Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:1474

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-03-2016
Datum publicatie
18-03-2016
Zaaknummer
13/669008-14 (zaak A), 13/674051-15 (zaak B) en 13/674227-15 (zaak C)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een 45-jarige man uit Amstelveen tot drie jaar cel en tbs met dwangverpleging voor het bezit, het vervaardigen en verspreiden van een grote hoeveelheid kinderporno en van seksueel misbruik van twee kinderen. In het huis van de scoutingleider zijn ruim 100.000 afbeeldingen en ruim 2.000 films met kinderporno aangetroffen. Ook heeft hij meerdere keren seksuele handelingen verricht met twee jonge jongens.

De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij tien jaar lang zeer berekenend te werk is gegaan. Door bij de kinderradio te gaan werken, zwemles te geven en actief te zijn bij de scouting heeft hij opzettelijk een vertrouwensrelatie opgebouwd met kinderen die van hem afhankelijk waren. Zo kon hij jarenlang foto’s van kinderen maken, die hij ook deelde met anderen, en kinderen misbruiken.

Een psycholoog en psychiater hebben vastgesteld dat verdachte leidt aan pedofilie en verminderd toerekeningsvatbaar is. De rechtbank vindt het gevaar voor herhaling groter dan de deskundigen en oordeelt dat verdachte gedwongen moet worden behandeld in een tbs-kliniek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0069
IR 2016/63, UDH:IR/13298 met annotatie van Onder redactie van mr. M. van der Linden – Smit en mr. C.C.M. Kroeks – de Raaij
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/669008-14 (zaak A), 13/674051-15 (zaak B) en 13/674227-15 (zaak C)

Datum uitspraak: 18 maart 2016

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] , [woonplaats] , gedetineerd in het [detentie adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 18 en 19 november 2015, 15 februari 2016 en 4 maart 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W. van Schaijck en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. N.C. Reehuis naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B en zaak C aangeduid.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is kort samengevat ten laste gelegd het bezit van een grote hoeveelheid kinderporno, het vervaardigen en verspreiden van kinderporno alsmede ontucht en seksueel misbruik van kinderen. De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1 die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vormverzuimen ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv)

4.1.1.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geconcludeerd tot bewijsuitsluiting van alles wat bij de doorzoeking van de woning van verdachte op 1 april 2014 is aangetroffen in verband met geconstateerde vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv. Zij heeft hiertoe – samengevat – het volgende gesteld:

- Het fotograferen van de woning van verdachte op 24 september 2013, naar aanleiding van de vondst van imitatievuurwapens en de mededeling van de officier van justitie dat er onvoldoende aanleiding was voor een doorzoeking van de woning op verdenking van bezit/vervaardigen kinderpornografie, was onrechtmatig en is bovendien niet geverbaliseerd in het proces-verbaal met betrekking tot de imitatievuurwapens. De foto’s mogen niet meewerken aan het bewijs.

- De politie heeft zonder afdoende verdenking tegen verdachte in de politiesystemen en sociale media een persoonsgericht onderzoek uitgevoerd tegen verdachte. De resultaten hiervan mogen niet meewerken aan het bewijs en evenmin aan de verdenking tegen verdachte.

- De doorzoeking van de woning van verdachte op 1 april 2014 was onrechtmatig. Gelet op het voorgaande was er onvoldoende verdenking tegen verdachte. Immers, als de resultaten van de voorgaande onderzoeken terzijde worden geschoven, blijft er slechts de verklaring van [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) over omtrent de bij hem aangetroffen kinderporno. [persoon 1] heeft niet verklaard dat hij kinderpornografisch materiaal met verdachte heeft uitgewisseld.

- Het onderzoek in de smartphone van verdachte is onrechtmatig geweest, met als gevolg dat het aangetroffen beeldmateriaal van kind 13 (zaak B, feit 9) niet tot bewijs mag dienen.

4.1.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft de zienswijze van de raadsvouw bestreden.

4.1.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw en overweegt als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat de raadsvrouw als uitgangspunt van de verdenking neemt de verklaring van [persoon 1] in augustus 2013. Zij ziet daarbij echter over het hoofd dat in maart 2013 reeds informatie over verdachtes mogelijke seksuele fixatie op jongetjes van rond de 10 jaar was ontvangen door de Zedenpolitie en dat kind 1 op 3 april 2013 aangifte tegen verdachte had gedaan van ontucht (pagina’s 1001-1003 van het beslagdossier).

4.1.3.1. Fotograferen woning verdachte op 24 september 2013

Uit het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] van 9 april 2014 (pagina 5036 van het dossier) blijkt dat opsporingsambtenaar [verbalisant 2] op 24 september 2013 zich naar de woning van verdachte begeeft naar aanleiding van een melding dat zich in de woning een op een vuurwapen gelijkend voorwerp zou bevinden. Bij het aanrijden is hem portofonisch medegedeeld dat de bewoner van het betreffende perceel voor zou komen ter zake een zedendelict. De aangifte van ontucht door verdachte, afkomstig van kind 1, was toen bekend bij de politie. Naast de twee op vuurwapens gelijkende voorwerpen die in de woning van verdachte zijn aangetroffen, zijn ook meerdere goederen aangetroffen die naar het oordeel van [verbalisant 2] dubieus waren met betrekking tot kinderporno en misbruik, te weten: camera’s, statieven, geheugenkaarten, Cd’s en Dvd’s, videobanden, foto’s, geheugensticks, computers, mobiele telefoons, een laptop, een IPad, administratie van een jeugd scoutingclub, zwembandjes, een zwembroek in een kindermaat, condoomverpakkingen, twee potten vaseline en glijmiddel. In de hal zijn een foto van een ontbloot jongetje die zijn geslachtsdeel met zijn handen bedekt en een foto van een kind met daarop de tekst “ [naam 1] ik hou van jou” aangetroffen. In de huiskamer zijn nog meer soortgelijke foto’s aangetroffen. In de gehele woning lag tevens kinderspeelgoed.

De rechtbank acht het onder deze omstandigheden niet onbegrijpelijk dat de politie de aanwijzingen die zij had voor het mogelijke bezit of vervaardigen van kinderpornografie wilde vastleggen, zodat hier mogelijk nader onderzoek naar gedaan kon worden. Aanwezige politieagenten hadden hierbij wellicht kunnen volstaan met het schriftelijk vastleggen van hun bevindingen, maar gezien de hoeveelheid van de aangetroffen goederen, de ernst van de strafbare feiten waarvoor aanwijzingen aanwezig waren, het belang van de bescherming van jeugdigen tegen seksueel misbruik en de exploitatie daarvan, is het niet onbegrijpelijk dat de politie ervoor gekozen heeft, naast een mutatie in het politiesysteem, de woning middels foto’s vast te leggen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat onder deze omstandigheden het maken van foto’s van de gehele woning van verdachte geen ontoelaatbare inbreuk op de privacy van verdachte oplevert. Dat de officier van justitie geen aanleiding zag tot het vorderen van een doorzoeking doet aan het voorgaande niet af. Dat in het proces-verbaal omtrent de overtreding van de Wet Wapens en Munitie geen melding is gemaakt van deze foto’s levert in het onderhavige voorbereidend onderzoek, naar vervaardigen en voorhanden hebben van kinderporno, ook geen vormverzuim op.

4.1.3.2. Persoonsgericht onderzoek naar verdachte

De rechtbank stelt het volgende voorop. Voor verrichtingen die slechts een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer inhouden kan de globale taakomschrijving van de politie in artikel 3 Politiewet 2012 en de artikelen 141 en 142 Sv voldoende zijn. Voor verrichtingen die een meer dan beperkte inbreuk inhouden op de persoonlijke levenssfeer is een meer nauwkeurige wettelijke grondslag nodig.

Uit het dossier kan worden afgeleid dat persoonsgericht onderzoek naar verdachte is gedaan door openlijk toegankelijke sociale media zoals Facebook te bekijken, en voorts verdachte op te zoeken in het politieregistratiesysteem. De inbreuk die hiermee op de persoonlijke levenssfeer wordt gemaakt is naar het oordeel van de rechtbank zeer gering. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat artikel 3 Politiewet en de artikelen 141 en 142 Sv voor het inzetten daarvan een voldoende grondslag biedt. De verdenking jegens verdachte is aldus niet op onrechtmatige gronden ontstaan en er is geen sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a lid Sv.

4.1.3.3. Doorzoeking woning verdachte

Uit het voorgaande vloeit voort dat de resultaten van voornoemde onderzoeken niet onrechtmatig zijn verkregen en aan de verdenking tegen verdachte ten grondslag mochten liggen. Uit het ‘proces-verbaal van aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming’ (pagina 1001 van het beslagdossier) blijkt hoe de verdenking tegen verdachte is ontstaan: op 3 april 2013 heeft kind 1 aangifte gedaan ter zake seksueel misbruik gepleegd door verdachte. In het onderzoek ‘ [onderzoek A] ’ worden verschillende gegevensdragers van verdachte [persoon 1] onderzocht. [persoon 1] spreekt in zijn verklaring over ene ‘ [verdachte] ’. Dat blijkt later verdachte te zijn. De persoon waarmee [persoon 1] kinderpornografische afbeeldingen uitwisselde zou bij deze [verdachte] in [plaats] hebben gewoond. Na identificerend onderzoek is vastgesteld dat meerdere foto’s welke onder [persoon 1] zijn aangetroffen, zijn vervaardigd in de woning van verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van deze informatie een redelijk vermoeden van schuld kon ontstaan dat verdachte mogelijk betrokken was bij misbruik van kinderen of het bezit of vervaardigen van kinderpornografie. De verdenking was voldoende om de doorzoeking van de woning van verdachte te rechtvaardigen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de doorzoeking van de woning van verdachte op 1 april 2014 rechtmatig is geschied en dat aldus geen sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a lid Sv.

4.1.3.4. Onderzoek aan smartphone

De strafvorderlijke bevoegdheid tot inbeslagneming (artikel 94 Sv) omvat de bevoegdheid aan of in dat voorwerp onderzoek te doen naar aanwijzingen die licht kunnen werpen op de verdenking (in belastende of ontlastende zin). Juist is dat smartphones veel privacygevoelige informatie kunnen bevatten. Bij de vraag of die gegevens onderzocht mogen worden zullen – nu een daarop specifiek gerichte wettelijke regeling vooralsnog ontbreekt – de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit beperkingen kunnen meebrengen die in acht moeten worden genomen bij de uitoefening van de bevoegdheid onderzoek te doen naar de informatie die zich bevindt op een inbeslaggenomen telefoon. Dat betekent dat het onderzoeken van mogelijk privacygevoelige informatie achterwege dient te blijven als dat voor het opsporingsonderzoek onnodig is of als de aard en ernst van de verdenking daarvoor onvoldoende rechtvaardiging biedt. De verdenking op basis waarvan de inbeslagname is geschied was – onder meer – het bezit en vervaardiging van kinderpornografisch materiaal. De ernst van deze feiten rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank deze inbreuk op de privacy van verdachte. Gelet op de aard van de verdenking kunnen op gegevensdragers - waaronder de smartphone - aanwezige gegevens voorts bij uitstek de waarheid aan het licht brengen. Dat die informatie op andere wijze beschikbaar was, is niet aannemelijk. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de onderzoeken aan de smartphone niet in strijd zijn geweest met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, zodat geen sprake is van een vormverzuim.

4.2.

Zaak A, feit 1 (bezit (en vervaardigen) groot aantal kinderpornografische afbeeldingen en video’s)

4.2.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle subonderdelen van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde kunnen worden bewezen. Hij heeft hierbij gewezen op de omstandigheid dat tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte op 1 april 2014 verschillende gegevensdragers zijn aangetroffen, met daarop een groot aantal afbeeldingen en video’s. Het materiaal is door de zedenpolitie gedeeltelijk als kinderpornografisch aangemerkt. Verdachte heeft deze feiten ook deels bekend.

4.2.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte verantwoordelijkheid neemt voor het in zaak A onder 1 tenlastegelegde. Zij heeft hierbij echter opgemerkt dat het digitaal voorhanden hebben van kinderpornografische afbeeldingen voor een bewezenverklaring niet voldoende is, verdachte moet zich hiervan ook bewust zijn geweest en hierop ook de opzet hebben gehad. Een deel van de foto’s die onder verdachte zijn aangetroffen bevond zich tussen de ‘deleted items’. Uit het dossier volgt niet dat cliënt zich middels speciale software toegang heeft verschaft tot deze ‘deleted items’ en/of dergelijke software heeft verworven. Van beschikkingsmacht over die foto’s in de tenlastegelegde periode is derhalve geen sprake. Uit het voorhanden bewijs kan niet worden afgeleid dat het opzet van verdachte – al dan niet in voorwaardelijke vorm – was gericht op het in bezit hebben van alle in de tenlastelegging genoemde foto’s en video’s.

De raadsvrouw heeft daarnaast aangevoerd dat het niet steeds gaat om unieke afbeeldingen en filmfragmenten, maar dat sprake is van dubbeltellingen.

4.2.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het in zaak A onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Op 1 april 2014 is de woning van verdachte doorzocht, waarbij een aantal gegevensdragers en foto’s in beslag zijn genomen. Op de gegevensdragers is een totaal van 148.469 foto’s en 2.754 films aangetroffen, welke door de zedenpolitie als kinderpornografisch zijn aangemerkt.

Ten aanzien van de subonderdelen a en d merkt de rechtbank het volgende op. Uit het dossier blijkt dat een deel van de foto’s en video’s zich bevonden in de ‘deleted items’ van de gegevensdragers. De ‘deleted items’ bevatten volgens het dossier zogenaamde ‘gewiste bestanden die zonder daarvoor bestemde software niet meer eenvoudig door de gebruiker te benaderen zijn’. Met behulp van speciale software is het in veel gevallen mogelijk een deel van de door de gebruiker verwijderde bestanden en mappen te herstellen en weer te geven. Uit het dossier blijkt dat onder verdachte geen software is aangetroffen om de bestanden in de ‘deleted items’ te benaderen. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte op het moment van inbeslagname van de gegevensdragers niet meer de beschikkingsmacht had over de kinderpornografische afbeeldingen en video’s die zich in de ‘deleted items’ bevonden, en deze afbeeldingen derhalve niet meer in bezit had. Dit neemt niet weg dat verdachte ooit wel de beschikkingsmacht over deze bestanden heeft gehad, hij heeft ze immers op enig moment verwijderd. De rechtbank kan echter op grond van het dossier niet vaststellen of verdachte de bestanden in de tenlastegelegde periode (13 november 2011 – 1 april 2014) heeft verwijderd, of dat hij dat al eerder heeft gedaan. De rechtbank zal het verweer van de raadsvrouw dan ook volgen en “een groot aantal” in plaats van de in de tenlastelegging genoemde getallen bewezen verklaren.

In het midden kan worden gelaten of sprake is geweest van een of meer dubbeltellingen, in die zin dat het zou gaan om kopieën van bestanden, nu dit – voor de bewezenverklaring op zich – niet relevant is. Immers, iedere verveelvoudiging van een bestand leidt tot een nieuw bestand op zich. Ook mag, indien sprake is van een reeks van afbeeldingen, waarbinnen een samenhang bestaat wat betreft inhoudelijke kenmerken en/of de wijze van totstandkoming en waarbinnen een aantal afbeeldingen onmiskenbaar seksuele (kinderpornografische) strekking hebben, de gehele serie vanwege dit onderlinge verband als kinderpornografisch worden aangemerkt.1

4.3.

Zaak A, feit 2 (verspreiden kinderpornografische afbeeldingen kind 3)

4.3.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het in zaak A onder 2 tenlastegelegde feit bewezen kan worden verklaard. Hij heeft hierbij gewezen op de beschrijving van de foto’s van kind 3 en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting.

4.3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat op drie van de zeventien foto’s die verdachte bekent te hebben verspreid, vrijwel niets te zien is omdat deze nagenoeg zwart zijn. Van het verspreiden van deze foto’s dient verdachte te worden vrijgesproken. Ten aanzien van de overige foto’s refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het in zaak A onder 2 tenlastegelegde feit kan worden bewezen, gelet op de beschrijving van de foto’s en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting. De raadsvrouw heeft gesteld dat op drie van de foto’s vrijwel niets te zien is, wat de rechtbank uit eigen waarneming van - donkere - afdrukken van die foto’s in het door de officier van justitie beschikbaar gestelde dossier kan bevestigen. De rechtbank gaat echter uit van de beschrijvingen van de foto’s zelf door de verbalisanten, zoals weergegeven in het dossier, en acht daarmee bewezen dat het om kinderpornografische afbeeldingen gaat. Door de raadsvrouw is ook niet gesteld dat de beschrijvingen van de foto’s door de verbalisanten niet juist zouden zijn.

4.4.

Zaak B, feiten 1, 2 en 4 tot en met 10 (bezit en vervaardigen kinderpornografische afbeeldingen en video’s)

4.4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht - onder verwijzing naar zijn op schrift gestelde requisitoir - het bezit van kinderpornografisch materiaal bewezen voor de feiten 1, 4, 5, 6, 7 en 10. Het bezit en vervaardigen acht de officier van justitie bewezen voor de feiten 2, 3, 8 en 9. Dat verdachte een gewoonte heeft gemaakt van zijn gedrag blijkt uit de frequentie van het plegen van soortgelijke strafbare feiten.

4.4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de in zaak B onder 4 tot en met 10 ten laste gelegde feiten aangevoerd dat op de afbeeldingen die in de tenlastelegging worden genoemd geen seksuele gedragingen zichtbaar zijn in de zin van artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Van expliciete gedragingen of houdingen is geen sprake en de foto’s zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet bedoeld om seksuele prikkelingen teweeg te brengen. Daarbij is het volgens de raadsvrouw van belang om op te merken dat ook anderen dan verdachte verantwoordelijk zijn geweest voor het vervaardigen van de foto’s.

De raadsvrouw heeft daarnaast aangevoerd dat ten aanzien van feit 1 een aantal van de foto’s zich in de ‘deleted items’ bevond en dat er sprake is van dubbeltellingen.

Ten aanzien van het in zaak B onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de tenlastegelegde periode dient te worden ingekort, nu uit de zogenaamde EXIF-data niet blijkt dat na 2012 nog foto’s van kind 4 zijn gemaakt.

4.4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.4.3.1. Aantallen

Bij de in zaak B tenlastegelegde feiten wordt in de tenlastelegging telkens omschreven welk aantal afbeeldingen of video’s verdachte zou hebben bezeten en/of vervaardigd. Niet voor ieder feit kan worden vastgesteld hoeveel van de afbeeldingen zich in de zogenaamde ‘deleted items’ van de gegevensdragers bevonden. Gelet hierop en het in paragraaf 4.2.3. overwogene, acht de rechtbank ten aanzien van de feiten 1, 2 en 8 het in de tenlastelegging precieze aantal afbeeldingen en/of video’s niet bewezen.

Ten aanzien van de door de raadsvrouw opgemerkte dubbeltellingen verwijst de rechtbank eveneens naar het hiervoor in paragraaf 4.2.3. overwogene.

4.4.3.2. Foto’s mogelijk door anderen vervaardigd?

Verdachte heeft verklaard dat het ook mogelijk is dat anderen foto’s hebben vervaardigd, nu ook anderen dan hijzelf foto’s met zijn camera maakten tijdens de kampen van de scouting. De rechtbank gaat voorbij aan deze stelling en neemt hierbij in overweging dat de foto’s allemaal onder verdachte zijn aangetroffen en allemaal met zijn camera zijn gemaakt tijdens gelegenheden waar verdachte aanwezig was. Dat tijdens de kampen van de scouting door een ander ook wel eens een foto is gemaakt met zijn camera is natuurlijk mogelijk, doch er is geen aanwijzing dat door anderen dan verdachte een seksueel getinte foto is gemaakt van een kind. Bovendien heeft verdachte voldoende gelegenheid gehad om zijn stelling nader te onderbouwen, bijvoorbeeld door namen te noemen van personen die zijn camera wel eens gebruikten om daarmee seksueel getinte opnamen van kinderen te maken, maar hij heeft daarvan geen gebruik gemaakt. De rechtbank gaat er aldus vanuit dat alle foto’s door verdachte zijn vervaardigd.

4.4.3.3. Ten aanzien van feit 1 (bezit en vervaardigen 328 foto’s van kind 2)

Ten aanzien van de foto met filename ‘ [naam 2] .jpg’ acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte deze heeft vervaardigd, nu hij ontkent deze foto te hebben bewerkt en niet duidelijk is of de foto kinderpornografisch van aard is wanneer deze niet zou zijn bewerkt.

4.4.3.4. Ten aanzien van feit 2 (bezit en vervaardigen 4.673 foto’s van kind 4)

Ten aanzien van de tenlastegelegde periode overweegt de rechtbank dat het vervaardigen weliswaar een kortere periode betreft (de laatste foto is blijkens het dossier genomen op 8 juni 2013), maar het bezit heeft voortgeduurd tot 1 april 2014. Om die reden komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de volledige periode.

4.4.3.5. Ten aanzien van feit 3 (bezit en vervaardigen 318 foto’s van kind 5)

Zie hierna onder paragraaf 4.5.3.4.

4.4.3.6. ‘Afbeelding van een seksuele gedraging’ in de zin van artikel 240b Sr

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de feiten 4 tot en met 10 aangevoerd dat de afbeeldingen geen kinderporno betreffen.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 240b Sr vooreerst ziet op een afbeelding van een gedraging van expliciet seksuele aard, zoals die aan de hand van de afbeelding zelf kan worden vastgesteld, waaronder begrepen het op zinnenprikkelende wijze tonen van de geslachtsdelen of de schaamstreek. Het gaat hierbij om een gedraging die reeds door haar karakter strekt tot het opwekken van een seksuele prikkeling. Voorts ziet artikel 240b Sr op een afbeelding die weliswaar niet een gedraging van expliciet seksuele aard in de hiervoor aangegeven zin toont, maar die, gelet op de wijze waarop zij is tot stand gekomen eveneens strekt tot het opwekken van seksuele prikkeling. Hierbij kan het gaan om een afbeelding van iemand in een houding of omgeving die weliswaar op zichzelf of in andere omstandigheden ‘onschuldig’ zouden kunnen zijn, maar die in het concrete geval een onmiskenbare seksuele strekking heeft.2

De rechtbank zal met inachtneming van dit kader hierna ten aanzien van de feiten 4 tot en met 10 overwegen of er naar haar oordeel al dan niet sprake is van een ‘seksuele gedraging’ in de zin van artikel 240b Sr.

4.4.3.7. Ten aanzien van feit 4 (bezit en vervaardigen 4 foto’s van kind 6)

Op de afbeeldingen is te zien dat de broek van kind 6 naar beneden wordt getrokken door een ander kind, waardoor de schaamstreek van kind 6 zichtbaar is.

De afbeeldingen laten geen gedraging van expliciet seksuele aard zien.

De afbeeldingen strekken, gelet op de wijze waarop zij tot stand zijn gekomen, eveneens niet tot het opwekken van seksuele prikkeling. De foto’s zijn niet vervaardigd in een onnatuurlijke context of ambiance, maar tijdens een scoutingkamp waarbij het normaal is dat de kinderen spelenderwijs met elkaar omgaan. Er is geen sprake van een uitdagende of onnatuurlijke houding van de afgebeelde kinderen en het camerastandpunt is niet zodanig dat de nadruk ligt op het in beeld brengen van geslachtsdelen. Evenmin is gebleken van poseren of doen poseren. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de afbeeldingen van kind 6 niet een onmiskenbare seksuele strekking hebben. Verdachte wordt dan ook vrijgesproken van het in zaak B onder 4 tenlastegelegde feit.

4.4.3.8. Ten aanzien van feit 5 (bezit en vervaardigen 8 foto’s van kind 9)

Op de afbeeldingen is slechts een deel van het lichaam van kind 9 zichtbaar. Hierbij is voornamelijk ingezoomd op het bedekte kruis van de jongen.

De afbeeldingen laten geen gedraging van expliciet seksuele aard zien.

De afbeeldingen strekken, gelet op de wijze waarop zij tot stand zijn gekomen, echter wel tot het opwekken van seksuele prikkeling. Het kruis van kind 9 is immers het middelpunt van de foto’s, waarbij de contouren van de penis zichtbaar zijn. Gelet op de combinatie van het camerastandpunt, de compositie met het nadrukkelijk inzoomen op het kruis en de kennelijke heimelijkheid van het maken van de foto’s, hebben de foto’s in dit concrete geval dan ook een onmiskenbare seksuele strekking.

4.4.3.9. Ten aanzien van feit 6 (bezit en vervaardigen 2 foto’s van kind 10)

Op de afbeeldingen is slechts een deel van het lichaam van kind 10 zichtbaar. Hierbij is voornamelijk ingezoomd op het bedekte kruis van de jongen.

De afbeeldingen laten geen gedraging van expliciet seksuele aard zien.

De afbeeldingen strekken, gelet op de wijze waarop zij tot stand zijn gekomen, echter wel tot het opwekken van seksuele prikkeling. Het kruis van kind 10 is immers het middelpunt van de foto’s, waarbij de contouren van de penis zichtbaar zijn. De foto’s hebben in dit concrete geval dan ook een onmiskenbare seksuele strekking.

4.4.3.10. Ten aanzien van feit 7 (bezit en vervaardigen 150 foto’s van kind 11)

Op de afbeeldingen van de eerste serie is te zien dat kind 11 staat te plassen, waardoor het geslachtdeel van kind 11 in beeld komt.

De afbeeldingen laten geen gedraging van expliciet seksuele aard zien.

De afbeeldingen strekken, gelet op de wijze waarop zij tot stand zijn gekomen, echter wel onmiskenbaar tot het opwekken van seksuele prikkeling. De penis van kind 10 is immers duidelijk op de foto’s te zien en de foto’s zijn bovendien kennelijk heimelijk genomen, waarvoor verdachte geen verklaring heeft gegeven.

Op de afbeeldingen van de tweede serie is te zien dat kind 11 zich samen met een andere jongen van ongeveer 10 jaar oud staat om te kleden voor een scoutingtent waarbij de boxershort een stukje omlaag wordt getrokken waardoor een stuk van bilspleet, linkerbil en de aanzet naar de schaamstreek zichtbaar is.

De afbeeldingen laten geen gedraging van expliciet seksuele aard zien.

De rechtbank kan evenmin vaststellen dat de afbeeldingen onmiskenbaar strekken tot het opwekken van seksuele prikkeling. Op de foto’s zijn de geslachtsdelen van de kinderen niet zichtbaar en de foto’s zijn van ruime afstand genomen. Er is geen sprake van een uitdagende of onnatuurlijke houding van de afgebeelde kinderen en het camerastandpunt is niet zodanig dat de nadruk ligt op het in beeld brengen van geslachtsdelen. Evenmin is sprake van poseren of doen poseren. Verdachte wordt dan ook vrijgesproken ten aanzien van deze tweede serie foto’s.

4.4.3.11. Ten aanzien van feit 8 (bezit en vervaardigen 2.026 foto’s en 2 video’s van kind 12)

Op de reeks afbeeldingen is kind 12 te zien gekleed in enkel een soort ‘lendendoek’, zonder dat hij hieronder een onderbroek of zwembroek draagt.

De afbeeldingen laten geen gedraging van expliciet seksuele aard zien.

De afbeeldingen strekken, gelet op de wijze waarop zij tot stand zijn gekomen, echter wel tot het opwekken van seksuele prikkeling. Kind 12 is in een aantal gevallen nadrukkelijk onnatuurlijk poserend afgebeeld. Op veel van de foto’s zijn door een combinatie van de pose, de outfit en het camerastandpunt de liezen en een gedeelte van de billen van kind 12 zichtbaar. Mede hierdoor komt de nadruk op de door de lendendoek bedekte schaamstreek te liggen. Tevens zijn op enkele foto’s de penis en/of de ballen van kind 12 zichtbaar, doordat de lendendoek losjes voor de geslachtsdelen hangt en hierdoor een opening zichtbaar is. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de afbeeldingen van kind 12 een onmiskenbare seksuele strekking hebben. De foto’s van kind 12 maken deel uit van een serie van een groot aantal foto’s, waardoor de gehele serie als kinderpornografisch kan worden aangemerkt.

Ten aanzien van de video’s van kind 12 is de rechtbank van oordeel dat hierop geen gedragingen van expliciet seksuele aard te zien zijn. Op de video’s is enkel te zien dat meerdere kinderen op een scoutingkamp aan het spelen zijn. Vanwege het “oertijdthema” zijn de kinderen gekleed in een lendedoek. Er zijn geen omstandigheden gebleken waaruit kan worden afgeleid dat de video’s onmiskenbaar strekken tot het opwekken van seksuele prikkeling. Verdachte wordt dan ook vrijgesproken ten aanzien van de video’s van kind 12.

4.4.3.12. Ten aanzien van feit 9 (bezit en vervaardigen 4 foto’s van kind 13)

Op de eerste video is te zien dat verdachte de camera positioneert, zodat kind 13 even later volledig in beeld komt terwijl hij zich omkleedt in de kleedruimte van het zwembad. De penis en de billen van kind 13 komen in beeld. Op de tweede video is te zien dat kind 13 zich omkleedt en dat wordt ingezoomd op de blote penis en schaamstreek van kind 13.

De video’s laten geen gedragingen van expliciet seksuele aard zien.

De video’s strekken, gelet op de wijze waarop zij tot stand zijn gekomen, echter wel tot het opwekken van seksuele prikkeling. Verdachte heeft de camera in beide gevallen zodanig opgesteld dat kind 13 bij het aan- en uitkleden volledig in beeld komt, en ook zijn ontblote geslachtsdelen duidelijk in beeld komen. Hij heeft dit bovendien heimelijk gedaan. Daarnaast heeft verdachte in één geval ingezoomd op het geslachtsdeel van kind 13. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de video’s van kind 13 een onmiskenbare seksuele strekking hebben.

4.4.3.13. Ten aanzien van feit 10 (bezit en vervaardigen 4 foto’s van kind 14)

De foto’s van kind 14 laten geen gedragingen van expliciet seksuele aard zien.

De foto’s strekken, gelet op de wijze waarop zij tot stand zijn gekomen, echter wel tot het opwekken van seksuele prikkeling. Op de foto’s is te zien dat kind 14 een wijdvallende boxershort aanheeft en dat hij wijdbeens ligt. Door deze pose en de ingenomen camerastandpunten zijn delen van de balzak en de penis van kind 14 nadrukkelijk zichtbaar onder de wijdvallende broek. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de video’s van kind 14 een onmiskenbare seksuele strekking hebben.

4.5.

Zaak A, feit 3, 4 en 5 en zaak C (ontucht en misbruik)

4.5.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de in zaak A onder 3, 4 en 5 en in zaak C tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen. Hij gaat hierbij uit van schakelbewijs. Uit de aangiftes van kind 1, 3 en 5 komt een patroon naar voren dat steeds kan worden toegeschreven aan verdachte en niemand anders. De gedragingen vertonen onderlinge gelijkenis. Bovendien passen de gedragingen bij het totaalbeeld van het vervaardigen en in bezit hebben van kinderpornografisch materiaal. De verklaring van de ene aangever kan in onderling verband en samenhang worden gezien met de aangiftes in de andere zaken. Voor de overtuiging verwijst de officier van justitie op het chatgesprek via Skype met ‘ [naam 3] ’, waarin een letterlijke bekentenis van het misbruik van kind 3 kan worden gelezen.

4.5.2.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het in zaak A onder 3 tenlastegelegde heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken, nu de verklaringen van kind 1 dienen te worden uitgesloten van het bewijs. De ‘Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik’ is op diverse punten niet nageleefd. Aldus is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Bovendien moet worden getwijfeld aan de betrouwbaarheid van de verklaringen als geheel. Ook de verklaring van kind 1 bij de rechter-commissaris dient te worden uitgesloten van het bewijs, nu verdachte niet in staat is gesteld de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de getuige te onderzoeken. Mocht de rechtbank voorbijgaan aan het bewijsuitsluitingsverweer, dan heeft de raadsvrouw zich subsidiair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken wegens een gebrek aan wettig bewijs. Naast de aangifte van kind 1 is er geen tweede, onafhankelijke bron die het verhaal van kind 1 bevestigt.

Ten aanzien van het in zaak A onder 4 tenlastegelegde heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte enkel kan worden veroordeeld voor de ontucht met kind 3 voor zover deze bestond uit het aanraken van het kruis van kind 3, nu verdachte dit heeft bekend.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het in zaak A onder 5 en in zaak B onder 3 tenlastegelegde vrijspraak bepleit. Aangaande de gemaakte foto’s heeft in dit verband te gelden dat de lichaamskenmerken van de volwassen man weinig specifiek zijn, althans niet goed waarneembaar. Blijkens de omschrijving zijn de foto’s bovendien gemaakt met een fotocamera van het merk Sony. Verdachte kan zich niet herinneren dat hij een dergelijke camera bezit en deze is ook niet onder hem in beslag genomen. De raadsvrouw acht de verklaringen van kind 5 van onvoldoende gewicht en onvoldoende betrouwbaar om tot een bewezenverklaring te komen.

Het in zaak C ten laste gelegde kan volgens de raadsvrouw niet worden bewezen, nu de verklaring van kind 3 niet wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal. De opmerkingen die verdachte tegenover ‘ [naam 4] ’ heeft gemaakt in een chatgesprek via Skype, moet als grootspraak worden beschouwd en kan derhalve niet als ondersteuning dienen. Daarnaast kan worden getwijfeld aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van kind 3. Bij kind 3 is sprake geweest van een jeugd met psychische problemen. Ook kan zijn moeder, mogelijk onbewust, hem in een bepaalde richting hebben gestuurd. Het geheugen van kind 3 kan bovendien gecontamineerd zijn door informatie nadien. De verklaringen van kind 3 zijn in ieder geval op belangrijke punten niet consistent, zeker in samenhang bezien met overige informatie uit het dossier.

4.5.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.5.3.1. Schakelbewijs

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is het gebruik van aan andere bewezen geachte, soortgelijke, feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen als ondersteunend bewijs (schakel- ketting- of ketenbewijs) toegelaten. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal van die andere feiten dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertoont met het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit en dat duidt op een specifiek patroon in het gedrag van verdachte, welk patroon herkenbaar aanwezig is in de voor het te bewijzen feit voorhanden bewijsmiddelen.3

De rechtbank is anders dan de officier van justitie van oordeel dat uit de aangiftes van de kinderen 1, 3 en 5 geen patroon kan worden afgeleid dat zodanig onmiskenbaar kan worden toegeschreven aan verdachte en waarbij de gedragingen zodanige onderlinge gelijkenis vertonen dat de bewijsmiddelen over en weer kunnen worden gebruikt. Daarom zal de rechtbank geen gebruik maken van schakelbewijs.

4.5.3.2. Ten aanzien van Zaak A, feit 3 (ontucht kind 1)

Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het in zaak A onder 3 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, nu zich in het dossier geen ondersteunend bewijs bevindt voor de aangifte van kind 1. Verdachte wordt dan ook vrijgesproken van dit feit. De overige door de raadsvrouw gevoerde verweren met betrekking tot dit feit behoeven dan ook geen bespreking.

4.5.3.3. Ten aanzien van Zaak A, feit 4 (ontucht kind 3)

De rechtbank acht het in zaak A onder 4 tenlastegelegde bewezen voor zover dit ziet op het betasten van de billen en de penis van kind 3, nu verdachte dit ter terechtzitting heeft bekend en voor het overige naast de aangifte geen ondersteunend bewijs aanwezig is.

4.5.3.4. Ten aanzien van Zaak A, feit 5 (seksueel misbruik kind 5) en zaak B feit 3 (bezit en vervaardigen 318 foto’s van kind 5)

Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte zijn op de computer van verdachte meerdere foto’s van kind 5 aangetroffen. Op een aantal van de foto’s is een deel van het naakte lichaam van een volwassen man te zien, vanaf onder zijn borst tot en met zijn voeten. Op deze foto’s is onder meer te zien dat kind 5 door de volwassen man anaal wordt gepenetreerd en dat kind 5 de volwassen man pijpt. Voor het bewijs van het verwijt dat verdachte handelingen heeft verricht die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van kind 5 is cruciaal of het verdachte is die op de aangetroffen foto’s is te zien. Deze foto’s zijn immers onmiskenbaar gemaakt door degene die op dat moment seksueel misbruik maakt van kind 5.

Kind 5 heeft aangifte gedaan van seksueel misbruik door verdachte en heeft verklaard dat verdachte hiervan, zelf of middels de zelfontspanner van de camera, ook foto’s zou hebben gemaakt. Volgens kind 5 is hij door verdachte onder andere meerdere malen anaal gepenetreerd en moest hij verdachte ook pijpen.

Verdachte heeft de beschuldiging ontkend. Volgens verdachte is hij niet de volwassen man die op de foto’s te zien is en is ook zijn slaapkamer niet op de foto’s te zien. Ook ontkent hij de foto’s te hebben gemaakt. Verdachte heeft verklaard dat hij de foto’s mogelijk voorbij heeft zien komen op zijn computer, maar dat deze hem niet bijzonder zijn opgevallen. Verdachte zegt een vermoeden te hebben van wie hij de foto’s heeft gekregen, maar heeft de naam van deze persoon niet willen noemen.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte ongeloofwaardig, en overweegt dienaangaande als volgt. Verdachte heeft verklaard kind 5 te kennen. Verdachte heeft daarnaast verklaard dat kind 5 ook weleens bij hem logeerde. De foto’s van kind 5 werden op de computer van verdachte aangetroffen in een map met de naam \home\ [verdachte] \Desktop\phatch\[voornaam kind 5]\. In deze map zijn onder andere foto’s aangetroffen met de bestandsnamen [voornaam kind 5]01.JPG en [voornaam kind 5]06.JPG.

Verdachte is op de foto’s herkend als de volwassen man aan de hand van een aantal lichaamskenmerken. Op basis van haar eigen waarneming concludeert de rechtbank dat de resolutie van de foto’s voldoende is om op een verantwoorde wijze lichaamkenmerkend onderzoek te verrichten. De rechtbank ziet dan ook geen reden om aan identificatie van verdachte te twijfelen. Bovendien heeft verdachte ter terechtzitting desgevraagd niet kunnen aangeven waarom hij op basis van de zichtbare lichamelijke kenmerken niet de volwassen man op de foto’s zou kunnen zijn

Op de foto’s is door de zedenpolitie ook het interieur van de woning van verdachte herkend. Op één van de foto’s zijn volgens de verbalisant de lamellen in de slaapkamer van verdachte te herkennen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het klopt dat hij lamellen in zijn woning heeft gehad.

De stelling dat de foto’s zijn gemaakt met een camera van het merk Sony, terwijl verdachte enkel over een camera van het merk Canon beschikt, wordt terzijde geschoven. De foto’s zijn blijkens de EXIF-data ongeveer 10 jaar geleden gemaakt en het is niet ondenkbaar dat verdachte destijds over een dergelijke camera beschikte.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande – in onderlinge samenhang bezien - het ten laste gelegde, te weten het in bezit hebben en vervaardigen van kinderpornografische foto’s van kind 5, wettig en overtuigend bewezen. Het voorgaande in combinatie met de aangifte van kind 5 maakt voorts dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte seksuele handelingen heeft verricht met kind 5, die toen de leeftijd van 12 jaar nog niet had bereikt, welke handelingen mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van kind 5 en het zich laten pijpen door kind 5.

4.5.3.5. Ten aanzien van Zaak C (seksueel misbruik kind 3)

Op 30 september 2015 is namens kind 3 aangifte gedaan van seksueel misbruik door verdachte. Kind 3 verklaart dat verdachte hem, anders dan hij eerder in 2014 verklaarde, niet alleen bij zijn penis en billen zou hebben betast, maar dat verdachte hem ook meerdere keren anaal zou hebben gepenetreerd. De verklaring van kind 3 over het misbruik vindt steun in het chatgesprek tussen verdachte en ‘ [naam 4] ’ via Skype. In het chatgesprek spreekt verdachte erover dat hij seks heeft gehad met kind 3.

De rechtbank gelooft de verklaring van verdachte niet dat dit chatgesprek slechts grootspraak was. Anders dan de raadsvrouw acht de rechtbank de verklaring van kind 3 ook niet onbetrouwbaar.

Met de raadsvrouw constateert de rechtbank dat bij kind 3 psychische problematiek speelt en dat hij over bepaalde details inconsistent heeft verklaard. Dit maakt naar het oordeel van de rechtbank echter nog niet dat de verklaring van kind 3 direct als onbetrouwbaar terzijde dient te worden geschoven.

Ook de omstandigheid dat kind 3 zijn verklaring over het seksueel binnendringen pas in een later stadium aflegt, doet de rechtbank niet twijfelen aan de juistheid van de verklaring van kind 3 over het misbruik. De rechtbank ziet de latere verklaring over het misbruik als een aanvulling op de eerdere verklaring van kind 3. Uit de verklaring van kind 3 en zijn moeder (verklaring moeder van 21 september 2015) blijkt dat kind 3 het moeilijk vond om te spreken over wat er is gebeurd tussen hem en verdachte. Dit zou goed kunnen verklaren waarom kind 3 in zijn eerste verklaring niet over het misbruik heeft gesproken. Dat kind 3 het moeilijk vindt om erover te praten is ook niet onbegrijpelijk gezien zijn jeugdige leeftijd (in mei 2014 was hij 11 jaar oud) en zijn psychische problematiek.

De omstandigheid dat uit chatgesprekken tussen verdachte en kind 3 en uit de verklaring van de moeder van kind 3 volgt dat kind 3 het leuk vond om naar verdachte toe te gaan, doet de rechtbank evenmin aan de verklaring van kind 3 twijfelen. De rechtbank betrekt daarbij (wederom) de jeugdige leeftijd van kind 3 en de omstandigheid dat kind 3 de spullen die verdachte thuis had, zoals een Xbox, leuk vond (p. 3004).

Op basis van de verklaring van kind 3 en op basis van de inhoud van het chatgesprek tussen verdachte en [naam 4] acht de rechtbank bewezen dat verdachte seksuele handelingen heeft verricht met kind 3, die toen de leeftijd van 12 jaar nog niet had bereikt, welke handelingen mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van kind 3.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage 3 vervatte bewijsmiddelen bewezen hetgeen in de bewezenverklaring is opgenomen. De bewezenverklaring is als bijlage 2 aan dit vonnis gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf en maatregel

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar en terbeschikkingstelling (TBS) met voorwaarden.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat een op te leggen onvoorwaardelijk gedeelte van een gevangenisstraf de reeds ondergane voorlopige hechtenis niet te boven gaat. Verder heeft zij een (forse) voorwaardelijke gevangenisstraf met een maximale proeftijd voorgesteld, waaraan bijzondere voorwaarden kunnen worden gesteld, waaronder ambulante behandeling en elektronisch toezicht.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben, vervaardigen en verspreiden van kinderporno. Er zijn (met aftrek van de “deleted items”) ruim 100.000 afbeeldingen en ruim 2000 films bij verdachte thuis aangetroffen. Daarnaast heeft hij zowel rond 2005 als kort voor zijn aanhouding meerdere malen seksuele handelingen verricht met twee jonge jongens (kind 3 en kind 5), welke handelingen (onder meer) bestonden uit anale penetratie.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van meer dan tien jaar zeer berekenend opgesteld ter bevrediging van zijn lustgevoelens. Door telkens een vertrouwensrelatie op te bouwen in de buurt van (vaak kwetsbare) kinderen in de prepuberteit – door middel van een radioprogramma/kinderdisco-activiteiten, zwemlesintructie en de scouting – heeft hij ervoor gezorgd dat hij jarenlang zijn gang kon gaan. Hij heeft niet alleen kinderporno gedownload van internet, maar heeft zelf kinderpornografische foto’s gemaakt van kinderen die van hem afhankelijk waren. Dit gebeurde zowel bij verdachte thuis als bij de scouting. Verdachtes seksuele voorkeur ging overwegend uit naar jongens in de prepuberale leeftijd (ongeveer negen tot twaalf jaar), maar hij heeft ook kinderporno vervaardigd van een aan hem toevertrouwd jongetje van vijf jaar. Hij heeft door hem vervaardigde kinderporno bovendien gedeeld met anderen.

Verdachte heeft op een onvergeeflijke wijze misbruik gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen, zowel van de jongens als van hun ouders. Hij heeft daarnaast onherstelbaar inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de jongens die hij seksueel is binnengedrongen.

Uit de slachtofferverklaringen blijkt dat de slachtoffers van het misbruik door verdachte onder meer kampen met boosheid, machteloosheid, depressieve klachten en verdriet door wat er is gebeurd. De ervaring leert ook dat misbruik van jonge kinderen negatieve gevolgen heeft voor hun ontwikkeling. Ook de jongens die zijn afgebeeld op de door verdachte vervaardigde kinderporno zijn boos om wat verdachte ze heeft aangedaan. Ze voelen zich vernederd. Zij zullen moeten leven met de onzekerheid of deze foto’s nog ergens op het internet circuleren. Voor de ouders en andere naaste familie van alle kinderen is het eveneens heel moeilijk om te gaan met wat er is gebeurd en de gevolgen die dat voor hun gezin heeft gehad en nog zal hebben.

Verdachtes gedrag veroorzaakt daarnaast maatschappelijke onrust en gevoelens van onveiligheid, wat onder meer blijkt uit de publieke belangstelling voor deze zaak.

Een gevangenisstraf van vele jaren past bij de ernst van de feiten. Daarnaast dient ervoor te worden gezorgd dat verdachte deze fouten niet meer begaat.

Psycholoog S.H. van Schagen en psychiater R. Ladee hebben verdachte onderzocht en gerapporteerd. Aangezien zij bij de totstandkoming van hun rapport van 24 april 2015 niet over het gehele strafdossier beschikten, hebben zij aanvullend gerapporteerd op 2 februari 2016. Samengevat concluderen zij dat bij verdachte sprake is van een psychiatrische stoornis in de vorm van pedofilie, hoogstwaarschijnlijk van het exclusieve type. Deze ziekelijke stoornis heeft in aanzienlijke mate doorgewerkt in de tenlastegelegde feiten, zodat deze hem, indien bewezen, verminderd toe te rekenen vallen. Op basis van twee risicoprognose-instrumenten (STATIC-99R en STABLE-2007) en een klinische risico-inschatting wordt de kans op herhaling op laag tot matig ingeschat. Geadviseerd wordt om verdachte in het kader van een (deels) voorwaardelijke straf met een maximale proeftijd bijzondere voorwaarden op te leggen in de vorm van een ambulante behandeling. Mocht de strafmaat of een reclasseringsadvies dit advies niet toelaten, dan komt een terbeschikkingstelling (TBS) met voorwaarden in beeld, aldus de deskundigen.

Reclassering Nederland heeft op 14 februari 2016 gerapporteerd naar aanleiding van voornoemd advies, waarbij onvoldoende tijd was voor een apart onderzoek naar een TBS met voorwaarden. Reclassering Nederland en De Waag (de beoogde behandelinstelling) hebben aangegeven dat als verdachte schuldig wordt bevonden aan het meest recente misbruik feit (ten aanzien van kind 3 in de periode 2011-2014) een ambulante behandeling in het kader van een (deels) voorwaardelijke straf niet haalbaar is. Anders dan de psychoog en de psychiater achten zij de kans op recidive in dat geval hoog en een behandeling bij De Waag dan niet toereikend genoeg.

Ter terechtzitting hebben de deskundigen Van Schagen en Ladee, alsmede reclasseringswerker Reinink, hun visie gegeven op de situatie die zich nu voordoet: de rechtbank acht de door verdachte ontkende feiten (seksueel binnendringen van kind 5 en kind 3; lang en kort geleden) bewezen. De deskundigen Van Schagen en Ladee schatten het recidiverisico in die situatie in als matig en zijn van mening dat een ambulante behandeling de beste invloed zal hebben op verdachte. De meerwaarde van een klinische behandeling is volgens hen slechts gelegen in de beveiliging van de maatschappij. Reclasseringswerker Reinink heeft op de zitting toegelicht dat De Waag het recidiverisico als hoog inschat op basis van hun expertise en ervaring met de behandeling van zedendelinquenten. Vanwege dit hoge recidiverisico in combinatie met de ontkenning van verdachte van de misbruik feiten vindt De Waag dat een ambulante behandeling onvoldoende waarborgen biedt voor de veiligheid van de maatschappij.

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen Van Schagen en Ladee met betrekking tot de diagnostiek en toerekeningsvatbaarheid over en maakt deze tot de hare. Dit geldt echter niet voor hun conclusies met betrekking tot het recidiverisico en het gegeven advies.

Anders dan de deskundigen is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen eist dat - naast een langdurige gevangenisstraf - TBS wordt opgelegd. Behandeling in het kader van een deels voorwaardelijke straf waarborgt deze veiligheid onvoldoende. Verdachte heeft zich immers gedurende meer dan tien jaar schuldig gemaakt aan zedendelicten tegen jonge jongens. Daarbij ging het in aantallen vooral om het vervaardigen en voorhanden hebben van kinderporno. Bij de beoordeling welke straf en maatregel moeten worden opgelegd, zijn echter in het bijzonder de meest ernstige feiten - het meerdere malen seksueel binnendringen bij twee jonge jongens – van belang. Deze feiten zijn zowel aan het begin van de bewezenverklaarde periode als aan het einde daarvan gepleegd.

TBS met voorwaarden kan ingevolge artikel 38, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht worden opgelegd naast een vrijheidsstraf van ten hoogste vijf jaar. Zelfs met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, zou de rechtbank gelet op de ernst van de feiten een hogere gevangenisstraf dan vijf jaar opleggen, zodat TBS met voorwaarden wettelijk gezien dan niet mogelijk is.

Maar bovenal is de rechtbank van oordeel dat door het seksueel misbruik van kind 3, dat recent nog heeft plaatsgevonden, het gevaar dat van verdachte uitgaat zodanig groot en actueel is, dat dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen tevens eist dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd. Aangezien het beveiligingsaspect door TBS met dwangverpleging is gewaarborgd en dit een zwaardere maatregel is, zal de rechtbank de door haar overwogen gevangenisstraf van meer dan vijf jaar matigen tot drie jaar.

Nu de bewezenverklaarde misdrijven gericht zijn tegen en/of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, is de maatregel TBS met verpleging van overheidswege niet beperkt tot vier jaar.

9 De benadeelde partijen

9.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen die door of namens kind 1, kind 2, kind 4, de ouders van kind 3 en 4, kind 11 en kind 14 zijn ingesteld in zijn geheel toegewezen kunnen worden. De vorderingen van kind 3 en kind 5 dienen, gelet op de jurisprudentie, te worden gematigd tot een bedrag van € 10.000,-. De jurisprudentie brengt ook met zich dat de vordering van kind 12, gelet op de grote hoeveelheid foto’s, kan worden toegewezen tot een bedrag van € 8.000,-. Voorts heeft de officier van justitie verzocht ten behoeve van alle benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

9.2.

Het standpunt van de verdediging

De vorderingen die zijn ingesteld door of namens kind 1, kind 6, kind 11 en kind 12 dienen volgens de raadsvrouw te worden afgewezen, nu deze betrekking hebben op feiten ten aanzien waarvan zij vrijspraak heeft bepleit. Subsidiair dienen de benadeelde partijen niet ontvankelijk te worden verklaard, omdat de vorderingen niet dusdanig eenvoudig van aard zijn dat deze zich lenen voor de behandeling in het strafgeding. Enkele van de kinderen kampten reeds met psychische moeilijkheden voordat zij, op wat voor wijze dan ook, in contact kwamen met verdachte. Het is ten aanzien van hen te ingewikkeld om vast te stellen welk deel van eventueel geleden schade wanneer en door welke gebeurtenissen is veroorzaakt en in welke mate. In een aantal gevallen gaat daarnaast de vergelijking met een casus uit de Smartengeldgids of de ‘Amsterdamse zedenzaak’ niet op. De raadsvrouw heeft in die gevallen verzocht om de vorderingen te matigen.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

9.3.1.

Vordering kind 1 niet ontvankelijk

Nu aan verdachte – zonder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht – geen straf of maatregel is opgelegd ten aanzien van het in zaak A onder 3 tenlastegelegde, zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij kind 1 in de vordering niet-ontvankelijk is.

9.3.2.

Verhoging vordering kind 12 niet toegestaan na requisitoir

De raadsvrouw van kind 12 heeft ter terechtzitting de vordering van kind 12 verhoogd nadat de officier van justitie reeds had gerekwireerd. Blijkens artikel 51g derde lid Sv kan een benadeelde partij zich ter terechtzitting voegen uiterlijk voordat de officier van justitie in de gelegenheid is gesteld overeenkomstig artikel 311 Sv het woord te voeren. Derhalve is een verhoging van de vordering nadat het requisitoir heeft plaatsgevonden niet toegestaan, en zal de rechtbank uitgaan van de vordering van kind 12 zoals deze uit het ingediende voegingsformulier blijkt.

9.3.3.

Ten aanzien van de overige vorderingen

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen is ten aanzien van de immateriële schadevergoeding aansluiting gezocht bij hetgeen is overwogen in de ‘Amsterdamse zedenzaak’ door het Hof en de Hoge Raad.4 In de vorderingen tot vergoeding van immateriële schade van de kinderen is onderscheid aangebracht tussen schending van de lichamelijke integriteit van het kind en schending van het recht op privacy. De benadeelde partijen zijn in zoverre ontvankelijk in de vorderingen, aangezien dit immateriële schade betreft die door het kind rechtstreeks is geleden door de door verdachte gepleegde feiten. Het vaststellen van de geleden schade levert geen onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank is van oordeel dat causaal verband bestaat tussen het bewezen verklaarde handelen van verdachte en de schade van elk kind, zoals hierna zal worden toegelicht.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken in het dossier kan worden aangenomen dat de kinderen 3 en 5 door het seksuele misbruik door verdachte in hun persoon zijn aangetast en als gevolg daarvan leed hebben ondervonden. Het is immers evident dat verdachte de lichamelijke integriteit van de kinderen op zeer grove wijze heeft geschonden. Voor het leed dat is toegebracht door het seksuele misbruik zal aan de kinderen 3 en 5 een bedrag van

€ 8.000,- worden toegewezen aan immateriële schadevergoeding.

Door het maken en bezitten van afbeeldingen van seksuele gedragingen met een kind is inbreuk gemaakt op het recht op privéleven van het kind dat wordt beschermd in artikel 8 eerste lid EVRM. Voor het verspreiden geldt hetzelfde, met name omdat de afbeeldingen zijn gedeeld met derden en niet valt uit te sluiten dat die beelden langdurig zullen blijven bestaan op het internet. De rechtbank heeft bij de beoordeling van de vorderingen wegens de schending van de privacy rekening gehouden met de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten. Per kind zal een ondergrens van € 500,- worden gehanteerd en een bovengrens van € 6.000,-. De rechtbank hanteert een lagere bovengrens dan in de ‘Amsterdamse zedenzaak’ omdat de kinderporno die verdachte heeft vervaardigd een ander karakter heeft dan in de ‘Amsterdamse zedenzaak’, met uitzondering van de foto’s van kind 5. Ook waren de foto’s in de ‘Amsterdamse zedenzaak’ veelal gedeeld met derden. Alleen ten aanzien van kind 3 staat vast dat verdachte foto’s heeft gedeeld met derden. Ten aanzien van de andere kinderen is dat niet vast komen te staan. Wat de materiële schade betreft, acht de rechtbank de vorderingen toewijsbaar. De hoogte van deze vorderingen is niet betwist.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Dit betekent dat de vorderingen als volgt worden toegewezen:

- Kind 2:

€ 1.009,07 (zegge: duizendnegen euro en zeven eurocent), bestaande uit € 1.000,- (zegge: duizend euro) aan immateriële schade en € 9,07 (zegge: negen euro en zeven eurocent) aan materiële schade.

- Kind 3:

€ 14.000,- (zegge: veertienduizend euro), geheel bestaande uit immateriële schade.

- Kind 4:

€ 4.000,- (zegge vierduizend euro), geheel bestaande uit immateriële schade.

- Moeder kind 3 en 4 (als wettelijk vertegenwoordiger van de kinderen):

€ 2.391,22 (zegge: tweeduizend driehonderdeenennegentig euro en tweeëntwintig eurocent), geheel bestaande uit materiële schade.

- Kind 5:

€ 14.026,60 (zegge: veertienduizend zesentwintig euro en zestig eurocent), bestaande uit € 14.000,- (zegge: veertienduizend euro) aan immateriële schade en € 26,60 (zegge: zesentwintig euro en zestig eurocent) aan materiële schade.

- Kind 11:

€ 805,58 (zegge: achthonderdvijf euro en achtenvijftig eurocent), bestaande uit € 500,- (zegge: vijfhonderd euro) aan immateriële schade en € 305,58 (zegge: driehonderdvijf euro en achtenvijftig eurocent) aan materiële schade.

- Kind 12:

€ 1.374,12 (zegge: dertienhonderd vierenzeventig euro en twaalf eurocent), bestaande uit € 1.000,- (zegge: duizend euro) aan immateriële schade en € 374,12 (zegge: driehonderdvierenzeventig euro en twaalf eurocent) aan materiële schade.

- Kind 14:

€ 554,48 (zegge: vijfhonderdvierenvijftig euro en achtenveertig eurocent), bestaande uit € 500,- (zegge: vijfhonderd euro) aan immateriële schade en € 54,48 (zegge: vierenvijftig euro en achtenveertig eurocent) aan materiële schade.

Veroordeelt verdachte tot betaling van de toegewezen bedragen aan de benadeelde partijen als voornoemd, in totaal € 38.161,07.

De rechtbank acht de vorderingen ten aanzien van de wettelijke rente toewijsbaar.

In het belang van de benadeelde partijen wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 57, 240b, 244, 247 en 248 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het in zaak A onder 3 en in zaak B onder 4 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1, 2, 4 en 5, het in zaak B onder 1 tot en met 3 en 5 tot en met 10, en het in zaak C ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van zaak A, feit 1:

Een afbeelding en een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, vervaardigen en in bezit hebben, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van zaak A, feit 2:

Een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van Zaak A, feit 4:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl het feit wordt begaan tegen een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige;

Ten aanzien van Zaak A, feit 5 en Zaak C:

Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van Zaak B, feiten 1, 2, 3:

Een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, vervaardigen en in bezit hebben, meermalen gepleegd, terwijl hij van het plegen van deze misdrijven een gewoonte maakt;

Ten aanzien van Zaak B, feiten 5, 6, 7, 8, 9, 10:

Een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, vervaardigen en in bezit hebben, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van drie jaren.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.

Verklaart kind 1 niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Wijst de vorderingen van de overige benadeelde partijen als volgt toe:

  • -

    Kind 2: € 1.009,07 (zegge: duizendnegen euro en zeven eurocent)

  • -

    Kind 3: € 14.000,- (zegge: veertienduizend euro)

  • -

    Kind 4: € 4.000,- (zegge vierduizend euro)

  • -

    Moeder kind 3 en 4 : € 2.391,22 (zegge: tweeduizend driehonderdeenennegentig euro en tweeëntwintig eurocent)

  • -

    Kind 5: € 14.026,60 (zegge: veertienduizend zesentwintig euro en zestig eurocent)

  • -

    Kind 11: € 805,58 (zegge: achthonderdvijf euro en achtenvijftig eurocent)

  • -

    Kind 12: € 1.374,12 (zegge: dertienhonderd vierenzeventig euro en twaalf eurocent)

  • -

    Kind 14: € 554,48 (zegge: vijfhonderdvierenvijftig euro en achtenveertig eurocent)

Veroordeelt verdachte tot betaling van de toegewezen bedragen aan de benadeelde partijen als voornoemd, in totaal € 38.161,07.

Vermeerdert de toegewezen vorderingen met de wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partijen de voornoemde bedragen te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van in totaal 225 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde verplichtingen tot betaling, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart de benadeelde partijen voor het overige niet ontvankelijk in hun vorderingen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.W. Moors, voorzitter,

mrs. P.B. Martens en C.C.M. Oude Hengel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. Stockmann, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 maart 2016.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 HR 7 december 2010, LJN: BO6446

2 HR 7 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO6446

3 HR 11 januari 2000, NJ 2000, 194

4 ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ8885 en ECLI:NL:HR:2014:2668