Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:1022

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-02-2016
Datum publicatie
09-03-2016
Zaaknummer
C/13/601112 / JE RK 16-70
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

geschillenregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2016/36.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Amsterdam

zaakgegevens : C/13/601112 / JE RK 16-70

datum uitspraak: 17 februari 2016

beschikking geschillenregeling

in de zaak van

[minderjarige] , hierna te noemen [minderjarige] en de minderjarige, wonende te [woonplaats] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna te noemen de WSJ, gevestigd te Amsterdam,

[moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats] ,

[vader] , hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats] .

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de minderjarige van 20 januari 2016, ingekomen bij de griffie op 25 januari 2016;

- een aanvullende productie bij voornoemd verzoekschrift van 25 januari 2016, ingekomen bij de griffie op 25 januari 2016;

- een e-mail van verzoeker van 10 februari 2016;

- een e-mail van de WSJ van 12 februari 2016.

Op 29 januari 2016 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de minderjarige [minderjarige] , die tevens apart is gehoord, bijgestaan door zijn raadsvrouw

mr. J.P. Smits,

- de ouders, bijgestaan door hun raadsman mr. M.R. Roethof,

- een vertegenwoordigster van de WSJ: [gezinsmanager] , gezinsmanager van [minderjarige] ,

- [begeleidster] , begeleidster van [minderjarige] bij [instelling 1] ,

- [psycholoog] , psycholoog, werkzaam bij [instelling 1] .

De feiten


Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.

Bij beschikking van 3 november 2015 is [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 11 november 2016.

De kinderrechter heeft bij deze beschikking tevens machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij [instelling 1] verlengd tot 11 november 2016.

Het verzoek


[minderjarige] heeft een geschil voorgelegd met betrekking tot de uitvoering van de ondertoezichtstelling.

Hij is van mening dat [instelling 1] , waar hij thans verblijft geen geschikte plek voor hem is. Hij wenst derhalve overgeplaatst te worden naar een andere locatie die past bij zijn leeftijd en overige persoonlijke omstandigheden.

Bovendien is er op de huidige locatie sprake van een gesloten plaatsing. Deze dient zo snel mogelijk te worden beëindigd.

Een geschiktere plek voor [minderjarige] zou een verblijf bij een woongroep van [instelling 2] zijn. Hij heeft hier eerder verbleven en daar ging het beter met hem. Het verzoek is dan ook dat [minderjarige] naar deze plek wordt overgeplaatst. Hieraan dient WSJ haar medewerking te verlenen en de benodigde informatie voor te verschaffen.

[minderjarige] heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij zich niet prettig voelt bij [instelling 1] . Het is er onrustig. [minderjarige] voelt zich onveilig op de afdeling en wordt genegeerd door de begeleiding. Hij heeft het vermoeden dat door de medewerkers van [instelling 1] medicatie in zijn eten wordt gedaan. Ook wil [minderjarige] soms naar buiten gaan, maar mag dit dan niet van de leiding. [minderjarige] zou graag willen worden overgeplaatst naar [instelling 2] en heeft dit ook al regelmatig aangegeven aan zijn begeleiding.

In aanvulling hierop heeft de raadsvrouw ter zitting een pleitnota voorgedragen, welke zij ook aan de rechtbank heeft overgelegd. Deze pleitnota is aan het dossier toegevoegd en wordt hier verder als herhaald en ingelast beschouwd. Kort gezegd heeft de raadsvrouw hierin uiteen gezet de plaatsing van [minderjarige] bij [instelling 1] onmiddellijk dient te worden beëindigd en dat de WSJ daarbij zo snel mogelijk een alternatieve, passende verblijfsplek voor [minderjarige] dient te realiseren, bij voorkeur in een woongroep van [instelling 2] .

De raadsvrouw voert hiertoe aan dat thans sprake is van een onrechtmatige vrijheidsberoving. [minderjarige] verblijft bij [instelling 1] in geslotenheid, terwijl de hiertoe vereiste machtiging gesloten jeugdzorg niet is afgegeven. Dat maakt de plaatsing onrechtmatig.

Ook wordt [minderjarige] binnen de instelling ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. [minderjarige] voelt zich onveilig. Hij verblijft op een afdeling met louter volwassenen. Er zijn veel incidenten en dit leidt tot grote onrust bij, de toch al zeer kwetsbare, [minderjarige] . Hij voelt zich daarbij niet gehoord door de hulpverlening. [minderjarige] is korte tijd opgenomen geweest in het ziekenhuis, maar de WSJ heeft ook toen niets van zich laten horen. De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat door de WSJ geen prioriteit lijkt te worden gegeven aan [minderjarige] .

Volgens de raadsvrouw bestaat er een mogelijkheid tot overplaatsing van [minderjarige] naar een woongroep van [instelling 2] . De inschrijving door de ouders is hiertoe reeds gedaan en er zou aldaar per direct een (crisis)plek beschikbaar voor hem zijn.

Het standpunt van belanghebbenden

Ter terechtzitting heeft de WSJ gewezen op het eerder over [minderjarige] opgemaakte NIFP-rapport waarin ook de onderzoeksbevindingen ten aanzien van [minderjarige] zijn beschreven. Hierin wordt duidelijk aangegeven dat hij, gelet op zijn problematiek, niet om kan gaan met leeftijdgenoten. Dat is de reden dat hij niet op een afdeling met leeftijdgenoten verblijft.

De WSJ erkent dat de huidige afdeling niet ideaal voor hem is, maar ziet op dit moment geen geschikte beschikbare alternatieven. De WSJ is hier wel druk mee bezig. Komende maandag, 1 februari 2016, komen alle disciplines bij elkaar, waarbij met elkaar zal worden besproken welke weg zal worden ingeslagen. De onduidelijkheid ten aanzien van de gezagsvraag heeft ook voor vertraging gezorgd. De WSJ is in afwachting van de beslissing van de rechtbank op een verzoek van de Raad om een gezagsbeëindigende maatregel.

De WSJ staat op dit moment in ieder geval niet achter een plaatsing van [minderjarige] bij [instelling 2] omdat hij daar dan op een crisisplek terecht komt en dit, mede gelet op zijn complexe problematiek, niet wenselijk is. De WSJ heeft het beste voor met [minderjarige] , maar wat de situatie lastig maakt is dat samenwerking met de ouders onmogelijk is. Zij weigeren mee te werken met de hulpverlening en beïnvloeden [minderjarige] op een negatieve manier. Een voorbeeld hiervan is dat zij [minderjarige] onlangs stiekem een telefoon hebben gegeven, waardoor hij continue wordt blootgesteld aan invloeden van buitenaf. [minderjarige] doet wat er door de ouders tegen hem gezegd wordt aan de telefoon. De WSJ acht dit zeer onwenselijk en zeker niet in het belang van [minderjarige] .

De psycholoog van [instelling 1] heeft ter zitting naar voren gebracht dat [minderjarige] op dit moment inderdaad niet op zijn plek lijkt te zitten. Binnen [instelling 1] bestaat een geschiktere plek voor hem, maar deze is op dit moment helaas nog niet beschikbaar. Het is nu nog onduidelijk wanneer deze plek vrijkomt. De psycholoog benadrukt dat een overplaatsing van [minderjarige] naar [instelling 2] misschien feitelijk tot de mogelijkheden behoort, maar dat een dergelijke overplaatsing, gelet ook op de hechtingsproblematiek van [minderjarige] , onwenselijk is. De afgelopen tijd is [minderjarige] niet betrokken geweest bij incidenten op de afdeling. De psycholoog leidt hieruit af dat [minderjarige] zich, ondanks dat hij hierover zelf anders verklaart, wel veilig lijkt te voelen op de groep. Volgens de psycholoog vertoont [minderjarige] gewenst gedrag in de richting van zijn ouders. De psycholoog merkt verder op dat [minderjarige] op dit moment niet op een gesloten afdeling verblijft. [minderjarige] heeft altijd de mogelijkheid om naar buiten te gaan.

De begeleidster van [instelling 1] heeft ter zitting te kennen gegeven dat met [minderjarige] vaste afspraken worden gemaakt over het naar buiten gaan. [minderjarige] doet goed mee op de groep en heeft nog nooit opgesloten gezeten. De door hem en zijn raadsvrouw genoemde angst ziet de begeleidster niet terug in zijn gedrag. Wel is [minderjarige] soms achterdochtig in de richting van de begeleiding.

De ouders hebben ter zitting naar voren gebracht dat [minderjarige] wel degelijk op een gesloten afdeling verblijft. [minderjarige] heeft daar veel last van en is angstig. Hij wordt volgens de ouders met geweld aangepakt en er wordt ook medicatie in zijn eten gedaan. De gezinsvoogd werkt niet mee, terwijl de ouders haar over alles op de hoogte stellen.

De beoordeling


Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting stelt de kinderechter allereerst vast dat, anders dan de raadsvrouw heeft gesteld, er in de onderhavige zaak voor [minderjarige] feitelijk geen sprake is van een gesloten plaatsing en derhalve niet gesproken kan worden van wederrechtelijke vrijheidsberoving. [minderjarige] verblijft weliswaar in een gesloten setting,

maar de hulpverlening heeft duidelijk naar voren gebracht dat [minderjarige] , indien hij dit wenst, te allen tijde naar buiten kan gaan. Van feitelijke geslotenheid is dan ook geen sprake.

Wel is de kinderrechter van oordeel dat [minderjarige] op dit moment niet op de juiste plek zit.

Op basis van de stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen kan geconcludeerd worden dat er bij [minderjarige] sprake is van complexe problematiek, waarvoor hij speciale zorg behoeft. Dit kan hem nu, binnen de afdeling waar hij verblijft, onvoldoende worden geboden. Het is van belang dat hij zo spoedig mogelijk wordt overgeplaatst naar een geschiktere plek. De door [minderjarige] en zijn raadsvrouw aangedragen mogelijkheid van een overplaatsing van [minderjarige] naar een woongroep van [instelling 2] , acht de kinderrechter echter niet wenselijk. De kinderrechter weegt hierin mee dat de mogelijkheden binnen [instelling 2] op dit moment onvoldoende duidelijk zijn. Het overplaatsen van [minderjarige] naar een tijdelijke plek – al dan niet binnen [instelling 2] – acht de kinderrechter, mede gelet op hetgeen de psycholoog hierover naar voren heeft gebracht, niet in het belang van [minderjarige] en zijn ontwikkeling.

Gelet op het voorgaande is de kinderrechter dan ook van oordeel dat het verzoek van [minderjarige] dient te worden afgewezen. Wel draagt de kinderrechter de WSJ en overige hulpverlening op, om – zo mogelijk in samenspraak met de ouders - actief op zoek te gaan naar een andere geschiktere plek voor [minderjarige] , waarbij tevens ook de mogelijkheden buiten [instelling 1] zorgvuldig dienen te worden onderzocht.

De beslissing


De kinderrechter:

wijst het verzoek van [minderjarige] af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E.A. Nijssen, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Wouters als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2016.