2] als gevolg van het onder 2 primair respectievelijk het onder 3 primair bewezen verklaarde immateriële schade hebben geleden. Gezien de ernst van die bewezen verklaarde feiten en de door de benadeelde partijen gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend, begroot de rechtbank de schade voor de benadeelde partijen op elk € 500,-.

Verdachte wordt dan ook verplicht tot betaling van een geldbedrag van € 500,- aan [verbalisant 1] en een geldbedrag van € 500,- aan [verbalisant 2] . In het belang van de benadeelde partijen wordt, als extra waarborg voor betaling, voorts de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opgelegd.

9 Het beslag

Na de aanhouding van verdachte is onder hem een contant geldbedrag van € 8.000,- (itemnummer 5081805) in beslag genomen. Dit geldbedrag behoort aan verdachte toe en moet aan hem worden geretourneerd.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 55, 57, 287 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 7 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

11 Beslissingen

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissingen.

Verklaart het onder 5 ten laste gelegde feit niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1, onder 2 primair, onder 3 primair, onder 4, onder 6 en onder 7 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 5. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van de onder 1 en onder 4 bewezen verklaarde feiten

de eendaadse samenloop van

- diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, en

- medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van de onder 2 primair en onder 3 primair bewezen verklaarde feiten

- poging tot doodslag, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 6 bewezen verklaarde feit

- overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

ten aanzien van het onder 7 bewezen verklaarde feit

- medeplegen van het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, en

- medeplegen van het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte [verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 (dertig) maanden en beveelt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van [verbalisant 1] , domicilie kiezende bij de Politie Eenheid Amsterdam te Amsterdam, toe tot € 500,- (vijfhonderd euro) en veroordeelt verdachte tot betaling van dat bedrag aan de benadeelde partij.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [verbalisant 1] aan de Staat € 500,- (vijfhonderd euro) te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis. De toepassing van die hechtenis heft deze betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, als en voor zover verdachte aan één van voormelde betalingsverplichtingen ten aanzien van [verbalisant 1] heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil

Wijst de vordering van [verbalisant 2] , domicilie kiezende bij de Politie Eenheid Amsterdam te Amsterdam, toe tot € 500,- (vijfhonderd euro) en veroordeelt verdachte tot betaling van dat bedrag aan de benadeelde partij.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [verbalisant 2] aan de Staat € 500,- (vijfhonderd euro) te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis. De toepassing van die hechtenis heft deze betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, als en voor zover verdachte aan één van voormelde betalingsverplichtingen ten aanzien van [verbalisant 2] heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil

Gelast de teruggave aan verdachte van het hiervoor onder 9. vermelde geldbedrag met itemnummer 5081805.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Overbosch, voorzitter,

mrs. J.B. Oreel en M.J.A. Duker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. P.H. Boersma, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 maart 2016.