Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:9690

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-11-2015
Datum publicatie
21-01-2016
Zaaknummer
3824845 CV EXPL 15-2671
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Woningontruiming na grievende uitlatingen over verhuurder

Een man moet zijn woning ontruimen, nadat hij meermaals agressieve en uitermate grievende uitlatingen over zijn verhuurder en bij naam genoemde medewerkers op zijn weblog plaatste. Daarmee heeft de man zich volgens de kantonrechter niet gedragen als een goed huurder.

De corporatie van wie de man huurt had om ontruiming gevraagd omdat de man meerdere zeer negatieve boodschappen op zijn weblog had gepubliceerd. De man werd in april 2014 al veroordeeld tot het verwijderen van die lasterlijke uitlatingen. Dat heeft de man niet gedaan. Na verwijdering van zijn weblog door Google heeft de man een nieuwe weblog opgezet waarop de betreffende berichten zijn gepubliceerd. Ook stuurde de man deze berichten aan verschillende personen en instanties. Het is duidelijk dat de man niet zal stoppen met zijn uitlatingen.

De kantonrechter erkent dat man een zwaarwegend belang (vrijheid van meningsuiting) heeft om zich te kunnen uitlaten – ook zeer kritisch – over de woningcorporatie. Dat geldt in principe ook voor meningen of veronderstellingen die niet met bewijzen zijn onderbouwd. Echter, naarmate de beschuldigingen ernstiger van aard worden, wordt het belang van de corporatie bij de bescherming van haar goede naam en de bescherming van haar medewerkers als goed werkgever zwaarder. Dan mogen hogere eisen worden gesteld aan een onderbouwing van de beschuldigingen aan de hand van het beschikbare feitenmateriaal.

Die onderbouwing ontbreekt volledig. Daardoor kunnen de uitlatingen van de man slechts ten doel hebben gehad de betrokken medewerkers en de corporatie te beschadigen. Met deze onrechtmatig grievende uitlatingen heeft de man zich niet als goed huurder gedragen. Dit vormt een ernstige tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst. En dus wordt de huurovereenkomst ontbonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/131
WR 2016/64

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 3824845 CV EXPL 15-2671

vonnis van: 30 november 2015 (bij vervroeging)

fno.: 438

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

de stichting Stichting Stadgenoot

gevestigd te Amsterdam

eiseres

nader te noemen: Stadgenoot

gemachtigde: mr. R.J. Polle

t e g e n

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

nader te noemen: [gedaagde]

aanvankelijk procederend in persoon, thans gemachtigde mr. T.J. Stapel

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende stukken bevinden zich in het procesdossier:

- dagvaarding van 28 januari 2015 met producties;
- akte houdende eiswijziging;

- het schriftelijk stuk van [gedaagde] met als opschrift ‘Dit is niet de conclusie van antwoord, maar een aanmaning de rechtbank en stichting Stadgenot te bewegen om de regels omtrent de dagvaarding te respecteren’;

- de rolbeslissing d.d. 20 april 2015, waarin werd bepaald dat Stadgenoot in de gelegenheid werd gesteld om te reageren op bovenbedoelde akte van [gedaagde] en dat [gedaagde] daarna in de gelegenheid zou worden gesteld om te reageren op zowel de dagvaarding als de daarna door Stadgenoot ingediende akten;

- de antwoordakte van Stadgenoot, met producties;

- de schriftelijke reactie van [naam] , ingediend namens [gedaagde] ;
- het instructievonnis d.d. 18 mei 2015 waarin werd bepaald dat schriftelijk wordt doorgeprocedeerd en waarin de zaak werd verwezen naar de rolzitting van 22 juni 2015 voor repliek aan zijde van Stadgenoot.

Vervolgens heeft [gedaagde] op 18 mei 2015 een wrakingsverzoek ingediend. Daarop is bij beschikking d.d. 20 augustus 2015 afwijzend beslist.

Bij akte van 21 oktober 2015 heeft Stadgenoot verzocht de zaak weer op de rol te plaatsen, heeft zij verklaard af te willen zien van repliek en om vonnis gevraagd. Bij rolbeslissing van 26 oktober 2015 is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om zich daarover uit te laten. Daarna heeft [gedaagde] ingediend een ‘Antwoordakte’ en een brief ten behoeve van de rolzitting van 9 november 2015, afgegeven bij de centrale balie van de rechtbank.

Tevens werd ten behoeve van de rolzitting van 9 november 2015 ontvangen een antwoordakte van mr. T.J. Stapel, waarover [gedaagde] aanvankelijk op de rolzitting verklaarde dat deze zonder zijn instemming is ingediend en als ‘vervallen’ diende te worden beschouwd. Bij brief van 12 november 2015 verklaarde [gedaagde] dat laatstbedoelde akte toch gehandhaafd diende te blijven en dat mr. Stapel zich niet als raadsman in de procedure zal onttrekken. Laatstbedoelde akte wordt derhalve aan het procesdossier toegevoegd.

Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet (voldoende) weersproken, alsmede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden inhoud van de bewijsstukken, staat in dit geding het volgende vast:

1.1.

[gedaagde] huurt van Stadgenoot de woning gelegen aan het [adres] te [plaats] .

1.2.

[gedaagde] onderhoudt enkele internetsites en weblogs over diverse onderwerpen, hierna aangeduid als ‘weblogs’. Op een van deze weblogs heeft [gedaagde] vermeld: ‘Ik heb deze weblog opgezet met als doel anderen te waarschuwen voor praktijken van Stadgenoot en haar kliek te waarschuwen’.

1.3.

In diverse berichten op zijn weblogs heeft [gedaagde] zich negatief uitgelaten over acties van de zijde van (onder meer) Stadgenoot jegens hem. Daarbij heeft hij woorden gebruikt zoals:
In het bericht van 17 januari 2013

‘onwettige acties’,

‘laffe onrechtmatige acties’,


In het bericht van 1 oktober 2013:

‘criminele levens-ontwrichtende renovatieplannen’,

‘oplichterspraktijken van woningcorporatie Stadgenoot’,

‘list en bedrog-informatieavond’,

‘misdadige doofpotactiviteiten’,

‘in samenwerking met de politie camerabeelden laten verdwijnen’

‘misdadige bezigheden’,

‘Waar zij die beelden? Geef eens antwoord mijnheer [naam betrokkene1]

‘Open brief opgesteld i .s. m. onze corrupte woningcorporatiedirecteur, oud werknemer van Stadgenoot, kroegloper, snuiver [naam betrokkene 2] en onze corrupte – wie naait wie – waarheidscommissie’

In het bericht van 29 december 2013:
’(…) Stadgenoot is een onbetrouwbare, criminele organisatie die bewoners van 171 appartementen lange tijd onnodig en welbewust aan groot gevaar heeft blootgesteld door een >>>pyromaan ongehinderd veelvuldig brand te laten stichten!’

In een bericht van 6 februari 2014:

‘misdrijven van uw criminele organisatie en haar kliek’,

‘criminele baas’,

‘de misdadige werkwijze van woningcorporatie Stadgenoot’,

‘Stadgenoot doet valse aangifte’,

‘Stadgenoot en politie frauderen met bewakingscamerabeelden’,

‘misdadige Stadgenoot’

1.4.

In veel gevallen heeft [gedaagde] de door hem op zijn weblogs geplaatste berichten tevens per e-mail gezonden aan medewerkers van Stadgenoot en aan derden, zoals de media, politieke partijen en maatschappelijke instellingen.

1.5.

Bij brief van haar gemachtigde d.d. 6 februari 2014 heeft Stadgenoot [gedaagde] gesommeerd tot (onder meer) verwijdering van bovenbedoelde uitlatingen van zijn weblogs en zich te onthouden van onrechtmatige uitlatingen over haar en haar medewerkers

1.6.

Bij vonnis in kort geding d.d. 4 april 2014 heeft de voorzieningenrechter te Amsterdam jegens [gedaagde] onder meer de volgende veroordelingen uitgesproken (waarbij de ‘lasterlijke uitlatingen’ als genoemd onder r.o 4.8 van dat vonnis de meeste van de hiervoor onder 1.3 geciteerde bewoordingen betroffen):


‘5.1. veroordeelt [gedaagde] om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis alle lasterlijke uitlatingen die betrekking hebben op Stadgenoot en/of haar medewerkers, zoals hiervoor onder 4.8 genoemd en verder alle uitingen van gelijke strekking, van internet dan wel via enig ander openbaar medium te verwijderen en verwijderd te houden,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis alle namen van medewerkers van Stadgenoot en door haar ingeschakelde derden, voor zover die in die uitlating in verband worden gebracht met strafbare gedragingen of woorden van gelijke strekking, van internet dan wel enig ander openbaar medium te verwijderen en verwijderd te houden,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] om zich te onthouden van het doen van

onrechtmatige uitlatingen als bedoeld onder 4.8 of uitlatingen van gelijke strekking,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] om aan Stadgenoot een dwangsom te betalen van € 250,- voor iedere keer en iedere dag dat hij niet aan dein 5.1, 5.2 of 5.3 uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt,

1.7.

[gedaagde] is in hoger beroep gekomen van dit kort geding vonnis. De appelprocedure heeft enige vertraging opgelopen omdat [gedaagde] niet alleen de met de behandeling van de zaak belaste raadsheren van hof Amsterdam heeft gewraakt, maar ook de leden van de wrakingskamer van hof Den Haag die dat wrakingsverzoek behandelden. Beide wrakingsverzoeken zijn afgewezen. In het hoger beroep is nog niet beslist.

1.8.

Na verwijdering van een of enkele weblog(s) van [gedaagde] door Google heeft hij een nieuwe weblog opgezet waarop de betreffende berichten zijn gepubliceerd.

1.9.

Het onder 1.6 bedoelde kort geding vonnis is op 24 april 2014 aan [gedaagde] betekend. Op 17 juni 2014 heeft de gerechtsdeurwaarder een Proces-verbaal van constatering opgesteld, inhoudende dat [gedaagde] niet aan de veroordelingen in het vonnis heeft voldaan en dat [gedaagde] inmiddels het maximum aan dwangsommen zoals bepaald in het vonnis heeft verbeurd.

1.10.

In een bericht op zijn weblog van 16 juni 2014 noemt [gedaagde] een met name genoemde medewerkster van Stadgenoot een ‘Onnozel, onbeschoft bedrijfsjuristenwicht’ die onder meer ‘voor haar criminele baas van Stadgenoot afspraken maakte met een pyromaan…

1.11.

Bij brief van 7 juli 2014 heeft Stadgenoot de huurovereenkomst met [gedaagde] opgezegd op de grond dat deze zich niet als goed huurder gedraagt. [gedaagde] heeft niet ingestemd met een beëindiging van de huurovereenkomst.

1.12.

In een bericht d.d. 8 januari 2015 heeft [gedaagde] op zijn weblog onder meer de volgende tekst gepubliceerd:
Geen Kalasjnikovs bij Stadgenoot
Misdaadgroep Stadgenoot gebruikt geen kalasjnikovs om [gedaagde]
de >>> de dood in te jagen, maar zij en haar steeds grotere kliek
>>> corrupte >>> handlangers waaronder >>> grijnzende woningontruimers is absoluut te vergelijken met de terreur groep die in Parijs 12 mensen koelbloedig vermoorden om hun zinnen door te drijven’

1.13.

Stadgenoot heeft op 8 januari 2015 van bovengenoemd feit aangifte gedaan bij de politie.

1.14.

In een bericht op zijn weblog van 9 maart 2015 noemt [gedaagde] een met name genoemde medewerker – van wie tevens een foto werd gepubliceerd – van Stadgenoot een ‘leugenaar’ en ‘huurmoordenaar’. De betrokken medewerker heeft op dezelfde dag van dit feit aangifte gedaan bij de politie.

1.15.

Op verzoek van Stadgenoot en naar aanleiding van het onder 1.6 bedoelde kort geding vonnis heeft Google (de verwijzingen naar) het oorspronkelijke weblog van [gedaagde] met de naam [website] verwijderd. Direct daarop heeft [gedaagde] de inhoud daarvan – inclusief de uitlatingen waarop het vonnis betrekking heeft – gepubliceerd op een andere website onder de [website] . Dit weblog is via Google toegankelijk.

Vordering

2. Stadgenoot vordert – na wijziging van eis – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de huurovereenkomst tussen partijen te ontbinden en [gedaagde] te veroordelen tot ontruiming van het gehuurde, met al de zijnen en het zijne, onder afgifte van de sleutels en al hetgeen verder tot de woning behoort en tot het ter vrije en algehele beschikking van Stadgenoot stellen van de woning.

3. Aan deze vordering legt Stadgenoot ten grondslag dat [gedaagde] zich niet als goed huurder gedraagt door onrechtmatige, belastende, lasterlijke en onjuiste berichten over Stadgenoot te publiceren, daarbij tevens namen van haar medewerkers te publiceren en deze berichten op grote schaal via internet te verspreiden. Dit ondanks diverse sommaties, een veroordelend vonnis en € 10.000,- aan dwangsommen. Zowel Stadgenoot als haar medewerkers lijden daardoor schade. Dit onder meer doordat bij zoekopdrachten via Google op de naam van de medewerker direct de lasterlijke teksten van [gedaagde] over hen op het scherm verschijnen, aldus Stadgenoot.

Verweer

4. [gedaagde] heeft in zijn schriftelijke reactie zijnde ‘niet de conclusie van antwoord’ onder meer het volgende aangevoerd. Aan de dagvaarding ontbreken de producties 15, 16 en 17 van Stadgenoot. Ook kloppen een aantal producties dan wel de verwijzingen daarnaar niet. Na onderzoek op de griffie van de rechtbank is hem gebleken dat het exemplaar van de dagvaarding met producties in het rechtbankdossier precies gelijk was aan het exemplaar dat hij van de deurwaarder heeft ontvangen. Volgens [gedaagde] dient Stadgenoot alsnog een volledige dagvaarding inclusief ontbrekende producties en bovendien originele kopieën van (pagina’s van) de website van [gedaagde] zonder pijltjes en onderstrepingen over te leggen, bij gebreke waarvan de dagvaarding nietig dient te worden verklaard.

5. In de namens [gedaagde] ingediende schriftelijke reactie van [naam] wordt aangevoerd dat Stadgenoot strafbare feiten heeft gepleegd, dat valt te begrijpen dat [gedaagde] daarover uitspraken doet op zijn weblog, dat hij daarbij hoor en wederhoor toepaste door de berichten tevens per e-mail aan belanghebbenden toe te zenden en dat [gedaagde] moet worden aangemerkt als een klokkenluider die misstanden aan de kaak stelt en daarbij een beroep doet op de vrijheid van meningsuiting. Omdat het gaat om criminele activiteiten mogen naam en toenaam worden gepubliceerd, aldus deze reactie.

6. In de als laatste door en namens [gedaagde] ingediende antwoordakten en brief heeft [gedaagde] bovendien nog aangevoerd dat op grond van de wet slechts in een beperkt aantal gevallen ontbinding van de huurovereenkomst kan worden gevorderd en dat een dergelijk geval zich hier niet voordoet. [gedaagde] betwist dat hij zich niet als goed huurder zou gedragen. Hij wijst er op dat hij altijd zijn huur heeft betaald. Volgens [gedaagde] schrijft hij op zijn weblog slechts ‘…over de ‘immense Amsterdamse doofpotzaak inzake honderden brandstichtingen in het grote wooncomplex van Stadgenoot waar [gedaagde] woont. Brandstichtingen die veel leed, ellende, verdriet en een zwaargewond, voor het leven verminkt, slachtoffer hebben veroorzaakt. Tevens schrijft [gedaagde] dat hij de pyromaan die jarenlang wekelijks zo’n drie branden stichtte en waar Stadgenoot afspraken mee had, heeft gestopt en aan de politie heeft overgedragen. Ook schrijft [gedaagde] over de zeer zware onmenselijke klokkenluidervervolging die Stadgenoot als reactie daarop, al jarenlang op [gedaagde] toepast.’ Het huurrecht leent zich niet voor de beoordeling van de door Stadgenoot ingestelde vordering en Stadgenoot dient niet ontvankelijk te worden verklaard. De jarenlange dreiging dat hij dakloos wordt en alles kwijtraakt dient te worden beëindigd, aldus [gedaagde] . Ook is er volgens hem sprake van strijd met het ‘ne bis in idem’-beginsel omdat Stadgenoot hem voor de tweede maal vervolgt voor hetzelfde feit. Subsidiair wil [gedaagde] in de gelegenheid worden gesteld om op een comparitie van partijen te reageren op de stellingen van Stadgenoot. Volgens [gedaagde] heeft hij nog steeds niet inhoudelijk kunnen reageren, onder meer omdat de dagvaarding niet aan de wettelijke eisen voldoet en bovendien niet compleet is.

Beoordeling

7. Waar nodig zal hierna nader worden ingegaan op de stellingen en verweren van partijen. Geoordeeld wordt als volgt.

8. [gedaagde] heeft terecht opgemerkt dat de producties die Stadgenoot bij haar dagvaarding had gevoegd noch compleet, noch in de juiste volgorde waren. Stadgenoot heeft echter daarna bij akte de ontbrekende producties als door [gedaagde] genoemd alsnog overgelegd. Dat Stadgenoot op prints van pagina’s van de website van [gedaagde] bij bepaalde teksten pijlen en strepen heeft gezet doet er niet aan af dat uit het betreffende stuk kan blijken wat [gedaagde] heeft gepubliceerd, omdat evident is dat de betreffende toevoegingen door (de gemachtigde van) Stadgenoot zijn aangebracht. Nu na de aanvullende akte van Stadgenoot zowel de tekst van de dagvaarding, de producties als het verband daartussen voldoende duidelijk is, bestaat er geen grond voor het nietig verklaren van de dagvaarding.

9. Stadgenoot heeft afgezien van het recht om te reageren op het inhoudelijke verweer van [gedaagde] tegen de dagvaarding en de akte houdende wijziging van de vordering van Stadgenoot. [gedaagde] heeft na de eis van Stadgenoot tweemaal inhoudelijk verweer gevoerd (namelijk voor en na het instructievonnis d.d. 18 mei 2015). Uit het verweer van [gedaagde] blijkt dat deze de door Stadgenoot gestelde uitlatingen en publicaties op zijn weblog niet betwist en niet voornemens is om de uitlatingen op zijn weblog, die Stadgenoot aan de vordering ten grondslag heeft gelegd, te verwijderen. Kern van het geschil is derhalve de vraag of [gedaagde] zich niet als goed huurder gedraagt door deze uitlatingen op zijn weblog te doen en te handhaven, en zo ja of daardoor een ontbinding van de huurovereenkomst wordt gerechtvaardigd. Gelet op het voorgaande kan thans vonnis worden gewezen.

10. [gedaagde] heeft in dat verband een beroep gedaan op de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10 lid 1 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Dit grondrecht kan slechts worden beperkt indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Stadgenoot stelt dat de uitlatingen van [gedaagde] jegens haar en haar medewerkers onrechtmatig zijn. Indien de uitlatingen van [gedaagde] onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is sprake van een beperking als hiervoor bedoeld die bij de wet is voorzien. Voorts kan artikel 7:213 BW worden aangemerkt als een beperking die in de wet is voorzien, omdat het doen van onrechtmatige uitlatingen over Stadgenoot en haar medewerkers in strijd moet worden geacht met goed huurderschap. Beoordeeld moet worden of het recht op vrije meningsuiting van [gedaagde] zwaarder weegt dan het recht op bescherming van eer of goede naam van Stadgenoot en haar medewerkers. Daartoe dienen de wederzijdse belangen te worden afgewogen.

11. [gedaagde] heeft een zwaarwegend belang om zich te kunnen uitlaten – ook zeer kritisch – over gedragingen van Stadgenoot, ook in het openbaar. Dat geldt in beginsel ook indien die uitlatingen slechts zien op een mening of veronderstelling, zonder dat deze met bewijzen is onderbouwd. Naarmate de beschuldigingen ernstiger van aard worden zal het belang van Stadgenoot bij de bescherming van haar goede naam zwaarder wegen en zullen hogere eisen mogen worden gesteld aan een onderbouwing door [gedaagde] van zijn beschuldigingen aan de hand van het beschikbare feitenmateriaal.

12. Hetgeen Stadgenoot in dit opzicht aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd komt er op neer dat [gedaagde] in het openbaar en bij herhaling stelt dat zij zich schuldig maakt aan ernstige strafbare feiten en bedrog. Bewijs voor de beschuldigingen ontbreekt volledig. Voldoende staat vast dat Stadgenoot daardoor schade lijdt, reeds in de vorm van aantasting van haar goede naam. Bij gebrek aan voldoende feitelijke onderbouwing van de beschuldigingen geeft het belang van Stadgenoot om te worden beschermd tegen dergelijke ernstige beschuldigingen de doorslag en zijn deze uitingen onrechtmatig.

13. Daar komt bij dat [gedaagde] Stadgenoot, haar medewerkers en door haar ingeschakelde derden in het openbaar, althans jegens een groot aantal geadresseerden, heeft vergeleken met (en gelijkgesteld aan) de terroristen die op 7 januari 2015 de aanslag op Charlie Hebdo in Parijs hebben gepleegd. Deze uitlatingen, waarbij geen redelijk belang aan de zijde van [gedaagde] valt te ontdekken maar die voor Stadgenoot en haar medewerkers uitermate grievend zijn, zijn zonder meer onrechtmatig.

14. Gesteld noch gebleken is welk redelijk belang van [gedaagde] is gediend met het in het openbaar, althans ongevraagd aan een zeer groot aantal geadresseerden gericht, doen van uitlatingen die direct een bepaalde medewerker van Stadgenoot betreffen (waarvan op de website niet alleen de naam maar veelal ook een foto of filmopname wordt weergegeven). [gedaagde] heeft immers slechts een rechtsverhouding met Stadgenoot en de betrokken medewerkers verrichten slechts werkzaamheden en doen slechts uitlatingen namens en in opdracht van Stadgenoot. Daarbij komt dat de uitlatingen zoals geciteerd onder r.o. 1.3 en met name onder r.o. 1.10 en 1.14 uitermate grievend zijn voor de betrokken medewerkers van Stadgenoot. Deze medewerkers worden niet alleen zelf geconfronteerd met deze uitlatingen, maar weten dat deze eveneens zijn verzonden aan een (zeer) groot aantal andere personen en organisaties. Bovendien worden deze medewerkers geconfronteerd met het feit dat iedereen (en dus ook hun familie, vrienden en bekenden) die via Google informatie over hen opzoekt met deze uitlatingen wordt geconfronteerd, in elk geval zolang [gedaagde] de betreffende uitlatingen niet van zijn website heeft verwijderd.

15. Gelet op het ontbreken van een redelijk belang van [gedaagde] enerzijds, en het zeer grievende en agressieve karakter van de uitlatingen anderzijds, kunnen de uitlatingen van [gedaagde] over de afzonderlijke medewerkers van Stadgenoot slechts ten doel hebben de betrokken medewerkers persoonlijk te beschadigen. Dit is in hoge mate onrechtmatig jegens die medewerkers en ook jegens Stadgenoot, die zich reeds op grond van haar verplichting om als goed werkgever te handelen hun belang dient aan te trekken.

16. Door onrechtmatig grievende uitlatingen over Stadgenoot en over individuele medewerkers van Stadgenoot te doen als hiervoor bedoeld, heeft [gedaagde] zich niet als goed huurder gedragen. Dit vormt een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen van [gedaagde] uit de huurovereenkomst. Een tekortkoming vormt grond voor ontbinding van de huurovereenkomst.

17. Hetgeen namens [gedaagde] is aangevoerd houdt mede een beroep in op het gebrek aan proportionaliteit tussen de tekortkoming en de gevolgen van een ontbinding van de huurovereenkomst. Gelet op het bepaalde in artikel 8 EVRM, en de uitleg daarvan door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, en het bepaalde in artikel 6:265 lid 1 BW, dient de kantonrechter deze proportionaliteit te toetsen. Beoordeeld moet worden of de tekortkoming, gelet op de aard en omvang daarvan en op de overige omstandigheden van het geval, in dit geval de ontbinding van de huurovereenkomst en (dus) de ontruiming van de woning rechtvaardigt.

18. Bij die beoordeling is enerzijds het woonbelang van [gedaagde] van belang en anderzijds de ernst van de tekortkoming (daaronder begrepen de gevolgen voor Stadgenoot en haar medewerkers). Ook is daarbij van belang of er alternatieven zijn om de belangen van Stadgenoot en haar medewerkers te beschermen en of er perspectief bestaat op een toekomst waarin de betreffende tekortkoming niet meer voorkomt.

19. De aard van de tekortkoming is – zeker waar het de uiterst onbehoorlijke en agressieve openbare bejegening van medewerkers van Stadgenoot persoonlijk betreft – zeer ernstig. Zowel omdat de betreffende medewerker persoonlijk wordt geraakt wegens het feit dat deze uitsluitend zijn of haar werk doet, als omdat de uitlatingen een sterk openbaar karakter hebben. Daar komt bij dat de uitlatingen – doordat zij op een website zijn gedaan – in beginsel blijvend op internet te vinden zullen zijn waardoor de betrokken medewerker er ook in de toekomst mee zal worden geconfronteerd.

20. Bij wijze van alternatief heeft Stadgenoot reeds een vordering ingesteld gericht op een gebod tot verwijdering van de gewraakte uitlatingen en op een verbod voor de toekomst. Dit heeft geleid tot het onder 1.6 bedoelde vonnis waarin deze vorderingen zijn toegewezen. Ondanks het feit dat in dat vonnis een hoge dwangsom was opgelegd heeft [gedaagde] niet aan het vonnis voldaan. Integendeel, nadat Google (de verwijzingen naar) zijn oorspronkelijke weblog met de in het kort geding vonnis als onrechtmatig aangemerkte uitlatingen had verwijderd, heeft [gedaagde] de inhoud daarvan (inclusief die uitlatingen) opnieuw gepubliceerd in een openbaar toegankelijk nieuw weblog.

21. Daarnaast is [gedaagde] voortgegaan met het doen van onrechtmatige uitlatingen die (met name ten aanzien van de medewerkers persoonlijk) in sommige gevallen ernstiger van aard waren dan in de periode vóór het vonnis. Uit kennisname van het openbare weblog van [gedaagde] , naar aanleiding van een verwijzing naar dat weblog in zijn laatste brief, bleek dat [gedaagde] ook in 2015 – tijdens de onderhavige procedure – is doorgegaan met het plaatsen van namen met foto’s of filmopnamen van (andere) medewerkers van Stadgenoot met daarbij woorden zoals ‘huurmoordenaars’, ‘beroepsleugenaar’ en andere negatieve kwalificaties.

22. [gedaagde] is zich ten volle bewust van de ernst van de situatie. Bij herhaling heeft hij in zijn processtukken aangevoerd dat de onderhavige procedure er in zal resulteren dat hij tot ontruiming wordt veroordeeld, en dat dit grote consequenties voor hem heeft. Niettemin vormt dit voor hem geen enkele aanleiding om een einde te maken aan de tekortkomingen, integendeel, verwezen wordt naar het voorgaande. Dat betekent dat ook een voorwaardelijk uitgesproken ontbinding – namelijk voor het geval [gedaagde] niet direct de onrechtmatige uitlatingen over (de medewerkers van) Stadgenoot definitief zal verwijderen – niet zal leiden tot een beëindiging van de onrechtmatige bejegening door [gedaagde] jegens (de medewerkers van) Stadgenoot.

23. Gelet op het voorgaande ontbreekt elk toekomstperspectief op beëindiging en verwijdering door [gedaagde] van de betreffende uitlatingen. Daaruit volgt dat de enige mogelijkheid voor (de medewerkers van) Stadgenoot om in de toekomst gevrijwaard te blijven van (nieuwe) onrechtmatige uitlatingen gelegen is in een verbreking van de relatie tussen Stadgenoot en [gedaagde] .

24. Uit het voorgaande volgt dat er sprake is van een tekortkoming van ernstige aard, met name waar het de gevolgen voor de medewerkers van Stadgenoot betreft, terwijl een alternatief om de belangen van Stadgenoot en haar medewerkers te beschermen is geprobeerd maar geen resultaat heeft gehad omdat [gedaagde] heeft geweigerd om aan een rechterlijk vonnis te voldoen, terwijl evenmin uitzicht bestaat op een vrijwillige beëindiging van de tekortkoming door [gedaagde] . Onder die omstandigheden bestaat er voldoende proportionaliteit tussen de tekortkomingen van [gedaagde] en de gevolgen van ontbinding, te weten de ontruiming van het gehuurde.

25. Dat betekent dat de vorderingen toewijsbaar zijn zoals hierna zal worden bepaald.

26. [gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten aan de zijde van Stadgenoot belast.

BESLISSING


De kantonrechter:

ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen;

veroordeelt [gedaagde] om het gehuurde aan het [adres] te [plaats] met al de zijnen en het zijne, onder afgifte van de sleutels en al hetgeen verder tot het gehuurde behoort, en tot het ter vrije en algehele beschikking van Stadgenoot stellen van het gehuurde, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Stadgenoot tot op heden begroot op:

-griffierecht: € 116,00

-kosten dagvaarding: € 96,16

-salaris gemachtigde: € 175,00

--------------

Totaal: € 387,16

inclusief eventueel verschuldigde BTW;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 50,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. C.L.J.M. de Waal, kantonrechter, en bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 november 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.