Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:135

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-01-2016
Datum publicatie
19-01-2016
Zaaknummer
C/13/582306 / HA ZA 15-217
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bank moet alsnog een deugdelijk onderbouwde berekening geven van het bij haar cliënt als eindafrekening van een renteswap in rekening gebrachte bedrag. Beroep op dwaling is verjaard en voor het overige heeft de cliënt te laat geklaagd in de zin van artikel 6:89 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2016, afl. 2, p. 99
AR 2016/150
RCR 2016/32
RF 2016/39
JONDR 2016/417
mr. drs. S.J. Hoes-Weishut, mr. B.J. Boutellier, mr. A.E.E. Verspyck Mijnssen <br/>en mr. J. Sluijter annotatie in UDH:FR/12767

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/582306 / HA ZA 15-217

Vonnis van 13 januari 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PRODUCTION PARTNERS BEHEER B.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres,

advocaat mr. E.M. van Zelm te De Bilt,

tegen

1. de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de naamloze vennootschap

DEUTSCHE BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagden,

advocaat mr. F.R.H. van der Leeuw te Amsterdam.

Partijen zullen hierna worden aangeduid met PP, ABN Amro en Deutsche Bank (en de laatste beide ook wel met ‘de bank’).

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 20 februari 2015, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 29 april 2015 waarbij een comparitie van partijen is bepaald,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 21 augustus 2015, zoals aangevuld door de brief van 8 september 2015 van de zijde van Deutsche Bank en de (fax)brief van 10 september 2015 van de zijde van PP.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

PP is een full-service verhuurbedrijf dat gespecialiseerd is in het leveren van techniek op het gebied van audio, licht en video. [naam] (hierna: [naam] ) is bestuurder en aandeelhouder van PP. In 2007 heeft PP ABN Amro verzocht om financiering voor de aankoop van grond en de bouw van een bedrijfspand.

2.2.

Op 29 augustus 2007 is een kredietovereenkomst tussen ABN Amro en PP tot stand gekomen, waarbij de bank aan PP een rekening-courantkrediet verstrekte ten bedrage van EUR 385.000,--, alsmede een 10-jarige Euribor lening en een 15-jarige Euribor lening met een totale hoofdsom van EUR 1.175.000,-- (hierna: de lening). De 10-jarige Euribor lening was aflossingsvrij en de 15-jarige Euribor lening diende in 60 opeenvolgende driemaandelijkse termijnen van EUR 5.000,-- te worden afgelost.

2.3.

Op 26 oktober 2007 heeft PP met ABN Amro een renteswapovereenkomst (hierna: de renteswap) afgesloten voor een bedrag van EUR 875.000,--, met een verhoging naar EUR 1.175.000,-- vanaf 1 januari 2008 en met een looptijd van 1 december 2007 tot 1 december 2017. Met ingang van 1 maart 2008 werd op de hoofdsom per kwartaal een bedrag van EUR 5.000,-- per kwartaal afgelost.

2.4.

Op 17 december 2007 heeft [naam] namens PP een ‘Cliëntenprofiel Treasury’ ingevuld. Daarin heeft [naam] ingevuld dat PP niet beschikte over kennis of ervaring met derivaten (afgezien van de renteswap die net was afgesloten). Op het formulier wordt kort uitgelegd dat bij voortijdige sluiting van de positie een negatieve marktwaarde voor de onderneming kan leiden tot een verplichting om aan de bank zekerheid te verstrekken of een bedrag aan de bank te betalen, waarvan de maximale omvang niet altijd is te voorspellen. Op de vraag of de onderneming bereid was de kans op een dergelijke betalingsverplichting te aanvaarden heeft [naam] ‘ja’ aangekruist.

2.5.

Medio 2009 heeft PP zich genoodzaakt gezien om het bedrijfspand te verkopen. Met de opbrengst daarvan heeft zij de hoofdsom van de lening afgelost. Het rekening-courantkrediet bleef bestaan. Als gevolg van de voortijdige aflossing van de lening is ook de renteswap voortijdig beëindigd.

2.6.

Op 29 oktober 2009 heeft de bank EUR 159.775,-- afgeschreven van de bankrekening van PP. Per brief van 2 november 2009 heeft ABN Amro aan PP bevestigd dat de renteswap per 27 oktober 2009 voortijdig is beëindigd en dat PP vanwege deze voortijdige beëindiging vanaf 29 oktober 2009 een bedrag van EUR 159.775,-- aan de bank is verschuldigd.

2.7.

Per brief van 15 december 2009 heeft PP aan ABN Amro, afdeling Business Management Treasury NL, op de brief van de bank van 2 november 2009 als volgt gereageerd:

“Als gevolg van het voortijdig beëindigen van de renteswap heeft u mijn rekening met rekeningnummer [rekeningnummer] op 29 oktober 2009 belast met een bedrag van € 159.775,00. Helaas kan ik niet vaststellen hoe dit bedrag is samengesteld, in ieder geval blijkt dat niet uit het bovenvermelde schrijven.

Ondanks herhaalde verzoeken mijnerzijds heb ik tot op de dag van vandaag geen heldere controleerbare afrekening van u gehad.

Weliswaar staat in uw brief dat ik akkoord ben met de transactie en dat de gegevens juist zijn, echter ik ben door u niet correct geïnformeerd daar ik de juistheid van het in rekening gebrachte bedrag niet kon en kan vaststellen.

Het feit dat u een dergelijke verklaring standaard hebt opgenomen ontslaat u niet uit de plicht mij correct te informeren!!!

(…)

(…) zal ik mijn account manager verzoeken om het hierboven genoemde bedrag terug te boeken.

Eerst nadat ik de door mij herhaaldelijk gevraagde heldere en controleerbare berekening heb gekregen en akkoord bevonden kan tot afboeking van het eerder genoemde bedrag, danwel het niet betwiste deel worden overgegaan.

Een kopie van dit schrijven zend ik aan mijn accountmanager in Utrecht.”

2.8.

Per brief van 23 december 2009 heeft de bank het volgende aan PP medegedeeld:

“Met referte aan de diverse gesprekken over het afwikkelen van de interest rate swap, delen wij u nogmaals mede dat naast de bevestiging in duplo vanuit Londen en de debitering op uw rekening-courant er geen nadere specificatie te geven is van het unwinden van de interest rate swap.

(…)”.

2.9.

Per brief van 29 april 2014 heeft de raadsman van PP Deutsche Bank en ABN Amro Bank aansprakelijk gesteld voor de schade die PP heeft geleden als gevolg van de renteswap, op grond van onrechtmatig handelen dan wel dwaling.

2.10.

Per brief van 16 juni 2014 heeft Deutsche Bank aan PP geantwoord dat zij de rechten en verplichtingen van ABN Amro uit hoofde van de kredietrelatie met PP heeft overgenomen. Verder heeft zij in deze brief elke aansprakelijkheid van de hand gewezen.

3 Het geschil

3.1.

PP vordert, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    voor recht verklaart dat ABN Amro en/of Deutsche Bank jegens PP wanprestatie hebben gepleegd dan wel de op hen rustende zorgplicht hebben geschonden dan wel onrechtmatig hebben gehandeld of wel dat PP door hun toedoen heeft gedwaald bij het aangaan van de renteswap;

  • -

    ABN Amro en Deutsche Bank hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van de schade die PP hierdoor heeft geleden, nader op te maken bij staat;

  • -

    ABN Amro en Deutsche Bank veroordeelt om binnen acht dagen na dit vonnis aan Deutsche Bank een eindafrekening te verschaffen van het afgeschreven bedrag van EUR 159.775,--, voorzien van een behoorlijke onderbouwing en toelichting met stukken, op straffe van een dwangsom;

  • -

    ABN Amro en Deutsche Bank veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten.

3.2.

PP legt aan haar vorderingen – kort weergegeven – ten grondslag dat de bank is tekortgeschoten in haar zorgplicht, nu het voor de bank al voor het aangaan van de renteswap duidelijk had moeten zijn dat de renteswap geen geschikt financieel instrument was voor PP. Ook had de bank dit nadien op basis van het ingevulde cliëntenprofiel moeten zien, waarna de bank alsnog een passend product had moeten aanbieden. PP stelt in het bijzonder dat zij de renteswap niet was aangegaan als zij door de bank goed was geïnformeerd over de financiële verplichtingen bij voortijdig beëindigen ervan.

3.3.

Deutsche Bank voert gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, (nader) ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In haar conclusie van antwoord heeft Deutsche Bank erop gewezen dat zij rechtsopvolger is van ABN Amro, zoals zij heeft medegedeeld aan PP per brief van 16 juni 2014. In de conclusie van antwoord is dit als volgt toegelicht. Op 7 augustus 2008 heeft een juridische afsplitsing plaatsgevonden waarbij ABN Amro een deel van haar vermogen heeft afgesplitst naar een vennootschap voorheen genaamd New HBU II N.V., welk deel van het vermogen door New HBU II N.V. onder algemene titel is verkregen. Vervolgens heeft op 1 april 2010 ABN Amro haar aandelen in het kapitaal van New HBU II N.V. overgedragen aan (de rechtsvoorganger van) Deutsche Bank. De klantrelatie met PP is derhalve op 1 april 2010 overgegaan van ABN Amro naar Deutsche Bank. PP heeft dit vervolgens slechts betwist bij gebrek aan wetenschap en haar vorderingen jegens ABN Amro gehandhaafd. Een dergelijke algemene betwisting zonder (mogelijke) toelichting waarom haar (klant)relatie met de bank geen onderdeel zou zijn geweest van de door de bank beschreven transactie is niet voldoende, mede omdat het een feit van algemene bekendheid is dat deze transactie heeft plaatsgevonden. Daarbij komt dat [naam] ter comparitie ook heeft gesproken over de relatie met Deutsche Bank (die nooit goed was), zodat ook hij kennelijk vanaf het moment van de transactie nog slechts contact had met Deutsche Bank en deze als de wederpartij van PP zag. In het hiernavolgende zal er dan ook vanuit worden gegaan dat de vorderingen voor zover ingesteld tegen ABN Amro niet toewijsbaar zijn.

4.2.

Deutsche Bank heeft tot haar verweer allereerst aangevoerd dat (i) de vordering van PP uit hoofde van dwaling is verjaard en (ii) PP, voor zover haar vordering is gebaseerd op schending van de zorgplicht door de bank, haar recht om daarop een beroep te doen heeft verloren omdat zij te laat heeft geprotesteerd over de gestelde gebreken in de dienstverlening van de bank als bedoeld in artikel 6:89 BW. PP heeft hier tegenover gesteld dat zij, nadat zij had geconstateerd dat op 29 oktober 2009 het bedrag van EUR 159.775,-- van haar bankrekening was afgeboekt, onmiddellijk telefonisch contact met de bank heeft opgenomen en dat zij per brief van 15 december 2009 heeft verzocht om terugboeking van het bedrag. Voorts heeft PP aangevoerd dat zij de dwaling en het tekortschieten van de bank pas heeft kunnen ontdekken nadat haar raadsman in 2013/2014 de stukken van de bank had ontvangen en heeft kunnen bestuderen.

Dwaling – verjaring

4.3.

PP heeft in de dagvaarding nauwelijks toegelicht over welk aspect van de renteswap zij zou hebben gedwaald. Tijdens de comparitie heeft (de raadsman van) PP desgevraagd toegelicht dat de bank PP had voorgehouden dat het afsluiten van de renteswap de enige mogelijkheid was om haar renterisico’s te beperken. Aangezien [naam] voorts namens PP heeft verklaard dat hij het er niet mee eens is dat de bank hem bij beëindiging van de lening een ‘boeterente’ (de negatieve waarde van de renteswap) in rekening heeft gebracht, gaat de rechtbank er vanuit dat PP stelt te hebben gedwaald over het feit dat zij bij voortijdige beëindiging van de lening en de renteswap (mogelijk) een bedrag aan de bank zou moeten betalen (de negatieve waarde).

4.4.

In het midden kan blijven of PP – zoals Deutsche Bank stelt en PP betwist – al in 2007 (bij het aangaan van de renteswap) bekend was met de werking van de renteswap en het daaraan verbonden risico dat bij voortijdige beëindiging mogelijk een bedrag aan de bank zou moeten worden betaald (boeterente of negatieve waarde). Vaststaat immers dat dit PP bij de beëindiging van de lening en de renteswap eind 2009 in ieder geval duidelijk was. PP stelt ook zelf dat hij toen – eerst telefonisch en vervolgens bij brief van 15 december 2009 – hierover bij de bank zijn beklag heeft gedaan. Hieruit moet worden afgeleid dat PP in ieder geval in oktober, althans december 2009 op de hoogte was van het feit dat hij bij beëindiging van de lening en de rentswap een bedrag aan de bank moest betalen (wat PP volgens haar eigen stellingen niet had verwacht en waarover zij aldus stelt te hebben gedwaald). Op dit tijdstip heeft PP de gestelde dwaling dus in ieder geval ontdekt in de zin van artikel 3:52 lid 1 onder c BW. Nu een vordering tot vernietiging op grond van ditzelfde artikel binnen drie jaar hierna dient te zijn ingesteld, was deze voor het uitbrengen van de dagvaarding op 20 februari 2015 al verjaard. Het door PP gestelde telefonisch uiten van ongenoegen is gelet op de artikelen 3:316 t/m 3:318 BW onvoldoende om de verjaring te stuiten. Gesteld noch gebleken is voorts dat PP op enig moment vóór 15 december 2012 de verjaring schriftelijk heeft gestuit, dan wel de renteswap buitengerechtelijk heeft vernietigd. Hiervan is in ieder geval geen sprake in de brief van PP van 15 december 2009 en de eerstvolgende brief van de zijde van PP die in het geding is gebracht is de brief van haar raadsman van 29 april 2014. Nog afgezien van het feit dat deze brief eerst na voltooiing van de verjaringstermijn is verstuurd, wordt in deze brief de renteswap ook niet vernietigd. Dit betekent dat het beroep op verjaring slaagt.

Schending zorgplicht - klachtplicht

4.5.

PP legt aan haar vorderingen voorts ten grondslag dat de bank is tekortgeschoten in de op haar rustende bijzondere zorgplicht. In de kern komt het verwijt van PP aan het adres van de bank ook hier er materieel op neer dat de bank haar voorafgaand aan het sluiten van de renteswap niet heeft voorgelicht over de werking en de bijzondere risico’s van de renteswap, waardoor PP niet had kunnen of hoeven te verwachten dat zij bij voortijdige beëindiging van de renteswap een bedrag aan de bank zou moeten betalen, laat staan een bedrag van EUR 159.775,--.

4.6.

Ter beoordeling ligt thans de vraag voor of PP tijdig bij de bank heeft geklaagd over deze tekortkoming(en) in de zin van artikel 6:89 BW. Deutsche Bank heeft primair gesteld dat PP de vermeende schending van de zorgplicht al direct bij het aangaan van de renteswap in 2007 heeft ontdekt of had behoren te ontdekken op basis van de verstrekte productinformatie en zich hierover dus toen al had moeten beklagen. Subsidiair heeft de bank gesteld dat PP in ieder geval eind oktober 2009 bekend was met het aan de renteswap verbonden risico dat bij voortijdige beëindiging de negatieve waarde (mogelijk) zou moeten worden vergoed omdat dat risico zich toen verwezenlijkte. De bank stelt zich op het standpunt dat PP pas in april 2014 voor het eerst heeft geprotesteerd over de (eigenschappen van de) renteswap en het vermeende gebrek aan bekendheid met de kans op het betalen van een negatieve waarde. Dit is volgens Deutsche Bank te laat, mede omdat zij door de late klacht van PP is geschaad in haar bewijspositie hetgeen in dit geval te meer klemt omdat het dossier van PP door ABN Amro aan haar is overgedragen en zij zelf bij het afsluiten van de renteswap niet betrokken is geweest.

4.7.

In artikel 6:89 BW is bepaald dat de schuldeiser op een gebrek in de prestatie van de schuldenaar geen beroep meer kan doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de schuldenaar ter zake heeft geprotesteerd. Deze bepaling strekt ertoe de schuldenaar die een prestatie heeft verricht te beschermen omdat hij erop moet kunnen rekenen dat de schuldeiser met bekwame spoed onderzoekt of de prestatie aan de verbintenis beantwoordt en dat deze, indien dit niet het geval blijkt te zijn, dat eveneens met spoed aan de schuldenaar meedeelt. Het in artikel 6:89 BW bedoelde protest is vormvrij, maar in beginsel dient de schuldeiser zijn wederpartij, voor zover mogelijk, tevens te informeren over de gestelde aard of omvang van de tekortkoming (Hoge Raad 11 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL8297). Bij de vraag of tijdig is geprotesteerd moet acht worden geslagen op alle relevante omstandigheden van het geval, waaronder het nadeel als gevolg van het verstrijken van de tijd totdat tegen de afwijking is geprotesteerd, en in elk geval ook op de waarneembaarheid van de afwijking, de deskundigheid van partijen, de onderlinge verhouding van partijen, de aanwezige juridische kennis en de behoefte aan voorafgaand deskundig advies (Hoge Raad 8 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9615). Hierbij is in belangrijke mate medebepalend in hoeverre de belangen van de schuldenaar al dan niet zijn geschaad. Als die belangen niet zijn geschaad, zal er niet spoedig voldoende reden zijn de schuldeiser een gebrek aan voortvarendheid te verwijten (Hoge Raad 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8991).

4.8.

In financiële adviesrelaties dient artikel 6:89 BW terughoudend te worden toegepast (zie Hoge Raad van 8 februari 2013, ECLI: NL:HR:2013:BY4600). Dit betekent dat in het onderhavige geval, gelet op de aard van de dienstverlening waarbij de bank als adviserende partij bij uitstek deskundig is en bij haar advisering de haar betamende zorg in acht dient te nemen, terwijl PP in beginsel op dit deskundige advies mag afgaan, niet snel kan worden aangenomen dat de PP bekend was althans behoorde te zijn met gebreken in het financieel advies, en daarover niet tijdig heeft geklaagd in de zin van artikel 6:89 BW. In het licht hiervan wordt de stelling van de bank dat PP al bij of onmiddellijk na het afsluiten van de renteswap (in 2007) op de hoogte had moeten zijn van de aan de renteswap verbonden risico’s en de gestelde schending van de zorgplicht verworpen. Op dat moment had het afsluiten van de renteswap immers slechts als effect dat PP de (door haar gewenste) vaste rente betaalde. Er veronderstellenderwijs vanuit gaande dat de bank bij de advisering is tekortgeschoten en PP onvoldoende heeft voorgelicht over de werking van de renteswap kan het uitgangspunt niet zijn dat PP (de cliënt) dat dan maar in de meegestuurde informatie had moeten ontdekken.

4.9.

Voorts dient te worden beoordeeld of PP eind oktober 2009, althans in haar brief van 15 december 2009 voldoende concreet heeft geklaagd. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Eind oktober wist PP dat de renteswap een negatieve waarde had en dat zij deze als gevolg van de voortijdige beëindiging aan de bank moest vergoeden. [naam] heeft namens PP ter comparitie weliswaar verklaard dat hij telefonisch aan (de account-manager van) de bank heeft gemeld dat hij het er niet mee eens was dat PP een ‘boeterente’ moest betalen, omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij bij verkoop van het bedrijfspand de lening boetevrij kon aflossen, maar uit de brief die hij vervolgens op 15 december 2009 aan de bank heeft gestuurd blijkt geenszins dat PP zich (ook) beklaagt over het feit dat hij een bedrag (aan negatieve waarde) aan de bank moet betalen. In de brief staat slechts een protest over het ontbreken van onderbouwing van het voor de beëindiging in rekening gebrachte bedrag en een betwisting van de hoogte van dat bedrag bij gebrek aan wetenschap. De rechtbank is het met de bank eens dat de brief geen protest bevat over de gebreken in de nakoming van de contractuele en buitencontractuele verplichtingen van de bank die PP in deze procedure aan haar vorderingen ten grondslag legt, te weten dat de bank haar onvoldoende heeft geïnformeerd over de risico’s van de renteswap, waarmee zij, zoals hiervoor is overwogen, doelt op het feit dat zij bij voortijdige beëindiging (mogelijk) een bedrag aan de bank moet betalen. De brief van 29 april 2014 is de eerste klacht die de bank van PP daarover heeft ontvangen.

4.10.

Geoordeeld wordt dat PP met haar brief van 29 april 2014 te laat heeft geklaagd. Deze klacht is immers eerst ruim vier jaar nadat PP het (vermeende) gebrek in de advisering had ontdekt, althans moeten ontdekken, door de bank ontvangen. In dit geval staat (onbetwist) vast dat de bank nadeel ondervindt van het late klagen (door de overdracht van het dossier van PP door ABN Amro aan Deutsche Bank), zodat zij ook een rechtmatig belang heeft bij haar beroep op artikel 6:89 BW. Het verweer van PP dat zij niet eerder durfde te protesteren omdat zij bang was daarmee haar relatie met de bank te schaden, gaat niet op. Allereerst geldt dat als PP eind oktober 2009 oprecht verbaasd was geweest dat zij een bedrag aan de bank moest betalen (‘boeterente’), zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom zij dat dan niet in haar brief van 15 december 2009 aan de bank heeft gemeld. Belangrijker is evenwel dat de schuldeiser (in dit geval PP) op grond van artikel 6:89 BW ook een onderzoeksplicht heeft. In het onderhavige geval bestond het nadeel dat PP leed uit de in rekening gebrachte beëindigingsvergoeding van EUR 159.775,--. Uitgaande van de stelling van PP dat een dergelijke beëindigings-vergoeding in het geheel niet in rekening had mogen worden gebracht, althans dat zij niet begreep dat deze in rekening werd gebracht omdat zij meende ‘boetevrij’ te kunnen aflossen bij verkoop van het bedrijfspand, had het in rekening brengen van dit bedrag voor PP in ieder geval aanleiding moeten zijn om nader onderzoek in te stellen, bijvoorbeeld door het inschakelen van een advocaat, zoals zij uiteindelijk in de zomer van 2013 wel heeft gedaan.

4.11.

Conclusie uit al het voorgaande is dat PP niet tijdig heeft geklaagd in de zin van artikel 6:89 BW. Dit betekent dat de aanspraken van PP op schending van de zorgplicht (op beide gestelde juridische grondslagen van wanprestatie en onrechtmatige daad) zijn vervallen.

Hoogte negatieve waarde - onderbouwing

4.12.

Het lijdt geen twijfel dat PP wel tijdig heeft geprotesteerd tegen het ontbreken van een onderbouwing van het in rekening gebrachte bedrag en daarmee ook tegen de juistheid van het bedrag.

4.13.

Deutsche Bank heeft het bedrag van EUR 159.775,-- dat zij aanvankelijk als negatieve waarde bij PP in rekening heeft gebracht, ondanks verzoeken van PP daartoe, nimmer onderbouwd.

4.14.

Deutsche Bank heeft ter comparitie aangevoerd dat ter bepaling van de negatieve waarde van een renteswap bij voortijdige beëindiging wordt gekeken naar wat de rente zou zijn als er op de datum van voortijdige beëindiging een nieuwe renteswap zou worden afgesloten voor de resterende looptijd van de beëindigde renteswap. Volgens Deutsche Bank is de exacte berekening van het bedrag van EUR 159.775,-- niet meer te achterhalen omdat zij niet weet welke rentecurve ABN Amro destijds heeft gebruikt, rentecurves gedurende de dag veranderen en die rentecurves door banken ook niet openbaar worden gemaakt. Ter comparitie heeft Deutsche Bank, gebruik makend van wel beschikbare gegevens, een berekening gegeven die leidt tot een negatieve waarde van EUR 151.810,--, en die derhalve EUR 7.965,-- afwijkt van het bij PP in rekening gebrachte bedrag. De door de bank gegeven berekening is als volgt:

“Een dergelijke renteswap voor EUR 1.140.000, met een aflossing van EUR 5.000 per kwartaal en een looptijd tot en met 1 december 2017, kent een percentage van 2,90%. Het verschil is 1,90% (met de 4,80% van de beëindigde swap), ofwel 190 basispunten. De contante waarde van 1 basispunt verschil voor deze transactie was EUR 799, hetgeen leidt tot een negatieve waarde van EUR 799 x 190= EUR 151.810.”

De bank heeft niet inzichtelijk gemaakt waar de in de berekening gebruikte ‘beschikbare gegevens’ te vinden zijn, zodat PP en de rechtbank de berekening, althans de parameters waarop deze is gebaseerd, niet op juistheid hebben kunnen controleren. De bank heeft van haar berekening nader bewijs aangeboden.

4.15.

Hier geldt het volgende. De bank vordert met de betaling van de negatieve waarde nakoming van een verplichting uit hoofde van overeenkomst, de renteswap(overeenkomst); het betreft hier een contractuele verplichting tot vergoeding van schade die de bank stelt te lijden door de voortijdige beëindiging van de renteswap. Als de bank nakoming van die verplichting vordert en daarmee een bedrag (aan schadevergoeding) bij de wederpartij in rekening brengt, zal zij inzichtelijk moeten maken hoe zij dat bedrag (die schadevergoeding) heeft berekend. Die berekening moet kenbaar en controleerbaar zijn voor de wederpartij. Dit betekent dat de bank inzichtelijk moet maken waarop de parameters die in de berekening zijn gebruikt zijn gebaseerd: het rentepercentage van 2,90% (welke soort rente is gebruikt en waarom juist deze rente en dit rentepercentage) en de “contante waarde van 1 basispunt verschil voor deze transactie” (het bedrag van EUR 799). Nu de bank nader bewijs heeft aangeboden van de door haar ter comparitie gepresenteerde berekening, zal zij in de gelegenheid worden gesteld die berekening nader te onderbouwen op de hiervoor bedoelde wijze.

4.16.

De zaak zal hiertoe worden verwezen naar de rol voor een akte aan de zijde van Deutsche Bank, waarna PP in de gelegenheid zal worden gesteld op deze akte te reageren. In afwachting van de bewijslevering/onderbouwing door Deutsche Bank zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verwijst de zaak naar de rol van 10 februari 2016 voor een akte aan de zijde van Deutsche Bank waarbij zij nader bewijs/onderbouwing van de negatieve waarde in het geding kan brengen als bedoeld in r.ov. 4.15,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, bijgestaan door mr. S.E. Vlaanderen-Schüttenhelm, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2016.

*