Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:1588

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-02-2016
Datum publicatie
19-01-2018
Zaaknummer
AWB - 15 _ 7785
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bestuursdwang / wegslepen voertuig / beroep ongegrond / het begrip onmiddelijk laden en lossen strikt uitgelegd door de hoge raad / in casu stond het voertuig dus geparkeerd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/7785

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 februari 2016 in de zaak tussen

[bedrijf] ., te Nootdorp, eiseres

(gemachtigde: P. Gransjean),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. R.J.M. Peeters).

Procesverloop

Bij besluit van 3 september 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder bestuursdwang toegepast door op dezelfde datum het voertuig van eiseres met [kenteken] weg te slepen.

Bij besluit van 11 november 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaarschrift gericht tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 februari 2016. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank ziet zich ambtshalve allereerst voor de vraag gesteld of eiseres ingevolge artikel 8:1, gelezen in samenhang met artikel 7:1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beroep heeft kunnen instellen bij de bestuursrechter. De rechtbank stelt daartoe vast dat eiseres ter zitting heeft toegelicht dat [de man] in onderling overleg met eiseres bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit en daarmee heeft beoogd om tevens namens eiseres het bezwaarschrift in te dienen. Gelet hierop komt de rechtbank tot de conclusie dat eiseres beroep bij de rechtbank heeft kunnen instellen en daarom ontvankelijk is in haar beroep.

2.1.

Op grond van artikel 170, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wegenverkeerswet (WVW) 1994 zijn burgemeester en wethouders bevoegd tot het overbrengen en in bewaring stellen van een op een weg staand voertuig, indien met het voertuig een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift wordt overtreden en bovendien verwijdering van het voertuig noodzakelijk is in verband met het vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen.

2.2

Op grond van artikel 173, eerste lid, aanhef en onder a, van de WVW 1994 worden bij algemene maatregel van bestuur de soorten van de in artikel 170, eerste lid, aanhef en onder c, bedoelde weggedeelten en wegen aangewezen.

2.3

Op grond van artikel 173, tweede lid, aanhef en onder c, worden bij gemeentelijke verordening nadere regels gesteld ter uitvoering van de artikelen 170 tot en met 172 en de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur. Die regels betreffen in elk geval de aanwijzing van de weggedeelten en wegen voor welke de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang als bedoeld in artikel 170, eerste lid, aanhef en onder c geldt.

2.4

Op grond van artikel 2 van de Wegsleepverordening Amsterdam 2010 (de Wegsleepverordening), voor zover thans van belang, worden als wegen en weggedeelten, bedoeld in artikel 170, eerste lid, aanhef en onder c, van de WVW 1994 aangewezen alle wegen en weggedeelten binnen de gemeente Amsterdam voor zover die behoren tot een van de in artikel 2 van het Besluit wegslepen van voertuigen (het Besluit) bedoelde soorten van wegen en weggedeelten.

2.5

In artikel 2, aanhef en onder f, van het Besluit – voor zover van belang – is bepaald dat de soorten van weggedeelten en wegen als bedoeld in artikel 173, eerste lid, aanhef en onder a, van de WVW 1994, wegen en weggedeelten zijn betreffende gelegenheden voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen, aangeduid door bord E7 van bijlage I bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (het RVV 1990).

2.6

In artikel 24, eerste lid, aanhef en onder f, van het RVV 1990 is bepaald dat een bestuurder zijn voertuig niet mag parkeren op een gelegenheid bestemd voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen.

3. Op 3 september 2015 om 20:06 uur stond het voertuig van eiseres met het [kenteken] volgens verweerder geparkeerd op een laad- en loshaven aan [de straat] ter hoogte van [huisnummer] , te Amsterdam. Deze parkeerplaats was aangeduid met het verkeersbord E7. Dit vormde voor verweerder aanleiding om bij het primaire besluit, gehandhaafd bij het bestreden besluit, bestuursdwang toe te passen door het voertuig van eiseres weg te slepen. Verweerder heeft daarbij overwogen dat het wegslepen van het voertuig van eiseres noodzakelijk was in verband met het vrijhouden van zogenaamde aangewezen weggedeelten en wegen. Volgens verweerder was sprake van parkeren en niet van onmiddellijk laden en lossen, omdat het voertuig langer dan tien minuten op de laad- en loshaven stilstond, zonder dat daadwerkelijke voorwerpen in- of uitgelaten werden en zonder dat iemand zich zichtbaar met dergelijke activiteiten in de buurt van het voertuig bezighield.

4. In beroep voert eiseres aan dat zij een bedrijf is dat zich richt op het op- en afbouwen van evenementen. Op het moment dat het voertuig werd weggesleept werd de laad- en loshaven gebruikt waarvoor deze is bestemd, namelijk het laden en lossen van goederen ten behoeve van de werkzaamheden in de Beurs van Berlage. Verder is in de directe omgeving geen alternatieve parkeerplek beschikbaar en eiseres krijgt haar opdrachten vaak niet tijdig waardoor het niet mogelijk is om altijd een ontheffing aan te vragen bij verweerder.

5.1

De rechtbank stelt voorop dat in de rechtspraak het begrip “onmiddellijk laden en lossen” strikt wordt uitgelegd (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:445). Onder “onmiddellijk laden en lossen” dient te worden verstaan het bij voortduring inladen of uitladen van zaken van enige omvang of enig gewicht, onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht en gedurende de tijd die daar voor nodig is. Het moet gaan om zaken van een zodanige omvang of gewicht dat zij niet of bezwaarlijk op een andere wijze dan per voertuig ter plaatse kunnen worden gehaald of gebracht. Dit betekent dat het laden en/of lossen waarneembaar moet zijn en wel in die zin dat degene die de auto observeert, voortdurend iemand met goederen van enige omvang of gewicht heen en weer ziet lopen. Daarbij geldt dat de goederen na het uitladen achter de deur moeten worden gezet van het pand waarvoor ze bestemd zijn. Vervolgens dient de auto op een plaats te worden geparkeerd waar dit is toegestaan. Het opbergen van de goederen of het afwikkelen van eventuele formaliteiten dient pas daarna plaats te vinden.

5.2

De rechtbank is gelet op het voorgaande arrest, waarin de Hoge Raad een strikte uitleg heeft gegeven aan de term “onmiddellijk laden en lossen”, van oordeel dat het beleid van verweerder om een waarnemingstermijn van tien minuten in acht te nemen om vast te kunnen stellen of er sprake is van onmiddellijke laad- en losactiviteiten niet onredelijk is. Nu de opsporingsambtenaar van verweerder uiteindelijk zestien minuten, geen laad- en losactiviteiten bij het voertuig had geconstateerd, is de rechtbank van oordeel dat het voertuig van eiseres in strijd met artikel 24, eerste lid, aanhef en onder f, van het RVV 1990 ter plaatse stond geparkeerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan het proces-verbaal van meevoeren en opslaan van 3 september 2016 te twijfelen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat er wel laad- en losactiviteiten werden verricht. Dit brengt mee dat verweerder op grond van artikel 170, eerste lid, aanhef en onder c, van de WVW 1994 bevoegd was om het voertuig van eiser weg te slepen.

5.3

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 5 oktober 201 (ECLI:NL:RVS:2011:BT6683), volgt dat, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik zal moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van dusdanige bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder in redelijkheid van het wegslepen van het voertuig had moeten afzien. De bedrijfsvoering van eiseres, dat zij vaak kort voor een evenement een opdracht krijgt, is geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan verweerder van het wegslepen van de auto had moeten afzien. Het is de rechtbank niet gebleken dat het voor eiseres onmogelijk is haar bedrijfsvoering zo aan te passen dat dit binnen de geldende verkeersregels kan gebeuren.

6. Het beroep is ongegrond. Er bestaat geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig-Rocour, rechter, in aanwezigheid van H. Akbuz, griffier, op 29 februari 2016.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.