Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:1038

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-02-2016
Datum publicatie
02-03-2016
Zaaknummer
KG ZA 15-1602
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

KG, ontruiming bedrijfsruimte, voorziening geweigerd. Niet is komen vast te staan dat huurder het gehuurde aan een derde heeft onderverhuurd dan wel in gebruik heeft gegeven. Ex-echtgenote van huurder heeft de onderneming in het gehuurde voortgezet. Verder is onvoldoende aannemelijk geworden dat er sprake is van overlast (brandgevaar, geluidshinder en overbelasting vloer).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/600277 / KG ZA 15-1602 CB/EK

Vonnis in kort geding van 16 februari 2016

in de zaak van

de stichting

WOONSTICHTING LIEVEN DE KEY,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres bij dagvaarding van 8 januari 2016,

advocaat mr. P.C.M. Dessing te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

niet verschenen,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. M. Cohen te Amsterdam,

gedaagden.

Partijen zullen hierna De Key, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden genoemd.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 2 februari 2016 heeft De Key gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. [gedaagde sub 2] heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. De Key en [gedaagde sub 2] hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. [gedaagde sub 1] is niet verschenen.
Na verder debat hebben De Key en [gedaagde sub 2] verzocht vonnis te wijzen.

Ter zitting waren aanwezig:

aan de zijde van De Key: [naam 1] en mr. Dessing;

aan de zijde van [gedaagde sub 2] : [gedaagde sub 2] en mr. Cohen.

Tevens was aanwezig [naam 2] (hierna: [naam 2] ), de voormalige echtgenote van [gedaagde sub 1] . De voorzieningenrechter heeft haar ter terechtzitting als informant gehoord.

2. De feiten

2.1.

Bij huurovereenkomst van 28 mei 2004 heeft De Key aan [drukkerij] , in deze vertegenwoordigd door [naam 3] , en [naam 4] met ingang van 1 juli 2004 en voor de duur van vijf jaren verhuurd de bedrijfsruimte, groot circa 92 m2, gedeeltelijk gelegen op de begane grond met tuin aan [adres] . Op het verhuurde rust de bestemming “drukkerij”. Bij de huurovereenkomst zijn de Algemene bepalingen huurovereenkomst kantoorruimte (hierna: de Algemene bepalingen) gevoegd en deze maken onderdeel uit van de huurovereenkomst.

2.2.

In de Algemene bepalingen is – voor zover van belang – het volgende opgenomen:

“6.1 Huurder zal het gehuurde – gedurende de gehele duur van de huurovereenkomst – daadwerkelijk, geheel, behoorlijk en zelf gebruiken uitsluitend overeenkomstig de in de huurovereenkomst aangegeven bestemming. (…)

6.3

Huurder mag bij het gebruik van het gebouw of complex waarvan het gehuurde deel uitmaakt geen hinder of overlast veroorzaken. Huurder zal er voor zorgdragen dat vanwege hem aanwezige derden dit evenmin doen. (…)

6.11.1

Het is huurder niet toegestaan:

a. in, op, aan of in de directe omgeving van het gehuurde milieugevaarlijke zaken te hebben, waaronder stankverspreidende, brandgevaarlijke of ontplofbare, tenzij behorend tot de normale beroeps- of bedrijfsvoering;

b. vloeren van het gehuurde en van het gebouw of complex waarvan het gehuurde deel uitmaakt hoger te belasten dan bouwtechnisch toelaatbaar is of in de huurovereenkomst is aangegeven; (…)

8.1.

Behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder is het huurder niet toegestaan het gehuurde geheel of gedeeltelijk aan derden in huur, onderhuur of gebruik af te staan, ofwel de huurrechten geheel of gedeeltelijk aan derden over te dragen (…).”

2.3.

De Key is vervolgens met [drukkerij] en de eenmanszaak Bloem Reclame, vertegenwoordigd door [gedaagde sub 1] , overeengekomen dat Bloem Reclame de bedrijfsruimte aan de [adres] als huurder zal overnemen. In de overeenkomst is vermeld dat met ingang van 1 juli 2006 Bloem Reclame de huurovereenkomst overneemt als huurder en alle daarbij horende rechten en verplichtingen. Verder is vermeld dat het gehuurde uitsluitend bestemd zal zijn om te worden gebruikt als kantoor ten behoeve van het maken van lichtreclame en plakletters, grafisch ontwerp en drukwerk. Ten tijde van de contractsovername was [gedaagde sub 1] met [naam 2] getrouwd. [gedaagde sub 1] en [naam 2] dreven samen de onderneming Bloem Reclame.

2.4.

Bij koopovereenkomst van 31 januari 2007 zijn Bloem Reklame B.V. (de voorzieningenrechter begrijpt: Bloem Reclame), vertegenwoordigd door [gedaagde sub 1] , en [naam 2] overeengekomen dat [naam 2] de gehele inventaris, de volledige tot de onderneming behorende goodwill en de handelsnaam Simbel de Beste (de voorzieningenrechter begrijpt: Simpel de Beste) van Bloem Reclame heeft gekocht. Onder de gedingstukken (productie 11 van [gedaagde sub 2] ) bevindt zich een niet-ondertekend formulier indeplaatsstelling van 30 januari 2007 waarin is vermeld dat [naam 2] met ingang van 1 februari 2007 in de plaats zal komen als huurder van de onderneming Bloem Reklame. Rond 2006 is [gedaagde sub 2] in de winkel komen werken. Op enig moment is de naam van de winkel gewijzigd in Simpel de Beste. In 2008 is het huwelijk tussen [naam 2] en [gedaagde sub 1] beëindigd.

2.5.

Bij brief van 9 oktober 2015 heeft De Key aan [gedaagde sub 1] meegedeeld dat omwonenden structureel klagen over (geluids)overlast uit de bedrijfsruimte (afkomstig van drukpersen en printers). [gedaagde sub 1] zou de machines ook ’s nachts gebruiken. In de brief is verder vermeld dat [gedaagde sub 1] het gehuurde in strijd met de huurovereenkomst aan derden in gebruik geeft, te weten aan [gedaagde sub 2] . [gedaagde sub 1] wordt verzocht de overlast te staken.

2.6.

Naar aanleiding van een klacht van de bovenbuurvrouw [naam 5] (hierna: de bovenbuurvrouw) hebben [naam 6] en [naam 7] namens de Gemeente Amsterdam op 30 oktober 2015 een bezoek gebracht aan de drukkerij. In het rapport van 30 oktober 2015 is vermeld dat er geen overtreding van de waarden uit het activiteitenbesluit is vastgesteld. In een nadien opgemaakt rapport van 3 november 2015 is verder het volgende vermeld. Bij binnentreden van het pand was een grote hoeveelheid papier in de drukkerij aanwezig. De vuurlast is enorm. Naast het vele papier zijn er ook veel (lege) cartridges aanwezig en die liggen overal in de winkel. Met de eigenaar van de winkel is afgesproken dat hij de winkel binnen zes weken gaat opruimen. Qua brandveiligheid naar de naast gelegen woningen zal deze niet aan de gewenste norm voldoen. In het rapport zijn diverse foto’s bijgevoegd van de aangetroffen situatie.

2.7.

Op 12 november 2015 heeft er een gesprek tussen De Key en [gedaagde sub 2] plaatsgevonden.

2.8.

Op 23 november 2015 is [naam 1] bij De Key, bij Simpel de Beste op inspectie geweest en zij heeft foto’s gemaakt van de aangetroffen situatie in het gehuurde. Nadien heeft er op 3 december 2015 een vervolginspectie plaatsgevonden waarin de belastbaarheid van de vloeren van de begane grond en de eerste verdieping van het pand op de [adres] is onderzocht. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 7 december 2015. Bij brief van 10 december 2015 heeft De Key aan [gedaagde sub 2] meegedeeld dat uit het rapport van 7 december 2015 blijkt dat de vloer op de eerste verdieping overbelast is en dat daarmee sprake is van een verhoogd risico op instortingsgevaar. Verder is er, volgens het rapport, sprake van een brandgevaarlijke situatie, omdat de bedrijfsruimte vol staat met (druk)machines en andere goederen (metershoge en dicht op elkaar staande dozen/papieren). Daarnaast zijn de (brandgevoelige) machines (te) dicht op elkaar geplaatst. [gedaagde sub 2] wordt gesommeerd om binnen zeven dagen maatregelen te treffen om de hiervoor genoemde situatie te herstellen. Op 13 december 2015 heeft [gedaagde sub 2] gereageerd. Op 17 december 2015 mailt [naam 1] aan [gedaagde sub 2] dat hij niet tijdig de herstelwerkzaamheden heeft verricht. Bij brief van 18 december 2015 heeft [gedaagde sub 2] dit betwist en meegedeeld dat hij herstelwerkzaamheden heeft verricht. Op 23 december 2015 heeft De Key aan [gedaagde sub 2] meegedeeld dat er op 22 december 2015 nog een inspectie zou hebben plaatsgevonden.

2.9.

Op 13 januari 2016 heeft Xerox B.V. schriftelijk verklaard dat alle machines voldoen aan alle Europese en Nederlandse richtlijnen met betrekking tot de uitstoot, machinegeluid en brandveiligheid.

2.10.

Onder de gedingstukken (productie 1a en 1b van [gedaagde sub 2] ) bevindt zich een groot aantal verklaringen van klanten van de drukkerij en van omwonenden waarin deze vermelden veel waarde te hechten aan (het voortbestaan van) de drukkerij en geen overlast daarvan te ondervinden. In vrijwel alle verklaringen wordt melding gemaakt van exploitatie van de drukkerij door [gedaagde sub 2] ( [gedaagde sub 2] , vzr) en [naam 2] ( [naam 2] , vzr).

3 Het geschil

3.1.

De Key vordert samengevat - ontruiming van het gehuurde op straffe van verbeurte van een dwangsom, met machtiging van De Key om als [gedaagde sub 1] of [gedaagde sub 2] hiermee in gebreke blijven de ontruiming, desnoods met behulp van de sterke arm, op kosten van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , zelf te doen uitvoeren. De Key vordert verder [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de proceskosten, inclusief de nakosten.

3.2.

De Key heeft aan de vordering het volgende ten grondslag gelegd.

[gedaagde sub 1] is tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst. [gedaagde sub 1] heeft immers in strijd met de artikel 8.1. van de Algemene bepalingen het gehuurde niet meer zelf in gebruik, maar aan een derde onderverhuurd of in gebruik gegeven. [gedaagde sub 2] verblijft zonder recht of titel in het gehuurde. Voor zover [gedaagde sub 2] zich opstelt als huurder heeft De Key hier niet mee ingestemd. Hierdoor handelt [gedaagde sub 2] onrechtmatig jegens De Key. De Key heeft van [naam 2] begrepen dat er tussen haar en [gedaagde sub 2] een conflict is ontstaan en dat [naam 2] de huurovereenkomst op haar naam wil zetten. Verder is er een grond voor de ontruiming, omdat er sprake is van geluidsoverlast door [gedaagde sub 2] , instortingsgevaar door overbelasting van de eerste verdieping en omdat in het gehuurde een brandonveilige situatie is geconstateerd.

3.3.

[gedaagde sub 2] voert verweer. [gedaagde sub 2] heeft – kort gezegd – gesteld dat er geen sprake is van onderhuur of het in gebruik geven aan een derde. [gedaagde sub 2] heeft verklaard dat hij al tien jaar samen met [naam 2] de drukkerij exploiteert. Verder is er geen sprake van geluidsoverlast, instortingsgevaar of een brandonveilige situatie. Voor zover het gehuurde te vol zou hebben gestaan met spullen, heeft [gedaagde sub 2] daar een einde aan gemaakt.

3.4.

Op de stellingen van De Key en [gedaagde sub 2] wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Bij de dagvaarding zijn de bij de wet voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht genomen, zodat tegen de niet verschenen gedaagde [gedaagde sub 1] verstek zal worden verleend.

4.2.

In een kort geding is een vordering tot ontruiming slechts toewijsbaar indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de vordering eveneens toewijst en indien van eiseres niet kan worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.

4.3.

De Key heeft twee gronden aan de vordering tot ontruiming ten grondslag gelegd, te weten dat het gehuurde in strijd met de huurovereenkomst aan een derde ( [gedaagde sub 2] ) is onderverhuurd of in gebruik is gegeven, zodat de huurovereenkomst met [gedaagde sub 1] als ontbonden kan worden beschouwd en [gedaagde sub 2] thans zonder recht of titel in het gehuurde verblijft, en dat [gedaagde sub 2] overlast zou veroorzaken. Allereerst zal worden ingegaan op de vraag of het gehuurde is onderverhuurd dan wel in gebruik is gegeven aan een derde. In dat kader is van belang de vraag te beantwoorden wie als huurder van het gehuurde moet worden gekwalificeerd.

4.4.

Op basis van de feiten kan van het volgende worden uitgegaan. Tussen [gedaagde sub 1] en De Key bestaat er een huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde. Uit die overeenkomst blijkt dat het gehuurde de bestemming drukkerij heeft. Op grond hiervan en ook uit hetgeen overigens uit de huurovereenkomst kan worden opgemaakt, dient het gehuurde te worden gekwalificeerd als bedrijfsruimte. Dat de overeenkomst mede betrekking zou hebben op woonruimte en/of als zodanig ook wordt gebruikt, vindt geen steun in de huurovereenkomst en de overige stukken en is ook overigens niet aannemelijk geworden. [gedaagde sub 2] en [naam 2] hebben beiden ter zitting verklaard elders woonachtig te zijn.

4.5.

Verder kan ervan worden uitgegaan dat op het moment van de overname van het gehuurde van [naam 3] door [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 1] samen met [naam 2] de drukkerij exploiteerde. De Key heeft niet betwist dat [naam 2] de drijvende kracht was achter deze exploitatie, zoals door [gedaagde sub 2] gesteld. Blijkens de koopovereenkomst van 31 januari 2007 zijn [gedaagde sub 1] en [naam 2] overeengekomen dat [naam 2] de drukkerij voortaan (alleen) zal exploiteren onder gebruikmaking van de naam Simpel de Beste. Aldus kan er voorshands van worden uitgegaan dat [gedaagde sub 1] de ruimte is blijven huren, waarbij hij de exploitatie van de onderneming, waar [gedaagde sub 2] (mogelijk toen al) als bedrijfsleider werkzaam was, heeft overgedragen aan zijn toenmalige echtgenote, [naam 2] . [naam 2] heeft de onderneming voortgezet en de drukkerij samen met [gedaagde sub 2] verder bestierd. Deze gang van zaken kan niet worden gelijk gesteld aan het in gebruik geven van de ruimte door [gedaagde sub 1] aan een derde.

Mogelijk is het de bedoeling van [gedaagde sub 1] en [naam 2] geweest om (in 2007) ook de huurrechten aan [naam 2] over te dragen (getuige het formulier indeplaatsstelling van 30 januari 2007), maar daar is het in ieder geval tot dusver niet van gekomen. De opgestelde indeplaatsstelling van 30 januari 2007 is immers niet ondertekend en niet is gebleken dat De Key de indeplaatsstelling heeft geaccepteerd. Een huurrecht van [naam 2] op grond van medehuur is evenmin aan de orde, aangezien het hier gaat om bedrijfsruimte.

4.6.

Het standpunt dat [gedaagde sub 2] ter zitting heeft ingenomen dat Simpel de Beste als huurder moet worden aangemerkt, omdat de huurbetalingen al bijna tien jaar van de bedrijfsrekening van Simpel de Beste worden betaald, wordt door de voorzieningenrechter niet gevolgd. Het enkele feit dat Simpel de Beste de huur zou betalen, maakt niet dat Simpel de Beste huurder moet worden aangemerkt, daargelaten dat dit een eenmanszaak is die aan [naam 2] toebehoort.

4.7.

Gelet op het voorgaande moet vooralsnog worden geconcludeerd dat [gedaagde sub 1] met zijn eenmanszaak waarvan de naam is gewijzigd in Simpel de Beste, huurder is gebleven. De omstandigheid dat [gedaagde sub 1] op enig moment naar het buitenland is vertrokken en de exploitatie van de onderneming heeft overgedragen aan [naam 2] maakt dat niet anders. Dat [gedaagde sub 1] kennelijk zelf ook recentelijk nog uitgaat van zijn huurderschap kan worden opgemaakt uit een e-mail van De Key van 29 januari 2016 (productie 14 van De Key) waarin is vermeld dat [gedaagde sub 1] in een e-mail zou hebben verzocht dat de huurovereenkomst op de naam van [naam 2] zou komen te staan.
De huurovereenkomst is niet opgezegd door De Key of [gedaagde sub 1] noch anderszins beëindigd.

4.8.

Op grond van al het voorgaande kan [gedaagde sub 2] voorshands niet worden aangemerkt als een derde aan wie het gehuurde in gebruik is gegeven of onderverhuurd. Terzake van zijn rechtspositie ten opzichte van De Key wordt verder het volgende overwogen.

4.9.

[gedaagde sub 2] heeft onweersproken gesteld dat hij tot voor (zeer) kort samen met [naam 2] in de onderneming werkzaam was, waarbij hij als bedrijfsleider fungeerde en dat zowel hijzelf als [naam 2] (nog steeds) maandelijks inkomsten genereren uit de onderneming. Niet gesteld of gebleken is dat [naam 2] de rechtsbetrekkingen tussen haar en [gedaagde sub 2] – hoe deze verder (al dan niet arbeidsrechtelijk) ook moeten worden gekwalificeerd – heeft beëindigd. Ter zitting heeft [gedaagde sub 2] desgevraagd bevestigd dat [naam 2] altijd de exploitant is gebleven en [naam 2] en [gedaagde sub 2] beiden werkzaam waren in de drukkerij. De verklaringen van buurtbewoners en klanten (producties 1a en 1b van [gedaagde sub 2] ), die alle spreken over [gedaagde sub 2] ( [gedaagde sub 2] ) en [naam 2] ( [naam 2] ) ondersteunen dat. Nu de aanwezigheid van [gedaagde sub 2] in de bedrijfsruimte gebaseerd is op zijn positie in de onderneming die (nog) niet als geëindigd kan worden aangemerkt en de (huidige) rechtspositie van [naam 2] ten opzichte van De Key op dit moment niet geheel duidelijk is, kan niet op voorhand worden aangenomen dat [gedaagde sub 2] zonder recht of titel jegens De Key in het gehuurde verblijft. Dat momenteel sprake lijkt te zijn van een conflict tussen [naam 2] en [gedaagde sub 2] maakt dat niet anders.

4.10.

De andere grond die De Key aan de vordering tot ontruiming ten grondslag heeft gelegd betreft de overlast die vanuit de drukkerij zou worden veroorzaakt. Het zou in dit verband gaan om geluidsoverlast, instortingsgevaar en brandonveiligheid. Ten aanzien van de geluidsoverlast heeft De Key haar vordering gebaseerd op één klacht van de bovenbuurvrouw van het pand. De bovenbuurvrouw heeft verklaard dat ’s nachts machines aan staan in de drukkerij en dat er televisiegeluiden te horen zouden zijn, ook ’s nachts. [gedaagde sub 2] heeft deze stellingen gemotiveerd betwist. Zo heeft hij verklaard dat de drukmachines in beginsel ’s nachts uit staan. Niet aannemelijk is voorts dat [gedaagde sub 2] (en/of [naam 2] ) ’s nachts zelf in het gehuurde verblijft en dan televisie zou kijken. Andere buurtbewoners verklaren uitdrukkelijk geen geluidsoverlast van de drukkerij te ervaren. Daar komt bij dat [gedaagde sub 2] een rapport van de Gemeente Amsterdam Dienst Milieu en Bouwtoezicht van 13 maart 2013 heeft overgelegd waaruit blijkt dat de bedrijfsmatige activiteiten wat betreft geluidshinder voldoen aan het Activiteitenbesluit. Nadien zou [gedaagde sub 2] nieuwe drukmachines hebben besteld en onweersproken is gesteld dat die machines minder geluid zouden produceren dan de oudere exemplaren. [gedaagde sub 2] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verder verwezen naar de verklaring van de leverancier Xerox waarin is vermeld dat de machines voldoen aan alle Europese en Nederlandse richtlijnen met betrekking tot het machinegeluid. Dat er toch sprake is van geluidsoverlast, is door De Key niet aannemelijk gemaakt. Daarbij wordt nog opgemerkt dat het gehuurde de bestemming van drukkerij heeft, waarbij aan de geluidsproductie niet zonder meer dezelfde eisen kunnen worden gesteld als in het geval van woonruimte.

4.11.

Voor zover er sprake zou zijn van een brandonveilige situatie en/of instortingsgevaar, wordt het volgende overwogen. Op 23 november 2015 en 3 december 2015 heeft De Key een inspectie verricht. In het rapport van 7 december 2015 is vermeld dat de vloer op de eerste verdieping overbelast zou zijn en dat er sprake is van een brandgevaarlijke situatie. [gedaagde sub 2] betoogt dat hij nadien de drukkerij heeft opgeruimd en dat er van de gestelde overbelasting of brandonveiligheid geen sprake meer is. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij foto’s, welke deels gedateerd zijn op 19 december 2015, in het geding gebracht. Ter zitting heeft [gedaagde sub 2] verklaard dat de situatie in de drukkerij nog steeds zo is zoals op de foto’s zichtbaar is. [gedaagde sub 2] heeft verder gewezen op de verklaring van Xerox waarin tevens is vermeld dat de machines voldoen aan de Europese en Nationale richtlijnen over brandveiligheid. Verder heeft [gedaagde sub 2] uitdrukkelijk betwist dat De Key op 22 december 2015 nog een inspectie zou hebben verricht. De Key heeft ter zitting verklaard op 22 december 2015 enkel van buitenaf het pand te hebben bekeken en de situatie op de begane grond te hebben beoordeeld door door de ramen naar binnen te kijken. Een dergelijke inspectie van buitenaf is onvoldoende om aan te nemen dat het pand brandonveilig zou zijn dan wel sprake zou zijn van instortingsgevaar. Indien moet worden aangenomen dat er destijds, tijdens de inspecties, wel sprake is geweest van een onveilige situatie, dan is niet zonder meer aannemelijk gemaakt dat deze situatie zich thans nog voordoet. Daarbij is nog van belang dat grote stapels papier en karton geacht kunnen worden te behoren tot de normale beroeps- of bedrijfsvoering van een drukkerij, zodat ook daarmee rekening moet worden gehouden bij de vraag of er sprake is van een brandonveilige situatie. Ten slotte moet worden opgemerkt dat De Key als verhuurder van een bedrijfsruimte die al sinds jaar en dag als drukkerij wordt gebruikt ook een verantwoordelijkheid heeft voor het voldoen van het gehuurde aan de brandveiligheidseisen en dat [gedaagde sub 2] ’s stelling dat er tien jaar niets aan onderhoud is verricht door De Key niet is betwist.

4.12.

Gezien het voorgaande kan voorshands niet worden aangenomen dat de vorderingen van De Key jegens [gedaagde sub 2] in een bodemprocedure worden toegewezen. De jegens hem gevraagde voorziening zal dan ook worden geweigerd.

4.13.

Nu vooralsnog niet kan worden aangenomen dat [gedaagde sub 1] tot ontruiming gehouden zal worden geacht, zullen de vorderingen jegens hem ook worden afgewezen.

4.14.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal De Key worden veroordeeld in de kosten van het geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verleent verstek tegen de niet verschenen gedaagde;

5.2.

weigert de gevraagde voorzieningen;

5.3.

veroordeelt De Key in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van [gedaagde sub 2] begroot op:

– € 288,= € 288,= aan griffierecht en

– € 288,= € 816,= aan salaris advocaat;

5.4.

veroordeelt De Key in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,- voor nasalaris te vermeerderen met € 68,- en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt;

5.5.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Berkhout, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.M. Kolkman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2016.1

1 Type: EK coll: mb