Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:1399

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-03-2016
Datum publicatie
25-03-2016
Zaaknummer
13/674020-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Smartengeld € 5.000,- verkrachtingszaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/674020-15 (Promis)

Datum uitspraak: 9 maart 2016

Op tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] [huisnummer A] , [woonplaats] en verblijvende op het adres [adres] tegenover [huisnummer A] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 februari 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Diependaal en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. W.H.R. Hogewind naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na de wijziging tenlastelegging ter zitting van 24 februari 2016 - ten laste gelegd dat - zakelijk weergegeven - hij op of omstreeks 16 juli 2014 te Amsterdam [persoon 1] heeft verkracht.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding

Verdachte was op 15 juli 2014 op bezoek bij de moeder van aangeefster [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ), [moeder van persoon 1] (hierna: [moeder van persoon 1] ). Verdachte is een vriend van de broer van [moeder van persoon 1] en via hem is hij in contact met haar gekomen. Verdachte werd door de familie omschreven als een ‘goeie huisvriend’. Nadat verdachte die middag naar de accu van de auto van [moeder van persoon 1] heeft gekeken, drinken [moeder van persoon 1] en hij samen whisky. Later die avond komt [persoon 1] naar de woning van [moeder van persoon 1] . [persoon 1] verblijft sinds 9 juli 2014 bij haar moeder. Op die datum is zij ontslagen uit de Jellinekkliniek, waar zij opgenomen is geweest in verband met een drugs- en alcoholverslaving. Verdachte, [persoon 1] en [moeder van persoon 1] zijn de hele avond samen. Omstreeks 03:30 uur laten verdachte en [persoon 1] de hond van verdachte uit. Eenmaal thuis gaat verdachte douchen en gaat [persoon 1] naar haar slaapkamer op de zolderverdieping. Enige tijd later komt verdachte de slaapkamer van [persoon 1] in en heeft seks met haar. Dat er seksuele handelingen tussen verdachte en [persoon 1] hebben plaatsgevonden, wordt door verdachte niet weersproken. Verdachte heeft echter verklaard dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan verkrachting en dat [persoon 1] vrijwillig de handelingen heeft ondergaan, dan wel dat de door haar gestelde onvrijwilligheid voor hem niet kenbaar was geworden.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of [persoon 1] de seksuele handelingen onder dwang heeft ondergaan en of het opzet van verdachte daarop gericht was.

4.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft, onder verwijzing naar haar schriftelijke requisitoir, gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde. Ter onderbouwing van de dwang heeft de officier van justitie onder meer het volgende naar voren gebracht. [persoon 1] was in die periode erg kwetsbaar. Ze was net uit de detox en was bij haar moeder om de kans op een terugval te beperken. Verdachte was van die situatie op de hoogte. Plotseling staat verdachte naakt met alleen een handdoek om in haar kamer en ondanks dat [persoon 1] zegt dat hij weg moet gaan, gaat hij bij haar in bed liggen. [persoon 1] verwijt zichzelf achteraf dat zij niet heeft gegild of zich ‘harder’ heeft verzet. Toch heeft zij blijkens haar aangifte meermalen duidelijk gemaakt dat ze de seks met verdachte niet wilde. Verdachte heeft misbruik gemaakt van haar toestand en de positie die verdachte als huisvriend had. Ze blijft zeggen dat ze niet wil en toch gaat verdachte door en komt in haar klaar zonder condoom. Alle feiten en omstandigheden die [persoon 1] noemt in haar aangifte, worden bevestigd door haar moeder en haar psycholoog. [persoon 1] is consistent in haar verhaal en er is een heldere aanloop naar het moment waarop zij naar buiten komt met wat er met haar is gebeurd. Ook het facebookbericht van verdachte en het opgenomen gesprek tussen verdachte en [moeder van persoon 1] ondersteunen de aangifte. Gelet hierop is de verklaring van aangeefster [persoon 1] , in tegenstelling tot de verklaringen van verdachte, geloofwaardig. Hieruit volgt dat sprake was van opzettelijk door verdachte uitgeoefende dwang.

4.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde verkrachting niet kan worden bewezen en dat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken. Verdachte heeft vanaf zijn eerste verhoor verklaard seksueel contact met [persoon 1] te hebben gehad, maar dat dit contact met wederzijdse instemming plaatsvond. Verdachte heeft ter terechtzitting op bepaalde punten anders verklaard dan ten overstaan van de politie. Deze inconsistenties dienen echter te worden bezien in het licht van zijn geheugenverlies ten gevolge van zuurstofgebrek bij zijn geboorte. Zij maken zijn verklaring niet onbetrouwbaar. De verklaring van [persoon 1] wordt niet ondersteund door ander bewijs en is bovendien niet consistent. De raadsvrouw heeft daartoe op de volgende omstandigheden gewezen. Niet valt in te zien waarom [persoon 1] , als zij zou zijn verkracht, dit pas donderdag aan haar moeder heeft verteld, terwijl het op dinsdag zou hebben plaatsgevonden. In dit verband is evenmin begrijpelijk dat [persoon 1] in de tussentijd nog een dag met verdachte heeft opgetrokken en dat zij niet heeft verhinderd dat verdachte zelfs nog een nacht in de woning, waarin ook [persoon 1] verbleef, heeft geslapen. Wat eveneens vraagtekens oproept, is dat [persoon 1] de volgende ochtend aan verdachte heeft gevraagd of hij geen zwangerschapstest voor haar kan halen. Uit het opgenomen gesprek tussen verdachte en [moeder van persoon 1] blijkt niets meer en niets minder dan dat verdachte er spijt van heeft dat hij de vriendschap met [moeder van persoon 1] heeft beschaamd doordat hij seks met haar dochter heeft gehad. Het gesprek maakt juist duidelijk dat [persoon 1] met verdachte vrijwillige seks heeft gehad.

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is, aldus de raadsvrouw, of [persoon 1] de seksuele handelingen met instemming heeft ondergaan en, zo nee, of het verdachte onder de gegeven omstandigheden duidelijk had moeten zijn dat [persoon 1] dat seksuele contact niet wilde en of een of meer van de ten laste gelegde feitelijkheden dwangmiddelen vormen die verdachte heeft ingezet om het verzet van [persoon 1] te breken. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat verdachte heeft moeten weten dat [persoon 1] geen seks met hem wilde hebben en ook wordt door niets ondersteund dat [persoon 1] aan hem zou hebben laten blijken dat zij niet wilde. Bovendien leveren de in de tenlastelegging genoemde middelen geen dwang in de zin van artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht op (Sr). Vereist is dat de dwangmiddelen van voldoende kaliber zijn zodat capitulatie van het slachtoffer te verwachten was. Het zijn van een goede huisvriend en het genieten van een groot vertrouwen, zoals door de officier van justitie gesteld, is daartoe onvoldoende. Ook van psychische druk is geenszins gebleken. [persoon 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard nooit bang voor verdachte te zijn geweest. Anders dan de officier van justitie stelt, is [persoon 1] geen kwetsbaar persoon. Tijdens het verhoor van 10 juni 2015 verklaart zij zelf dat zij geen kwetsbaar persoon is en goed voor zichzelf kan opkomen, wat tevens wordt bevestigd door [moeder van persoon 1] .

4.4.

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1.

De bewijsmiddelen

De rechtbank heeft op grond van de in de voetnoten vermelde bewijsmiddelen1 en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden, de overtuiging gekregen dat verdachte de ten laste gelegde verkrachting heeft begaan, zoals beschreven in rubriek 5. De rechtbank betrekt in haar overwegingen de door de officier van justitie en de raadsman aangevoerde standpunten.

4.4.2.

Nadere bewijsoverwegingen

Verdachte heeft erkend dat hij seks heeft gehad met [persoon 1] . Verdachte heeft gesteld dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan verkrachting en dat aangeefster vrijwillig de handelingen heeft ondergaan, althans dat de door haar gestelde onvrijwilligheid voor hem niet kenbaar was.

4.4.2.1. De betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen

De verklaringen van aangeefster

[persoon 1] heeft het volgende verklaard.2 [persoon 1] is die bewuste avond naar de woning van haar moeder gegaan. Verdachte was er ook en zou blijven logeren. Met z’n drieën stonden zij in de keuken te kletsen en verdachte was whisky aan het drinken. Omdat [persoon 1] kort daarvoor in een afkickkliniek had gezeten, vond zij het niet prettig dat verdachte alcohol aan het drinken was. Verdachte vroeg aan [persoon 1] of ze nog wat cocaïne bij zich had. [persoon 1] begon daarop te huilen en liep weg. Verdachte liep achter haar aan en zei tegen haar dat het wel goed zou komen. [persoon 1] en verdachte gingen terug naar de keuken en kletsten verder onder meer over de opname van [persoon 1] in de afkickkliniek. Omstreeks 03:30 uur gingen verdachte en [persoon 1] de hond van verdachte uitlaten. Verdachte begon al snel weer over de verslaving van [persoon 1] en zei dat [persoon 1] altijd bij hem terecht kon. Bij thuiskomst ging verdachte douchen en [persoon 1] ging naar de slaapkamer op zolder. [persoon 1] kleedde zich om en trok haar slaapoutfit aan. Toen [persoon 1] bijna in slaap was, hoorde zij het geluid van de slaapkamerdeur die open ging. Plotseling zag zij verdachte in de deuropening staan met alleen een handdoek om zijn middel. [persoon 1] reageerde daarop door te zeggen: “Wat doe je hier” of “Wat is dit?” of woorden van gelijke strekking. Waarop verdachte tegen haar zei: “Jij hebt gewoon echt liefde nodig nu” en “wees maar stil”. Hierop zei [persoon 1] tegen verdachte: “Ga weg, ga mijn kamer uit. Wat ben je in godsnaam aan het doen.” [persoon 1] was door de woorden van verdachte en zijn naaktheid heel erg bang en durfde haar bed niet uit te komen. Verdachte zei vervolgens dat hij lekker naast haar kwam liggen, waarop [persoon 1] zei dat hij weg moest gaan. Verdachte deed vervolgens zijn handdoek af en kwam naast [persoon 1] liggen. [persoon 1] was in shock. Vervolgens zat verdachte met één hand aan de borsten van [persoon 1] en zij zegt tegen hem dat hij dat niet moest doen. [persoon 1] was in paniek en bang en de tranen rolden over haar wangen. Verdachte zei dat [persoon 1] stil moest zijn. Nadat verdachte de borst van [persoon 1] had betast, ging hij met zijn hand richting haar vagina, duwde haar broekje opzij en stopte één of twee vingers in haar vagina. Verdachte zei tegen [persoon 1] dat ze echt mooi was. [persoon 1] probeerde de hand van verdachte weg te duwen, waarop verdachte wederom zei dat zij rustig moest zijn. [persoon 1] was flabbergasted. Verdachte duwde vervolgens haar broekje verder opzij, ging op [persoon 1] liggen en kwam met zijn penis in haar vagina. [persoon 1] was verstijfd als een soort plank. Verdachte zat ook aan haar borsten. Volgens [persoon 1] heeft zij steeds laten merken dat zij dit niet wilde. De enige reactie van verdachte op dit verzet was: “Stil nu maar, je hebt liefde nodig”. [persoon 1] zei: “Maar dit is niet wat ik wil”. Het ging heel snel en verdachte kwam in [persoon 1] klaar. Verdachte is vervolgens van haar afgegaan en is in slaap gevallen. Toen [persoon 1] zeker wist dat verdachte sliep, is zij naar beneden gegaan. Zij voelde zich ranzig en heeft zich uitgebreid gesproeid en gedoucht. Zij moest huilen en was aan het bedenken of ze het aan haar moeder zou vertellen. [persoon 1] was bang dat verdachte wakker zou worden en was bang dat als zij het zou vertellen, het zou escaleren. Haar moeder had immers al een rotperiode achter de rug en ze dacht als ik het vertel dan breekt mijn moeder en wordt er nog meer schade aangericht in het gezin. Daar kwam bij dat verdachte tegen [persoon 1] had gezegd dat veel mensen haar niet meer vertrouwden vanwege haar drugsgebruik. [persoon 1] heeft zichzelf achteraf verweten dat zij zich alleen maar verbaal heeft verweerd en dat zij niet heeft gegild of verdachte een stomp heeft gegeven. Zij heeft alleen maar “stop, stop” geroepen en gehuild. [persoon 1] kon niets uitbrengen. Zij heeft echt een verstijvingsreactie gehad en was zo bang. Verdachte moet hebben gezien dat [persoon 1] huilde, want hij lag bovenop haar en het was redelijk licht in de kamer.

De rechtbank passeert het verweer van de raadsvrouw dat de verklaringen van [persoon 1] niet consistent en daardoor onbetrouwbaar zijn. Deze verklaringen zijn voldoende geloofwaardig en op zichzelf bruikbaar voor het bewijs.

De verklaringen van verdachte

De rechtbank acht daarentegen de verklaringen van verdachte niet op alle punten geloofwaardig en overweegt daartoe het volgende. Verdachte heeft verklaard dat hij al een beetje in slaap was gesukkeld en [persoon 1] opeens in de deuropening van zijn slaapkamer stond. Zij stond zijn kamer in te kijken en zij hadden oogcontact. [persoon 1] is daarna nog één of twee keer in de deuropening van zijn slaapkamer verschenen en is vervolgens de trap naar haar kamer op de zolderverdieping opgelopen. Na een aantal minuten ging verdachte - zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard - “polshoogte nemen” en ging de trap van de zolder op achter [persoon 1] aan. Enerzijds heeft verdachte verklaard dat het zijn bedoeling was om naast haar in te dutten. Anderzijds heeft verdachte ook verklaard dat hij wilde weten of haar blik ‘een uitnodiging’ was. [persoon 1] straalde volgens hem non-verbale signalen uit. Ter terechtzitting heeft verdachte dat omschreven als “mannetjes en vrouwtjes” gedrag. De rechtbank acht het feit dat verdachte zijn bedoeling om naast [persoon 1] in te dutten in één adem noemt met het zogenoemde “mannetjes en vrouwtjes” gedrag niet met elkaar te rijmen. Ook op het punt van het al dan niet klaarkomen, constateert de rechtbank dat de verklaring van verdachte inconsistent is. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet precies meer weet of hij is klaargekomen, hij denkt een beetje, gezien het alcoholgebruik. Tevens heeft hij verklaard dat hij, nadat [persoon 1] tegen hem had gezegd dat het niet goed is en dat hij bij haar moeder moet zijn, direct met de seksuele handelingen is gestopt.

Nu de rechtbank geen ondersteuning voor de verklaring van verdachte heeft aangetroffen, terwijl de – door de tijd geheel consistente – verklaring van aangeefster op verschillende cruciale punten wordt ondersteund, acht de rechtbank de verklaring van verdachte over de aanleiding tot en de context waarin hij seks met aangeefster heeft gehad, niet geloofwaardig en gaat zij uit van de andersluidende verklaring van aangeefster hierover.

4.4.3.

Verdere beoordeling

4.4.3.1. Steunbewijs

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat vrijspraak moet volgen, omdat het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan onvoldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal dan de verklaring van aangeefster en daarmee niet is voldaan aan het bewijsminimum.

De rechtbank overweegt daarover het volgende.

In verkrachtingszaken doet zich vaak de situatie voor dat er slechts twee personen aanwezig waren bij de gewraakte seksuele handelingen: de aangeefster en de vermeende dader. Ook in deze zaak is dat het geval. Op grond van het bepaalde in artikel 342, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering is de enkele verklaring van een getuige (in casu aangeefster) onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Daar staat tegenover dat – op grond van inmiddels vaste rechtspraak - in zedenzaken een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met de verklaringen van aangeefster voldoende wettig bewijs kan opleveren. Zo kunnen getuigen die verklaren over de toestand van aangeefster na de daad van betekenis zijn.

In de onderhavige zaak bevat het dossier voldoende ander bewijsmateriaal dat steun biedt aan de verklaringen van aangeefster en komen haar verklaringen eveneens op essentiële onderdelen overeen met andere in de bewijsmiddelen redengevende feiten en omstandigheden.

Als steunbewijs beschouwt de rechtbank de verklaringen van [moeder van persoon 1] en de psycholoog van [persoon 1] , het Facebook bericht van verdachte aan [persoon 1] en het opgenomen gesprek tussen verdachte en [moeder van persoon 1] .

A. [moeder van persoon 1] heeft het volgende verklaard. [persoon 1] was (de rechtbank begrijpt: na het bewezenverklaarde feit) erg stil en op zichzelf. Ze is eigenlijk best wel een druk persoon die graag praat, maar ze trok zich terug. In de auto (de rechtbank begrijpt: op 16 juli 2014) was zij ook stil en ze wilde niets eten. Dat gedrag ging de hele dag door. De volgende dag (17 juli 2014) had verdachte koffie voor [persoon 1] gemaakt en zei tegen [moeder van persoon 1] dat dat was omdat hij iets had goed te maken: hij was namelijk naar boven gegaan en had haar laten schrikken en dat vond zij niet leuk. [moeder van persoon 1] vond dit antwoord van verdachte raar. [persoon 1] ging die middag naar de psycholoog van de Jellinek. Toen [moeder van persoon 1] [persoon 1] belde om te vragen hoe het gesprek was gegaan, vertelde zij dat het heel zwaar was en begon ze direct te huilen. Na het gesprek bij de Jellinek, is [persoon 1] thuisgekomen en gaf aan dat zij wilde praten. [moeder van persoon 1] is met [persoon 1] naar het balkon gelopen en nadat [persoon 1] alle deuren had dichtgedaan, brak ze. [persoon 1] vertelde aan [moeder van persoon 1] dat verdachte haar dinsdagochtend (de rechtbank begrijpt: 15 juli 2014) had verkracht.

[persoon 1] was bang en had het die middag aan de psycholoog van de Jellinek verteld. Ze kon het niet eerder vertellen, omdat verdachte nog in de woning was. [persoon 1] heeft aan [moeder van persoon 1] verklaard dat verdachte met alleen een handdoek om zijn middel haar kamer was binnengekomen. De handdoek liet hij vallen en het was zo gepiept. Ze durfde niet te schreeuwen, ze was verstijfd. [moeder van persoon 1] zag aan [persoon 1] dat het op die wijze was gebeurd. Zij besloot om verdachte te confronteren met het feit dat hij onuitgenodigd in de kamer van haar dochter was geweest. Daarop antwoordde verdachte iets in de trant van “ja” en hij beaamde het. [moeder van persoon 1] had niet het woord verkrachting in de mond genomen, maar verdachte beaamde ‘dat hij het had gedaan, dat hij daar geweest was’. Verdachte heeft vervolgens tegen [moeder van persoon 1] een aantal keren gezegd dat het hem speet en dat hij zijn verontschuldigingen aan [persoon 1] wilde aanbieden. Die nacht is [persoon 1] doodziek geworden. De volgende dag is [moeder van persoon 1] met [persoon 1] naar de huisarts gegaan die adviseerde om aangifte te doen.3

B. S.J. Schellekens, psycholoog bij de Jellinek, heeft verklaard dat [persoon 1] op 17 juli 2014 tijdens een behandelgesprek heeft verteld dat zij twee dagen daarvoor tegen haar zin seks had gehad. [persoon 1] verbleef bij haar moeder waar de betreffende man ook verbleef. [persoon 1] vertelde dat zij in bed lag en dat de man haar kamer was binnengekomen, bij haar in bed is gaan liggen en seks met haar heeft gehad. Op het moment dat [persoon 1] dit aan Schellekens vertelde, was zij emotioneel, gaf aan zich vies te voelen en niet veilig in de woning. Daarnaast vertelde [persoon 1] dat zij veel schuldgevoelens had naar haar moeder, omdat zij al zoveel had meegemaakt. Dat maakte dat zij nog niets aan haar moeder had verteld. Aan het einde van het gesprek gaf [persoon 1] aan dat zij had besloten het toch aan haar moeder te vertellen, aldus Schellekens.4

C. Op 18 juli 2014 heeft verdachte een Facebook bericht5 aan [persoon 1] gestuurd met de volgende tekst: “Hoi [persoon 1] , Wat gebeurt is had nooit mogen gebeuren. Voel me er slecht over. Het spijt me heel erg.”

D. Op 17 juli 2014 heeft er tussen verdachte en [moeder van persoon 1] een gesprek plaatsgevonden6 dat met een mobiele telefoon is opgenomen. Dit gesprek tussen [moeder van persoon 1] ( [A] ) en verdachte (V) houdt – zakelijk weergegeven – in:

[A] : “Maar kijk, jij hebt van mijn dochter haar eigen woning onveilig gemaakt. En of zij nou wel of niet heeft geschreeuwd of gegild of ‘help’ heeft geroepen dat maakt niet uit. Je had nooit als iemand, als volwassen man, had je nooit die stap mogen maken. Jij had moeten denken, je had de knop om moeten zetten.”

V: “Je hebt gelijk.”

[A] : “Ja weet je. Je hebt haar enorm bezeerd.”

V: “Je hebt gelijk.”

Het voorgaande, in samenhang beschouwd, ondersteunt de verklaring van aangeefster dat zij tegen haar wil seks met verdachte heeft gehad.

4.4.3.2. feitelijkheden/dwangmiddelen

De raadsvrouw heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de in de tenlastelegging genoemde middelen geen dwang in de zin van artikel 242 Sr opleveren, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank stelt voorop dat van door een ‘feitelijkheid dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam’ van het slachtoffer als bedoeld in artikel 242 Sr, slechts sprake kan zijn indien de verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer die handelingen tegen zijn/haar wil heeft ondergaan. Van een door een feitelijkheid dwingen als hiervoor bedoeld kan sprake zijn indien de verdachte opzettelijk een zodanige psychische druk heeft uitgeoefend of het slachtoffer in een zodanige afhankelijkheidssituatie heeft gebracht dat het slachtoffer zich daardoor naar redelijke verwachting niet tegen die handelingen heeft kunnen verzetten, of dat de verdachte het slachtoffer heeft gebracht in een zodanige door hem veroorzaakte (bedreigende) situatie dat het slachtoffer zich naar redelijke verwachting niet aan die handelingen heeft kunnen onttrekken. Of zulk een dwang zich heeft voorgedaan, laat zich niet in het algemeen beantwoorden, maar hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. (o.m. HR 27 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:494).

De rechtbank overweegt als volgt.

[persoon 1] was op het moment van het tenlastegelegde feit kwetsbaar. Zij was net ontslagen uit een afkickkliniek en was bij haar moeder om een terugval te voorkomen. Verdachte was van deze situatie op de hoogte. Uit de verklaringen van zowel [persoon 1] als [moeder van persoon 1] blijkt immers dat zij die bewuste avond vaak over de opname van [persoon 1] in de Jellinek hebben gesproken. Volgens [persoon 1] had zij nog tegen verdachte gezegd dat ze zo blij was dat ze uit de detox was. Ook de door verdachte gebruikte woorden als hij de slaapkamer van [persoon 1] binnen gaat, te weten dat ‘zij nu gewoon echt liefde nodig heeft’, - wat hij nadien nog een aantal keren heeft herhaald - duidt er naar het oordeel van de rechtbank op dat verdachte wist dat zij zich in een kwetsbare positie bevond en kennelijk in zijn perceptie extra liefde kon gebruiken. Daar komt bij dat verdachte een bepaald psychisch overwicht bezat. Dit vanwege het grote leeftijdsverschil en omdat er volgens [persoon 1] tussen haar en verdachte een vertrouwensband was. Verdachte was zelfs één van de weinigen die op de hoogte was van haar problematiek en opname. Verdachte ontkent dit, maar de rechtbank acht dit aannemelijk op basis van zowel de verklaring van [persoon 1] als [moeder van persoon 1] . Ook overweegt de rechtbank in dit verband dat verdachte tegen [persoon 1] heeft gezegd dat veel mensen geen vertrouwen meer in haar hebben, vanwege haar (voormalige) drugsgebruik. Verder neemt de rechtbank in ogenschouw dat [persoon 1] midden in de nacht in een veilige omgeving, in de slaapkamer in het huis van haar moeder, in bed lag, nagenoeg in slaap was gevallen en verdachte de trap naar haar slaapkamer is opgegaan en onverhoeds met alleen een handdoek om zijn middel de deur van haar slaapkamer heeft opengedaan. Ondanks dat [persoon 1] op dat moment tegen hem zei dat hij weg moest gaan, is hij naast haar in bed gaan liggen. De rechtbank stelt daarbij vast dat voor [persoon 1] het bezoek van verdachte ook onverwacht was. Niet is gebleken dat er al sprake was van een situatie waarin [persoon 1] en verdachte zich tot elkaar voelde aangetrokken, eerder seksuele of seksueel getinte contacten hadden gehad of dat er die avond al enige vorm van spanning tussen hen was. Zoals hiervoor is besproken, acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat – samengevat - [persoon 1] in bikini naar beneden is gekomen en vervolgens twee of drie keer zijn slaapkamer heeft betreden en oogcontact met hem had, ongeloofwaardig.

4.4.3.3. Conclusie

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte misbruik heeft gemaakt van zijn positie van huisvriend en van de labiele positie waarin [persoon 1] verkeerde en [persoon 1] ertoe heeft gedwongen de seksuele handelingen te ondergaan. De gehanteerde dwangmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd, waren zodanig dat capitulatie van [persoon 1] normaliter te verwachten viel. Het kan gezien dit samenstel van feiten en omstandigheden niet anders dan dat verdachte moet hebben begrepen dat er geen sprake was van vrijwilligheid aan de zijde van [persoon 1] maar van dwang door hem. Het opzet van verdachte vloeit derhalve voort uit deze bewijsmiddelen.

De rechtbank acht dan ook de verkrachting wettig en overtuigend bewezen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 16 juli 2014 te Amsterdam door een feitelijkheid [persoon 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, bestaande die handelingen daarin dat hij, verdachte

  • -

    bovenop haar is gaan liggen en

  • -

    aan haar borsten heeft gevoeld en

  • -

    één of meer vinger(s) en zijn, verdachtes, penis in haar vagina heeft gebracht en gehouden

en bestaande die feitelijkheden daarin dat

  • -

    die [persoon 1] nog maar een paar dagen uit de Detox van de Jellinekkliniek was en bij haar moeder verbleef om te voorkomen dat ze zou terugvallen en om een veilige plek te hebben en

  • -

    dat hij van die omstandigheid op de hoogte was en

  • -

    hij, verdachte, als huisvriend van die [persoon 1] en haar moeder in diezelfde woning verbleef en

  • -

    die [persoon 1] al enige tijd in bed lag en bijna in slaap was gevallen en

  • -

    verdachte, terwijl hij alleen was gekleed in een handdoek, midden in de nacht onaangekondigd en onuitgenodigd en onverhoeds de slaapkamer van die [persoon 1] is binnengegaan en

  • -

    aldus voor die [persoon 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan en

  • -

    terwijl die [persoon 1] zei: "wat doe je?" en "wat is dit?" en "wat ben je in godsnaam aan het doen" en "ga mijn kamer uit" hij desondanks naast die [persoon 1] in hetzelfde bed is gaan liggen en hij daarbij zei: "ik kom gewoon lekker naast je liggen" en "je bent echt mooi" en "je hoeft niks te zeggen" en "je hebt gewoon echte liefde nodig nu, wees maar stil” en

  • -

    terwijl die [persoon 1] bleef zeggen: "nee" en "doe dit niet" en

  • -

    terwijl die [persoon 1] zijn hand probeerde weg te duwen hij tegen haar heeft gezegd ‘rustig maar” en

  • -

    haar shirt naar beneden heeft getrokken teneinde haar borsten te kunnen betasten en

  • -

    aldus misbruik heeft gemaakt van zijn positie van huisvriend van die [persoon 1] en haar moeder en misbruik heeft gemaakt van de omstandigheid dat die [persoon 1] net uit een detox-opname kwam en van de labiele situatie waarin die [persoon 1] zich na haar detox-opname bevond.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit en verdachte

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigings-grond is niet aannemelijk geworden.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de strafmaat geen verweer gevoerd.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder laten meewegen dat verdachte zich ten koste van aangeefster heeft schuldig gemaakt aan verkrachting. Verdachte heeft door zijn handelen niet alleen misbruik gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen, maar ook van de kwetsbare positie waarin aangeefster zich – in verband met haar verslavingsverleden – op dat moment bevond. Het slachtoffer, dat midden in de nacht in bed lag in het huis van haar moeder, een plek waar zij zich bij uitstek veilig mocht voelen, is compleet overrompeld door deze onverhoedse actie van verdachte, die niet bleef bij het zoeken van toenadering, maar werd gevolgd door een penetratie zonder condoom waarna verdachte in het slachtoffer klaar kwam. Verdachte heeft hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Naar als algemeen bekend mag worden verondersteld, ondervinden slachtoffers van dergelijke delicten daarvan vaak ernstige en langdurige psychische gevolgen. De verkrachting is voor het slachtoffer behalve kwetsend ook een beangstigende ervaring geweest, zoals blijkt uit de ter terechtzitting door haar voorgedragen slachtofferverklaring. De verkrachting heeft voor haar grote gevolgen gehad. Zij kampt met concentratieproblemen, nachtmerries en flashbacks, heeft psychotherapie moeten inroepen en ondervindt van hetgeen haar is overkomen nog steeds psychische klachten behorende bij een posttraumatisch stresssyndroom. Volgens haar verklaring herkent zij zichzelf niet meer en is haar leven door de verkrachting weggenomen.

Verdachte heeft zich van bovenstaande kennelijk geen enkele rekenschap gegeven, dan wel heeft hij dat ondergeschikt gemaakt aan, en zich slechts bekommerd om, bevrediging van zijn eigen lustgevoelens. Verdachte heeft ter zitting geen berouw getoond en lijkt zich eerder een slachtofferrol aan te meten.

Verdachte is blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van
25 januari 2016 niet eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld.

Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 17 september 2015, waarin de reclassering aangeeft dat – samengevat - zij gezien de ontkennende houding van verdachte geen advies kunnen uitbrengen.

Gelet op de ernst van het gepleegde strafbare feit kan niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft bij de strafoplegging aansluiting gezocht bij de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) vastgestelde oriëntatiepunten.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden.

8 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij, [persoon 1] , heeft zich – door middel van haar gemachtigde, [naam] - gevoegd in deze procedure met een vordering tot schadevergoeding ter zake van schade. Deze schade bestaat blijkens het ingediende voegingsformulier uit een bedrag van € 2.075,78 aan materiële schade en een bedrag van € 15.000,- aan immateriële schade.

De officier van justitie heeft gevorderd de gevorderde schadevergoeding ten aanzien van het materiële deel geheel toe te wijzen en ten aanzien van het immateriële deel te matigen tot een bedrag van € 5.000,-, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel zoals opgenomen in artikel 36f Sr en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het immateriële deel van de vordering tot schadevergoeding op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu – kort gezegd – er geen sprake is van rechtstreekse schade.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is vast komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit rechtstreekse schade heeft geleden.

De vordering tot materiële schadevergoeding is niet gemotiveerd weersproken en komt de rechtbank niet ongegrond en niet onrechtmatig, zodat deze geheel zal worden toegewezen derhalve tot een bedrag van € 2.075,78, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Uit het verslag van de klinisch psycholoog van de GGZ van 3 december 2014 en de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat de benadeelde partij ten gevolge van het bewezen geachte feit immateriële schade heeft geleden. De psychische gevolgen en de noodzaak van psychologische hulpverlening wegens een gediagnosticeerd posttraumatisch stresssyndroom zijn gestaafd met een verklaring van de psycholoog van de benadeelde partij. Dat de benadeelde partij ook voor deze gebeurtenis al was blootgesteld aan een reeks van negatieve ervaringen en dat deze haar mogelijk temeer kwetsbaar maakten, doet – nog daargelaten dat deze deels bekend waren bij verdachte – aan de rechtstreeksheid en ernst van de gevolgen voor de benadeelde partij van juist dit strafbare feit niet af. Alles overziend en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, waardeert de rechtbank de immateriële schade op € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 15 juli 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening.

De benadeelde partij is in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partij wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f en 242 van het Wetboek van strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Verkrachting

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van [persoon 1] , domicilie kiezende Richard Korver Advocaten, terzake immateriële schadevergoeding toe tot een bedrag van € 5.000,- (zegge vijfduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 15 juli 2014 tot aan de dag van algehele voldoening.

Wijst de vordering van [persoon 1] terzake materiële schadevergoeding toe tot een bedrag van € 2.075,78 (tweeduizendvijfenzeventig euro en achtenzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van algehele voldoening.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 1] , € 7.075,78 (zevenduizendvijfenzeventig euro en achtenzeventig cent) aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 70 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F. Wieland, voorzitter,

mrs. P.J. van Eekeren en H.E. Spruit , rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H. Leeuwenkamp, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 maart 2016.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met proces-verbaalnummer 2014176816 bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 P. 6 t/m 8, blad 3 van het ongenummerde proces-verbaal nader verhoor aangeefster en het proces-verbaal van verhoor van getuige [persoon 1] van 10 december 2015 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.

3 P. 38 t/m 40.

4 P. 42.

5 Een geschrift zijnde een Facebook bericht van verdachte aan [moeder van persoon 1] , p. 13 en p. 1 en 11.

6 P. 67.