Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:9774

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-11-2015
Datum publicatie
04-02-2016
Zaaknummer
AMS 15/1572
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uit artikel 3:2 van de Awb volgt dat verweerder met de premie van de ziektekostenverzekering en de woonkosten voorafgaand aan zijn besluitvorming omtrent de vaststelling van de aflossingscapaciteit rekening dient te houden. Indien deze gegevens ontbreken en of onjuist zijn, valt niet in te zien hoe verweerder de beslagvrije voet kan vast stellen met inachtneming van artikel 475d, vijfde lid van het Rv. Verweerder heeft dan ook ten onrechte geweigerd proceskosten in bezwaar toe te kennen. De rechtbank betrekt hierbij dat sprake is van een belastend besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/1572

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 november 2015 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. H. Beekelaar),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. H.H.J. ten Hoope en mr. M.H.M. Diderich).

Procesverloop

Bij besluit van 12 november 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aflossingscapaciteit van eiseres vastgesteld op € 47,58 en besloten dat de vakantietoeslag in de maand mei niet aan eiseres wordt uitbetaald.

Bij besluit van 3 februari 2015 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De enkelvoudige kamer van de rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juni 2015. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. H.H.J. ten Hoope. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Bij beslissing van 24 juni 2015 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak doorverwezen ter behandeling door de meervoudige kamer van de rechtbank.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2015. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiseres ontvangt een bijstandsuitkering. Bij besluit van 12 november 2014 heeft verweerder de uitkering van eiseres herzien en een bedrag van € 798,41 van haar teruggevorderd.

1.2.

Vervolgens heeft verweerder bij primair besluit onder andere de aflossingscapaciteit van eiseres vastgesteld op € 47,58. In bezwaar heeft eiseres aangevoerd dat zij geen draagkracht heeft. Ter onderbouwing daarvan heeft eiseres gegevens overgelegd met betrekking tot haar woonlasten en ziektekosten en zich op het standpunt gesteld dat verweerder om deze gegevens, in het kader van zorgvuldige besluitvorming, voorafgaand aan het primaire besluit had dienen te verzoeken.

2.1.

Bij besluit van 3 februari 2015 (hierna: besluit A) heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld.

2.2.

Bij afzonderlijk besluit van 3 februari 2015 (hierna: besluit B) heeft verweerder bepaald dat de vordering op eiseres buiten invordering wordt gesteld, omdat zij geen draagkracht heeft. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt. Bij beslissing op bezwaar van 20 maart 2015 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

3.1.

De rechtbank stelt vast dat het besluit B van 3 februari 2015 door verweerder is genomen op grond van de in bezwaar tegen het primaire besluit overgelegde gegevens. Deze wijze van besluitvorming is echter in strijd met het bepaalde in artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Immers pas in besluit B van 3 februari 2015 is de heroverweging van het primaire besluit van 12 november 2014 afgerond. De rechtbank duidt de besluiten A en B van 3 februari 2015 tezamen aan als het bestreden besluit omdat daarin de heroverweging is opgenomen van het primaire besluit van 12 november 2014. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, heeft het beroep tevens betrekking op het besluit van 20 maart 2015.

3.2.

De vraag die de rechtbank thans dient te beantwoorden is of verweerder bij het bestreden besluit gehouden was om aan eiseres een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de gemaakte kosten in bezwaar. Daartoe dient de rechtbank te beoordelen of het primaire besluit al dan niet dient te worden herroepen wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Verweerder heeft zich in dit verband primair op het standpunt gesteld dat het primaire besluit rechtmatig is en daarnaast ter zitting nader toegelicht dat bij de beoordeling of proceskosten dienen te worden toegekend in de bezwaarfase, gekeken wordt of sprake is van een zogenaamde contra-indicatie. Daarvan is volgens verweerder sprake. Eiseres had immers na het primaire besluit ‘een simpel telefoontje’ kunnen plegen met verweerder teneinde de beslagvrije voet opnieuw te laten vaststellen.

3.3.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat verweerder bij de vaststelling van de beslagvrije voet op grond van artikel 475d, vijfde lid, onder a en b, van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv), rekening dient te houden met de premie van de ziektekostenverzekering en de woonkosten van eiseres. In tegenstelling tot verweerder en anders dan in de uitspraak van deze rechtbank van 10 april 2015 (geregistreerd onder procedurenummer AMS 14/8320) is de rechtbank van oordeel dat uit artikel 3:2 van de Awb volgt dat verweerder met deze gegevens voorafgaand aan zijn besluitvorming omtrent de vaststelling van de aflossingscapaciteit rekening dient te houden. Indien gegevens over woonkosten en premie ziektekosten ontbreken en of onjuist zijn, valt niet in te zien hoe verweerder de beslagvrije voet kan vast stellen met inachtneming van artikel 475d, vijfde lid van het Rv. Daarbij betrekt de rechtbank in de oordeelsvorming dat het hier om een, voor eiseres, belastend besluit gaat.

4. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen uitsluitend voor zover daarbij geen proceskosten in bezwaar zijn toegekend. Met besluit B is verweerder immers teruggekomen op het primaire besluit. Dit is, gelet op hetgeen in rechtsoverweging 3.3. is overwogen, het gevolg van een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid in de zin van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de kosten van rechtsbijstand kosten betreffen die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt voorts dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde deel van het bestreden besluit. De rechtbank veroordeelt verweerder voorts met toepassing van dit artikellid in de door eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte proceskosten. De rechtbank begroot deze kosten met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) op € 490,- als kosten voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting, waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 0,5).

5. De rechtbank veroordeelt verweerder tevens in de door eiseres in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten bepaalt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op € 612,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor de zitting, 0,5 punt voor de nadere zitting, waarde per punt van

€ 490,- en een wegingsfactor 0,5 nu in beroep slechts de kostenvergoeding in bezwaar in geschil is).

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, dient verweerder tevens aan eiseres het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand is toegekend;

  • -

    bepaalt dat verweerder de kosten van rechtsbijstand van eiseres in bezwaar tot een bedrag van € 490,- vergoedt en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres in beroep tot een bedrag van € 612,50,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. van de Ven, voorzitter,

en mr. L.H. Waller en mr. D. Bode, leden,

in aanwezigheid van mr. C.A.R. Bleijendaal, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 november 2015.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.