Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:1142

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-03-2016
Datum publicatie
29-04-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 3920
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verblijf in de VS voor studie gedurende twee jaar. Eiser is onbetwist in Nederland woonachtig. Eiser blijft dan verzekerd op grond van de Wet langdurige zorg. Er is op grond van de Zorgverzekeringswet terecht een boete opgelegd omdat eiser, ondanks twee aanmaningen, geen Nederlandse zorgverzekering had afgesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 15/3920 en AMS 15/6015

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2016 in de zaken tussen

[naam] , te Amsterdam, eiser,

en

de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (SVB),

(gemachtigde: mr. A.F.L.B. Metz),

en

Zorginstituut Nederland (ZIN),

(gemachtigde: mr. M. Mulder).

Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2015 (het primaire besluit 1) heeft de SVB vastgesteld dat eiser vanaf 11 augustus 2014 verzekerd is voor de Wet langdurige zorg (Wlz). Bij besluit van 4 juni 2015 (het bestreden besluit 1) is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Bij besluit van 16 april 2015 (het primaire besluit 2) heeft het ZIN aan eiser een boete van € 351,99 opgelegd, omdat eiser geen zorgverzekering heeft afgesloten. Bij besluit van 26 mei 2015 (het bestreden besluit 2) is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten tijdig beroep ingesteld.

Verweerders hebben verweerschriften ingediend.

De rechtbank heeft beide zaken gevoegd behandeld ter zitting van 25 februari 2016.

Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerders zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.1.

Eiser is geboren op [geboortedatum] 1978. Op 11 augustus 2014 is hij voor de duur van twee jaar vertrokken naar Amerika om te studeren. In verband met zijn vertrek naar het buitenland heeft hij zijn Nederlandse zorgverzekering bij Univé per 11 augustus 2014 beëindigd. In Amerika heeft eiser per 23 augustus 2014 een ziektekostenverzekering afgesloten bij Aetna Student Health. Eiser heeft zich (echter) niet doen uitschrijven uit de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA). Sinds 11 oktober 2008 verricht eiser als zelfstandige juridisch tolk-/vertaalwerk. De onderneming van eiser is gevestigd aan [adres] te Amsterdam, tevens het correspondentieadres van eiser.

1.2.

Bij brief van 30 december 2014 heeft het ZIN aan eiser meegedeeld dat op zijn naam geen Nederlandse zorgverzekering is geregistreerd en dat hij binnen drie maanden alsnog een Nederlandse zorgverzekering moet afsluiten. Daarbij is erop gewezen dat als eiser dit niet doet een boete van ongeveer € 350,00 wordt opgelegd.

1.3.

Bij het primaire besluit 1 heeft de SVB eiser meegedeeld dat hij ook vanaf 11 augustus 2014 verzekerd is op grond van de Wlz en daarom verplicht is om in Nederland een zorgverzekering af te sluiten. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat eiser ingezetene van Nederland blijft omdat hij uitsluitend wegens studie buiten Nederland verblijft.

1.4.

Bij brief van 4 februari 2015 heeft het ZIN eiser nogmaals gemaand om een Nederlandse zorgverzekering af te sluiten. Toen daarop ook geen reactie kwam, heeft het ZIN op 16 april 2015 aan eiser een boete opgelegd van € 351,99, omdat hij op 30 maart 2015, zijnde drie maanden na de brief van 30 december 2014, nog geen Nederlandse zorgverzekering had afgesloten. Ook dit besluit is na bezwaar gehandhaafd.

2.1.

Eiser stelt kort samengevat dat in zijn situatie slechts een verzekein de VS aangewezen is te achten, nu hij daar verblijft. Hij is verzekerd tegen ziektekosten. De boete is daarom ten onrechte opgelegd. Zijn ziektekostenverzekering in de VS zou onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) erkend moeten worden als ziektekostenverzekering. Nu dwingt het ZIN hem tot een dubbele verzekering en een dubbele premiebetaling.

2.2.

Zowel de SVB als het ZIN hebben zich ook op zitting op het standpunt gesteld hun besluiten juist zijn en in overeenstemming met de wet en het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, Trb.1987, 202 (het Verdrag). Zij hebben daarbij ook benadrukt dat eiser zelf niet betwist dat hij in Nederland woont en werkt, ook al verblijft hij in de VS. De SVB heeft er daarbij nog op gewezen dat het al dan niet woonachtig zijn in Nederland niet alleen consequenties heeft voor de zorgverzekering, maar ook voor aanspraken op grond van andere volksverzekeringen, zoals bijvoorbeeld de Algemene ouderdomswet (AOW) of de Algemene nabestaandenwet (ANW), of voor aanspraken op basis van de Wlz zelf. Indien –in tegenstelling tot de mededelingen van eiser en eisers GBA-inschrijving- zou moeten worden aangenomen dat eiser niet woont in Nederland, maar in de VS, zou niet alleen geen sprake zijn van een verplichte ziektekostenverzekering in Nederland, maar ook van het vervallen van al die rechten.

2.3.

Het ZIN heeft daar nog aan toegevoegd dat ziektekosten van eiser die zou maken in de VS, gedekt zijn door de basisverzekering, waarbij bovendien nog een aanvullende verzekering had kunnen worden gesloten. Anders dan eiser stelt, was er dan ook geen noodzaak voor eiser om in de VS een zorgverzekering af te sluiten.

3.1.

De rechtbank overweegt als volgt

3.2.

Op grond van artikel 7 van het Verdrag zijn op een zelfstandige die op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat woont uitsluitend de wetten van die Staat van toepassing.

Op grond van artikel 8 van het Verdrag zijn - voor zover thans van belang - op degene die in Nederland woont en in Nederland als werknemer of zelfstandige werkt, met betrekking tot alle werkzaamheden die hij als werknemer of zelfstandige uitoefent op het grondgebied van beide Verdragsluitende Staten, uitsluitend de Nederlandse wetten van toepassing.

De term wonen in het Verdrag is niet omschreven. Artikel 1, aanhef en sub 9 van het Verdrag bepaalt dan dat elke term die niet in het Verdrag is omschreven, de betekenis heeft die daaraan wordt gegeven in de wetten die worden toegepast.

3.3.

Op grond van artikel 2.1.1, eerste lid, onder a, van de Wlz is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet degene die ingezetene is.

Op grond van artikel 1.2.1 van de Wlz is ingezetene in de zin van deze wet degene die in Nederland woont.

Op grond van artikel 1.2.2, eerste lid, van de Wlz wordt naar de omstandigheden beoordeeld waar iemand woont en waar een lichaam gevestigd is.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Zvw is degene die ingevolge de Wlz en de daarop gebaseerde regelgeving van rechtswege verzekerd is, verplicht zich krachtens een zorgverzekering te verzekeren of te laten verzekeren tegen het in artikel 10 bedoelde risico.

3.4.

De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat hij in Nederland woont. De inschrijving in het GBA duidt er ook op dat eiser de intentie heeft om in Nederland woonachtig te blijven. De rechtbank zal er daarom van uitgaan dat eiser in Nederland woont.

Gelet op de koppeling met de nationale Nederlandse wet die in het Verdrag is gelegd voor wat betreft onder meer de term wonen, heeft die conclusie zowel gelding voor de toepassing van het Verdrag, als voor de Nederlandse wet.

Dat betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat eiser in Nederland woonachtig is gebleven en dat de Nederlandse wet op eiser van toepassing is, ook al verblijft hij in de VS.

3.5.

Daarmee is eiser wettelijk gezien verzekerd op grond van de Wlz.

En eisers verzekering is daartoe niet beperkt. Ook andere volksverzekeringen zoals bijvoorbeeld de AOW eisen het woonachtig zijn in Nederland als voorwaarde voor verzekering. De verzekering in Nederland heeft daarmee niet alleen betrekking op de langdurige zorg en de zorgverzekering, maar ook op de opbouw van de AOW.

De door de SVB aangenomen verzekering van eiser creëert dus niet alleen verplichtingen voor eiser, maar ook aanspraken.

3.6.

Eiser betwist dat hij verzekerd is voor de Wlz, omdat hij ook in Amerika een zorgverzekering heeft afgesloten.

3.7.

De rechtbank stelt op dit punt allereerst vast dat de zorgverzekering een wettelijk verplichte verzekering is voor iedereen die in Nederland woont. Aan die verplichting kan niet worden ontkomen door een andere verzekering met een buitenlandse verzekeraar te sluiten.

Het basispakket van de Nederlandse zorgverzekering biedt bovendien ook dekking in de VS. Eiser kan desgewenst bovenop de verplichte basisverzekering zelfs een aanvullende verzekering afsluiten om specifieke extra kosten te dekken. Anders dan eiser stelt, was er dan ook geen noodzaak of verplichting voor eiser om een Amerikaanse zorgverzekering af te sluiten.

De gestelde situatie van dubbele verzekering is dan ook geen gevolg van het handelen van het ZIN of de SVB, maar van keuzes van eiser, die ook anders gemaakt hadden kunnen worden. Eiser kan dat niet afwentelen op verweerders.

3.8.

Voorzover eiser heeft bedoeld te stellen dat zijn verzekering in de VS financieel aantrekkelijker is dan een Nederlandse zorgverzekering, wijst de rechtbank er allereerst op dat een dergelijk argument geen afbreuk kan doen aan de juridische verplichting om een zorgverzekering te sluiten.

Mede naar aanleiding van het verhandelde ter zitting voegt de rechtbank daar nog het volgende aan toe.

Uitgaande van de door eiser verstrekte gegevens zal de hoogte van de premie van de zorgverzekering hoger zijn dan de premie van de Amerikaanse verzekering.

In een complete vergelijking tussen de beide verzekeringen wordt echter niet alleen gekeken naar de premie, maar ook naar de omvang van het pakket en naar bijkomende voorwaarden (zoals bijvoorbeeld een eigen risico of aanspraakbeperkingen).

Zoals ter zitting is besproken zou eiser bovendien in aanmerking kunnen komen voor een zorgtoeslag om de kosten van zijn Nederlandse zorgverzekering te bestrijden (indien voldaan is aan de inkomensvoorwaarden). Dat sprake was van een financiële noodzaak voor eiser om een Amerikaanse verzekering te nemen, is dan ook niet aannemelijk.

3.9.

Er was dan ook geen noodzaak tot erkenning van de Amerikaanse polis van eiser, zoals door eiser is bepleit.

Los daarvan zou een dergelijke erkenning wettelijk gezien alleen mogelijk zijn indien eisers Amerikaanse verzekeraar zou gaan opereren op de Nederlandse markt en alle ingezetenen van Nederland zonder restrictie of risicoselectie zou accepteren. Die verzekeraar heeft daar niet om verzocht, laat staan dat is gebleken dat hij in staat en bereid zou zijn om te voldoen aan die voorwaarden.

3.10.

Voor zover eiser bedoelt te stellen dat de regeling van de Nederlandse zorgverzekering hem niet bekend was, maakt dat niet dat hem geen boete opgelegd kon worden.

Daartoe stelt de rechtbank voorop dat eiser zich voorafgaand aan zijn vertrek naar de VS had kunnen informeren bij het ZIN of de SVB. Met name de website van het ZIN bevat de nodige informatie over studeren in het buitenland, en adviseert daarbij met name als het om een verblijf van meer dan een jaar gaat, vooraf contact op te nemen met het ZIN of de SVB.

Bij brief van 30 december 2014 is eiser er bovendien op gewezen dat hij binnen drie maanden een Nederlandse zorgverzekering moest afsluiten. Bij brief van 4 februari 2015 is eiser hiertoe nogmaals gemaand.

Eiser heeft echter zonder geldig excuus geen Nederlandse zorgverzekering afgesloten. Eerst met ingang van 12 juni 2015 heeft eiser een Nederlandse zorgverzekering afgesloten bij Zilveren Kruis Achmea.

De rechtbank is ten slotte van oordeel dat het ZIN bij de oplegging van de boete ook overigens zorgvuldig heeft gehandeld.

3. Het beroep van eiser in beide zaken is ongegrond.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep in de zaken met nummers AMS 15/3920 en AMS 15/6015 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.P. Mulder, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2016.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.