Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:9679

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-08-2015
Datum publicatie
19-01-2016
Zaaknummer
C/13/573217 / FA RK 14-7221
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verzoek vervangende toestemming verhuizing naar Israel afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummers / rekestnummers: C/13/573217 / FA RK 14-7221 en C/13/586189 / FA RK 15/3125

Beschikking van 12 augustus 2015 betreffende wijziging van het gezag, de hoofdverblijfplaats en de verdeling van de zorg- en opvoedtaken (bij vervroeging)

in de zaak van:

[vader] [vader],

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vader,

advocaten mr. L. Bosch en mr. P.G.M. Vlaar te Hoorn,

tegen

[moeder] [moeder],

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de moeder,

advocaten mr.drs. E.J. Kim-Meijer en mr. W.A. van der Stroom-Willemsen te Den Haag.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Amsterdam,
locatie Amsterdam,
hierna te noemen: de Raad.

1 Het verdere verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder de verzoeken van partijen.

Bij beschikking van 25 maart 2015 heeft deze rechtbank zich bevoegd verklaard ten aanzien van de verzoeken van de vader om primair te bepalen dat de vader het eenhoofdig gezag zal hebben over [minderjarige] , subsidiair te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader zal zijn en meer subsidiair een zorgregeling vast te stellen inhoudende dat de vader [minderjarige] gedurende 7 dagen en nachten in veertien dagen bij zich zal hebben. De rechtbank heeft de zaak verder in de stand waarin deze zich ten tijde van de uitspraak bevond doorverwezen naar de meervoudige kamer en bepaald dat de moeder uiterlijk tien dagen voor de nadere behandeling een verweerschrift zal indienen. Elke verdere beslissing is aangehouden.

De inhoud van deze beschikking wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.

De voortzetting van de behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting met gesloten deuren van 9 juli 2015.

Gehoord zijn de vader, bijgestaan door zijn advocaten, de moeder bijgestaan door haar advocaten en door een tolk, mevrouw R. Bachrach.

De Raad voor de Kinderbescherming is abusievelijk niet voor de zitting opgeroepen.

2 De (verdere) feiten

Bij vonnis van 23 december 2014 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank - voor zover hier relevant - in conventie bepaald in het kader van een voorlopige zorgregeling dat de minderjarige [minderjarige] iedere week van zaterdag tot zondag bij de vader zal verblijven, onder de voorwaarde dat daarbij een van zijn familieleden aanwezig is.

3 De verzoeken en de verweren

Thans liggen ter beoordeling door deze rechtbank voor:

- de verzoeken van de vader (na wijziging en aanvulling) om:

1. primair: te bepalen dat de vader het eenhoofdig gezag zal hebben over [minderjarige] ,

subsidiair: te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader zal zijn en

meer subsidiair een zorgregeling vast te stellen inhoudende dat de vader [minderjarige] gedurende 7 dagen en nachten in de veertien dagen bij zich zal hebben en

2. per de eerst mogelijke datum, dan wel per datum (tussen-) beschikking de thans bij voorlopige voorziening bepaalde beperkende voorwaarde aan de huidige (weekend)zorgregeling, in de zin van een permanent toezicht, op te heffen, zo mogelijk en nodig in de afwachting van een Raadsonderzoek;

3. hem vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op een Nederlands georiënteerd, niet religieus ultra orthodox Joods kinderdagverblijf, primair in [woonplaats] , te weten “ [kinderdagverblijf 1] ”, dan wel - tijdelijk- in [woonplaats] : “ [kinderdagverblijf 2] ”

- de verzoeken van de moeder om:

a. te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben;

b. de moeder vervangende toestemming te verlenen per 1 juli 2015 met [minderjarige] naar Netanya (Israël) te verhuizen op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW)

c. primair te bepalen dat, bij het verlenen van vervangende toestemming aan de moeder om met [minderjarige] te mogen verhuizen, een begeleide zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader zal gelden zoals weergegeven in haar verzoekschrift, subsidiair te bepalen dat bij afwijzing van het verzoek tot het verkrijgen van vervangende toestemming met [minderjarige] te mogen verhuizen, de huidige begeleide zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader zal worden voortgezet waarbij de vader [minderjarige] haalt en brengt en de vakantieregeling zal gelden zoals in het verzoekschrift uiteengezet;

d. te bepalen dat de paspoorten van [minderjarige] - het Nederlandse en het Israëlische paspoort - per datum te wijzen beschikking door de advocaat aan de moeder kunnen worden verstrekt.

Op de stellingen van partijen wordt hieronder nader ingegaan.

4 De beoordeling

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd.

Gezag

De vader heeft zijn verzoek tot wijziging van het gezag als volgt onderbouwd.

Hij heeft zich vanaf de geboorte van [minderjarige] gedragen als een verantwoordelijke ouder. Hij heeft maandenlang een groot deel van de zorg voor haar gedragen. Aan deze zorg werd abrupt een einde gemaakt toen [minderjarige] , pas 10 maanden oud, door de moeder op slinkse wijze werd ontvoerd naar Israël. Vanaf dat moment, tot haar – gedwongen – terugkeer naar Nederland eind 2014, heeft de vader niet meer voor [minderjarige] kunnen zorgen zoals hij en [minderjarige] gewend waren.

De vader ontkent de stelling van de moeder dat de relatie met de moeder werd gekenmerkt door ruzies en escalaties. Uit de stukken blijkt genoegzaam dat de moeder de vader telkens heeft geprobeerd in een kwaad daglicht te stellen met de bedoeling om [minderjarige] te isoleren van de vader en dat zij een leven wilde beginnen met [minderjarige] , zonder de vader, in Israël. Ondanks de strijd die sindsdien bestaat is er door de inspanningen van de vader iedere week persoonlijk contact geweest tussen de vader en [minderjarige] omdat de vader wekelijks naar Israël is gevlogen en daar heeft verbleven. Daarnaast is er meerdere malen per week Skypecontact geweest tussen [minderjarige] en de vader. Inmiddels vindt er een regeling in Nederland plaats waarbij [minderjarige] iedere zaterdag en zondag bij de vader is, aanvankelijk onder begeleiding van familie en thans van een oppas.

Volgens de vader heeft de moeder geheel tegen de belangen van [minderjarige] in gehandeld door opeens naar Israël te vertrekken en het intensieve en goede contact tussen vader en kind moedwillig te verbreken. Zij trekt zich nog steeds weinig aan van de rechten en belangen van de vader (en [minderjarige] ). Toen de moeder eenmaal gedwongen werd om terug te keren heeft zij zich – in plaats van terug te keren naar de voor [minderjarige] bekende woonomgeving [woonplaats] , alwaar de vader ook woonde – gevestigd in [woonplaats] , op de maximale afstand die door de Israëlische rechter was toegestaan. Dit terwijl de moeder daar geen enkel anker had. In [woonplaats] heeft zij [minderjarige] , zonder instemming van de vader ingeschreven op een ultra orthodox Joods kinderdagverblijf. De moeder volgt volledig haar eigen spoor en respecteert de vader in zijn geheel niet. Dit getuigt niet van verantwoordelijk ouderschap. De vader kan er niet op vertrouwen dat de moeder niet nogmaals [minderjarige] mee zal nemen naar het buitenland zonder zijn toestemming. De communicatie tussen partijen is zeer slecht. De moeder blijft volharden in haar pogingen de vader volledig buiten spel te zitten. Hierdoor dreigt een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] bij handhaving van het gezamenlijk gezag klem of verloren zal raken tussen de ouders, aldus de vader. De moeder is niet in staat tot verantwoord ouderschap, zodat [minderjarige] gebaat is bij een eenhoofdig gezag van de vader.

De moeder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader om het gezamenlijk gezag te beëindigen en de vader te belasten met het eenhoofdig gezag.

De moeder heeft daartoe aangevoerd dat partijen vanaf het begin een uiterst moeizame relatie hebben gehad, gekenmerkt door vele ruzies en gewelddadige dreigementen van de vader aan het adres van de moeder. De escalaties namen na de geboorte van [minderjarige] in omvang toe. Iedere dag hadden partijen ruzie. De politie in [woonplaats] heeft moeten ingrijpen. De moeder heeft vanaf de geboorte van [minderjarige] het zorgprimaat gehad. Zij nam alle beslissingen en regelde alle zaken en zij moest toesnellen als de vader het met de zorgtaken niet zag zitten. De vader kon [minderjarige] niet aan, hetgeen leidde tot problemen tussen partijen. Op 23 december 2014 is de moeder met [minderjarige] vertrokken naar Israël. Zij zag zich daartoe genoodzaakt omdat zij geen perspectieven meer zag in Nederland. De vader heeft haar destijds meegedeeld dat hij er geen bezwaar tegen had dat de moeder en [minderjarige] naar Israël zouden vertrekken, aldus de moeder. Uit het rapport dat in opdracht van partijen en met instemming van de rechtbank in Israël door het Dr. Tal Centrum is opgesteld blijkt dat de psychische gesteldheid van de vader zodanig is dat hij therapie nodig heeft en aan zichzelf moet werken. Op basis van dat rapport zijn destijds door de Israëlische rechter voorwaarden gesteld aan de omgang tussen de vader en [minderjarige] . Niet is gebleken dat hij op de een of andere manier hulp heeft gezocht voor zijn eigen problemen met het opvoeden van [minderjarige] . De moeder constateert dat de vader nog steeds erg boos is. De omgang vindt nu nog altijd, ook na toetsing door een Nederlandse rechter in kort geding, onder begeleiding plaats.

Ondanks de moeizame relatie met de vader heeft de moeder aldoor meegewerkt aan de continuering van de omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] . De moeder is naar Nederland teruggekeerd en houdt zich aan de rechterlijke aanwijzingen. Het is tot op heden gelukt om de omgang in Nederland nu al zeven maanden naar behoren uit te voeren. Tussen partijen worden wetenswaardigheden over [minderjarige] uitgewisseld. De vader stelt vragen aan de moeder, de moeder geeft adviezen aan de vader en er worden over en weer foto’s gestuurd. Daarnaast is de vader intussen ook een aantal keren naar het kinderdagverblijf van [minderjarige] geweest. Partijen zijn ook in staat geweest samen afspraken te maken over eventuele wijzigingen in het omgangschema in verband met werkzaamheden van de vader in het buitenland. Volgens de moeder is er niet voldaan aan de criteria om het gezamenlijk gezag te wijzigen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van artikel 1:253n BW kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen, het gezamenlijk gezag beëindigen onder andere indien de omstandigheden zijn gewijzigd. Het verzoek dient te worden getoetst aan het criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren dreigen te raken tussen de ouders, en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen dan wel dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk wordt geacht.

Het feit dat de moeder in december 2013 met [minderjarige] is verhuisd naar Israël zonder de vader daarvoor toestemming te vragen, en op zodanige wijze dat de vader daartegen niet tijdig actie heeft kunnen ondernemen, is een aanwijzing dat voortzetting van het gezamenlijk gezag in deze situatie de nodige vragen oproept. Tussen partijen is sindsdien de rechtsstrijd in alle hevigheid opgelaaid. Partijen zijn het nu al bijna twee jaar over de meest essentiële punten, zoals woonplaats/hoofdverblijfplaats, zorgregeling en kinderdagverblijf pertinent niet eens. Gelet ook op de tegenovergestelde standpunten voor wat betreft elkaars opvoedkundig functioneren valt op dit moment niet in te zien wie van partijen de meest gerede gezaghebbende ouder zou moeten zijn. Daartegenover staat dat het partijen thans, ondanks deze tegenstellingen, toch lukt om de zorgregeling na te komen en overleg te voeren over zaken die [minderjarige] aangaan.

De rechtbank kan zich voorstellen dat indien duidelijkheid is ontstaan over de door de moeder verzochte verhuizing, partijen mogelijk met behulp van mediation en/of hulpverlening, toch in staat zullen zijn om op de één of andere manier vorm te geven aan het gezamenlijk gezag. Echter, om op dit moment een beslissing te kunnen nemen op het verzoek van de vader om het gezamenlijk gezag te beëindigen en hem te belasten met het eenhoofdige gezag, heeft de rechtbank behoefte aan meer informatie. De rechtbank zal het verzoek daarom aan de Raad voorleggen voor een advies.

De behandeling van het verzoek van de vader wordt pro forma aangehouden voor de duur van vier maanden in afwachting van een advies van de Raad voor de Kinderbescherming waarin antwoord dient te worden gegeven op de in het dictum te vermelden vragen.

Verzoek vervangende toestemming verhuizing

Bij de huidige stand van zaken waarin het gezamenlijk gezag voorlopig in ieder geval in stand blijft totdat de rechtbank anders heeft beslist, heeft de moeder voor het wijzigen van de woonplaats van [minderjarige] toestemming van de vader nodig. Nu deze toestemming niet door de vader is verleend, is zij gerechtigd de rechtbank te verzoeken hierover een beslissing te nemen in de door haar gewenste zin.

De moeder heeft ter onderbouwing van haar verzoek het volgende gesteld.

De relatie van partijen is vanaf het begin uiterst moeizaam geweest en er waren vele ruzies en gewelddadige dreigementen van de vader richting de moeder. Na de geboorte van [minderjarige] zijn die escalaties toegenomen. Naar aanleiding van huiselijk geweld is de politie ook aan de deur geweest. Toen de moeder eenmaal in Israël was, is zij direct de echtscheidingsprocedure gestart en is zij niet uit vrije wil uit Israël teruggekeerd, omdat zij bang was voor haar veiligheid en die van [minderjarige] . In de gerechtelijke procedures in Israël is de vader onderzocht door het dr. Tal Centrum. Op grond van de bevindingen van dat onderzoek heeft de omgang in Israël en inmiddels in Nederland altijd onder begeleiding plaatsgevonden.

De moeder heeft de vader destijds in Israël ontmoet en is naar Nederland gekomen omdat de vader alhier een baan vond. Zij heeft een M.A. studie afgerond en in de perioden dat de vader werkloos was, tot haar vertrek met [minderjarige] , uit Nederland de broodwinner. Zij heeft veel moeite gedaan om in Nederland een leven met de vader op te bouwen, Nederlands te leren en in Nederland werkzaam te zijn. Echter het was altijd de bedoeling om uiteindelijk terug te keren. Partijen en [minderjarige] zijn Joods en Israëlisch staatsburgers.

De moeder lijdt intussen aan enorme heimwee naar haar thuisland. Zij is depressief. Haar familie en haar sociale netwerk bevinden zich in Israël. De moeder heeft sinds enige tijd een relatie met een man in Israël, die aldaar moet blijven wonen vanwege zijn werk en omdat hij drie kinderen heeft die hij (mede) verzorgt in Israël.

De moeder heeft alle condities in Israël gecreëerd om het leven daar verder vorm te geven. Zij beschikt over een appartement direct boven de woning van haar ouders, de grootouders van [minderjarige] . De moeder heeft een goede baan bij [bedrijf] die zij kan voortzetten bij terugkeer, zodat ook de financiële situatie gunstig is. [minderjarige] spreekt vloeiend Hebreeuws en heeft een goed contact met haar familieleden in Israël, ook met de familieleden van de vader. [minderjarige] heeft bovendien van 29 december 2013 tot 18 december 2014 een leven geleid in Israël en is aldaar ook geaard.

In Nederland heeft de moeder daarentegen geen familie en weinig tot geen vrienden, zij neemt geen deel aan het sociale leven in Nederland en verkeert in een sociaal isolement.

De gewenste verhuizing hoeft bovendien niet zoveel problemen op te leveren omdat er genoeg mogelijkheden zijn om het contact tussen [minderjarige] en de vader te waarborgen.

De vader heeft net als de moeder nauwe banden met Israël, hij spreekt vloeiend Hebreeuws en zijn volledige familie woont in Israël. Hij heeft ook mogelijkheden om werkzaamheden te verrichten in Israël. Hij heeft al eerder in Israël gewoond en gewerkt. Voor de vader is het in verhouding relatief gemakkelijk om zijn leven weer in Israël op te bouwen. Partijen waren, gedurende de relatie, ook gewend om samen geregeld in Israël te verblijven.

Bovendien heeft de vader in de periode dat [minderjarige] zich in Israël bevond steeds (begeleid) contact met haar gehad. Hij had contact met haar om de dag gedurende zes uren. Nadat de vader een nieuwe baan had in Nederland kwam hij ieder weekend naar Israël om contact te hebben met [minderjarige] . Daarnaast was er ook veelvuldig Skypecontact. De moeder komt de huidige zorgregeling goed na, zij zal er alles aan doen de aangepaste zorgregeling, waarin ook compensatie wordt geboden voor het verlies aan contacten, zo goed mogelijk te laten verlopen en de vader op de hoogte houden van alle ontwikkelingen in het leven van [minderjarige] . De door haar voorgestelde regeling is praktisch ook haalbaar.

Netanya is een goede leefomgeving voor [minderjarige] . Het is een uiterst moderne stad met goede scholen, uitstekende gezondheidsvoorzieningen en goede basis- en vervolgscholen. Er zijn goede toekomstperspectieven.

Om voornoemde redenen is het in het belang van [minderjarige] dat de moeder, haar hoofdverzorgster, met [minderjarige] naar Israël kan verhuizen, aldus de moeder.

De vader heeft verweer gevoerd tegen het verzoek en daartoe het volgende aangevoerd.

Anders dan de moeder heeft gesteld is het van meet af aan de bedoeling van partijen geweest dat zij min of meer permanent zouden vertrekken uit Israël en hun bestaan in Nederland zouden opbouwen. Beide partijen wilden zich ontworstelen aan de claimende druk van hun ouders en aan de voortdurend dreigende sfeer die in Israël permanent heerst. Partijen hebben aan deze wens ook uitvoering gegeven onder ander door een woning te kopen. Uit de stukken blijkt ook dat partijen bereid waren het Israëlisch staatsburgerschap op te geven. De moeder heeft zich, evenals de vader, alle moeite getroost om de Nederlandse taal machtig te worden en zij hebben allebei een goede baan in Nederland weten te vinden. Partijen waren in het geheel niet religieus praktiserend, of anderszins traditioneel Joods. Partijen hadden in Nederland ook genoeg vrienden en een uitgebreid sociaal leven. [minderjarige] is in die zin in Nederland geaard.

De vader betwist ten stelligste dat er van meet af aan sprake is geweest van een uiterst moeizame relatie tussen partijen, die gekenmerkt zou zijn door ruzies en gewelddadige dreigementen. Uit diverse documenten blijkt dat de moeder tot haar vertrek zich juist dankbaar en blij toonde met het leven dat zij leidde met de vader. Zij heeft ondanks haar stellingen niet eerder in Nederland aangifte gedaan tegen de vader. De aangifte vlak voor haar vertrek was een afleidingsmanoeuvre om stiekem met [minderjarige] via een omweg naar Israël te kunnen vertrekken. De moeder heeft sinds haar vertrek eind 2013 alles uit de kast getrokken om het contact tussen de vader en [minderjarige] te verbreken. Zij heeft daartoe meerdere manipulatieve pogingen gedaan. Zij houdt op geen enkele wijze rekening met de gevolgen van haar handelen voor [minderjarige] en de vader. Zij is meermalen door gerechtelijke instanties in het ongelijk gesteld. De Israëlische rechtbank te Petach Tikwa heeft de stelling van de moeder dat zij angst had voor de vader in ieder geval niet serieus genomen, zoals blijkt uit de stukken. De omstandigheid dat de vader [minderjarige] voor het moment dat de moeder met [minderjarige] vertrok reeds een aantal maanden fulltime alleen verzorgde, spreekt boekdelen. De moeder blijft echter volharden in het verspreiden van leugens die enorme schade hebben toegebracht en toebrengen.

De vader heeft ter onderbouwing van zijn betwisting een psychologisch rapport laten opstellen dat aan duidelijkheid niets te wensen overlaat. Uit het rapport van dr. Naomi Cohen, senior klinisch psychologe, blijkt dat zij heeft geconcludeerd dat zij geen enkel potentiaal van gevaarlijkheid bij de vader heeft gevonden, niet tegenover de omgeving en niet tegenover zichzelf. Het klinisch beeld is dat van iemand die overweldigd is door crisis en onmacht, aldus dr. Cohen.

De moeder houdt volgens de vader haar eigen agenda er op na en manipuleert de situatie telkens zo dat de omgang tussen de vader en [minderjarige] telkenmale wordt belemmerd. De vader is intussen duizenden euro’s kwijt aan advocaatkosten en reiskosten, en heeft in het kader van de safe return condities nog eens een groot geldbedrag aan de moeder moeten betalen. De moeder heeft er desondanks, na de gedwongen terugkeer, voor gekozen om op de maximale afstand van de vader te gaan wonen, namelijk in [woonplaats] , alwaar zij geen enkel netwerk had of anderszins bindingen. Zij heeft [minderjarige] ingeschreven op een Joods kinderdagverblijf zonder de vader daarbij te betrekken, terwijl zij wist dat de vader zich hier pertinent niet in zou kunnen vinden. Dankzij deze beslissing wordt [minderjarige] nu in een ultra orthodox dagverblijf opgevangen, alwaar zij in aanraking komt met zeer strenge geloofsovertuigingen die de vader en de moeder er nooit op na hielden, tot grote frustratie van de vader. De moeder werkt niet eens zodat deze plaatsing sowieso onnodig voorkomt. De moeder toont keer op keer dat zij maling heeft aan de rol van de vader. Het is enkel en alleen dankzij de enorme inspanningen van de vader dat het contact tussen hem en [minderjarige] gedurende haar verblijf in Israël is kunnen worden voortgezet, onder allerlei onbegrijpelijke en beperkende voorwaarden die de vader puur in het belang van het hebben van omgang met [minderjarige] is nagekomen.

Het recht van de moeder om haar leven op te bouwen elders wordt begrensd door de belangen van [minderjarige] en de vader. De vader is van mening dat het niet in het belang is van [minderjarige] dat zij zal verhuizen naar Israël en het contact met haar vader zal verliezen en dat zij zal opgroeien in een land met terreur. In Netanya zijn in het afgelopen decennium 46 doden gevallen en 136 gewonden bij Palestijnse zelfmoordaanslagen.

De vader betwist de stelling van de moeder dat zij intussen in een jaar tijd een uitgebreid netwerk in Israël zou hebben opgebouwd. Dat komt hem geheel niet geloofwaardig voor aangezien de moeder vóór haar vertrek naar Israël 4,5 jaar in Nederland heeft gewoond. De vader betwist ook dat de moeder een duurzame relatie zou hebben met een man in Israël.

De vader betwist dat er enige noodzaak zou bestaan voor een verhuizing naar Israël. De stelling van de moeder dat zij ontzettend heimwee heeft, wordt door de vader betwist. Deze stelling is enkel onderbouwd met een briefje van de oude huisarts van de moeder. Bovendien is dit weer een manier waarop de moeder de zaak probeert te manipuleren, zo betoogt vader.

De moeder is zeer goed bevriend met de beleidsbepalers bij [bedrijf] zodat haar mededeling dat zij aldaar weer wordt verwacht ook niet serieus moet worden genomen.

Het gedrag en de uitlatingen van de moeder zijn kwaadaardig richting de vader en gericht op een verstoting van hem als ouder, getuige ook de facebook crowd funding actie “bring [minderjarige] home”. Het alternatief voor het verlies van de huidige zorgregeling dat de moeder heeft voorgesteld is niet vol te houden, emotioneel, fysiek en financieel niet. De voorgestelde regeling is ook niet realistisch, gezien het feit dat de huidige regeling al is omgeven met waanzinnige voorwaarden en eisen. Bij het verlenen van vervangende toestemming is een voortzetting van het contact en een deugdelijke informatievoorziening geenszins gegarandeerd. De vader vertrouwt de moeder intussen niet meer waar zij allerlei toezeggingen doet in het geval van verhuizing. Bovendien is het niet vol te houden voor de vader en voor [minderjarige] om maandelijks heen en weer te vliegen.

Het verzoek dient te worden afgewezen, aldus de vader

De rechtbank overweegt als volgt.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat een ouder bij wie de minderjarige de hoofdverblijfplaats heeft in beginsel de gelegenheid dient te krijgen om met de minderjarige (en een nieuwe partner) elders een gezinsleven en toekomst op te bouwen, indien de omstandigheden van het geval, na een belangenafweging zoals hierna aan de orde zal komen, een dergelijke beslissing ook rechtvaardigen.

In de beoordeling dient de rechtbank alle omstandigheden van het geval in acht te nemen en alle belangen mee te wegen. Het belang van [minderjarige] is daarbij leidend, maar niet altijd doorslaggevend.

De volgende omstandigheden spelen in het onderhavige geval in de beoordeling een rol:

- het recht en belang voor de verhuizende ouder om te verhuizen en de vrijheid om zijn of haar leven opnieuw in te richten;

- de noodzaak om te verhuizen;

- de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;

- de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor het kind en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;

- de mate waarin partijen in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;

- de rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met elkaar in hun vertrouwde omgeving;

- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;

- de leeftijd van de minderjarige, haar mening en de mate waarin zij geworteld is in haar omgeving of juist gewend is aan verhuizingen;

- de (extra) kosten dan wel financiële consequenties van de omgang na de verhuizing.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het recht en belang voor de verhuizende ouder om te verhuizen en de vrijheid om zijn of haar leven opnieuw in te richten.

Uit de stukken en hetgeen ter zitting aan de orde is geweest blijkt dat de moeder - net als de vader - de Israëlische nationaliteit heeft. Zij woonde tot 2009 in Israël alwaar zij met de vader is gehuwd. Kort na het huwelijk met de vader is zij naar Nederland vertrokken waar de vader een baan had gevonden. De moeder is echter eind 2013 naar Israël teruggegaan met [minderjarige] , zonder toestemming van de vader, en heeft daar een jaar met [minderjarige] verbleven. Zij is eind 2014 teruggekeerd naar Nederland omdat zij daartoe werd gedwongen op grond van een rechterlijke uitspraak gewezen in Israël.

De verhuiswens van de moeder is zoals zij heeft onderbouwd nog steeds actueel en gelegen in heimwee van de moeder naar haar familie, haar omgeving, haar relatie en haar land. Dat de moeder belang heeft bij een verhuizing, staat voor de rechtbank wel vast. De moeder spreekt vloeiend Hebreeuws en heeft haar familie en – naar de rechtbank wil aannemen – ook vrienden in Israël. De stelling van de moeder dat zij een vaste dienstbetrekking heeft bij [bedrijf] is door de vader betwist, doch de rechtbank acht op zichzelf wel aannemelijk dat de moeder in de gelegenheid zal zijn om zichzelf en [minderjarige] financieel te onderhouden in Israël, hetzij door werkzaam te zijn bij [bedrijf] , hetzij bij een ander bedrijf.

De rechtbank acht daarnaast ook voldoende aannemelijk dat de moeder inmiddels een relatie heeft met een Israëlische man die niet in de gelegenheid is om naar Nederland te verhuizen in verband met zijn werk en zijn kinderen die alle drie in Israël woonachtig zijn.

Dat de moeder ook het recht heeft om haar eigen leven opnieuw in te richten staat eveneens vast.

De rechtbank maakt bij het voorgaande wel de kanttekening dat de wijze waarop de moeder dit recht eind 2013 in eigen handen heeft genomen, met medeneming van [minderjarige] die toen nog geen jaar oud was, zonder de vader daarover in te lichten en zonder zijn toestemming, en de omstandigheid dat zij [minderjarige] aldaar gedurende een jaar ook heeft gehouden, in de belangenafweging zwaar telt. De stelling van de moeder dat zij genoodzaakt was om op deze manier te vertrekken vanwege de enorme spanningen tussen partijen en het dreigend handelen van de vader heeft de moeder, mede gezien de gemotiveerde betwisting daarvan door de vader, onvoldoende onderbouwd. Ook dat de vader zou hebben ingestemd met het vertrek van de moeder en [minderjarige] naar Israël heeft de moeder onvoldoende gemotiveerd onderbouwd. De enkele – in een ruzie gemaakte – opmerkingen van de vader dat zij moesten vertrekken is onvoldoende om daarin de (overwogen) toestemming te zien voor verhuizing naar een ander land.

De noodzaak om te verhuizen

Van het bestaan van een noodzaak om te verhuizen is de rechtbank op dit moment onvoldoende overtuigd.

De rechtbank ziet wel in dat een verhuizing van de moeder naar Israël allerlei voordelen voor de moeder (en [minderjarige] ) heeft: de moeder zal haar wens om haar leven in Israël op te bouwen kunnen waarmaken, zij zal kunnen investeren in haar nieuwe relatie en de familiebanden kunnen aanhalen en haar werkzaamheden weer kunnen oppakken. [minderjarige] kan terug naar de crèche waar zij tot eind 2014 verbleef en haar leven in Israël weer oppakken.

Echter, tot haar vertrek uit Nederland in december 2013 met [minderjarige] naar Israël, heeft de moeder in het verleden hetzelfde commitment opgebracht voor het inrichten van een bestaan in Nederland. Zij is na haar huwelijk naar Nederland gekomen. Zij heeft hier de taal geleerd en is begonnen aan een studie. In 2011 heeft zij haar graad M.A. internationaal recht hier behaald. Zij heeft daarna, in 2011, samen met de vader een huis gekocht in Nederland. Ook heeft zij samen met de vader een sociale kring alhier opgebouwd en een goedbetaalde baan gevonden in Nederland. Zij was, totdat zij haar ontslag indiende bij haar werkgever vlak voor het vertrek naar Israël met [minderjarige] , in Nederland de kostwinner van het gezin.

De rechtbank ziet wel in dat de moeder op enig moment na de geboorte van [minderjarige] in Nederland van gedachten is veranderd en dat zij ernaar is gaan verlangen haar leven voort te zetten in Israël. De rechtbank is er echter onvoldoende van overtuigd geraakt dat de moeder geen mogelijkheden heeft om dezelfde condities te creëren voor een voortzetting van een bestaan in Nederland met haar dochter zoals die aanwezig waren vóór haar vertrek naar Israël. De rechtbank acht de moeder in staat om alhier betaalde werkzaamheden te vinden en contacten met Nederlandse vrienden en kennissen nieuw leven in te blazen en anderszins zich te verbinden aan haar huidige Nederlandse woonomgeving, net zoals zij dat eerder heeft gedaan.

Uit haar keuzes om na haar terugkeer naar Nederland te gaan wonen in [woonplaats] , alwaar zij een geheel nieuw bestaan moest opbouwen, en [minderjarige] op een ultra orthodox Joods kinderdagverblijf te plaatsen, waar alleen Hebreeuws wordt gesproken, blijkt dat de moeder zich geheel en al heeft gericht op een (wederom) terugkeren naar Israël en niet heeft willen investeren in het opbouwen van een bestaan in Nederland. Dit betekent echter niet dat zij niet in staat zal zijn om zich in Nederland weer meer thuis te gaan voelen.

De stelling van de moeder dat een voortdurend verblijf in Nederland bij haar zal leiden tot (een verergering van) dusdanige psychische klachten dat daarmee de noodzaak voor een verhuizing van haar en [minderjarige] naar Israël reeds zou zijn gegeven, is naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de vader, onvoldoende vast komen te staan. Het had op de weg van de moeder gelegen haar stelling op dit punt nader te onderbouwen met – bijvoorbeeld – een uitvoeriger verslag van een door haar aangezochte psycholoog of andere therapeut. De moeder heeft naar het oordeel van de rechtbank ook niet laten zien dat zij concrete stappen heeft ondernomen om het sociale isolement waarin zij stelt te verkeren op te lossen en te werken aan haar heimwee – bijvoorbeeld – door te investeren in een nieuwe werkkring, sociale contacten met mensen in haar omgeving en/of hulpverlening te organiseren bij het aanvaarden van de huidige situatie.

De mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid en de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor het kind en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren

De rechtbank leidt uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen af dat de moeder op zichzelf goed heeft nagedacht over de gevolgen van de verhuizing. Zij heeft nagedacht over de mogelijkheden voor [minderjarige] om in Israël naar een crèche en daarna school te gaan, zij heeft een netwerk dat beschikbaar is om [minderjarige] (mede) op te vangen. [minderjarige] spreekt vloeiend Hebreeuws en is bekend met de woonomgeving en heeft goede contacten met zowel de familie moederszijde als de familie vaderszijde. De rechtbank neemt aan dat de moeder in staat zal zijn om zichzelf en [minderjarige] financieel te onderhouden in Israël, gelet op haar werkervaring. Zij heeft tenslotte ook nagedacht over manieren waarop het contact tussen tussen de vader en [minderjarige] bij een verhuizing in stand kan worden gehouden. Zij heeft een voorstel gedaan om het contact tussen de vader en [minderjarige] te continueren en te compenseren.

Het voorstel van de moeder komt erop neer dat er zo vaak als de vader wenst wekelijks uitgebreide Skype contacten tussen de vader en [minderjarige] kunnen worden georganiseerd, zij zal de vader wekelijks een uitgebreide email sturen waarin zij de vader op de hoogte houdt van het welzijn van [minderjarige] , haar dagelijkse contacten en bezigheden en foto’s sturen. Ook zal het contact met de familie van de vader in Israël een plek krijgen in het leven van [minderjarige] in Israël. Daarnaast heeft de moeder voorgesteld een zorgregeling waarbij zij 1 keer in de 6 weken met [minderjarige] naar Nederland zal reizen en waarbij de vader andersom zo vaak als hij wil naar Israël kan afreizen waarbij de moeder voorstelt een minimum van eens per 3 weken als zijnde realistisch en haalbaar. De moeder heeft daarnaast compensatie aangeboden in de vakantietijd, in die zin dat de vader bijvoorbeeld 65% van de zomervakantie kan doorbrengen met [minderjarige] , indien haalbaar. Financieel moet deze regeling haalbaar zijn gelet op Easyjet die vliegt op Telaviv, aldus de moeder. Zij is bereid om hierover in cross border mediation verder te praten.

De mate waarin partijen in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg

De rechtbank constateert op basis van de stukken en hetgeen ter zitting aan de orde is geweest dat de communicatie tussen partijen grillig van aard is. Uit de overgelegde transcripties van de telefoongesprekken tussen partijen blijkt dat er voor het vertrek van de moeder naar Israël gespannen gesprekken hebben plaatsgevonden waarbij de vader agressieve uitlatingen doet richting [minderjarige] en de moeder. Anderzijds lukt het partijen, getuige de vele berichten die de moeder in het geding heeft gebracht, al langere tijd om op een min of meer normale wijze regelmatig contact met elkaar te hebben over het wel en wee van [minderjarige] . Er vindt ook wel communicatie plaats over de verzorging van [minderjarige] en over af en toe een wijziging in de regeling.

Voorbeelden waaruit naar het oordeel van de rechtbank blijkt dat partijen nodig dienen te werken aan het onderlinge wantrouwen zijn de weigering van de moeder om toe te staan dat de vader met [minderjarige] meeloopt naar de voordeur om de nieuwe oppas te ontmoeten, het (foutieve) bericht van/namens moeder aan de opvang van [minderjarige] dat moeder eenhoofdig gezag had en vader [minderjarige] niet kon komen bezoeken op de opvang en het verzet van de vader tegen de wens van de moeder om met [minderjarige] Pesach te vieren in Israël, waardoor zij en [minderjarige] op deze belangrijke feestdag in Nederland moesten blijven, terwijl de vader op zijn beurt Pesach wèl in Israël vierde.

Het vertrek van de moeder zonder toestemming van de vader heeft het vertrouwen begrijpelijkerwijs ernstig beschadigd. Het zal een lange tijd duren eer dat vertrouwen weer enigszins zal zijn hersteld. Anderzijds valt het ook de moeder, gelet op het verleden van de ouders gezamenlijk in Nederland, zwaar om vertrouwen te hebben in de vader. Door het gebrek aan onderling vertrouwen, is een verhuizing naar Israël naar het oordeel van de rechtbank wel een risicofactor in die zin dat de kans niet ondenkbeeldig is dat de communicatie verder verslechtert na een definitieve verhuizing, met alle spanningen en beperkingen van het contact tussen vader en [minderjarige] van dien, hetgeen niet in het belang van [minderjarige] wordt geoordeeld.

De rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met elkaar in hun vertrouwde omgeving en de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit in de zorg

In de huidige situatie is [minderjarige] iedere week van zaterdag tot zondag bij de vader, onder de voorwaarde dat daarbij één van zijn familieleden aanwezig is. In de periode dat [minderjarige] in Israël was, heeft er zelfs om de dag omgang plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat een verhuizing naar Israël, ontegenzeglijk leidt tot een behoorlijke verschraling van het gebruikelijke contact tussen [minderjarige] en haar vader, waar de door de moeder voorgestelde contactregeling onvoldoende compensatie voor zal bieden. Waar de vader nu wekelijks face to face contact met haar heeft, zal hij in het geval van een (definitieve) verhuizing van [minderjarige] naar Israël minimaal één weekend per zes weken face to face contact hebben, en als hij het kan opbrengen financieel en qua tijd, minimaal twee weekenden in de zes weken, waarbij ook de lange reistijd zal leiden tot een kwalitatieve vermindering van de contactmomenten.

Deze verschraling kan niet worden “goedgemaakt” door een intensiever Skype-contact en een iets uitgebreidere vakantieregeling, zoals de moeder heeft voorgesteld. Bovendien vergt deze alternatieve zorgregeling naar verhouding te veel van de vader en van [minderjarige] , op het vlak van (fysieke) aanpassingsvermogen, financiën en energie. Gezien de jonge leeftijd van [minderjarige] zal het voor haar ook moeilijk te begrijpen zijn waarom de regeling zo drastisch (opnieuw) zou veranderen terwijl zij op dit moment in haar leven onvoldoende in staat is om op een andere manier dan face to face, een goede verstandhouding met haar vader op te bouwen.

Daar staat tegenover dat er in beginsel, gezien de herkomst van beide partijen, hun nauwe band met Israël, en de mogelijkheden die er ook voor de vader bestaan om aldaar te verblijven en eventueel inkomsten te genereren, best mogelijkheden zijn om ook bij verhuizing een volwaardige zorgregeling met een zekere continuïteit te waarborgen, zonder dat de vader en [minderjarige] daar qua wezenlijk contact al teveel op zouden inleveren. Echter, de huidige verstandhouding tussen partijen en de stellige overtuiging van de vader dat het niet in het belang van [minderjarige] zou zijn om te verhuizen, staan aan het exploreren van die mogelijkheden naar het oordeel van de rechtbank op dit moment teveel in de weg.

De leeftijd van de minderjarige, haar mening en de mate waarin zij geworteld is in haar omgeving of juist gewend is aan verhuizingen

De nog zeer jonge leeftijd van [minderjarige] is naar het oordeel van de rechtbank een belastende omstandigheid voor de continuïteit van de zorgregeling en de kwaliteit van het contact omdat een jong kind in de regel makkelijker hecht aan ouders die zij regelmatig in levende lijve ziet. Vanwege haar jonge leeftijd is het niet mogelijk om haar mening in deze te vragen.

[minderjarige] heeft in haar korte leven reeds drie verschillende woonomgevingen gekend. Een verhuizing naar Israël zal vermoedelijk, nu zij daar reeds een jaar heeft gewoond, op zichzelf voor haarzelf redelijk gemakkelijk verlopen, omdat zij terug zou keren naar een haar bekende woonomgeving.

De (extra) kosten dan wel financiële consequenties van de omgang na de verhuizing

De moeder zal ook na de verhuizing [minderjarige] financieel kunnen onderhouden. Nu zij ook in Nederland betaalde werkzaamheden zal kunnen verrichten zijn er in die zin geen belangwekkende wijzigingen in de financiële omstandigheden te verwachten. De kosten die over en weer gemaakt zullen worden in verband met reizen naar Israël en naar Nederland zijn weliswaar hoger maar niet van dusdanige aard dat die doorslaggevend zijn. De vader reist sowieso voor zijn werkzaamheden en familiebezoeken naar Israël en de moeder is bereid de kosten te betalen van de reizen met [minderjarige] naar Nederland in verband met de omgang. Wel vraagt de organisatie de nodige extra tijd en kosten van de vader.

Gevaarlijke woonomgeving

De vader heeft nog aangevoerd dat het niet in het belang van [minderjarige] is dat zij verhuist naar Israël omdat de sfeer daar – in tegenstelling tot Nederland - dreigend en grimmig is en de gevaren voor het leven zeer reëel zijn. Hij heeft deze stelling onderbouwd met diverse stukken, waaronder nieuwsberichten.

De rechtbank overweegt als volgt. De moeder heeft de stelling van de man weersproken. De moeder is een ontwikkelde vrouw die in Israel is geboren en getogen, daar tot haar dertigste levensjaar heeft gewoond en de gebruiken en risico’s in dat land kent. Niet aannemelijk is dat de moeder haar eigen kind in dit opzicht aan onverantwoorde veiligheidsrisico’s heeft blootgesteld of zal blootstellen. Haar woonplaats zou in Netanya zijn, dat ligt in het gebied waarvoor geen rood of oranje reisadvies is afgegeven. In de afweging weegt dit onderdeel niet zwaar.

Concluderend constateert de rechtbank dat beide partijen conflicterende belangen hebben die niet verenigd kunnen worden.

De rechtbank begrijpt dat er voor [minderjarige] voordelen zijn verbonden aan een verhuizing. Zo zal haar moeder bij terugkeer naar Israël rust en meer standvastigheid ervaren en vorm kunnen geven aan haar verlangen om een bestaan op te bouwen in Israël en haar relatie verder vorm te geven, hetgeen ook een positieve weerslag zal hebben op [minderjarige] . Het is goed denkbaar dat [minderjarige] zich in Israël zal thuis voelen, zij zal immers terugkeren naar bekend terrein, omringd door familie van zowel de moeder als de vader, voorzien van huisvesting vlakbij de ouders van de moeder en terugkerende naar de haar bekende crèche, terwijl haar financiële omstandigheden gunstig zijn. Niet is uitgesloten dat, zoals de moeder betoogt, het voor de vader minder ingrijpend is om zijn leven weer in Israël op te bouwen dan het voor haar is om in Nederland te moeten blijven.

In weerwil echter van hetgeen de moeder heeft aangevoerd over de gestelde noodzaak van de verhuizing, is de rechtbank van die noodzaak niet overtuigd geraakt.

De moeder heeft weliswaar goed nagedacht over de verhuizing en de gevolgen daarvan voor [minderjarige] en zij heeft ook een voorstel gedaan voor de continuering van een zorgregeling, maar dit voorstel levert naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende compensatie voor de verschraling van het contact dat [minderjarige] gewend is met haar vader te hebben. Bovendien is het alternatief naar het oordeel van de rechtbank ook te belastend voor [minderjarige] en haar vader, gezien de jonge leeftijd van [minderjarige] .

De strijd die thans tussen partijen woedt geeft de rechtbank zorgen over de toekomstige communicatie tussen partijen na een eventuele verhuizing. De spanningen die nu al sinds eind 2013 tussen partijen bestaan, zullen door een verhuizing eerder toenemen dan afnemen, met alle negatieve gevolgen van dien voor [minderjarige] , die er belang bij heeft om met beide ouders een zo goed mogelijk contact te hebben, met zo min mogelijk strijd.

Alle belangen in overweging nemende, is de rechtbank van oordeel dat het belang van [minderjarige] en de vader om de huidige regelmatige en relatief goed verlopende zorgreling te kunnen voortzetten, zodat [minderjarige] op kan groeien terwijl zij met beide ouders een goed en innig contact heeft, op dit moment zwaarder weegt dan het belang van de moeder om haar leven met [minderjarige] te kunnen voortzetten in Israël. De rechtbank zal het verzoek van de moeder derhalve afwijzen.

Hoofdverblijfplaats, zorgregeling en kinderdagverblijf

In afwachting van het hoger beroep dat de moeder mogelijk zal instellen, alsmede het adviesrapport van de Raad, zal de rechtbank in het belang van [minderjarige] op dit moment geen wijzigingen toestaan in haar situatie.

De rechtbank zal de Raad verzoeken om - naast het advies over het verzoek van de vader om het gezag te wijzigen – tevens advies uit te brengen over de verzoeken van partijen om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hen te bepalen, de zorgregeling onbegeleid te laten plaatsvinden en uit te breiden, dan wel de huidige regeling vast te leggen en een vakantieregeling te bepalen.

Verstrekken paspoorten aan de moeder

Nu de zaken betreffende de verhuizing en het vaststellen van een zorgregeling nog niet zijn uitgeprocedeerd, terwijl er onvoldoende aanleiding is om thans daarover een beslissing te nemen, wordt dit verzoek aangehouden.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

5 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek van de moeder om vervangende toestemming te verlenen voor een verhuizing met [minderjarige] naar Netanya (Israël);

- verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming te Amsterdam advies uit te brengen en daartoe de volgende vragen in het onderzoek te betrekken:

  1. Bestaat er een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem of verloren zou raken tussen de moeder en de vader indien zij gezamenlijk het gezag over haar uitoefenen en zo ja, is te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen?

  2. Is het anderszins in het belang van [minderjarige] dat het gezag wordt gewijzigd in de verzochte zin?

  3. Weke hoofdverblijfplaats is het meest in het belang van [minderjarige] en met welke reden?

  4. Welke mogelijkheden zijn er voor een (onbegeleide) regeling inzake de omgangsregeling dan wel de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de moeder en de vader?

  5. Zijn er factoren die een regeling belemmeren? Zo ja, welke komen vanuit [minderjarige] en welke vanuit de ouder(s)? Hoe en op welke termijn zijn deze belemmeringen op te heffen?

  6. Hoe dient de regeling qua vorm en frequentie, in het belang van de minderjarige vorm te worden gegeven?

  7. Zijn er andere feiten en omstandigheden die de rechtbank bij haar oordeel moet betrekken?

- bepaalt dat de griffier met voormeld doel een afschrift van deze beschikking aan voornoemde Raad zal toezenden;

- bepaalt dat de behandeling van de verzoeken ziende op het wijzigen van het gezag, de hoofdverblijfplaats, de wijziging van de huidige zorgregeling, vervangende toestemming om [minderjarige] in te schrijven op een dagverblijf in [woonplaats] , dan wel [woonplaats] en het verzoek de paspoorten van [minderjarige] aan de moeder te verstrekken pro forma wordt voortgezet op 11 november 2015, en houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. L. Baggerman, voorzitter tevens kinderrechter, mr. R.M. Troost en mr. H.C. Has, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. van den Berg, griffier, op 12 augustus 20151

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden