Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:1566

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-03-2016
Datum publicatie
24-03-2016
Zaaknummer
13/751893-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Overlevering Polen toegestaan. Overlevering vindt alleen plaats aan de justitiële autoriteiten van landen die lid zijn van de Europese Unie. Ook Polen is, zoals alle lidstaten van de Europese Unie, partij bij het EVRM. Het is aan de opgeëiste persoon om substantiële gronden te stellen op basis waarvan aannemelijk is dat er een reëel risico bestaat dat hij na overlevering onderworpen zal worden aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De enkele mogelijkheid van een onmenselijke behandeling is onvoldoende. De opgeëiste persoon kan voorts verschillende categorieën van informatie aandragen, waaronder algemene informatie over de situatie in de uitvaardigende staat voor wat betreft de te vrezen mensenrechtenschending. De rechtbank zal dan vervolgens dienen te beoordelen of sprake is van een reëel risico dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke en vernederende behandelingen of bestraffingen.

Er zijn geen specifieke de opgeëiste persoon betreffende omstandigheden naar voren gebracht waarop het vermoeden van een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM kan worden gebaseerd. Ook is niet voldoende concreet onderbouwd dat er voor de opgeëiste persoon in Polen geen effective remedy als bedoeld in artikel 13 van het EVRM aanwezig is. Ter onderbouwing heeft de raadsman alleen gewezen op de algemene politieke situatie in Polen en op het feit dat de Europese Commissie thans onderzoek verricht naar de situatie in Polen. Het verweer mist hiermee de benodigde onderbouwing en er dient op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ook thans nog van te worden uitgegaan dat Polen de bepalingen van het EVRM zal nakomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751893-15

RK nummer: 16/682

Datum uitspraak: 22 maart 2016

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 22 januari 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 28 september 2015 (ontvangen op 20 januari 2016) door de President of the 2nd Criminal Division of the Circuit Court in Zielona Góra (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1993,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in het [detentie adres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 8 maart 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. M.J.C. de Vries, advocaat te Noordwijk en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een Besluit van 1 april 2015 van het Regional Court of Krosna Odrzańdie, 4th Criminal Division in Gubin (referentie IV Kp 7/15).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Polen 2 strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Strafbaarheid, feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, 2e van de OLW gestelde eisen.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

Wederspannigheid en/of bedreiging en/of mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening (artikelen 184, 285, 300, 304 WvSr)

Mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening (artikelen 300, 304 WvSr)

5 Artikel 11 van de OLW

De raadsman heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon erg van de tegen hem gerezen verdenking is geschrokken. Gelet op de verdenking, namelijk het mishandelen van overheidsdienaren, vreest de opgeëiste persoon dat hij in Polen geen eerlijk proces zal krijgen. De raadsman heeft hiertoe verwezen naar de recente politieke ontwikkelingen in Polen. De rechtstaat en het recht op een eerlijk proces staan onder druk in Polen. Ook de Europese Commissie verricht op dit moment onderzoek naar de rechtstatelijke situatie in Polen. Het EAB is gebaseerd op de aanname dat de mensenrechten in alle EU-lidstaten gerespecteerd worden. Op dit moment bestaat er echter gerede twijfel of dit in Polen het geval is. De overlevering dient om deze reden geweigerd te worden.

De rechtbank vat dit verweer als een beroep op artikel 11 van de OLW op en is van oordeel dat dit verweer niet kan slagen. Overlevering vindt alleen plaats aan de justitiële autoriteiten van landen die lid zijn van de Europese Unie. Ook Polen is, zoals alle lidstaten van de Europese Unie, partij bij het EVRM. Het is aan de opgeëiste persoon om substantiële gronden te stellen op basis waarvan aannemelijk is dat er een reëel risico bestaat dat hij na overlevering onderworpen zal worden aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De enkele mogelijkheid van een onmenselijke behandeling is onvoldoende. De opgeëiste persoon kan voorts verschillende categorieën van informatie aandragen, waaronder algemene informatie over de situatie in de uitvaardigende staat voor wat betreft de te vrezen mensenrechtenschending. De rechtbank zal dan vervolgens dienen te beoordelen of sprake is van een reëel risico dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke en vernederende behandelingen of bestraffingen.

De rechtbank is van oordeel dat de raadsman geen specifieke de opgeëiste persoon betreffende omstandigheden naar voren heeft gebracht waarop het vermoeden van een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM kan worden gebaseerd. Voorts is niet voldoende concreet onderbouwd aangevoerd dat er voor de opgeëiste persoon in Polen geen effective remedy als bedoeld in artikel 13 van het EVRM aanwezig is. Ter onderbouwing van de stelling heeft de raadsman alleen gewezen op de algemene politieke situatie in Polen en op het feit dat de Europese Commissie thans onderzoek verricht naar de situatie in Polen.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer van de opgeëiste persoon hiermee de benodigde onderbouwing mist en dat er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ook thans nog van dient te worden uitgegaan dat Polen de bepalingen van het EVRM zal nakomen.

6 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 van de OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 180, 300, 304 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 van de OLW.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan President of the 2nd Criminal Division of the Circuit Court in Zielona Góra (Polen) ten behoeve van het in Polen tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. A.C. Enkelaar, voorzitter,

mrs. I.M.L. Felix en P. Rodenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 22 maart 2016.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.