Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:974

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-02-2015
Datum publicatie
25-02-2015
Zaaknummer
KG ZA 15-64
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot rectificatie van Stichting (vrijwilligersorganisatie van vrouwen en meisjes uit etnische minderheidsgroep) tegen de Gemeente Amsterdam, in kort geding afgewezen. De Gemeente heeft volgens de voorzieningenrechter niet onrechtmatig gehandeld door bij monde van de burgemeester te verklaren dat de subsidie is ingetrokken.

Aanleiding van deze kwestie was ambtsbericht van AIVD dat een deelneemster aan activiteiten van de stichting anti-integratief gedachtengoed zou verspreiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/579799 / KG ZA 15-64 MvW/MB

Vonnis in kort geding van 25 februari 2015

in de zaak van

de stichting

STICHTING OOGAPPEL,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres bij dagvaarding van 28 januari 2015,

advocaat mr. S.J.M. Jaasma te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE AMSTERDAM,

zetelend te Amsterdam,

gedaagde,

advocaten mr. A. Berends en mr. E. van der Hoeven te Amsterdam.

Partijen zullen hierna de Stichting Oogappel (of kortweg de Stichting) en de Gemeente worden genoemd.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 11 februari 2015 heeft de Stichting gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. De Gemeente heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.
Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

Ter zitting waren aanwezig:

aan de zijde van de Stichting: [naam 1] (hierna: [naam 1]) en

mr. Jaasma;

aan de zijde van de Gemeente: [jurist], juriste, [beleidsadviseur], beleidsadviseur en mrs. Berends en Van der Hoeven.

Bij brief van 17 februari 2015 heeft de raadsman van de Stichting aan de voorzieningenrechter een transcript gestuurd van (een deel van) het debat van de Raadscommissievergadering van 18 september 2014. De (raadslieden) van de Gemeente hebben daarop gereageerd bij brief van diezelfde dag, onder meezending van een USB-stick met opnamen van de gehele vergadering. De voorzieningen-rechter heeft kennis genomen van (de inhoud van) beide brieven.

2 De feiten

2.1.

De Stichting Oogappel is een vrijwilligersorganisatie die in 2010 is opgericht en bestaat uit vrouwen van een etnische minderheidsgroep van verschillende generaties.

Op haar website is onder meer het volgende vermeld:

De organisatie houdt zich bezig met het organiseren en uitvoeren van laagdrempelige activiteiten voor vrouwen en meiden. Hiermee geeft de stichting deze vrouwen de kans om beter te integreren en te participeren in de Nederlandse samenleving.”
De vrouwen en meisjes kunnen bij de Stichting terecht voor onder meer sportles, Nederlandse conversatieles, Spaanse les, Arabische les, Tajweed les, naailes en kookles.

2.2.

De Stichting huurde een kantoorruimte in het Huis van de Wijk in Amsterdam Nieuw West, van de Stichting Samenwonen en Samenleven. Als tegenprestatie verrichtten enige aan de Stichting verbonden vrouwen schoonmaakwerkzaamheden in deze ruimte.

2.3.

Bestuursleden van de Stichting en andere vrijwilligers hebben in 2012-2013 een opleiding voor vrijwilligers in Stadsdeel Nieuw West gevolgd en daarvoor een certificaat gekregen.

2.4.

[naam 1] heeft namens de Stichting bij de Gemeente projectvoorstellen ingediend en meegedongen naar subsidies daarvoor.

2.5.

In een ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) aan de Burgemeester van Amsterdam van 18 februari 2013 is onder meer het volgende vermeld:

Mevrouw [naam 2], beter bekend als [naam 2], geeft geregeld lessen aan groepen moslima’s. Deze lessen bevatten een gedachtegoed dat in strijd is met de democratische rechtsorde en dat leerlingen aanzet tot radicalisering en anti-integratief gedrag.

(…)

Duidelijk is geworden dat [naam 2] streeft naar de letterlijke toepassing van de Koran, de overlevering van de profeet en zijn metgezellen om de geloofsleer zo authentiek mogelijk uit te voeren. Ruimte voor bredere dan wel een andere interpretatie is er volgens haar niet. Ook wordt duidelijk dat [naam 2] zich vaak beroept op radicale schriftgeleerden en salafistische literatuur uit Saudi-Arabië. Tijdens de groepslessen blijft zij zich richten tot de gehele groep waardoor de uitspraken vooral generalistisch van aard zijn. (…) Buiten de lessen om geeft zij echter wel persoonlijke adviezen die in haar ogen een religieus-bindend karakter hebben. Deze adviezen hebben duidelijk een radicaal en anti-integratief karakter. Ter verduidelijking enkele voorbeelden:

Een leerling geeft aan dat haar echtgenoot fel tegen de lessen is die zij van [naam 2] krijgt, met name nadat deze echtgenoot kennis had gekregen van de inhoud: “(…) Hij beschuldigt mij steeds van fanatisme en extremisme net zoals mijn broer”. [naam 2] reageert hierop door te zeggen dat haar lessen prioriteit moeten krijgen boven alles, zij beschouwt het volgen van haar lessen “als een persoonlijke religieuze plicht (…)” en zij adviseert de leerling om niet alles te vertellen over de inhoud en het materiaal van deze lessen.

Daarbij benadrukt [naam 2] herhaaldelijk het verheimelijken van de lessen die zij geeft, zeggende dat de tijd nog niet rijp is om ermee naar buiten toe te treden en verwijst naar de uitspraak van verschillende schriftgeleerden dat het legitiem is in dit geval om echtscheiding aan te vragen: “De man moet zich niet bemoeien met wat de vrouw volgt, niemand is bevoegd om het vergaren van religieuze kennis te verhinderen, als het nodig is blijf de lessen in het geheim volgen, de kinderen moeten een strakke islamitische opvoeding volgens de sharia-leer krijgen, zelfs naar muziek mogen zij niet luisteren want dat is niet toegestaan. Jouw lesstof moet je goed verbergen, hij kan dat bij de Kuffar (ongelovigen) bekend maken hetgeen nadelig voor jou zal zijn en tot ernstige problemen kan leiden!” aldus [naam 2].

Ook is gebleken dat één van de deelnemende vrouwen op advies van [naam 2] gescheiden is van haar man omdat hij niet vijfmaal per dag bidt. (…)

Tot slot vindt [naam 2] dat iedereen die zich niet houdt aan de gebedsvoorschriften de doodsstraf verdient.
[naam 2] geeft les vanuit verschillende locaties, te weten:

- het ‘Huis van de Wijk’(…)

2.6.

Naar aanleiding van het onder 2.5 genoemde ambtsbericht (hierna ook: het ambtsbericht) heeft op 3 september 2013 een gesprek plaatsgevonden tussen burgemeester Van der Laan en [naam 1].

2.7.

Bij brief van 7 september 2013 heeft [naam 1] het volgende aan de burgemeester meegedeeld:

Naar aanleiding van ons gesprek (…) hebben wij een intern onderzoek verricht. De uitkomst van het onderzoek zullen we verder in deze brief toelichten.

Ten eerste willen we duidelijk maken dat wij dit zeer hoog opnemen binnen de organisatie.

(…)

Wat betreft het intern onderzoek hebben wij gesprekken gevoerd met de vrouwen en hen vragen gesteld over mevrouw [naam 2], de positie die zij inneemt binnen de groep en of mevrouw [naam 2] religieuze gesprekken heeft gevoerd en ze radicale opvattingen heeft aangepraat zoals het aansporen tot scheiden als de man niet 5 keer per dag bidt of bewust niet willen participeren binnen de Nederlandse samenleving. (…)

Geen van de vrouwen heeft bevestigd dat mevrouw [naam 2] radicale opvattingen erop na houdt binnen de groep. Zij ontkenden alle voorbeelden die we hen hebben voorgelegd.

Vervolgens hebben wij een gesprek gehad met [naam 2]. (…)

Tevens ontkent mevrouw [naam 2] alle (…) uitspraken. Over de vraag of zij heeft gefungeerd als lerares naar de vrouwen toe op welk gebied dan ook, heeft mevrouw [naam 2] gezegd dat zij slechts onderling binnen de groep elkaar het Arabische/Nederlandse alfabet leren, dit was echter bij het bestuur bekend. (…) Na ons gesprek met mevrouw [naam 2] zijn wij tot de conclusie gekomen dat wij geen andere keus hebben dan haar verhaal voor waarheid aan te nemen. Wij hebben haar duidelijk gemaakt dat zij nog steeds welkom is bij de Stichting Oogappel. (…) Ook is het voor ons onmogelijk om van iedereen te weten wat er speelt. Het komt vaak voor dat wij geassocieerd worden met andere stichtingen/vrouwen die activiteiten aanbieden. Wij nemen hier uitdrukkelijk afstand van. Wij zijn niet verantwoordelijk voor wat er gebeurd binnen Huis van de Wijk en onder de vrouwen buiten onze activiteiten om. (…) Doordat wij op vrijwillige basis werken en de vraag naar plek voor verschillende activiteiten toeneemt, sluiten wij niet uit dat deze uitspraken zijn gedaan over onze stichting om ons in een kwaad daglicht te stellen. Dit betreuren wij ten zeerste.

Helaas kunnen wij dit interne onderzoek niet voortzetten, omdat wij geen informatie hebben over de personen die hiermee zitten. Graag zouden wij in contact komen met deze personen om onze onderzoek voort te zetten en af te ronden.”

2.8.

Bij brief van 12 december 2013 heeft de Gemeente (Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling) aan de Stichting meegedeeld dat in afwachting van een vervolggesprek van [naam 1] met de burgemeester op 16 januari 2014, tot die datum projecten van de Stichting niet zullen meedingen c.q. zullen worden voorgedragen voor subsidies.

2.9.

Op 16 januari 2014 heeft opnieuw een gesprek plaatsgevonden tussen (onder anderen) [naam 1] en de burgemeester. In een concept verslag daarvan van de gemeente (abusievelijk gedateerd 16 januari 2013) is onder meer het volgende vermeld.

De burgemeester geeft aan dat hij ook met de AIVD heeft gesproken. Hij geeft aan dat hij slecht nieuws heeft voor de stichting Oogappel: de gemeente Amsterdam zal voorlopig geen geld aan de stichting Oogappel geven. (…) In een later gesprek met de AIVD heeft de AIVD de burgemeester verzekerd dat wat in het ambtsbericht staat waar is. De burgemeester geeft aan dat, als hij een dergelijk bericht van de AIVD ontvangt, hij hier als burgemeester op moet vertrouwen en dat hij dat dus ook doet.

De burgemeester geeft aan dat in de brief die [naam 2] hem op zijn verzoek had gestuurd, alle informatie, inclusief de genoemde citaten, totaal wordt ontkend. In de brief staat geen enkel begrip voor de zorg die de burgemeester heeft. De burgemeester geeft ook aan dat hij vindt dat ook de brief van de stichting Oogappel niet tegemoet komt aan zijn zorg. Weliswaar heeft de stichting gezegd te zijn geschrokken van deze uitspraken, maar op geen enkele wijze wordt de burgemeester gerustgesteld in zijn zorg. (…)

Als de stichting Oogappel toch weer wil meedingen met aanvraagrondes voor gemeentelijk geld, zal zij eerst duidelijk moeten aantonen dat zij de zorg van de gemeente serieus neemt. (…)

[naam 1] geeft aan dat ze geen radicale uitspraken heeft gehoord van / over [naam 2]. Als dat wel zo was geweest, had Oogappel stappen ondernomen, dan was [naam 2] niet welkom geweest. (…)

[naam 1] geeft aan dat ze zelf in een scheiding is verwikkeld en dat ze een slechte relatie heeft met haar ex-man. Die zou haar hebben gezegd dat hij haar zou aangeven voor radicalisme. De naam [naam 2] is thuis ook wel eens gevallen, mogelijk dat de ex-man van [naam 1] de melding over haar heeft gedaan. Ook zijn er binnen het stadsdeel andere groepen die het niet eens zijn met de stichting Oogappel en hen in een kwaad daglicht willen stellen (…). (…) De burgemeester geeft nogmaals aan dat wanneer de stichting Oogappel weer wil meedingen met rondes voor bijdragen vanuit de gemeente, zij goed moet nadenken over de vraag hoe zij de gemeente kan garanderen dat het geld niet verkeerd wordt besteed en er geen ruimte wordt geboden aan anti-integratieve geluiden c.q. aan mensen die aanzetten tot radicalisering, zoals [naam 2] dat doet. (…) De burgemeester biedt aan dat de gemeente hier eventueel over kan meedenken, maar dat de verantwoordelijkheid bij de stichting ligt. Het moet gaan om garanties, een intentie tot verbetering is onvoldoende. (…) De burgemeester geeft aan dat wanneer de stichting hier verder over wil doorpraten, zij contact kunnen opnemen met (…).

2.10.

Bij brief van 10 april 2014 heeft de directeur van de Stichting Samen Ondernemen [naam 3] (hierna: [naam 3]) aan [naam 1] meegedeeld dat de aanvragen van de Stichting in het kader van de “Regeling bewonersinitiatieven” op verzoek van Stadsdeel Nieuw West tot nader order worden aangehouden. Het betreft de volgende aanvragen:

- Project Naailes ad 350 euro - Project Meidenclub ad 695 euro

- Vrouwen in Beweging ad 950 euro

- Mantelzorg Medina ad 543,77 euro

2.11.

Bij brief van 12 juni 2014 heeft [naam 3] de huurovereenkomst en het schoonmaakcontract van de Stichting Samen Ondernemen met de Stichting opgezegd ‘op verzoek van de lokale overheid’.

2.12.

Bij brief van 16 juni 2014 heeft [naam 1] aan de burgemeester onder meer geschreven:

In de voorgaande brief heeft u Stichting de Oogappel verzocht om mevrouw [naam 2] vanwege betrokkenheid van het verspreiden van radicaal gedachtegoed, verdere toegang tot de Stichting te weigeren. Stichting de Oogappel kon mevrouw [naam 2] niet weigeren aangezien daartoe geen feiten of omstandigheden waren die het rechtvaardigen haar de toegang te ontzeggen. Het betreurt mevrouw [naam 2] dat de Stichting de dupe van de situatie is geworden. Als gevolg is mevrouw erg ziek en overspannen geraakt. Mevrouw heeft mede daardoor aangegeven niet meer deel te nemen aan de activiteiten van de Stichting Oogappel.

Naar aanleiding van het bovenstaande zouden wij graag een gesprek met u willen voeren met betrekking tot het voortbestaan van de stichting.”

2.13.

Bij brief van 5 juli 2014 heeft [naam 1] aan de burgemeester geschreven:

De Stichting wil hierbij allereerst benadrukken dat wij deze kwestie wel degelijk zeer serieus opvatten. Desalniettemin kunnen wij de aantijgingen jegens mevrouw [naam 2] niet bevestigen, wij hebben immers zelf nooit geconstateerd dat zij radicaliserend gedachtegoed verspreidde tijdens de activiteiten waaraan zij deelnam of anderzijds aanzette tot anti-integratief gedrag. De Stichting benadrukt dat dergelijk gedrag waar mevrouw [naam 2] zich (naar verluidt) aan schuldig heeft gemaakt absoluut niet wordt geaccepteerd of getolereerd door de Stichting. De Stichting zal nooit een persoon faciliteren bij het verspreiden van radicaliserend gedachtegoed of het aanzetten tot anti-integratief gedrag. Dit zou haaks staan op onze eigen doelstellingen. (…)

Wellicht ten overvloede merken wij op dat indien wij wel hadden geconstateerd dat mevrouw [naam 2] zulk kwalijk gedrag vertoonde, dat wij uiteraard meteen maatregelen zouden hebben getroffen. Stichting Oogappel neemt uitdrukkelijk afstand van dergelijk gedrag. Stichting Oogappel beoogd middels haar activiteiten immers juist dat vrouwen van etnische minderheidsgroepen beter in de Nederlandse samenleving kunnen participeren. Wij hopen dan ook van harte dat de Stichting nog lang in de gelegenheid zal blijven om deze doelstelling na te streven.”

2.14.

In het verslag van de vergadering van 18 september 2014 van de Raadscommissie Algemene zaken is, naar aanleiding van het agendapunt Openbare Orde en Veiligheid en schriftelijke vragen inzake integraal radicaliseringsbeleid, onder meer het volgende vermeld:

Heeft het college de kweekvijvers van radicaal gedachtegoed van de politieke islam en de risicogemeenschappen in kaart? Ja. Sinds 2004 wordt beleid gevoerd op het voorkomen en tegengaan van radicalisering en polarisatie. (…) Tijdens de ambtswoningbijeenkomst gaat de burgemeester daar verder op in. (…) Kan het college garanderen dat er geen jihadistische of soortgelijke boodschappen worden verkondigd in door de gemeente gesubsidieerde buurthuizen of andere ontmoetingsplekken? Dat kan ze niet garanderen want je kunt niet altijd overal bij zijn, maar in het ambtswoninggesprek zal de burgemeester de raad nadere informatie geven. (…) (…) Het is prima dat de burgemeester direct handelt bij buurthuizen, maar de gemeente moet wel alert zijn op het organiseren van huiskamerbijeenkomsten. (…) Huiskamerbijeenkomsten zijn inderdaad ongewenst, maar bijeenkomsten in een gesubsidieerd buurtcentrum lijkt nog veel ernstiger. De Amsterdammer zou het zo kunnen interpreteren alsof de gemeente radicalisatie subsidieert.”

2.15.

Volgens het (op 17 februari 2015 nagezonden) transcript van de commissievergadering van 18 september 2014, is daar de volgende vraag gesteld;

Kan het college garanderen dat er geen jihadistische of soortgelijke boodschappen worden verkondigd in de door de gemeente gesubsidieerde buurthuizen of andere ontmoetingsplekken?” Daarop is (door de burgemeester) geantwoord:

“(…) Nou, er komt hier niet een geheel onverwacht antwoord, nee dat kunnen wij niet garanderen, want wij kunnen niet overal altijd bij zijn. Wat ik u wel kan vertellen, is dat wij in een heftig gedoe verwikkeld zijn geraakt omdat bij een bepaalde instelling, maar daar ga ik u alles over vertellen in het ambtswoninggesprek, dat een mevrouw, die daar cursussen gaf, ik een ambtsbericht heb gehad van de AIVD, waarop ik vervolgens zowat met de hele stad ruzie heb gekregen toen ik zei, dan gaan we de subsidie intrekken. (…) Maar ik vind dat ik het als burgemeester niet kan verantwoorden om in mijn ene hand een ambtsbericht te hebben van de AIVD en de anti-integratieve opstelling van iemand en dat het aan de andere kant een gesubsidieerde club is, al is het een pinda.”

2.16.

In een artikel van 22 september 2014 in het dagblad Het Parool (verschenen op de website Parool.nl) staat onder meer:

Amsterdam stopt subsidie moslimvrouwenorganisatie na tip AIVD

Stichting Oogappel zou integratie tegenwerken

De gemeente Amsterdam heeft een islamitische vrouwenorganisatie haar subsidie afgepakt na een waarschuwing van de geheime dienst .

(…)

Het ambtsbericht van de geheime dienst had volgens ingewijden betrekking op één van de cursusleidsters van stichting Oogappel, die integratie zou tegenwerken. Officieel is Oogappel juist gericht op betere integratie van allochtone vrouwen. (…)

Weerstand

Zonder de stichting en de locatie te noemen sprak de burgemeester Van der Laan donderdag in de gemeenteraad over dit geval. Hij vertelde dat het intrekken van de subsidie op veel weerstand stuitte ‘van mensen uit de hele stad’. ‘Ik kan het als burgemeester echter niet verantwoorden in de ene hand een ambtsbericht te hebben over een anti-integratieve opstelling van iemand en met de andere hand de club subsidie te verlenen.’

Van het stadsdeel Nieuw-West kreeg Oogappel in elk geval in het jaar 2012 subsidie. (…)

Bestuurders van Oogappel waren niet bereikbaar voor een reactie .”

2.17.

De notulen van de openbare vergadering van de gemeenteraad van 1 oktober 2014 bevatten (onder meer) de volgende passages:

De heer [naam 4]: (…)

De groep radicaliserende moslims is sterk gegroeid. (…) Samen met mijn fractiegenoot (…) heb ik daarom begin juli al vragen gesteld over de Amsterdamse radicaliseringsaanpak. (…) Tot op de dag van vandaag heb ik de antwoorden daarop helaas nog niet mogen zien. Wel heeft de burgemeester tijdens de behandeling van deze vragen in de Raadscommissie (…) van 18 september mondeling verklaard dat hij op basis van een tip van de AIVD meteen de subsidie van een toen niet nader door de burgemeester genoemde organisatie had ingetrokken. Volgens verschillende media zou het om de Stichting Oogappel uit Nieuw-West gaan die blijkens haar website onder andere Arabische lessen aan vrouwen en meisjes aanbiedt. (…)

Burgemeester VAN DER LAAN : Het klopt dat de casus waaraan ik refereerde, zonder namen en rugnummers te noemen, de Stichting Oogappel was. Het verbaast mij dat dit zo snel naar buiten is gekomen, want het was niet mijn bedoeling om in het bijzonder daaraan aandacht te geven. U verbindt het gegeven met jihadisme. Daar was in dit geval geen sprake van. Heel in het kort had de AIVD mij een ambtsbericht gegeven over lessen die door iemand gegeven werden die anti-integratief waren. Kort gezegd riep de dame die de lessen gaf cursusdeelnemers op om te scheiden als hun echtgenoot niet vijf keer per dag zou bidden et cetera. Het lag op het vlak van anti-integratie. (…) Wij hebben de stichting gevraagd hoe dit heeft kunnen gebeuren en gevraagd om maatregelen te nemen om te voorkomen dat het opnieuw zou gebeuren. Wij zijn daarbij niet tevreden gesteld. Toen kwam de vraag aan de orde of we door zouden gaan met het verlenen van subsidie. Het toenmalige college heeft besloten dat men geen subsidie hoort te krijgen als men dit niet kan regelen. (…)”

2.18.

Bij brief van 30 oktober 2014 heeft de raadsman van de Stichting aan de Gemeente verzocht om de ‘blokkade’ op te heffen en de subsidierelatie met de Stichting te hervatten.

2.19.

Bij brief van 24 november 2014 heeft de burgemeester aan de (raadsman van de) Stichting meegedeeld niet voornemens te zijn de subsidieregeling met de Stichting te hervatten en toegelicht waarom niet. Ook staat in de brief dat onjuist is dat de gemeente het stopzetten van de subsidie van de Stichting in de openbaarheid heeft gebracht, aangezien de naam van de Stichting in de gemeenteraad aanvankelijk niet is genoemd.

2.20.

Bij brief van 6 februari 2015 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de raadsman van de Stichting bevestigd dat op 23 januari 2015 een klacht is ontvangen, ingediend op 15 januari 2014, namens de Stichting over de AIVD en dat deze klacht zal worden voorgelegd aan de commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

3 Het geschil

3.1.

De Stichting vordert:

dat de Gemeente wordt gelast om:

(A). uiterlijk 1 week na de uitspraak bij monde van de burgemeester openlijk te erkennen dat de mededeling in de gemeenteraad en in de media dat de subsidie van de Stichting is beëindigd een onjuiste mededeling betrof, omdat de Stichting op dat moment geen subsidie ontving;

(B). bij monde van de burgemeester aan te geven dat de Gemeente het betreurt dat de Stichting hierdoor negatief in het nieuws is gekomen en dat de Gemeente een volledige rehabilitatie van de Stichting voorstaat;

(C). kenbaar te maken dat de Stichting een betrouwbare stichting is en dat de Gemeente het goed vindt dat andere door de Gemeente gesubsidieerde instellingen weer met de Stichting gaan samenwerken zonder dat dit voor hen negatieve gevolgen met zich zal brengen;

een en ander door middel van een officiële bekendmaking van de Gemeente op haar website en via een persbericht aan alle Amsterdamse media. Voorts vordert de Stichting (D) veroordeling van de Gemeente tot betaling aan de Stichting van een voorschot op een schadevergoeding van € 1,-.

3.2.

De Stichting heeft, kort samengevat, aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de Gemeente, bij monde van de burgemeester, onrechtmatig jegens de Stichting heeft gehandeld, door onjuiste mededelingen over de Stichting te doen, waardoor de Stichting reputatieschade en financiële schade heeft geleden. De mededeling dat de subsidie van de Stichting is ingetrokken is onjuist, want de Stichting ontving op dat moment geen subsidie. Voorts is het onjuist dat de Stichting radicaal islamitisch gedachtegoed aanwakkert, ondersteunt, stimuleert of faciliteert en integratie zou tegenwerken. Integendeel: de Stichting staat juist integratie voor.

3.3.

De Gemeente voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Voorop staat dat de Stichting een voldoende spoedeisend belang heeft bij een beoordeling van haar vorderingen in kort geding. Aannemelijk is dat de Stichting na het ambtsbericht en de daaruit voortvloeiende gevolgtrekkingen haar huisvesting is kwijtgeraakt en niet in aanmerking komt voor subsidie van de Gemeente. Dit brengt een spoedeisend belang met zich, hetgeen de Gemeente ook niet, althans onvoldoende, heeft weersproken.

4.2.

Aan de orde is vervolgens de vraag of de (rechter in een eventuele bodemprocedure zal oordelen dat de) Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld jegens de Stichting en gehouden is om over te gaan tot rectificatie. Slechts indien dat het geval is, kan de vordering in kort geding worden toegewezen.

4.3.

De Stichting heeft in de eerste plaats gevorderd dat de Gemeente dient te erkennen dat de mededeling die zou zijn gedaan in de gemeenteraad en in de media, inhoudend dat de subsidie van de Stichting is ingetrokken, dient te worden gerectificeerd. Die mededeling zou onjuist zijn, omdat de Stichting ten tijde van die mededeling helemaal geen subsidie ontving.

4.4.

Aanvankelijk heeft de Gemeente betoogd dat de burgemeester noch in de media, noch in de gemeenteraad zou hebben gesproken over intrekking van de subsidie, of over een ambtsbericht van de AIVD. Op grond van de notulen van de commissievergadering van 18 september 2014, in combinatie met het verslag van de raadsvergadering van 1 oktober 2014 en de daarin geciteerde vragen/opmerkingen van de heer [naam 4], acht de voorzieningenrechter het echter met de Stichting aannemelijk dat de burgemeester, zonder de naam van de Stichting te noemen, in de commissievergadering heeft gesproken over intrekking van de subsidie, alsook over een ambtsbericht van de AIVD. Dit is na de zitting ook bevestigd door de overlegging van het transcript van de desbetreffende vergadering, (‘ik een ambtsbericht heb gehad van de AIVD (…) dan gaan we de subsidie intrekken’ zie bij 2.15) waarvan de Gemeente de juistheid op zichzelf niet heeft betwist. Anders dan de Stichting heeft betoogd, maakt dat de uiting van de burgemeester echter naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet onrechtmatig jegens de Stichting. Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

4.5.

In de commissievergadering is aan de orde geweest dat geen subsidie zal worden verstrekt aan organisaties (buurthuizen) die mogelijk anti-integratieve activiteiten ontplooien en/of het uiten van radicaal islamitisch gedachtegoed propageren en/of faciliteren. In dat verband is de kwestie met de Stichting aan de orde gekomen. Niet in geschil is dat naar aanleiding van het ambtsbericht van de AIVD de toen lopende subsidieaanvragen van de Stichting zijn afgewezen. In die context heeft de burgemeester zijn uitlatingen gedaan. Strikt genomen is geen sprake van ‘intrekking’ van subsidie, als, zoals tussen partijen niet in geschil is, de Stichting op dat moment geen subsidie ontving. Het verschil in betekenis tussen het intrekken van subsidie en het niet (langer) verlenen daarvan (het afwijzen van aanvragen) is echter dermate subtiel, dat de uitlating van de burgemeester in deze context niet als onrechtmatig kan worden aangemerkt. Indien de burgemeester zou hebben verklaard dat de subsidieaanvraag was afgewezen in plaats van dat de subsidie was ingetrokken, zouden de gevolgen daarvan voor de Stichting immers vermoedelijk niet anders zijn geweest. Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering onder A wordt afgewezen.

4.6.

De Stichting heeft voorts gevorderd dat de Gemeente dient aan te geven het te betreuren dat de Stichting door de uitlatingen negatief in het nieuws is gekomen en dat de Gemeente een volledige rehabilitatie van de Stichting voorstaat, alsook dat zij kenbaar dient te maken dat de Stichting een betrouwbare stichting is en dat de Gemeente het goed vindt dat andere door de Gemeente gesubsidieerde instellingen weer met de Stichting gaan samenwerken, zonder dat dit voor hen negatieve gevolgen met zich zal brengen.

4.7.

Ten aanzien van de onder 4.6 vermelde vorderingen (3.1, B en C) wordt allereerst opgemerkt, dat deze niet zozeer feitelijke mededelingen behelzen, maar veeleer zijn geformuleerd als een verplichting tot het geven van waardeoordelen. Toewijzing van de vorderingen in deze vorm is om die reden al problematisch, aangezien geen juridische grondslag bestaat voor een veroordeling tot het uiten van een mening waar de veroordeelde niet achter staat.

4.8.

Het voorgaande neemt niet weg dat de Gemeente in beginsel tot het plaatsen van een (met inachtneming van het onder 4.6 overwogene, aangepaste) rectificatie zou kunnen worden veroordeeld, als haar uitlatingen (althans die van de burgemeester) onrechtmatig zouden zijn. Volgens de Stichting is daarvan sprake, aangezien geen gronden zouden bestaan voor de mededeling dat de Stichting bezig zou zijn met het aanwakkeren van anti-integratief gedrag, of radicaal islamitisch gedachtegoed, of daartoe de gelegenheid zou bieden.

4.9.

De burgemeester heeft zich bij zijn uitlatingen over de Stichting, waarvan hij pas de naam heeft genoemd, nadat dat in de media was gebeurd, gebaseerd op een ambtsbericht van de AIVD. De Gemeente heeft in dat verband terecht aangevoerd dat de burgemeester dergelijke ambtsberichten serieus dient te nemen, en in beginsel mag afgaan op de juistheid ervan. De Gemeente heeft de Stichting gelegenheid gegeven tot wederhoor en vervolgens nog navraag gedaan bij de AIVD. Dit alles heeft de Gemeente geen aanleiding gegeven om te concluderen dat het ambtsbericht onjuist zou zijn, of gebaseerd zijn op uitlatingen van personen die de Stichting ten onrechte in een kwaad daglicht willen stellen. Zij heeft dan ook geen grond gevonden om haar standpunt te herzien.

Opgemerkt wordt voorts dat de burgemeester geen uitspraken heeft gedaan inhoudend dat de Stichting radicale islamitische opvattingen zou ondersteunen, maar alleen dat aanwijzingen bestaan dat een deelneemster aan de activiteiten van de Stichting anti-integratieve uitspraken heeft gedaan en dat de Gemeente instellingen waar dit aan de orde is niet wenst te subsidiëren. Ook nadat zij de visie van de Stichting heeft gekregen, heeft de Gemeente haar standpunt op dit punt gehandhaafd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de Stichting onvoldoende gesteld om aan te nemen dat de Gemeente niet in redelijkheid tot haar zienswijze heeft kunnen komen, en/of met de handhaving van haar standpunt in strijd handelt met de van haar te verwachten zorgvuldigheid. De Stichting heeft het ambtsbericht van de AIVD niet ontkracht. Zij heeft geen bewijsstukken, zoals schriftelijke verklaringen van de betrokken deelneemster en andere deelnemende vrouwen, in het geding gebracht. Ook op deze punten bestaat dan ook voor een veroordeling tot het plaatsen van een rectificatie vooralsnog geen grond.

4.10.

Aan de Stichting kan worden toegegeven dat moeilijk van haar kan worden gevergd dat zij de juistheid van het ambtsbericht onderschrijft – wat zoals ook ter zitting is gebleken, een voorwaarde is van de Gemeente om eventueel weer met de Stichting in zee te gaan – als haar interne onderzoek die conclusie niet wettigt en zij daarvoor ook verder geen aanwijzingen heeft, zoals zij ook heeft vermeld in de brief van de Stichting van 5 juli 2014 (2.13), waarin zij bovendien uitdrukkelijk afstand neemt van het gestelde radicale gedachtengoed.

Voorts stuit de Stichting op het probleem dat de berichtgeving van de AIVD grotendeels vertrouwelijk en voor haar niet toegankelijk is, zolang de bronnen ervan onbekend zijn en dat zij zich daartegen moeilijk kan verweren.

Het voorgaande is echter onvoldoende om de vorderingen van de Stichting toe te wijzen, aangezien dit niet zonder meer betekent dat aan de juistheid van het ambtsbericht zou moeten worden getwijfeld. Weliswaar heeft de Stichting een klacht ingediend tegen de AIVD, maar dat is pas recentelijk gebeurd en het biedt voorshands onvoldoende aanknopingspunten om met het standpunt van de Stichting mee te gaan. Dit zou pas anders kunnen zijn, indien zal blijken dat haar klacht gegrond is.

4.11.

Al met al wordt voorshands geconcludeerd dat van onrechtmatig handelen aan de zijde van de Gemeente geen sprake is. Voor toewijzing van de gevorderde (symbolische) schadevergoeding is dan ook evenmin plaats. Daar komt bij dat de Stichting andere (bestuursrechtelijke) middelen ten dienste staan om het afwijzen van subsidieaanvragen aan te vechten, zoals de Gemeente terecht heeft aangevoerd.

4.12.

Als de in het ongelijk gestelde partij wordt de Stichting veroordeeld in de kosten van dit geding, gevallen aan de zijde van de Gemeente.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen;

5.2.

veroordeelt de Stichting in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van de Gemeente begroot op:

– € 613,- € 613,- aan griffierecht en

– € 613,- € 816,- aan salaris advocaat.

5.3.

veroordeelt de Stichting in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op

€ 131,- aan salaris advocaat, te vermeerderen met € 68,- en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt;

5.4.

verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Walraven, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Balk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2015.1

1 type: Fout! Verwijzingsbron niet gevonden. coll: