Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:978

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-02-2015
Datum publicatie
25-02-2015
Zaaknummer
15-134/580704 en 15/135/580715
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kr verwerpt verweer ontbreken van verleningsbeslissing van College B&W bij verzoek ots en gesloten uhp van Raad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Amsterdam

zaakgegevens : 15-134/580704 en 15/135/580715

datum uitspraak: 9 februari 2015

Beschikking handhaving voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging gesloten jeugdhulp, tevens ondertoezichtstelling en machtiging gesloten jeugdhulp

in de zaak van:

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,

hierna te noemen: de Raad,

gevestigd te Amsterdam,

betreffende:

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

hierna ook te noemen: de minderjarige.

[moeder], wonende te [woonplaats], is de moeder.

[vader], wonende te [woonplaats], is de vader.

De moeder is belast met het gezag over voornoemde minderjarige.

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: de moeder, de minderjarige, de Raad en de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: GI of JBRA).

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van [datum], ingekomen bij de griffie op [datum];

- de instemmende verklaring d.d. 2 februari 2015 van de gekwalificeerde gedragsweten-

schapper;

- het op 9 februari 2015 binnengekomen aanvullende rapport met advies van de Raad.

De kinderrechter houdt rekening met de beschikking van de kinderrechter te Amsterdam van 2 februari 2015, waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. Bij deze beschikking is voornoemde minderjarige voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van [datum] voor de duur van drie maanden. Tevens is ten aanzien van de minderjarige een spoedmachtiging verleend voor verblijf in gesloten jeugdhulp met ingang van [datum] voor de duur van twee weken, onder aanhouding van iedere verdere beslissing.

Op 9 februari 2015 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Verschenen en gehoord zijn:

- de minderjarige (ook afzonderlijk gehoord), bijgestaan door haar raadsvrouw mr. M.P. Lettinga;

- de moeder;

- de vader;
- [naam 1], namens JBRA;

- [naam 2], namens de Raad.

De feiten

De moeder is belast met het gezag over voornoemde minderjarige.

Bij beschikking van de kinderrechter te Amsterdam van 2 februari 2015 is voornoemde minderjarige met ingang van [datum] voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden.

In het kader van de voorlopige ondertoezichtstelling is ten aanzien van voornoemde minderjarige een spoedmachtiging verleend voor verblijf in gesloten jeugdhulp met ingang van [datum] voor de duur van twee weken, onder aanhouding van iedere verdere beslissing.

De minderjarige verblijft sinds [datum] in de [instelling].

Het verzoek

De Raad heeft op [datum] de ondertoezichtstelling van de minderjarige verzocht voor de duur van 12 maanden, en omdat de maatregel dringend en onverwijld noodzakelijk is daaraan voorafgaand een voorlopige ondertoezichtstelling voor de duur van drie maanden.

Tevens heeft de Raad een machtiging verzocht om de minderjarige in gesloten jeugdhulp te doen opnemen en te doen verblijven voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling. Gelet op de acute situatie heeft de Raad verzocht met onmiddellijke ingang alvast een spoedmachtiging af te geven voor de duur van vier weken.

Het standpunt van partijen en belanghebbenden

De Raad heeft ter terechtzitting onder verwijzing naar de inleidende stukken verzocht de bij beschikking van 2 februari 2015 uitgesproken voorlopige ondertoezichtstelling en de verleende spoedmachtiging gesloten jeugdhulp te handhaven tot heden.

De Raad heeft voorts verzocht, met ingang van heden, de ondertoezichtstelling uit te spreken voor de duur van een jaar en een machtiging te verlenen om voornoemde minderjarige te doen opnemen en te doen verblijven in gesloten jeugdhulp tot 30 april 2015.

De Raad maakt zich ernstige zorgen over de ontwikkeling van de minderjarige, met name over de seksuele contacten die zij heeft als gevolg waarvan zij onlangs zodanig letsel heeft opgelopen dat opname in het ziekenhuis noodzakelijk was. Daarnaast is bij [minderjarige] sprake van regelmatig weglopen uit de instellingen waar zij verblijft. Ook zijn er zorgen over het middelengebruik van de minderjarige. [minderjarige] gedragsproblematiek heeft reeds enkele malen geleid tot uithuisplaatsing (op vrijwillige basis) in onder meer de [instelling]. Laatstelijk is zij weggebleven uit een ortho-psychiatrische groep van Spirit (hierna: ONL). De hulpverlening maakt zich ernstige zorgen over de veiligheid van de minderjarige, haar stemmingswisselingen, de hervatting van de auto-mutilatie en de relatie met haar 30-jarige vriend die zij kent uit de ‘Vondelparkbende’ en op wiens handel en wandel de hulpverlening

onvoldoende zicht heeft. De zorgelijke gedragingen van [minderjarige] lijken in ernst toe te nemen. Plaatsing in een open instelling acht de Raad op dit moment en onder de huidige omstandigheden niet haalbaar. [minderjarige] is noch gevoelig voor het gezag van haar ouders noch van ONL waar zij tot voor kort verbleef. Plaatsing bij moeder is evenmin een optie wegens de ernstig verstoorde relatie tussen moeder en dochter. Individuele en gezinsgerichte therapie is dringend geboden. Voorts moet bezien worden wat aanvullend nodig is om de veiligheid van de minderjarige in de toekomst te waarborgen.

De Raad acht een beschermingsmaatregel voor de duur van een jaar geboden. De ouders staan welwillend tegenover hulpverlening en werken daaraan mee. Het vrijwillig kader is in deze echter niet toereikend gebleken, daar de situatie de draagkracht en de draaglast van de ouders te boven gaat. Plaatsing in gesloten jeugdzorg stelt de hulpverlening in staat om vandaaruit in alle rust te kijken naar wat op korte termijn nodig, mogelijk en haalbaar is.

JBRA heeft zich ter zitting achter de verzoeken van de Raad geschaard. Desgevraagd zegt JBRA herplaatsing in gesloten jeugdhulp noodzakelijk te achten om te kunnen doorpakken en de veiligheid van [minderjarige] te kunnen waarborgen. De [instelling] is een vertrouwde plek voor [minderjarige]. Door eerdere opnamen aldaar kent zij de behandelaars. JBRA merkt op dat de doorplaatsing destijds naar ONL wellicht een te grote stap ineens is geweest. Om haar (fysieke) veiligheid te waarborgen, haar tot rust te laten komen en een terugval te vermijden, dient [minderjarige] tijdelijk in gesloten jeugdhulp te verblijven, doch beslist niet langer dan strikt noodzakelijk.

Desgevraagd hebben de ouders ter zitting verklaard achter de beschermingsmaatregel te staan als dat een positieve uitwerking op hun dochter zou hebben.

De minderjarige heeft zowel tijdens het kinderverhoor als plenair haar standpunt omtrent de verzoeken aan de kinderrechter kenbaar gemaakt. De conclusie luidt dat een derde opname in de [instelling] voor haar geen optie is, omdat het verblijf aldaar haar te veel stress oplevert, zij de groep als onveilig ervaart en de heropname haar route naar zelfstandigheid blokkeert. Voorts is zij van mening dat zij niet ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Desgevraagd zegt de minderjarige het liefst thuis bij haar moeder en zus te willen wonen en als dat niet kan, teruggeplaatst te willen worden in ONL.

De raadsvrouw van de minderjarige heeft ter zitting verklaard dat plaatsing in de [instelling] op zich bedoeld is voor langdurige behandeling van minderjarigen. In casu, zo begrijpt de taadsvrouw, wordt gestreefd naar een kortdurende heropname. [minderjarige] zelf wil zo spoedig mogelijk terugkeren naar ONL of een vergelijkbare instelling. ONL stelt de veiligheid van de minderjarige niet te kunnen garanderen. Ondanks het aanzienlijke bloedverlies dat recentelijk tot een ziekenhuisopname van [minderjarige] noopte, kan echter niet gezegd worden dat zij zichzelf in een onveilige situatie heeft gemanoeuvreerd. De argumenten die door de Raad zijn gehanteerd om de heropname in gesloten jeugdhulp van [minderjarige] te rechtvaardigen, waren per slot van rekening al bekend ten tijde van de doorplaatsing naar ONL.

Het klopt, zo stelt de raadsvrouw, dat [minderjarige] af en toe drugs en alcohol tot zich neemt, maar niet in die mate dat herplaatsing in gesloten jeugdhulp gerechtvaardigd zou zijn. [minderjarige] heeft al jaren hulp van JBRA op vrijwillige basis. Zij zou het fijn vinden om hulp van jeugdzorg te krijgen om de relatie met haar ouders te verbeteren. Tegen een ondertoezichtstelling bestaat op zich geen bezwaar.

Ten slotte merkt de raadsvrouw op dat het verzoek van de Raad niet aan de formele vereisten voldoet nu bij de stukken een verleningsbeslissing voor opname en verblijf in gesloten jeugdzorg ontbreekt.

De beoordeling

Op grond van de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is de kinderrechter van oordeel dat de minderjarige zodanig opgroeit, dat zij ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Hulpverlening in het vrijwillig kader is niet toereikend gebleken, daar de

problematiek van de minderjarige de draagkracht en draaglast van de ouders te boven gaat. De ouders zijn op dit moment onvoldoende in staat met passende acties en/of hulp van het netwerk/instanties onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging weg te nemen. De ouders hebben beperkt inzicht in [minderjarige] complexe gedragsproblematiek en haar ontwikkelings-fase. Voorts is [minderjarige] niet gevoelig voor hun gezag en is de relatie met de ouders ernstig verstoord geraakt. Overige factoren die tot een beschermingsmaatregel van de minderjarige nopen zijn haar zelfbepalende en frequente wegloopgedrag, de vaagheid over haar sociale en seksuele contacten en de zorgen over haar alcohol- en drugsgebruik. Tevens is gebleken dat de fysieke veiligheid van de minderjarige niet is gegarandeerd nu haar onverantwoorde handelwijze heeft geresulteerd in een ziekenhuisopname.

Uit voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het verzoek tot ondertoezichtstelling zal daarom worden toegewezen voor de duur van een jaar. De eerder op [datum] verleende voorlopige ondertoezichtstelling zal worden gehandhaafd tot heden.

Op dit moment zijn de acties waarmee aan de bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige in ieder geval gewerkt moet worden:

  • -

    het opstellen van een plan van aanpak;

  • -

    het realiseren van individuele en gezinstherapie,

  • -

    het op korte termijn realiseren van een veilige vervolgplaatsing en

  • -

    het verbeteren van de relatie tussen ouders en kind.

Opname en verblijf in gesloten jeugdhulp acht de kinderrechter gelet op de aanwezige gevaarscriteria geboden, zij het dat het verblijf van de minderjarige in gesloten jeugdhulp van zo kort mogelijke duur dient te zijn. De kinderrechter heeft goede nota genomen van de mededeling van JBRA daaromtrent.

Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.2 lid 2 van de Jeugdwet kan een machtiging gesloten jeugdhulp slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Bovendien dient de opneming en verblijf noodzakelijk te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.

De raadsvrouw van de minderjarige heeft ter zitting verweer gevoerd op het punt dat bij de stukken ex artikel 6.1.2 van de Jeugdwet een verleningsbeslissing van het college van burgemeester en wethouders (hierna: het College) of de GI ontbreekt.

Artikel 6.1.2 lid 5 van de Jeugdwet bepaalt dat een machtiging tot uithuisplaatsing slechts kan worden verleend indien het College of de GI heeft bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is.

De kinderrechter heeft ter zitting expliciet gevraagd of JBRA instemt met de gesloten plaatsing van de minderjarige. JBRA heeft daarmee uitdrukkelijk ingestemd.

De kinderrechter houdt het ervoor dat de gecertificeerde instelling daarmee heeft bepaald dat een dergelijke machtiging nodig is. Het verweer van de raadsvrouw treft derhalve geen doel.

Overigens zou op grond van artikel 6.1.2. lid 7 van de Jeugdwet voorbijgegaan kunnen worden aan voornoemd vereiste, daar de Raad in casu zowel schriftelijk als mondeling heeft bepaald dat een machtiging gesloten jeugdhulp noodzakelijk is te achten.

De kinderrechter zal de verleende spoedmachtiging gesloten jeugdhulp handhaven tot 9 februari 2015 en aansluitend een machtiging gesloten jeugdhulp verlenen tot 30 april 2015.

De beslissing

De kinderrechter:

- handhaaft de bij beschikking van de kinderrechter te Amsterdam van 2 februari 2015 uitgesproken voorlopige ondertoezichtstelling met ingang van [datum] tot heden;

- stelt de minderjarige onder toezicht van Jeugdbescherming Regio Amsterdam, gevestigd te Amsterdam, met ingang van 9 februari 2015 tot 9 februari 2016;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

- handhaaft de bij de beschikking van de kinderrechter te Amsterdam van 2 februari 2015 verleende spoedmachtiging om voornoemde minderjarige te doen opnemen en verblijven in gesloten jeugdhulp met ingang van [datum] tot heden;

- verleent aansluitend machtiging om voornoemde minderjarige in gesloten jeugdhulp te doen opnemen en verblijven met ingang van 9 februari 2015 tot (uiterlijk) 30 april 2015;

- wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.H. de Vries, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Hoenderdaal als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2015.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

  • -

    door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

  • -

    door ander belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Amsterdam.