Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:9923

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-10-2015
Datum publicatie
02-03-2016
Zaaknummer
DX EXPL 15-26
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Effectenlease, artikel 1:88 en de stuitende werking van een collectieve vordering ex artikel 3:305a BW.

Vraag of HR 9 oktober 2015 (JOR 2015/337 m.nt. mr. T.M.C. Arons, ECLI:NL:HR:2015:3018) tot gevolg heeft dat er geen sprake kan zijn van verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van effectenlease-overeenkomst(en) ex artikel 1:88 BW, indien er een buitengerechtelijke vernietiging heeft plaatsgevonden vóór het verlopen van de opt-out termijn op 1 augustus 2007. Deze termijn is bepaald bij de verbindendverklaring van de Duisenbergregeling (WCAM-overeenkomst) op 25 januari 2007. Overwogen wordt dat de Hoge Raad een effectieve en efficiënte rechtsbescherming van de belanghebbende voor ogen staat, en dat daaruit volgt dat tot uitgangspunt moet worden genomen dat de verjaring van de bevoegdheid) is gestuit indien uiterlijk zes maanden na deze verbindendverklaring, dat wil zeggen uiterlijk op 25 juli 2007, een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring is afgegeven, mits die bevoegdheid niet reeds was verlopen bij het aanhangig maken van de collectieve vordering op 13 maart 2003. Eindvonnis zie: ECLI:NL:RBAMS:2016:1043

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Privaatrecht

zaak- en rolnummer: 3855943 DX EXPL 15-26

vonnis van: 15 oktober 2015

f.no.: 466

Vonnis van de kantonrechter:

i n z a k e

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

gedaagde in reconventie,

nader te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. G. Van Dijk,

t e g e n

de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

nader te noemen: Dexia,

gemachtigde: mr. T.R. van Ginkel.

De procedure

in conventie en in reconventie

1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 3 februari 2015 van [eiser] , met producties.

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van Dexia, met producties.

  • -

    Bij tussenvonnis van 30 april 2015 is bepaald dat de onderhavige zaak schriftelijk zal worden voortgeprocedeerd. Vervolgens zijn ingediend.

  • -

    de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie van [eiser] , waarbij zij haar eis vermeerdert, met producties,

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie van Dexia,

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie van [eiser] .

Vonnis is bepaald op heden.


Gronden van de beslissing
in conventie en in reconventie

De feiten
2. Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast:

2.1. Dexia Bank Nederland N.V., de vennootschap die aanvankelijk partij was, is na een fusie met haar aandeelhoudster verdwenen als rechtspersoon. Dexia is haar rechtsopvolgster onder algemene titel. Dexia is tevens de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V., alsmede van Legio-Lease B.V. (hierna: Labouchere of Legio-Lease). Waar hierna sprake is van Dexia worden haar rechtsvoorgangsters daaronder mede begrepen.

2.2 [eiser] heeft de volgende lease-overeenkomsten ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Dexia:

Nr

Contractnr.

Datum

Naam overeenkomst

Looptijd

Leasesom

I.

[contractnummer]

09-05-1997

WinstVerdubbelaar

60 mnd

ƒ 36.590,90

II.

[contractnummer]

25-11-1998

WinstVerDriedubbelaar

36 mnd

ƒ 16.930,47

III.

[contractnummer]

28-01-2001

WinstVerDriedubbelaar

36 mnd

ƒ 31.301,06

IV.

[contractnummer]

28-01-2001

WinstVerDriedubbelaar

36 mnd

ƒ 31.026,56

V.

[contractnummer]

25-02-2001

WinstVerDriedubbelaar

36 mnd

ƒ 20.266,55

VI.

[contractnummer]

25-02-2001

WinstVerDriedubbelaar

36 mnd

ƒ 20.831,80

VII

[contractnummer]

04-12-1997

Beleggen met Korting

36 mnd

ƒ 15.991,09

VIII.

[contractnummer]

20-02-1998

WinstVerDriedubbelaar

36 mnd

ƒ 27.600,54

De lease-overeenkomst I is voor een termijn van 36 maanden verlengd. De lease-overeenkomsten II,III en IV zijn voor eenzelfde termijn verlengd.

2.3. Dexia heeft met betrekking tot deze lease-overeenkomsten eindafrekeningen opgesteld met de volgende resultaten:

Nr.

Datum eindafrekening

Resultaat

Betaald

I.

01-09-2003

- € 109,45

nvt

II.

25-11-2004

- € 2.217,06

ja

III.

07-11-2005

- € 6.416,23

nee

IV.

07-11-2005

- € 5.255,25

nee

V.

19-02-2004

- € 0,00

nvt

VI.

19-02-2004

- € 0,00

nvt

VII.

04-12-2000

+ € 1.920,47

nvt

VIII.

19-02-2001

+ € 3.107,11

nvt

2.4. [partner] (hierna: [partner] ) heeft [eiser] , met wie zij ten tijde van het aangaan van de lease-overeenkomsten was gehuwd, geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van deze lease-overeenkomsten.

2.5. Bij brief van 15 september 2004 (hierna: de vernietigingsbrief) heeft [partner] met een beroep op artikel 1:89 BW de lease-overeenkomsten vernietigd.

3 Vordering

3.1

[eiser] vordert dat bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht wordt verklaard dat de lease-overeenkomsten I tot en met VI door de vernietigingsbrief buitengerechtelijk zijn vernietigd, althans deze te vernietigen dan wel dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en Dexia te veroordelen tot (terug)betaling van al hetgeen in het kader van de lease-overeenkomsten is betaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag van algehele terugbetaling. Voorts vordert [eiser] dat Dexia een eventuele registratie bij het Bureau Kredietregistratie te Tiel ongedaan laat maken, zulks op straffe van een dwangsom. Ten slotte vordert [eiser] Dexia te veroordelen tot betaling van de proceskosten.

4 Standpunten van [eiser]

4.1

[eiser] stelt, voor zover voor de beoordeling van belang, dat de lease-overeenkomsten I tot en met VI moeten worden aangemerkt als huurkoop in de zin van artikel 7A:1576h BW en derhalve als koop op afbetaling in de zin van artikel 7A:1576 BW en dus de toestemming [partner] behoefden ingevolge artikel 1:88 lid 1 sub d BW. Omdat zij deze (schriftelijke) toestemming niet heeft verleend, heeft zij de lease-overeenkomsten I tot en met VI rechtsgeldig kunnen vernietigen.

Verder stelt [eiser] dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de door hem geleden schade met betrekking tot de lease-overeenkomsten I tot en met VI.

4.2.

Dexia betwist de vorderingen van [eiser] . Daartoe stelt zij zich voor zover hier van belang op het standpunt dat de vordering tot vernietiging van de lease-overeenkomsten
I tot en met VI is verjaard.

5 Vordering in reconventie

5.1.

Dexia vordert [eiser] te veroordelen tot betaling van € 3.193,73 te vermeerderen met de wettelijke rente, stellende dat [eiser] in verzuim is met de nakoming van zijn verplichtingen uit de lease-overeenkomsten III en IV. Dexia vordert voorts dat bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht wordt verklaard dat Dexia ten aanzien van de tussen haar en [eiser] gesloten lease-overeenkomsten I tot en met VIII aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [eiser] is verschuldigd. Ten slotte vordert Dexia [eiser] te veroordelen tot betaling van de proceskosten.

5.2.

[eiser] voert gemotiveerd verweer tegen de vorderingen van Dexia.

6 Beoordeling van de vorderingen

Huurkoop en artikel 1:88/1:89 BW

6.1.

Ingevolge de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008, (LJN BC2837) en
9 juli 2010 (LJN BM3868) worden de lease-overeenkomsten aangemerkt als huurkoop.

6.2.

Dit betekent dat artikel 1:88 lid 1 onder d BW op de lease-overeenkomsten I tot en met VI van toepassing is, zodat [eiser] voor het aangaan van deze lease-overeenkomsten de toestemming van [partner] behoefde. Nu volgens artikel 7A:1576i BW huurkoop bij akte wordt aangegaan, diende deze toestemming ook schriftelijk te worden gegeven (vgl. het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 1 maart 2007, LJN AZ9721, rov 2.12.3 en het reeds genoemde arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2008). Aangezien deze schriftelijke toestemming ontbreekt, had [partner] de bevoegdheid een beroep te doen op de hier bedoelde vernietigbaarheid.

6.3.

Ten aanzien van hetgeen Dexia nog heeft aangevoerd terzake de verlengde overeenkomsten, wordt het volgende overwogen: Om een lease-overeenkomst te kunnen verlengen dient de afnemen eveneens schriftelijke toestemming van de echtgenoot/echtgenote te verkrijgen. Gewezen wordt op de volgende uitspraken: ‘met het sluiten van de verlengingsovereenkomst zijn verplichtingen aangegaan die overeenkomen met de verplichtingen die voortvloeien uit een overeenkomst van huurkoop’ (bijv. vonnis 12 maart 2008; 816751 DX EXPL 06-3112 en vonnis 13 februari 2008; 874775 DX EXPL 27-1235).

6.4.

Nu de oorspronkelijke overeenkomst en de verlenging hetzelfde contractnummer hebben en de vernietigingsbrief dat nummer noemt, wordt de vernietiging geacht betrekking te hebben op zowel de oorspronkelijke overeenkomst als de verlenging, ook al wordt de verlenging niet expliciet genoemd. De weren van Dexia worden aldus afgewezen.

Verjaring

7.1.

Dexia beroept zich er op dat het vernietigingsrecht van artikel 1:89 BW is verjaard. De verjaringstermijn voor een beroep op dit vernietigingsrecht is op grond van artikel 3:52 lid 1 sub d BW drie jaar. De termijn vangt aan op het moment dat degene aan wie de bevoegdheid tot vernietiging toekomt bekend wordt met de overeenkomst. Niet noodzakelijk is dat deze bekend is met de juridische kwalificatie van die overeenkomst (vgl. HR 5 januari 2007, LJN AY8771 en Gerechtshof Amsterdam, 19 mei 2009, LJN BI 4359). Van belang is derhalve wanneer [partner] bekend was met het bestaan van de lease-overeenkomsten I tot en met VI.

7.2.

Op Dexia rust de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het beroep op verjaring.

7.3.

Dexia heeft hiertoe aangevoerd bij brief van 15 september 2004 de overeenkomsten
I en II niet worden genoemd. Uit dit schrijven valt niet af te leiden dat [partner] de vernietiging van de overeenkomsten I en II voor ogen stond, aldus Dexia.

7.4.

[eiser] heeft hiertegen aangevoerd dat [partner] bij brief van 15 september 2004 wel degelijk de onderhavige overeenkomsten I en II heeft vernietigd in de zin van artikel 1:88/1:89 BW. Immers, zij heeft duidelijk bedoeld al de tussen [eiser] en Dexia gesloten overeenkomsten buitengerechtelijk te vernietigen.

7.5.

De vraag die thans allereerst dient te worden beantwoord is of de echtgenote van [eiser] bij brief van 15 september 2004 met een beroep op artikel 1:89 BW de lease-overeenkomsten I en II heeft vernietigd.

Die vraag wordt bevestigend beantwoord.

Overwogen wordt dat als minimumvereiste dient te gelden dat ingeval van een beroep op de artikelen 1:88/1:89 BW en de daarmee samenhangende buitengerechtelijke vernietiging van een overeenkomst dan wel meerdere overeenkomsten, er geen misverstand mag bestaan welke overeenkomsten door die buitengerechtelijke vernietiging worden geraakt.

In de brief van 15 september 2004 beroept [partner] zich op de vernietigingsgrond van artikel 1:89 BW ten aanzien van “alle zonder mijn toestemming gesloten overeenkomsten”. Onder verwijzing naar hetgeen is overwogen in het arrest van het Gerechtshof in Amsterdam van 8 oktober 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2013:3256), valt niet in te zien waarom met deze zinsnede het voor Dexia niet duidelijk was dat de vernietiging betrekking had op alle door [eiser] gesloten overeenkomsten. Anders dan Dexia stelt behoeven de lease-overeenkomsten waarop de vernietiging betrekking heeft in een geval als de onderhavige niet expliciet in de vernietigingsbrief te worden genoemd.

Dexia voert bij conclusie van dupliek terecht aan dat de echtgenote van [eiser] in de vernietigingsbrief niet spreekt over ‘verlieslatende’ overeenkomsten. Gelet op de bewoordingen in de brief, te weten ‘.. een aantal effectenleasecontracten tot stand gekomen. Het gaat daarbij, voor zover ik kan nagaan om ..’, valt evenwel niet in te zien waarom het met deze zinsnede voor Dexia niet duidelijk was dat de vernietiging betrekking had op alle door [eiser] met Dexia gesloten overeenkomsten.

Dit verweer van Dexia slaagt niet.

7.6.

In het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018), heeft de Hoge Raad prejudiciële vragen heeft beantwoord betreffende de stuitende werking van een collectieve actie op de voet van art. 3:305aBW (in casu: van de Stichting Eegalease) en van een (tijdige) opt-outverklaring.

Naar aanleiding hiervan worden partijen in de gelegenheid gesteld (de eisende partij als eerste) om hun stellingen aan te passen en uiteen te zetten wat de gevolgen zijn van dit arrest voor de onderhavige zaak.

7.7.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Beslissing

De kantonrechter:

I. stelt [eiser] bij akte in de gelegenheid zijn stellingen aan te passen en uiteen te zetten zoals geformuleerd in rechtsoverweging 7.6;

II. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 5 november 2015 voor uitlating [eiser] ;

III. houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. C.L.J.M. de Waal, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.