Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:1618

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-03-2016
Datum publicatie
06-05-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 5501
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:1350, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WOB. Verweerder is ten aanzien van het onderzoeken van politiemeetmiddelen en het afgeven van een NMi-verklaring een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/5501

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2016 in de zaak tussen

Stichting Onafhankelijk Mobiliteitsadvies, te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr.drs. J.J.O. Zandt),

en

NMI Certin B.V., verweerder

(gemachtigden: [naam] en [naam 1] ).

Procesverloop

Eiseres heeft op 31 augustus 2015 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op haar verzoek tot openbaarmaking van diverse stukken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2016.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiseres heeft op 18 maart 2013 bij het Landelijk Parket Team Verkeer, onderdeel van het ministerie van Veiligheid en Justitie, een Wob-verzoek ingediend met betrekking tot informatie over verschillende meetmiddelen die door de politiekorpsen gebruikt worden om snelheidsovertredingen waar te nemen.

2. Bij uitspraak van 13 maart 2015 (zaaknummer AMS 14/1987) heeft deze rechtbank bepaald dat de minister van Veiligheid en Justitie het verzoek van eiseres, voor zover dat ziet op de vraag hoe de nauwkeurigheid van de metingen is gewaarborgd, door moet zenden aan verweerder.

3. Bij brief van 17 maart 2015 heeft de minister van Veiligheid en Justitie het verzoek van eiseres doorgestuurd naar verweerder.

4. Bij brief van 16 april 2015 heeft eiseres, vanwege het uitblijven van een besluit op het voornoemde verzoek, verweerder in gebreke gesteld in verband met het niet tijdig beslissen.

5. Bij brief van 28 april 2015 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij geen bestuursorgaan is voor wat betreft het onderzoeken van de door de politie gebruikte meetmiddelen om snelheidsovertredingen vast te stellen en het afgeven van een verklaring van onderzoek (NMi-verklaring). Hierdoor is er geen publiekrechtelijke verplichting om gehoor te geven aan het Wob-verzoek. Volgens verweerder is om deze reden het verzoek van eiseres van 18 maart 2013 niet in behandeling genomen.

6. In beroep voert eiseres aan dat verweerder is aan te merken als een bestuursorgaan. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiseres naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 19 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:916. In rechtsoverweging 12.4 van die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat verweerder een bestuursorgaan is. Dit betekent volgens eiseres dat verweerder, met inachtneming van de uitspraak van deze rechtbank van 13 maart 2015, moet beslissen op haar Wob-verzoek. Eiseres verzoekt de rechtbank tot slot te bepalen dat verweerder binnen twee weken na datum van de uitspraak alsnog een besluit neemt, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag of dagdeel.

7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij wat betreft de hier aan de orde zijnde taken geen bestuursorgaan is als bedoeld in artikel 1:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met het onderzoeken van politiemeetmiddelen en het afgeven van verklaringen ter zake worden immers geen rechtsgevolgen in het leven geroepen. Het is niet meer dan een feitelijke verklaring. Wat betreft deze activiteiten is verweerder dus geen zelfstandig bestuursorgaan. De uitspraak van de Afdeling van 19 maart 2014 is gedaan in een zaak waar dit geen onderwerp van geschil was en waarin verweerder geen partij was. Verweerder heeft dan ook een herzieningsverzoek ingediend bij de Afdeling, maar is hierin niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij geen procespartij was in de zaak waarop de uitspraak ziet. Verweerder heeft tevens verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 november 2014 (ECLI:NL:RBDHA:2014:13679). Verweerder stelt zich op het standpunt dat de rechtbank niet bevoegd is om van het beroep kennis te nemen, omdat verweerder in dit geval niet als bestuursorgaan kan worden aangemerkt.

8.1.

In artikel 1:1 van de Awb is bepaald dat onder bestuursorgaan wordt verstaan:

a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of

b. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.

8.2.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

8.3.

Op grond van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.

8.4.

Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld.

9. Vaststaat dat verweerder een privaatrechtelijke rechtspersoon is en dus niet een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, als bedoeld in artikel 1:1, aanhef en onder a, van de Awb. Beoordeeld moet dus worden of verweerder een bestuursorgaan is in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. Hierbij is van belang dat zogenoemde b-organen slechts als bestuursorgaan worden aangemerkt voor zover zij handelen in de uitoefening van openbaar gezag. Daarvoor is bepalend of aan dat orgaan een publiekrechtelijke bevoegdheid tot het eenzijdig bepalen van de rechtspositie van andere rechtssubjecten is toegekend. Openbaar gezag kan in beginsel slechts bij wettelijk voorschrift worden toegekend. Als een daartoe strekkend wettelijk voorschrift ontbreekt, is een orgaan van een privaatrechtelijk rechtspersoon in beginsel geen bestuursorgaan en daarmee niet onderworpen aan de Awb.

10. Verweerder maakt een onderscheid ten aanzien van de uitoefening van zijn taken. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij ten aanzien van zijn taken die hem zijn opgedragen op grond van artikel 11 en 12 van de Metrologiewet bestuursorgaan is als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. Het gaat daarbij om het uitvoeren van overeenstemmingsbeoordelingen en keuringen van meetinstrumenten. Volgens verweerder geldt dit echter niet wat betreft het onderzoeken van politiemeetmiddelen en het afgeven van verklaringen ter zake, zoals hier aan de orde.

11. De rechtbank stelt vast dat in artikel 1 van de Regeling meetmiddelen politie (de Regeling) is bepaald dat voor het gebruik van de daar genoemde meetmiddelen, waaronder snelheidscontrolemeters, een verklaring van onderzoek moet zijn afgegeven door het NMi waaruit blijkt dat deze voldoen aan de eisen als vermeld in de bijlage behorend bij de Regeling. Deze bevoegdheid is daarmee bij wettelijk voorschrift toegekend aan verweerder. Verweerder heeft ter zitting gewezen op artikel 4, tweede lid, van de Regeling en gesteld dat hieruit blijkt dat deze taak niet exclusief aan hem is opgedragen. Dit betoog volgt de rechtbank niet. In voornoemd artikel staat dat met de verklaring van onderzoek wordt gelijkgesteld een verklaring van een onderzoek, afgegeven door een wat betreft technische deskundigheid en onafhankelijkheid gelijkwaardig instituut in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, welke verklaring is afgegeven op basis van onderzoeken die ten minste aan gelijkwaardige eisen voldoen. Met artikel 4, tweede lid, van de Regeling is kennelijk bedoeld om onderzoeksverklaringen afkomstig van andere gelijkwaardige instituten in de Europese Unie gelijk te stellen. Dit doet niets af aan het feit dat het afgeven van een verklaring van een onderzoek in Nederland is opgedragen aan verweerder. Hierdoor wordt aan verweerder bij wettelijk voorschrift een vorm van openbaar gezag toegekend, omdat op grond van artikel 1 van de Regeling het mogen gebruiken van meetmiddelen afhankelijk wordt gesteld van een NMi-verklaring van verweerder. Daarmee heeft het afgeven of onthouden van die verklaring rechtsgevolg voor andere rechtssubjecten. De wijze waarop daarmee vervolgens wordt omgegaan als bewijs in het strafrechtelijk onderzoek, is naar het oordeel van de rechtbank niet doorslaggevend.

12. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten aanzien van het onderzoeken van politiemeetmiddelen en het afgeven van verklaringen ter zake een bestuursorgaan is in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. De rechtbank vindt voor dit oordeel tevens steun in de uitspraak van de Afdeling van 19 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:916 en de uitspraak van de Afdeling van 17 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1863. Het voorgaande betekent dat verweerder dus een beslissing had moeten nemen op het verzoek van eiseres.

13. Nu verweerder niet tijdig op het verzoek van eiseres heeft beslist is het beroep gegrond. Verweerder zal daarom alsnog een besluit moeten nemen. De rechtbank stelt hiervoor ingevolge artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb, een termijn van twee weken.

14. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb, zoals door eiseres is verzocht, dat verweerder een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank sluit hiermee aan bij
de door de Afdeling gehanteerde norm (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL8689).

15. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

16. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;

  • -

    draagt verweerder op alsnog een besluit te nemen binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 331,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. de Vos, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Hoogendoorn, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2016.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.