Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:1053

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-03-2016
Datum publicatie
02-05-2016
Zaaknummer
AMS 16/164 & AMS 15/8087
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004. Afwijzing verlening uitkering voor levensonderhoud en uitbetaling resterend krediet. De kern van verzoekers betoog is dat hem per e-mail is toegezegd dat de uitkering zou worden voortgezet. Daarmee doet hij een beroep op het vertrouwensbeginsel. Verzoeker heeft niet aannemelijk weten te maken dat verweerder, in de persoon van de bevoegde ambtenaar, aan hem een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging heeft gedaan op grond waarvan de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat verzoeker ook na 1 juni 2015 een uitkering zou worden verstrekt. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 16/164 (voorlopige voorziening) & AMS 15/8087 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 maart 2016 op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam] , te Diemen, verzoeker

(gemachtigde: mr. J.L. Wittensleger),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Diemen, verweerder

(gemachtigde: M.V. de Graaf).

Procesverloop

Bij besluit van 13 augustus 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoekers aanvraag om verlenging van bijstand in de vorm van een uitkering voor levensonderhoud op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz) afgewezen. Ook heeft verweerder verzoekers aanvraag om uitbetaling van een resterend bedrijfskrediet van € 14.000,- afgewezen.

Bij besluit van 17 november 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2016. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ).

Overwegingen

1.1.

Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

1.2.

Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Awb niet alleen uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2.1.

Verzoeker is in maart 2014 gestart met zijn onderneming [naam onderneming] ’ (hierna: de onderneming). Hij heeft in dit verband bij verweerder verschillende aanvragen ingediend voor bijstand op grond van het Bbz in de vorm van een uitkering voor levensonderhoud en een bedrijfskapitaal in verband met de te starten onderneming.

2.2.

Nadat de aanvragen tot tweemaal toe waren afgewezen, is verzoeker bij besluiten van 19 maart 2014 en 27 maart 2014 in aanmerking gebracht voor een bedrijfskrediet van in totaal € 29.000, - en een uitkering voor levensonderhoud over de periode 1 april 2014 tot 1 oktober 2014. Op 3 april 2014 heeft verweerder van dit krediet een bedrag van € 5.000, - aan verzoeker betaalbaar gesteld en op 10 juli 2014 een bedrag van € 10.000,-. Bij besluit van 29 januari 2015 is verzoekers uitkering voor levensonderhoud verlengd en wel over de periode van 1 december 2014 tot 1 juni 2015.

2.3.

Op 1 juli 2015 heeft verzoeker verweerder verzocht het nog niet betaalbaar gestelde deel van het bedrijfskrediet (€ 14.000,-) uit te keren en op 5 juni 2015 heeft verzoeker verlenging van de uitkering voor levensonderhoud per 1 juni 2015 aangevraagd.

2.4.

Naar aanleiding van verzoekers aanvraag heeft verweerder advies ingewonnen bij Jupister Advies & Begeleiding (hierna: Jupister) over de levensvatbaarheid van de onderneming. Namens Jupister heeft drs. B. Huurneman (hierna: Huurneman) op 10 juli 2015 een adviesrapport (hierna: het rapport) uitgebracht. Verzoeker heeft schriftelijk op het rapport gereageerd. Op zijn beurt heeft Huurneman zijn reactie gegeven. Huurneman acht de onderneming niet langer levensvatbaar. Hiertoe heeft Huurneman - kort samengevat - overwogen dat er na 15 maanden nog geen sprake is van omzet en dat er, ondanks een kredietverstrekking van in totaal € 15.000,-, geen prototype is geproduceerd. Verder is er geen in- of verkoopnetwerk, is de gewijzigde formule/strategie van de onderneming onvoldoende doordacht en onderbouwd evenals het verzoek, hetgeen ook geldt voor het verzoek om uitbetaling van het restant van het toegekende krediet. Tot slot heeft Huurneman van belang geacht dat de onderneming verouderde producten tegen te hoge prijzen aanbiedt. In de door verzoeker aangevoerde argumenten heeft Huurneman geen aanleiding gezien om tot een ander advies te komen.

2.5.

Bij het primaire besluit, dat bij het bestreden besluit is gehandhaafd, heeft verweerder, onder verwijzing naar het rapport, verzoekers aanvraag om verlenging van bijstand voor de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan en de uitbetaling van het resterende bedrijfskrediet van € 14.000, - afgewezen op de grond dat geen sprake is van een levensvatbaar bedrijf. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit het rapport blijkt dat verzoekers onderneming niet levensvatbaar is. Het rapport kan worden beschouwd als een deskundigenadvies dat voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat het rapport op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, feitelijke onjuistheden bevat of ondeugdelijk is gemotiveerd. De door verzoeker aangevoerde argumenten over zijn verwachtingen rondom de onderneming zijn door deskundige Huurneman gemotiveerd weerlegd. Omdat een tegenrapportage ontbreekt, gaat verweerder uit van de juistheid van het rapport.

3. Verzoeker voert – kort weergegeven – aan dat verweerder, net als in december 2014, had toegezegd dat de uitkering zou worden verlengd per 1 juni 2015. Geheel tegen die toezegging van de ambtenaar, in dit geval [betrokkene] , in, is advies gevraagd aan Jupister om de levensvatbaarheid van de onderneming te onderzoeken. Dat onderzoek is ingesteld nadat er discussie is ontstaan over het inleveren van bepaalde stukken. Het gelasten van een dergelijk onderzoek, terwijl al was toegezegd dat de uitkering zou worden verlengd, acht verzoeker in strijd met het verbod van détournement de pouvoir. Dat sprake zou zijn van een toezegging, blijkt uit e-mailverkeer tussen verzoeker en verweerder. De in het dossier opgenomen e-mails zijn incompleet. Verweerder heeft ook erkend dat enkele e-mailberichten ontbreken, omdat niet alle e-mails zouden zijn bezwaard door [betrokkene] . Het bestreden besluit is tot stand gekomen zonder onderzoek te verrichten naar de ontbrekende e-mails. Verzoeker heeft er gezien de toezegging op mogen vertrouwen dat verweerder de bijstand per 1 juni 2015 zou voortzetten.

4.1.

De kern van verzoekers betoog is dat hem per e-mail is toegezegd dat de uitkering zou worden voortgezet na 1 juni 2015. Daarmee doet hij een beroep op het vertrouwensbeginsel. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de CRvB) kan een beroep op het vertrouwensbeginsel slechts slagen, indien door of namens een tot beslissen bevoegd orgaan ten aanzien van een betrokkene uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toezeggingen zijn gedaan die bij die betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Anders dan verzoeker lijkt te betogen, rust de bewijslast van die mededeling in eerste instantie op verzoeker als degene die zich er op beroept. Het is dus aan verzoeker om aannemelijk te maken dat in zijn geval wordt voldaan aan de eisen die de CRvB stelt aan een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Zie hierover de uitspraak van de CRvB van 3 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:273.

4.2.

De voorzieningenrechter stelt vast dat [betrokkene] , gezien haar mededelingen hierover ter zitting, bevoegd is om beslissingen te nemen over eventuele verlengingen van uitkeringen op grond van het Bbz. Verzoeker heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter niet aannemelijk weten te maken dat verweerder, in de persoon van [betrokkene] , aan hem een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging heeft gedaan op grond waarvan de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat verzoeker ook na 1 juni 2015 een uitkering zou worden verstrekt. Daarvoor is allereerst van belang dat verzoeker de bewuste e-mail die [betrokkene] naar hem zou hebben gestuurd, niet zelf in het geding heeft gebracht, terwijl een dergelijke e-mail het sterkste bewijs voor zijn stelling zou opleveren. Dat verzoeker de e-mail niet meer zou kunnen overleggen, omdat deze inmiddels is verwijderd uit zijn inbox, ligt in zijn risicosfeer. De voorzieningenrechter heeft overigens geen aanknopingspunten om aan te nemen dat, zoals verzoeker stelt, een dergelijke e-mail bestaat en dat verweerder daarover ook zou beschikken, maar deze welbewust buiten het dossier heeft willen houden. De door verzoeker gedane aangifte biedt niet een dergelijk aanknopingspunt, omdat de inhoud van die aangifte ook slechts neerkomt op de mededeling dat hem per e-mail een toezegging is gedaan, zonder dat verzoeker daarvan enig bewijs heeft geleverd. Anders dan verzoeker leidt de voorzieningenrechter uit de enkele mededeling van [betrokkene] dat nooit geheel valt uit te sluiten dat er een e-mail in een dossier ontbreekt, niet af dat [betrokkene] heeft erkend dat er in dit geval een e-mail met een concrete toezegging is achtergehouden. [betrokkene] heeft ter zitting genoegzaam toegelicht hoe zij deze opmerking heeft bedoeld. Zij heeft verklaard dat zij in principe alle e-mails zorgvuldig bewaart, dat zij –e-mails nooit verwijdert en dat zij daarom geen enkele aanleiding heeft om aan te nemen dat er in het dossier van verzoeker nog e-mails ontbreken, maar dat in het algemeen moet worden gezegd dat natuurlijk nooit valt uit te sluiten dat er wel eens een e-mail ontglipt.

4.3.

Verzoeker kan evenmin in zijn stelling worden gevolgd dat uit de zich wel in het dossier bevindende correspondentie kan worden afgeleid dat een dergelijke toezegging is gedaan (en is achtergehouden). Volgens verzoeker zou dit bijvoorbeeld moeten blijken uit de schriftelijke reactie van [betrokkene] van 22 oktober 2015 op verzoekers aanvullend bezwaar. [betrokkene] schrijft in die reactie dat “(…) er toch een nieuw advies gevraagd wordt bij Jupister/Bas Huurneman” en “(…) Ik heb gezegd dat ik er niet op uit was om de stekker er uit te trekken. Maar dat impliceert natuurlijk dat dat toch zou kunnen gebeuren. Als ik per definitie niet de stekker er uit had willen trekken, was er ook geen extern advies nodig geweest”. Anders dan verzoeker meent, kan uit de mededeling van [betrokkene] dat ‘toch’ advies moest worden gevraagd, niet worden afgeleid dat zij daarmee refereert aan een eerder gedane toezegging. Ook de rest van de geciteerde tekst rechtvaardigt niet die conclusie. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan uit [betrokkene] woordkeuze, die verzoeker selectief en zonder context aanhaalt, dan ook niet de conclusie worden getrokken dat zij daarvóór dus een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging heeft gedaan (en die vervolgens buiten beeld zou hebben willen houden). Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.

4.4.

Omdat niet gebleken is van een toezegging waarop verzoeker heeft mogen afgaan, is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter - gezien wat verzoeker in dit kader heeft aangevoerd - geen sprake van dat verweerder zijn bevoegdheid heeft misbruikt door een levensvatbaarheidsonderzoek in te stellen. Er bestaat dan ook geen enkele aanleiding om dat onderzoek buiten beschouwing te laten.

4.5.

Het beroep is ongegrond. Omdat op het beroep wordt beslist, is er geen reden een voorlopige voorziening te treffen. Voor een proceskostenveroordeling of bepaling dat het griffierecht wordt vergoed, bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Bongers-Scheijde, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Looij, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2016.

de griffier

de voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Tegen deze uitspraak staat, voor zover daarbij is beslist op het verzoek om een voorlopige voorziening, geen rechtsmiddel open.