Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:1651

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-03-2016
Datum publicatie
25-03-2016
Zaaknummer
CV EXPL 15-18617
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 4305227 CV EXPL 15-18617

vonnis van: 21 maart 2016

fno.: 811

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BURNETT MEDIA B.V. h.o.d.n. BUSINESSVIEW MEDIA,

gevestigd te Breda,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

nader te noemen: Burnett,

gemachtigde: mr. L.M. Dressel,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te [plaats] ,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

nader te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigde: mr. L. Kruiswijk.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

  • -

    dagvaarding van 29 juni 2015 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie tevens voorwaardelijke eis in reconventie, met een productie;

  • -

    het instructievonnis van 5 oktober 2015;

  • -

    de conclusie van repliek in conventie tevens antwoord in reconventie met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie tevens repliek in reconventie;

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie;

  • -

    dagbepaling vonnis.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten in conventie en in reconventie

1.1.

Burnett is een uitgever op het gebied van economische rapporten over regio’s in Europa. In verband met de uitgave in Duitsland van een rapport over de regio Utrecht ter bevordering van interregionale handelsrelaties tussen Nederlandse en Duitse ondernemingen heeft Burnett telefonisch contact opgenomen met [gedaagde] .

1.2.

Vervolgens hebben een medewerkster van Burnett en [naam 1] , bestuurder van [gedaagde] , elkaar op 25 april 2014 op het kantoor van [gedaagde] gesproken. De medewerkster van Burnett heeft daarbij medegedeeld dat zij een interview wenste te houden met betrekking tot [gedaagde] , dat dit interview geplaatst zou kunnen worden in het rapport over de regio Utrecht en dat de mogelijkheid bestond om daarbij een betaalde advertentie te doen plaatsen.

1.3.

Vervolgens heeft deze medewerkster van Burnett [naam 1] geïnterviewd en is een schriftelijk stuk ondertekend, waarin onder meer is vermeld:

“(…)

ADVERTENTIEOVEREENKOMST

Bedrijfsnaam: [gedaagde]

Voornaam: [naam 1]

Achternaam: [naam 1]

Functie: Algemeen directeur

(…)

Rapport: Stadsregio Utrecht

Fotomateriaal: wordt aangeleverd

(…)

Opmerkingen: 1 pagina artikel

inzage in het artikel voorafgaand aan publicatie

(…)

Formaten

(…)1/8

Prijs: € 1850,--

Betaling 15 dagen na factuurdatum. Alle prijzen zijn exclusief BTW. Onderhavige overeenkomst wordt beheerst overeenkomstig de algemene voorwaarden zoals vermeldt op de keerzijde. (…)”

Advertentiemateriaal aangeleverd door adverteerder.

1.4.

Op 15 mei 2014 heeft [naam 1] telefonisch contact gehad met Burnett en daarbij medegedeeld dat hij geen advertentie wilde.

1.5.

Het interview met [naam 1] en advertentie zijn in het decembernummer 2014 van het blad “Wirschafts Report” geplaatst.

1.6.

Op 16 december 2014 heeft Burnett met betrekking tot de advertentiekosten een factuur verzonden aan [gedaagde] ten bedrage van (€1850,-- voor advertentie en € 277,50 voor productie advertentiemateriaal, vermeerderd met 21% btw =) € 2.574,28.

Geschil

in conventie:

  1. Burnett vordert dat [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van € 2.574,28 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 30 december 2014 en € 386,14 aan buitengerechtelijke incassokosten alsmede de proceskosten.

  2. Burnett stelt hiertoe, samengevat en zakelijk weergegeven, dat [gedaagde] op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst gehouden is tot betaling van de geplaatste advertentie. Verder stelt zij dat [gedaagde] uit hoofde van de op de overeenkomst van toepassing verklaarde algemene voorwaarden gehouden is tot betaling van een bedrag van 15% over de vordering aan buitengerechtelijke incassokosten.

3. [gedaagde] betwist dat zij een definitieve overeenkomst tot het plaatsen van een advertentie heeft gesloten met Burnett. Zij voert daartoe aan dat zij in het gesprek op 25 april 2014 te kennen heeft gegeven mogelijk interesse te hebben om een advertentie te plaatsen, maar eerst nadat de inhoud van de publicatie was toegezonden. Eerst na akkoordbevinding en levering van het fotomateriaal, zou [gedaagde] bereid zijn in te stemmen met publicatie van het artikel. Pas daarna zou [gedaagde] al dan niet de opdracht verstrekken tot het plaatsen van de advertentie bij het artikel. Zij heeft de overeenkomst alleen maar ondertekend op verzoek van de medewerkster van Burnett omdat zij daarmee aan haar werkgever kon aantonen dat zij op de betreffende dag een gesprek met [gedaagde] had gehad. [gedaagde] voert aan dat zij het (foto)materiaal niet heeft aangeleverd en de advertentie niet op voorhand heeft ingezien, zodat zij nimmer opdracht heeft gegeven voor het plaatsen van de advertentie.

in reconventie:

4. [gedaagde] vordert, indien in conventie geoordeeld wordt dat een overeenkomst tot stand is gekomen, deze overeenkomst per 15 april 2014 [de rechtbank begrijpt dat 25 april 2014 is bedoeld] te ontbinden, met veroordeling van Burnett in de kosten van deze procedure.

5. [gedaagde] stelt hiertoe dat Burnett toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst nu het geplaatste artikel en advertentie foutieve informatie bevatten. Deze onherstelbare tekortkomingen rechtvaardigen volgens [gedaagde] ontbinding.

6. Burnett voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hieronder zo nodig ingegaan.

Beoordeling

in conventie

7. Vaststaat dat partijen de zogenaamde advertentieovereenkomst hebben ondertekend. Deze akte levert dwingend bewijs op van de stelling dat partijen deze advertentieovereenkomst hebben gesloten, behoudens tegenbewijs. De vraag is echter of [gedaagde] op basis van deze overeenkomst gehouden is tot betaling voor de geplaatste advertentie. Deze vraag kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van deze overeenkomst. Voor de beantwoording van die vraag komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

8. Vaststaat dat Burnett [gedaagde] heeft benaderd en nog dezelfde dag of vrij snel daarna een afspraak met [naam 1] heeft gemaakt op het kantoor van [gedaagde] . Onbetwist is verder gebleven dat het verdienmodel van Burnett is gebaseerd op het verkopen van advertentieruimte door de koper te vleien met een interview. Het initiatief voor het contact tussen partijen ligt dus geheel bij Burnett. De medewerkster van Burnett heeft alvorens de overeenkomst te sluiten de werkwijze uitgelegd. [gedaagde] voert aan dat [naam 1] daaruit heeft begrepen dat hij het interview eerst te zien zou krijgen, waarna hij definitief kon beslissen of hij daarbij een advertentie zou willen plaatsen. Voorstelbaar is dat [gedaagde] alleen een betaalde advertentie wenste te plaatsen bij een door haar goedgekeurd interview. Nu in de overeenkomst bij opmerkingen handgeschreven is bepaald: “inzage in het artikel voorafgaand aan publicatie”, en niet expliciet is beschreven dat als er geen akkoord is gegeven op het artikel de advertentie toch wordt geplaatst en dat daarvoor betaling is verschuldigd, heeft [gedaagde] er gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat zolang zij niet akkoord was gegaan met het artikel, zij geen advertentiekosten verschuldigd zou zijn. Hetzelfde geldt ten aanzien van de bepaling met betrekking tot advertentiemateriaal. Nu een en ander niet expliciet is bepaald, mocht [gedaagde] er gerechtvaardigd op vertrouwen dat zij, zolang zij geen materiaal had aangeleverd, geen kosten verschuldigd zou zijn.

9. Gelet op de bedoelingen van partijen bij deze overeenkomst en de omstandigheid dat de overeenkomst op initiatief van en door Burnett is opgesteld, komt dit gerechtvaardigd vertrouwen bij gebrek aan expliciete en duidelijke bewoordingen in de overeenkomst voor rekening van Burnett, zodat zij op basis van deze overeenkomst niet had mogen verwachten dat [gedaagde] de advertentiekosten zou betalen. De vordering wordt dan ook afgewezen.

10. Burnett wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

in reconventie

11. De voorwaarde waaronder de reconventionele vordering is ingesteld, is ingetreden. In conventie is immers geoordeeld dat de overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. Hoewel de vraag oprijst of [gedaagde] na voormelde beoordeling in conventie nog belang heeft bij haar vordering, geldt in ieder geval bij positieve beantwoording van die vraag het volgende.

12. Met [gedaagde] wordt geoordeeld dat Burnett tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Zoals hiervoor reeds is bepaald, mocht [gedaagde] er gerechtvaardigd op vertrouwen dat het artikel en eventuele advertentie pas zouden worden geplaatst na aanlevering van het materiaal en bij akkoord op de inhoud van het artikel. Nu zonder aangeleverd materiaal en zonder akkoord Burnett tot publicatie is overgegaan, is zij toerekenbaar tekortgeschoten. Dit geldt te meer nu de publicaties foutieve informatie bevatten, zoals ten aanzien van het vestigingsadres. Daarbij geldt dat Burnett onvoldoende heeft aangevoerd om te kunnen concluderen dat zij op basis van de overeenkomst gerechtigd was om de advertentie in eigen beheer op te stellen. Deze tekortkomingen rechtvaardigen ontbinding van de overeenkomst.

13. Conclusie van het voorgaande is dan ook dat de overeenkomst ontbonden zal worden per datum vonnis. Ingevolge artikel 6:269 BW heeft ontbinding immers geen terugwerkende kracht.

14. Als de in het ongelijk gestelde partij wordt Burnett veroordeeld in de proceskosten. Gelet op de samenhang met de procedure in conventie, worden deze kosten echter begroot op nihil.

BESLISSING

De kantonrechter:

in conventie:

wijst de vordering af;

veroordeelt Burnett in de proceskosten die aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot worden op € 350,-- aan salaris van de gemachtigde, voor zover van toepassing, inclusief btw;

III. veroordeelt Burnett tot betaling van een bedrag van € 15,-- aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en Burnett niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw;

IV. verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie:

V. ontbindt de tussen partijen op 25 april 2015 gesloten overeenkomst;

VI. veroordeelt Burnett in de proceskosten die aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot worden op nihil;

VII. wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 maart 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.