Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:1066

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-02-2016
Datum publicatie
11-03-2016
Zaaknummer
13/669085-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Witwassen bankbiljetten door deze te bewaren in een woning die niet bewoond werd, door derden onder valse naam was gehuurd en enkel en alleen diende als opslag- en werkruimte.

De in een woning in een niet afgesloten ladekast aangetroffen hoeveelheid bankbiljetten, bij elkaar € 156.700,-, levert witwassen op onder 420bis lid 1 sub a Sr nu de woning niet werd bewoond, door een derde onder valse naam was gehuurd en enkel en alleen werd gebruikt als opslag- en werk¬ruimte voor verdovende middelen. Verdachten hebben aldus getracht te voorkomen dat de woning en daarmee de in de woning aanwezige goederen en verrichte handelingen, tot hen zouden kunnen worden herleid. Aldus hebben zij de werkelijke, criminele herkomst van de bankbiljetten verhuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2016/97
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht

parketnummer: 13/669085-15

verkort vonnis van de meervoudige strafkamer van 1 februari 2016 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Albanië) op [geboortedatum] 1991,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het [detentieadres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 januari 2016.

De zaak tegen verdachte is gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (13/669086-15) en [medeverdachte 2] (13/669087-15). De medeverdachten worden hierna respectievelijk aangeduid als [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M. Modder, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E.G.S. Roethof, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 18 mei 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:

- ( in het pand [adres 1] )

(ongeveer) 517 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1 en/of

- ( in het pand [adres 2] )

(ongeveer) 5,54 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1;

2.

Primair:

hij in of omstreeks de periode van 17 november 2014 tot en met 18 mei 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van een voorwerp, te weten een geldbedrag (van ongeveer 156.700,- euro) (aangetroffen in het pand [adres 1] ), de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of heeft/hebben verhuld en/of

heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op (een) voorwerp, te weten een geldbedrag (van ongeveer 156.700,-) was, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat dat voorwerp geheel of

gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 18 mei 2015, te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een voorwerp, te weten een geldbedrag (van ongeveer 156.700,- euro) (aangetroffen in het pand [adres 1] ), heeft/hebben verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van een voorwerp, te weten een geldbedrag (van ongeveer 156.700,- euro) gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moet(en) vermoeden, dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf;

3.

hij in of omstreeks de periode van 17 november 2014 tot en met 18 mei 2015 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde en/of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, in elk geval:

- ( in het pand [adres 3] )

een (grote) hoeveelheid verpakkingsmaterialen en/of versnijdingsmaterialen en/of één of meerdere geldtelmachine('s) en/of één of meerdere weegscha(a)l(en) en/of

- ( in het pand [adres 1] )

een (grote) hoeveelheid verpakkingsmaterialen en/of versnijdingsmaterialen en/of één of meerdere tas(sen) (type Albert Heijn Bigshopper) en/of

- ( in het pand [adres 2] )

een (grote) hoeveelheid verpakkingsmaterialen en/of versnijdingsmaterialen en/of één of meerdere geldtelmachine('s) en/of één of meerdere sealmachine('s) en/of één of meerdere weegscha(a)l(en) en/of één of meerdere tas(sen) (type Albert Heijn Bigshopper) en/of één of meerdere administratieve document(en) (met betrekking tot handel en/of bewerking van cocaïne), voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

4.

hij in of omstreeks de periode van 17 november 2014 tot en met 18 mei 2015 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, heeft deelgenomen aan een organisatie – gevormd door (onder meer) [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of [medepleger 1] en/of [medepleger 2] en/of [medepleger 3] en/of [medepleger 4] en/of een of meer (nog) onbekende perso(o)n(en), welke tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde en vijfde lid en/of 10A eerste lid van de Opiumwet, namelijk het opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 aanhef en onder A en/of B en/of C van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of het opzettelijk bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van cocaïne, in elk geval van (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

welke deelneming (onder meer) bestond uit:

- het voorhanden hebben van een of meer panden van waaruit en/of waarin voornoemde misdrijven gepleegd konden worden en/of

- het (mede)ontwikkelen en/of bespreken van plannen om bedoelde misdrijven te plegen en/of

- het leggen en/of onderhouden van (onder meer telefonische) contacten met leverancier(s) en/of afnemer(s) van die cocaïne, in elk geval die middel(en) en/of

- het (mede) organiseren van de (verschillende) leverantie(s) en/of verstrekkingen van die cocaïne, in elk geval die middel(en) en/of

- het bijeenbrengen van de benodigde (financiële) middelen teneinde die misdrijven te plegen, welke middelen (geheel of ten dele) bestond(en) uit de opbrengst van eerdere soortgelijke gepleegde misdrijven en/of

- het regelen van betalingen ten aanzien van de kosten welke ten behoeve van de organisatie en/of de te plegen of de gepleegde misdrijven was/waren gemaakt en/of

- het geven van opdrachten en/of inlichtingen en/of aanwijzingen ten behoeve van de uitvoering van die misdrijven en/of ten behoeve van betalingen en/of het bijeenbrengen van de benodigde middelen, verband houdende met die misdrijven en/of

- het (laten) brengen en/of ophalen en/of wegbrengen, in elk geval vervoeren van die cocaïne, in elk geval die middel(en), naar afnemer(s) -waaronder zijn mededader(s)- en/of

- het in ontvangst nemen en/of bewaren en/of afdragen van geldbedrag(en) afkomstig van betaling(en) van die leverantie(s) en/of verstrekking(en) en/of

- het bewaren, in elk geval aanwezig hebben van (verschillende) hoeveelheden cocaïne, in elk geval middel(en) en/of

- ( mede)plegen van, in elk geval meedoen aan die misdrijven en/of

- het aankopen en/of bewaren en/of gebruiken van een of meer versnijdingsmiddel(en) en/of versnijdingsmateria(a)l(en) voor het bewerken en/of verwerken van die cocaïne, in elk geval die middel(en) en/of

- het verrichten van hand- en spandiensten met betrekking tot voornoemde misdrijven en/of

- het witwassen (als bedoeld in artikel 420 bis Wetboek van Strafrecht) van de financiële opbrengsten van dat/die misdrij(f)(ven);

5.

hij op of omstreeks 18 mei 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te weten een pistool (Merk, Model, Kaliber: Walther, P99, 9mm x 17), en/of munitie van categorie III, te weten 13 patronen (Kaliber: 9mm x 17), in elk geval één of meerdere patro(o)n(en), voorhanden heeft gehad.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – overeenkomstig het op schrift gestelde requisitoir – gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2 primair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde.

4.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van al het ten laste gelegde bepleit.

4.3

Oordeel van de rechtbank

4.3.1

Ten aanzien van de bijzondere opsporingsbevoegdheden en de bewijsvoering

De raadsman heeft aangevoerd dat de stelselmatige observatie vanaf 10 maart 2015 van medeverdachte [medepleger 4] en het opnemen van telecommunicatie van [medepleger 4] vanaf
31 maart 2015 onvoldoende toetsbaar is nu het proces-verbaal van verdenking van verdachte [medepleger 4] van 5 maart 2015 ontbreekt in het dossier, waardoor de daaruit voortvloeiende bevindingen terzake verdachte [verdachte] op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Het proces-verbaal van verdenking ‘derde aanvulling’ betreffende verdachte [medepleger 4] van 23 april 2015 (in het zogenaamde BOB-dossier genummerd als pagina B44 tot en met B49), verschaft naar het oordeel van de rechtbank in combinatie met het proces-verbaal van verdenking betreffende [medepleger 4] van 23 maart 2015 (pagina B5 06 tot en met B5 10 van het BOB-dossier) voldoende duidelijkheid met betrekking tot de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden, welke als rechtmatig kan worden beoordeeld, in maart 2015. Daarbij merkt de rechtbank op dat het laatstgenoemde proces-verbaal de ‘eerste aanvulling’ betreft als gevolg waarvan het aannemelijk is dat de tekst daarvoor de verdenking op 5 maart 2015 beschrijft. De BOB-bevoegdheden zijn overigens ingezet jegens een andere verdachte, zodat het maar de vraag is of [verdachte] , ingeval van enige onregelmatigheid, waarvan niet is gebleken, daar een beroep op zou kunnen doen nu het dan buiten het voorbereidend onderzoek jegens verdachte zou hebben plaatsgevonden.

Evenmin is, zoals aangevoerd door de raadsman, sprake van een vormverzuim ten aanzien van het door een burger overdragen aan de politie van camerabeelden van appartementencomplex [naam 1] , op welke beelden ook verdachte is te zien. Gegeven is dat de huismeester van dit appartementencomplex deze beelden op eigen initiatief aan de politie heeft overgedragen. Een vordering daartoe op grond van artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering was onder die omstandigheden dan ook niet vereist, althans is het achterwege daarvan geen verzuim waaraan enig gevolg dient te worden gegeven.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de bevindingen die zijn verkregen met de inzet van bovengenoemde bijzondere opsporingsbevoegdheden kunnen worden meegenomen bij de bewijsvoering.

4.3.2

Ten aanzien van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde

Naar vaste rechtspraak is van een criminele organisatie onder meer sprake als die organisatie het plegen van misdrijven voor ogen heeft, de deelnemers aan de organisatie van dat oogmerk op de hoogte zijn en hier een aandeel in hebben, ofwel gedragingen ondersteunen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie. Een criminele organisatie kenmerkt zich voorts door een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband. Een organisatie behoeft daarbij niet uit steeds dezelfde personen te bestaan, maar kan tot op zekere hoogte in samenstelling wisselen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] tezamen en in vereniging sedert 17 november 2014 hebben deelgenomen aan een criminele organisatie die tot doel had het verhandelen van verdovende middelen. Daarnaast en daarbij zijn kort gezegd in maart, april en mei 2015 voorbereidingshandelingen terzake handel in verdovende middelen bewezen, alsmede op 18 mei 2015 het voorhanden hebben van cocaïne, een vuurwapen met munitie en het witwassen van cash geld.

De rechtbank vindt steun voor haar oordeel met name in de vele tapgesprekken, de aangetroffen voorwerpen en de observaties. De rechtbank gaat op grond daarvan van de volgende feiten en omstandigheden uit.

De woning aan de [adres 5] , waar verdachten naar eigen zeggen verbleven en zijn aangehouden, wordt door [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , die elkaar kennen van Albanië, vanaf 15 oktober 2014 gehuurd onder valse naam. Vanaf 30 oktober 2014 zijn [verdachte] , [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] een aantal keren zichtbaar op camerabeelden bij het adres [adres 4] te Amsterdam waarbij zij, en onder meer ene [medepleger 4] , in wisselende samenstelling, in de taxi van deze [medepleger 4] met kenteken [kenteken] zitten en/of heen en weer lopen. Er worden rolkoffers en/of tassen uit of in voertuigen gehaald/gedaan, onder meer bij genoemde taxi. Ook komt [medeverdachte 2] in beeld met een stapel bankbiljetten in zijn handen. Hij geeft geld aan een andere man. Daarna wordt vanuit de richting van de voornoemde taxi een tas – type Albert Heijn Bigshopper – in een andere auto gezet.

Sleutels van een pand van [naam 1] zijn later gevonden in de taxi van [medepleger 4] alsmede op genoemd verblijfadres van verdachten.

In de maanden maart, april en mei 2015 worden soortgelijke handelingen op frequente basis waargenomen waarbij voornoemde verdachten, in wisselende samenstellingen, regelmatig worden gezien bij de woningen en garage van [adres 1] , [adres 3] en [adres 2] , alle te Amsterdam. Wisselend arriveren of vertrekken [verdachte] , [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] ) met voornoemde en andere taxi’s van, naar later blijkt, [medepleger 4] en [medepleger 3] . Laatstgenoemden keren ook herhaaldelijk in de observaties terug en in hun voertuigen zijn later verborgen ruimtes aangetroffen. [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gaan de woningen met sleutels en/of onder gebruikmaking van een code binnen. In wisselende samenstelling betreden of verlaten zij de woningen met rolkoffers en/of tassen van het type Albert Heijn Bigshopper. Ook wordt een keer in de parkeergarage gezien dat meerdere pakketten uit een kofferbak in een rolkoffer en in een AH-tas worden overgebracht.

Uit telefoontaps in combinatie met observaties blijkt dat [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] veelvuldig telefonisch contact met elkaar hebben. Er wordt gebruik gemaakt van de berichtenapplicatie Ping. Via Ping vinden gesprekken in het Albanees plaats tussen de gebruikers ‘ [naam 2] ’, ‘ [naam 3] ’ en ‘ [naam 4] ’. De rechtbank stelt vast op grond van het gerelateerde in de processen-verbaal in het dossier (pagina’s Z0 290, 452, 645 en 661) dat [naam 2] is te herleiden tot [medeverdachte 2] , [naam 3] tot [medeverdachte 1] , [naam 5] tot [medepleger 4] en [naam 4] tot [verdachte] .

De mobiele telefoons van [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] zijn aangetroffen in de woning waar [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [verdachte] verbleven, de [adres 5] . De gesprekken vinden plaats in het Albanees tussen de gebruikers ‘ [naam 2] ’, ‘ [naam 3] ’ en ‘ [naam 4] ’. Gesprekken met overige betrokkenen zoals ‘ [naam 5] ’ worden gevoerd in het Engels. [naam 4] heeft bij een gesprek een zendmast gebruikt, terwijl [verdachte] en [medeverdachte 2] , waarvan vaststaat dat het [naam 2] betreft, rond dezelfde tijd in de buurt van die zendmast zijn waargenomen.

In de tapgesprekken tussen [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] wordt versluierd taalgebruik gebezigd, kennelijk om de criminele activiteiten te verhullen. Er wordt gesproken over geldbedragen (en termen als ‘markt’ en ‘verkoop’), hoeveelheden, kwaliteit van spul dat is gekomen, het sturen van een chauffeur en ‘ [adres 1] ’. Uit gekoppelde informatie van tapgesprekken en observaties is af te leiden dat met ‘ [adres 1] ’ de woning [adres 1] wordt bedoeld.

Verder komen in de tapgesprekken de termen ‘SS’, ‘EU’, ‘Lek’ en ‘papieren’ veel voor. Een grote interpretatieslag is niet nodig om deze gesprekken te verstaan als betrekking hebbende op (de handel in) verdovende middelen. Te meer nu in de telefoons van verdachten foto’s van, zo valt aan te nemen, verdovende middelen zijn aangetroffen, alsmede in de woningen [adres 1] en [adres 2] , naast cocaïne, ook verpakkingsmateriaal met daarop de aanduiding ‘S’ of, “Scorpion”, “Scor”.

Op 18 mei 2015 vinden doorzoekingen plaats van de woningen [adres 1] , [adres 3] , [adres 2] . In de woningen worden, naast de reeds genoemde verpakkingsmaterialen de ten laste gelegde goederen aangetroffen, zoals hoeveelheden cocaïne, geldtelmachines, weegschalen, een vuurwapen, rolkoffers en Albert Heijn Bigshoppertassen.

Bij de doorzoeking blijkt tevens dat de woningen [adres 1] , [adres 3] en [adres 2] niet worden bewoond. Gelet op genoemde activiteiten en de in de woningen aangetroffen goederen gaat de rechtbank ervan uit dat deze woningen enkel en alleen werden gebruikt als opslag- en werkruimte voor verdovende middelen.

Al het voorgaande bij elkaar genomen brengt de rechtbank tot de conclusie dat [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich in georganiseerd verband bezig hielden met voorbereidingshandelingen, vervoeren en voorhanden hebben van verdovende middelen en wetenschap hebben gehad van de in de woning aanwezige verboden goederen, ook voor zover deze niet direct in het zicht lagen, maar (los) in een (onafgesloten) ladekast in de woonkamer, en over deze goederen konden beschikken.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] nauw samenwerkten en alledrie op de verschillende panden kwamen, waartoe zij gelijkelijk toegang hadden. Zij vervoerden de verdovende middelen en hadden onderling contact. Daarnaast had [verdachte] , naar de rechtbank heeft kunnen vaststellen, tevens een meer organiserende rol en onderhield hij telefonische contacten met leveranciers van de verdovende middelen.

De rechtbank oordeelt voorts dat, tegen de achtergrond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden, eveneens witwassen van € 156.700,- is bewezen en motiveert dit nader als volgt. De bankbiljetten lagen los in een la in de woonkamer van de [adres 1] , naast een vuurwapen en een zak met verdovende middelen. Gelet op het al eerder genoemde specifieke gebruiksdoel van de woning aan de [adres 1] en het feit dat deze woning op valse gegevens door een derde is gehuurd hebben [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , getracht te voorkomen dat de woning en daarmee de in de woning aanwezige goederen en verrichte handelingen, tot hen zouden kunnen worden herleid. Aldus hebben zij de werkelijke, criminele herkomst van de bankbiljetten verhuld.

De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat het onder 1, 2 primair 3, 4 en 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

4.4

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

1.

op 18 mei 2015 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:

- in het pand [adres 1] :

517 gram bevattende cocaïne, en

- in het pand [adres 2] :

5,54 gram bevattende cocaïne;

2.

Primair:

op 18 mei 2015 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, van ongeveer € 156.700,- – aangetroffen in het pand [adres 1] – de werkelijke herkomst heeft verhuld, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten, dat dit geldbedrag geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf;

3.

in de periode van 1 maart tot en met 18 mei 2015 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren van een hoeveelheid cocaïne, voor te bereiden:

- in het pand [adres 3] :

een geldtelmachine en een weegschaal,

- in het pand [adres 1] :

verpakkingsmaterialen en een tas, type Albert Heijn Bigshopper, en

- in het pand [adres 2] :

verpakkingsmaterialen, een geldtelmachine, een sealmachine, een weegschaal, een tas – type Albert Heijn Bigshopper – en administratieve documenten met betrekking tot handel of bewerking van cocaïne,

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededaders wisten dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten;

4.

in de periode van 17 november 2014 tot en met 18 mei 2015 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen heeft deelgenomen aan een organisatie – gevormd door onder meer [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , welke tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde en vijfde lid en 10a eerste lid van de Opiumwet, namelijk het opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 aanhef en onder B en C van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en aanwezig hebben van cocaïne,

welke deelneming onder meer bestond uit:

- het voorhanden hebben van een of meer panden van waaruit en waarin voornoemde misdrijven gepleegd konden worden,

- het bespreken van plannen om bedoelde misdrijven te plegen,

- het onderhouden van telefonische contacten met leveranciers van die cocaïne,

- het vervoeren van die cocaïne,

- het bewaren van geldbedragen afkomstig van betalingen van die leveranties,

- het bewaren van verschillende hoeveelheden cocaïne, en

- het witwassen als bedoeld in artikel 420bis Wetboek van Strafrecht van de financiële opbrengsten van die misdrijven;

5.

op 18 mei 2015 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen een wapen van categorie III, te weten een pistool (Merk, Model, Kaliber: Walther, P99, 9mm x 17), en munitie van categorie III, te weten 13 patronen (Kaliber: 9mm x 17), voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

4.5

Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen en maatregelen

7.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1, 2 primair, 3, 4 en 5 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 (vijf) jaren.

7.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht af te wijken van de eis van de officier van justitie, gezien de bepleite vrijspraak.

Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de op te leggen gevangenisstraf dient tot worden gematigd tot de duur die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De raadsman heeft daarbij onder meer gewezen op de richtlijnen van het Openbaar Ministerie ten aanzien van soortgelijke feiten en op jurisprudentie van de Hoge Raad en de rechtbank Amsterdam in drugszaken.

7.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft gedurende een aantal maanden deel uitgemaakt van een organisatie die zich bezig hield met de bewerking en (ver)koop van cocaïne. Daarbij zijn in verschillende woningen die bij onder meer verdachte in gebruik waren, verpakkingsmaterialen, weegschalen, een groot geldbedrag, cocaïne en een vuurwapen aangetroffen.

Deze woningen werden door de organisatie klaarblijkelijk enkel voor de opslag en verwerking van verdovende middelen gebruikt. Verdachte heeft verdovende middelen vervoerd en geld witgewassen. Ook onderhield hij telefonisch contact met leveranciers.

De handel in en het gebruik van harddrugs leiden tot allerlei vormen van criminaliteit en dragen bij aan onveiligheidsgevoelens in de samenleving. De georganiseerde handel in verdovende middelen dient met kracht te worden bestreden. Een samenwerkingsverband werkt criminaliteit bevorderend en ondermijnt, gelet op haar criminele oogmerk en de daarmee samenhangende handelingen, de rechtsorde.

Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit, zoals in dit geval de handel in verdovende middelen, gefaciliteerd.

De rechtbank houdt ten nadele van verdachte rekening met het feit dat verdachte naast een uitvoerende ook een meer een organiserende rol had bij de bewezen verklaarde criminele activiteiten, door het onderhouden van telefonische contacten met leveranciers van verdovende middelen.

De rechtbank acht hierbij tevens van belang dat blijkens een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 15 december 2015, hij eerder is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden vanwege een Opiumwetdelict. En voorts, dat verdachte in de politiesystemen voorkomt in een mutatie uit 2011 alsmede ter fine van uitlevering aan Italië staat gesignaleerd ter zake grootschalige handel in verdovende middelen. Uit deze gegevens kan worden afgeleid dat verdachte zich eerder met verdovende middelen heeft ingelaten.

Ten aanzien van verdachte is de rechtbank niet gebleken van strafmatigende omstandigheden. Desalniettemin ziet de rechtbank aanleiding bij de straftoemeting fors af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd, gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Daarbij is meegewogen dat beperkt zicht is verkregen op de (achterliggende) organisatie en bijvoorbeeld niet is kunnen worden vastgesteld welke hoeveelheden verdovende middelen door verdachte zijn vervoerd.

Al het voorgaande overwegende komt de rechtbank tot de conclusie dat voor afdoening van deze zaak geen andere straf in aanmerking komt dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur.

8 Ten aanzien van het beslag

8.1

Beslaglijst

Onder verdachte zijn verschillende voorwerpen in beslag genomen. Deze voorwerpen zijn vermeld op de beslaglijst die bij het op schrift gestelde requisitoir is gevoegd.

8.2

Onttrekking aan het verkeer

De hierna te noemen in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van deze voorwerpen het bewezen geachte is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

1.

Pistool Walther P99

(itemnummer: 4980028),

2.

Patroonhouder

(4980030),

3.

Munitie

(4980102).

8.3

Verbeurdverklaring

De hierna te noemen in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, die aan verdachte toebehoren, dienen verbeurd te worden verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien die voorwerpen geheel of grotendeels uit de baten van, of door middel van het bewezen geachte zijn verkregen, dan wel dat het bewezen geachte met behulp van die voorwerpen is begaan.

4.

Geld, € 156.700,-

(itemnummer: 4980063),

5.

Geld, € 1.490,-

(4980264),

6.

Horloge Calvin Klein

(4980097),

7.

Horloge Hublot Big Bang Edition

(4980077),

8.

Horloge Emporio Armani

(4980111),

9.

Horloge Guess

(4980125),

10.

Sony Playstation

(4979955),

11.

Laptop Aces

(4980048),

12.

Vodafone prepaid

(4980151),

13.

Simkaart Vodafone

(4980082),

14.

Blackberry zwart

(4980044),

15.

Blackberry zwart

(4980008),

16.

Blackberry zwart

(4979982),

17.

Nokia zwart

(4979992),

18.

Iphone wit

(4980015),

19.

Blackberry zwart

(4980003),

20.

Simkaart Vodafone

(4980232),

21.

Blackberry paars “ [naam 4] ”

(4980076),

22.

Nokia zwart

(4979978),

23.

Blackberry zwart

(4979960),

24.

Iphone wit

(4980045),

25.

Nano-simkaart Vodafone

(4993866),

26.

Nokia telefoon

(4980025),

27.

Simkaart Vodafone

(4980128).

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10, 10a en 11a van de Opiumwet, en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

De rechtbank:

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod,

2. ( Primair) Medeplegen van Witwassen,

3. Medeplegen van het voorbereiden van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door voorwerpen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit,

4. Medeplegen van het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in de artikelen 10 en 10a van de Opiumwet,

5. Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

De rechtbank:

- verklaart het bewezene strafbaar;

- verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig)

maanden;

- beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak

in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Ten aanzien van het beslag:

De rechtbank:

- verklaart onttrokken aan het verkeer: de voorwerpen genummerd 1, 2 en 3, zoals vermeld in onderdeel 8.2 van dit vonnis;

- verklaart verbeurd: de voorwerpen genummerd 4 tot en met 27, zoals vermeld in

onderdeel 8.3 van dit vonnis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.G. Tarlavski-Reurslag, voorzitter,

mrs. J.B. Oreel en R.A.J. Hübel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.G. Sijbrands, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 februari 2016.