Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:1120

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-03-2016
Datum publicatie
16-03-2016
Zaaknummer
AMS 15/5907
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toevoeging, navorderingsaanslag Belastingdienst en vergrijpboete, oorsprong rechtsbelang is privébelang

Eiseres heeft een toevoeging aangevraagd voor rechtsbijstand ter zake van een bezwaarprocedure tegen een besluit van de Belastingdienst, strekkende tot een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en tot oplegging van een vergrijpboete. Verweerder heeft daarom de toevoeging geweigerd. De rechtbank oordeelt anders. Weliswaar heeft eiseres de onttrekkingen kunnen doen in haar hoedanigheid van bezoldigd penningmeester/bestuurder van de stichting, maar de Belastingdienst spreekt haar in person aan op het doen van een onjuiste belastingaangifte inkomstenbelasting en legt haar in person tevens een vergrijpboete op. Het betreft aldus een privé-belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/5907

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 maart 2016 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. K.H. Zonneveld),

en

Raad voor Rechtsbijstand Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. C.W. Wijnstra).

Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 25 februari 2015 om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 6 augustus 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2016.

Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.1

Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) wordt rechtsbijstand niet verleend indien het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft.

1.2

De rechtbank overweegt dat voor de beantwoording van de vraag of een rechtsbelang de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft, de oorsprong van het rechtsbelang bepalend is. Indien het rechtsbelang voortvloeit uit de uitoefening van een voormalig beroep of bedrijf is daarom evenzeer sprake van een rechtsbelang als bedoeld in dit artikel. Het criterium is zowel van toepassing ten aanzien van natuurlijke personen die een zelfstandig beroep of bedrijf uitoefenen als ten aanzien van bedrijven of organisaties met rechtspersoonlijkheid.

2. Eiseres was tot 28 juni 2011 bezoldigd penningmeester/bestuurder van de (inmiddels ontbonden) [naam stichting] (stichting) . Eiseres heeft een toevoeging aangevraagd voor rechtsbijstand ter zake van een bezwaarprocedure tegen een besluit van de Belastingdienst, strekkende tot een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en tot oplegging van een vergrijpboete op grond van artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

3.1

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de oorsprong van het geschil waarvoor de toevoeging is aangevraagd het bedrijfsmatig handelen van eiseres is, omdat zij als bestuurder van de stichting de werkzaamheden heeft verricht en de door de Belastingdienst gestelde onttrekkingen uit de stichting heeft gedaan. Verweerder vereenzelvigt eiseres met de stichting.

3.2

Eiseres kan zich niet met verweerders standpunt verenigen. Zij voert daartoe, kort samengevat, aan dat het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft, ziet op de vraag welke bestanddelen tot haar belastbaar loon kunnen worden gerekend en niet is ontstaan in het kader van de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf.

4. De rechtbank is met eiseres van oordeel dat de oorsprong van het geschil waarvoor de toevoeging is gevraagd geen bedrijfsmatig karakter heeft. Dit volgt uit het besluit van de Belastingdienst strekkende tot een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en tot oplegging van een vergrijpboete. De Belastingdienst verwijt eiseres dat zij niet de vereiste aangifte inkomstenbelasting met betrekking tot het jaar 2009 heeft gedaan. Hiertoe acht de Belastingdienst redengevend dat eiseres in dat jaar € 90.162,- aan de stichting heeft onttrokken voor privé-doeleinden waarvan € 43.738,- in de jaarstukken is verwerkt in rekening-courant. Als gevolg hiervan corrigeert de Belastingdienst de aangifte inkomstenbelasting van eiseres door middel van een navorderingsaanslag en legt de Belastingdienst eiseres een vergrijpboete op (gesteld op 25% van het bedrag van de navorderingsaanslag omdat het vergrijp aan grove schuld van eiseres is te wijten). Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de strekking van het besluit van de Belastingdienst dat de oorsprong van het rechtsbelang het privébelang van eiseres betreft. Dat eiseres als bezoldigd penningmeester/bestuurder van de stichting toegang had tot het geld dat zij volgens de Belastingdienst aan de stichting heeft onttrokken, doet daar niet aan af. De beroepsgrond slaagt.

5. Het bestreden besluit berust niet op een deugdelijke motivering en is in strijd genomen met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat nog meerdere beslissingen mogelijk zijn en in deze procedure alleen de afwijzingsgrond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb tussen partijen onderwerp van discussie is geweest. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.M. van Duren, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2016.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.