Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:9575

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-12-2015
Datum publicatie
14-01-2016
Zaaknummer
AMS 15/2139
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is een omgevingsvergunning voor een serre die op een steiger aan de achterzijde van de woning komt te liggen. De steiger heeft in het bestemmingsplan de bestemming “Tuin 2”. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid die omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Daarbij overweegt de rechtbank dat met het woord ‘grond’ in de zinsnede ‘een op de grond staand bijbehorend bouwwerk’ in artikel 2, derde lid, van bijlage II van het Bor wordt bedoeld dat slechts vergunningvrij mag worden gebouwd aan of bij een al bestaande eerste bouwlaag op de begane grond en niet, zoals eiser betoogt, dat de uitbreiding of bijbehorend bouwwerk direct op de aardbodem moet staan.

De rechtbank is verder van oordeel dat het water waaraan de serre komt te liggen geen openbaar vaarwater is. De sloot achter de woningen van eiser en vergunninghoudster is een doorsnee sloot. De sloten in de wijk lopen namelijk dood en zijn niet bedoeld voor doorgaande vaart. Een doorsnee sloot wordt niet gerekend tot openbaar toegankelijk gebied, aldus de Nota van Toelichting bij artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor, zodat daarvan hier geen sprake is

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/2139

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2015 de zaak tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Oost van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. M.E.R. Derby-Vink).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

[vergunninghoudster], te Amsterdam, vergunninghoudster.

Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een serre aan de achterzijde van de woning op het adres [adres 1] te Amsterdam.

Bij besluit van 3 maart 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn buurman [naam 1] , en ir. P.J.C. [naam 2] , architect (hierna: [naam 2] ). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is namens verweerder verschenen [naam 3] , werkzaam bij de Afdeling vergunningen. Vergunninghoudster is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot [naam 4] . Ter zitting heeft de rechtbank [naam 2] als partij-deskundige voor eiser gehoord.

Overwegingen

1.1.

Verweerder heeft op 18 juli 2014 een aanvraag omgevingsvergunning ontvangen voor het realiseren van een serre aan de achterzijde van de woning op het adres [adres 1] . Aan de achterzijde van die woning bevindt zich een direct aan de woning grenzende steiger. Die steiger heeft ingevolge het toepasselijke bestemmingsplan “Park de Meer” (bestemmingsplan) de bestemming “Tuin 2” en de dubbelbestemming “Waarde-archeologie”.

1.2.

Nadat de afdeling Ruimtelijke Ordening van verweerder op 6 augustus 2014 een positief advies had uitgebracht over het bouwplan, heeft verweerder het primaire besluit genomen. Hierin is een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van de serre (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)) en voor het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de tuin (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a sub 2, van de Wabo). Op gronden met de bestemming “Tuin 2” mag volgens artikel 10.2 van de planvoorschriften alleen binnen het bouwvlak worden gebouwd. Blijkens de verbeelding bij het bestemmingsplan kent de bestemming “Tuin-2” ter plaatse geen bouwvlak, zodat sprake is van strijd met het bestemmingsplan. Verweerder heeft aanleiding gezien om af te wijken van de bepalingen van het bestemmingsplan, omdat het gaat om een afwijking die in redelijkheid past binnen de uitgangspunten van het ruimtelijk beleid, en waarbij geen evidente privaatrechtelijke of ruimtelijke bezwaren tegen medewerking bestaan. Het toevoegen van de serre leidt tot dubbel grondgebruik en is daarmee in overeenstemming met het stadsdeelbeleid. De serre sluit volgens verweerder ruimtelijk en architectonisch goed aan op de bestaande woning. Deze kent nu al een sprongsgewijze opbouw van dakvlakken, de serre voegt daar nog een extra sprong aan toe. De detaillering en de dakhelling zijn overgenomen van het bestaande dak waardoor er verder goed wordt aangesloten. Door het serredak in glas uit te voeren en de dichte delen in hout oogt de serre tevens niet te zwaar of te groot. Aan welstand wordt geadviseerd dit ontwerp in de toekomst als trendsetter te hanteren. De negatieve gevolgen voor de bezonning van de naastgelegen woning zijn ten opzichte van het nu aanwezige privacy schot klein te noemen. Het bouwplan is voorts ambtelijk getoetst aan de Welstandsnota De Schoonheid van Amsterdam Digitaal (Welstandsnota). Het bouwplan voldoet aan de algemene criteria voor veel voorkomende bouwplannen, zoals genoemd in de Welstandsnota, aldus verweerder.

1.3.

Eiser, woonachtig op het adres [adres 2] , heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Ten behoeve van de hoorzitting heeft verweerder op 2 december 2014 een nadere schriftelijke toelichting gegeven op het primaire besluit. Vervolgens heeft verweerder naar aanleiding van de hoorzitting bij brief van 18 december 2014 een extra toelichting gegeven op het primaire besluit, waarin twee vragen van de bezwaarcommissie zijn beantwoord. In deze laatste toelichting is het advies van de Commissie voor Welstand en Monumenten Amsterdam (de welstandscommissie) van 17 december 2014 weergegeven. Eiser heeft bij brief van 17 januari 2015 gereageerd op de extra toelichting van verweerder.

1.4.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Er is volgens verweerder geen sprake van privacy- problemen of schaduwhinder voor omwonenden. Verder bestaat er geen blijvend recht op behoud van woongenot (zicht) van omwonenden. Met name in een stedelijke omgeving moet steeds rekening gehouden worden met veranderingen op ruimtelijk gebied. Wat het verschil in bezonning betreft, heeft verweerder het standpunt ingenomen dat dit verschil op de tekeningen samen lijkt te hangen met de vormgeving van het privacy- scherm (zondoorlatend versus aaneengesloten). Het bestemmingsplan schrijft niets voor over het te gebruiken materiaal, zodat de bezonning niet of slechts zeer gering in het geding is. De intensivering van het gebruik van de achtertuin past in de landelijke en stedelijke trends om meer bebouwing toe te staan in het achtererfgebied. Dat een uitbreiding aan de voorzijde waar wel een bouwvlak is ingetekend, te realiseren is, betekent volgens verweerder niet dat alle initiatieven in het achtererfgebied moeten worden geweigerd. Met betrekking tot de welstandsaspecten heeft verweerder verwezen naar het positieve advies van 10 december 2014 van de welstandscommissie en de opmerking daarin dat de welstandscommissie van mening is dat het geen oordeel hoeft te geven over trendsetters. Verder heeft verweerder het standpunt ingenomen dat eiser het welstandsadvies weliswaar bestrijdt, maar dat er geen deskundig tegenadvies is overgelegd. De enkele stelling dat de ingreep stedenbouwkundig en architectonisch niet goed aansluit omdat het ‘ritme’ wordt onderbroken, is onvoldoende om te concluderen dat niet aan de welstandscriteria wordt voldaan. Daarbij dient ook rekening gehouden te worden met het feit dat vergunningvrij diverse uitbouwen te realiseren zijn, waardoor het ‘ritme’ ook wordt doorbroken, aldus verweerder.

2.1.

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, voor zover hier van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

2.2.

Op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan in de bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) aangewezen gevallen.

2.3.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, onder a, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor), voor zover hier van belang, komen voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 2°, van de wet van het bestemmingsplan wordt afgeweken, een bijbehorend bouwwerk.

2.4.

Artikel 10.1 van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, bepaalt dat de voor “Tuin-2” aangewezen gronden bestemd zijn voor:

  1. tuinen;

  2. bijbehorende bouwwerken;

(…)

2.5.

Ingevolge artikel 10.2.2, onder a, sub 1, van de planvoorschriften gelden voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken de volgende regels: gebouwen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd.

3. Tussen partijen is niet in geschil dat de bouw en het gebruik van een serre op de beoogde locatie in strijd is met het bestemmingsplan.

4. De rechtbank stelt voorop dat de beslissing om bouwen en gebruik in strijd met het bestemmingsplan toe te staan een discretionaire bevoegdheid is van verweerder, zodat de rechtbank zich bij toetsing moet beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid tot het desbetreffende besluit heeft kunnen komen. Dit is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 januari 2014 op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:RVS:2014:172. De rechtbank moet dus beoordelen of verweerder in redelijkheid, met inachtneming van alle betrokken belangen en de ruimte die verweerder bij de afweging van die belangen heeft, de omgevingsvergunning voor de serre heeft kunnen verlenen.

5.1.

Eiser betoogt onder meer dat ten tijde van het ontwerp van de woningen aan de [straat] rekening is gehouden met eventuele toekomstige uitbreiding van de woning en dan aan de voorzijde van de woning. Aan de achterzijde is slechts sprake van een tuin in de vorm van een steiger met een beperkt oppervlak, die direct is gelegen aan het water. Aan de voorzijde is een grotere tuin (met carport) gerealiseerd dan aan de achterzijde, zodat de voortuin in wezen de functie van een achtertuin heeft en zich meer leent voor een eventuele uitbouw. In de ontwerpfase van de woningen is hier uitdrukkelijk rekening mee gehouden. Eiser ziet zich hierin gesteund door [naam 2] , die destijds was betrokken bij het ontwerp van de woningen.

5.2.

De rechtbank overweegt dat ingevolge vaste rechtspraak van de Afdeling bij de beoordeling of een omgevingsvergunning dient te worden verleend, het bouwplan zoals dat is ingediend het uitgangspunt vormt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 augustus 2015, nummer ECLI:NL:RVS:2015:2514). Indien dit bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Dat zo'n situatie zich in dit geval voordoet, heeft verweerder niet hoeven aannemen. Vergunninghoudster heeft gemotiveerd betwist dat een uitbreiding aan de voorzijde van de woning vanwege haar medische situatie en de voorzieningen die zij in verband daarmee op termijn nodig zal hebben (zoals een inpandige lift), een alternatief met een gelijkwaardig resultaat oplevert. Daarnaast heeft verweerder in de toelichting van 18 december 2014 gemotiveerd aangegeven waarom de realisering van een uitbouw aan de voorzijde van de woning nauwelijks het woongenot vergroot, dit in tegenstelling tot een uitbouw van de woonkamer aan de achterzijde van de woning. Deze beroepsgrond van eiser slaagt dan ook niet. De rechtbank zal daarom de besluitvorming op basis van de aanvraag zoals die is ingediend beoordelen.

6.1.

Eiser betoogt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in dit geval mocht worden afgeweken van het bestemmingsplan. Zo heeft verweerder volgens eiser onvoldoende gemotiveerd waarom het bouwplan ruimtelijk inpasbaar wordt geacht. Verder voert eiser aan dat de (ambtelijke) welstandstoets niet volledig is geweest en slechts ingaat op de ruimtelijke en architectonische aansluiting van de serre op de woning en op de privacy en bezonning. Verweerder is niet ingegaan op de stedenbouwkundige aansluiting in het gebied, namelijk de wenselijkheid van het toelaten van serres aan de openbare ruimte in Park de Meer. Ook is verweerder niet ingegaan op de planologische impact van de precedentwerking die het bouwplan zal hebben op de omgeving.

6.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom het bouwplan ruimtelijk gezien wenselijk en inpasbaar is. Verweerder heeft daarbij kunnen verwijzen naar het gemeentelijke beleid waarin uitbouwen worden toegestaan omdat daarmee bestaand grondgebruik wordt geïntensiveerd en het woongenot op eenvoudige wijze vergroot kan worden. Verweerder heeft bij zijn motivering ook kunnen verwijzen naar de landelijke trend die in dit verband waarneembaar is. Daarnaast heeft verweerder van belang kunnen achten dat er buitenruimte resteert en er door de ligging aan het water nog genoeg open ruimte overblijft.

6.3.

Voorts mocht verweerder op grond van de Welstandsnota in dit geval volstaan met een ambtelijke welstandstoets en hoefde het bouwplan niet nog eens aan de welstandscommissie te worden voorgelegd. Verweerder heeft desalniettemin naar aanleiding van het bezwaar van eiser, uit oogpunt van zorgvuldigheid, het bouwplan toch aan de welstandscommissie voorgelegd. Deze heeft vastgesteld dat in gebieden met een gewoon welstandsniveau de volgende criteria van toepassing zijn:

- aanbouwen zijn een ondergeschikte toevoeging aan de achterzijde van een hoofdgebouw;

- aanbouwen zijn vormgegeven in één bouwlaag met een rechthoekige of afgeschuinde plattegrond;

- gevels grenzend aan het openbaar toegankelijk gebied hebben vensters;

- een aanbouw op de erfgrens heeft zijgevels, waarop belendingen kunnen aansluiten;

- materialen en kleuren zijn afgestemd op het hoofdgebouw (aan een achterzijde eventueel een serre).

De welstandscommissie heeft bevestigd dat met het bouwplan voldaan wordt aan voormelde standaardcriteria voor aanbouwen in het gebied en dat het daarmee voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Het kan, zo blijkt uit de toelichting van 17 december 2014, daarmee als trendsetter voor deze bebouwingsstrook worden aangemerkt. Eiser heeft dit verder niet betwist. De rechtbank begrijpt dat eiser in dit verband met name bezwaar heeft tegen het feit dat verweerder dit bouwplan als trendsetter zal gaan beschouwen. Voor zover eiser daarmee bedoelt te stellen dat de welstandscommissie om die reden toch een inhoudelijk gewogen oordeel had moeten geven over de te bouwen serre, volgt de rechtbank eiser hierin niet. Uit hoofdstuk 6 van de Welstandsnota blijkt immers dat een gewogen oordeel enkel vereist is als sprake is van een initiatief dat niet past binnen de standaardcriteria. Dat is hier niet het geval. Of al dan niet sprake is van een trendsetter is daarbij verder niet van belang.

7.1.

Voor zover eiser betoogt dat verweerders redenering over vergunningvrij bouwen in het achtererfgebied mank gaat, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft onder verwijzing naar artikel 2, derde lid, van bijlage II van het Bor ter onderbouwing van het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat via vergunningvrij bouwen normaal gesproken ook aanbouwen in de maten van deze serre mogelijk zijn aan de achterkant, dus dat dit, zoals eiser voor ogen heeft, sowieso niet kan worden tegengegaan. Deze serre past volgens verweerder binnen de maximale maat van vergunningvrij bouwen. Het beslaat echter meer dan 50% van het achtererfgebied, wat strijdig is met artikel 2, derde lid, onder f, van bijlage II van het Bor, zoals dat luidde ten tijde van het bestreden besluit. Eiser stelt daar tegenover dat artikel 2, derde lid, van bijlage II van het Bor toepassing mist omdat die bepaling blijkens de aanhef alleen op de grond staande bijbehorende bouwwerken of uitbreidingen toestaat. De serre zal echter half boven de oever en half boven het water komen te liggen, zodat geen sprake is van een ‘op de grond’ staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding.

7.2.

De rechtbank is van oordeel dat aan het woord ‘grond’ in de zinsnede ‘een op de grond staand bijbehorend bouwwerk’ in het genoemde artikel in het Bor niet de uitleg kan worden gegeven die eiser daaraan toekent. Gelet op de context van de bepaling wordt naar het oordeel van de rechtbank met het begrip ‘grond’ bedoeld dat slechts vergunningvrij mag worden gebouwd aan of bij een al bestaande eerste bouwlaag op de begane grond en niet, zoals eiser betoogt, dat de uitbreiding of bijbehorend bouwwerk direct op de aardbodem moet staan. De rechtbank verwijst in dit verband naar artikel 2, derde lid, onder e, van bijlage II van het Bor. Hieruit leidt de rechtbank af dat een buitenruimte op een eerste bouwlaag nooit vergunningvrij kan worden gebouwd, omdat het niet op de begane grond ligt. Hoewel het juist is dat de serre niet wordt gebouwd op de grond in de betekenis van aardbodem, slaagt het betoog van eiser dus niet.

7.3.

Voor zover eiser stelt dat verweerders redenering niet opgaat omdat de serre direct aan openbaar toegankelijk gebied ligt en daarom – op grond van artikel 2, derde lid, onder c van bijlage II van het Bor – niet voor vergunningvrij bouwen in aanmerking zou komen, volgt de rechtbank deze stelling evenmin. Blijkens artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor wordt onder openbaar toegankelijk gebied onder meer verstaan ‘openbaar vaarwater dat voor publiek algemeen toegankelijk is en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is’. De rechtbank is van oordeel dat met het water waaraan de serre komt te liggen geen sprake is van openbaar vaarwater. Volgens de Nota van Toelichting bij het bewuste artikel ( Stb. 2014, 333, p. 32) wordt namelijk niet al het openbare water aangemerkt als openbaar toegankelijk gebied. Een doorsnee sloot wordt niet gerekend tot openbaar toegankelijk gebied, aldus de toelichting. Alleen bevaarbaar openbaar water (vaarwater) wordt tot openbaar gebied gerekend. Het moet dus gaan om water, zoals een rivier, gracht, beek, kanaal of weteringen, dat geschikt is om te worden gebruikt door scheepvaart (waaronder begrepen pleziervaart), aldus de toelichting. Volgens de rechtbank valt de sloot achter de woningen van eiser en vergunninghoudster niet onder deze definitie, omdat hier sprake is van een doorsnee sloot zoals bedoeld in de toelichting. De rechtbank leidt dit af uit de (lucht)foto’s in het dossier van de woningen aan de [straat] , de daarachter liggende sloot en de omgeving. De sloten in de wijk lopen namelijk dood en zijn niet bedoeld voor doorgaande vaart. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het hier niet gaat om openbaar toegankelijk gebied in de zin van het Bor.

8.1.

Wat de gestelde privaatrechtelijke belemmeringen betreft, heeft eiser ter zitting te kennen gegeven dat deze beroepsgrond niet (meer) ziet op wat hij eerder heeft aangevoerd over bouwen op de erfgrens en het privacy schot. Volgens eiser staan wel de erfpachtcontracten tussen de woningeigenaren van [straat] en de gemeente Amsterdam in de weg aan vergunningverlening. In die contracten is namelijk een bepaling opgenomen, waarin staat dat de bestaande steigerconstructies moeten worden gehandhaafd en onderhouden. In verband met de bouw van de serre zal de vergunninghoudster volgens eiser niet kunnen voldoen aan deze bepaling. Eiser vindt het onzorgvuldig dat verweerder in het bestreden besluit de privaatrechtelijke verhouding tussen de gemeente en de woningeigenaren, die bouwen niet toelaat, niet naar voren heeft gebracht.

8.2.

Ter zitting heeft vergunninghoudster toegelicht dat er wijzigingen aan de steigerconstructie zullen worden aangebracht om een steviger ondergrond te creëren waarop de serre gebouwd kan worden. Er is hierover nog geen contact opgenomen met het Bureau Erfpacht van de gemeente Amsterdam, aldus vergunninghoudster.

8.3.

De rechtbank overweegt dat slechts aanleiding is voor het oordeel dat een privaatrechtelijke belemmering aan verlening van een omgevingsvergunning in de weg staat, wanneer deze belemmering een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of van een dergelijke privaatrechtelijke belemmering sprake is (zie de uitspraak van de Afdeling van 22 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN7942).

8.4.

In het erfpachtcontract is bepaald dat het de erfpachter verboden is het terrein te voorzien van een andere steigerconstructie dan die aanwezig is bij de realisering/oplevering van de woning zoals aangegeven op de bouwtekening. De rechtbank is van oordeel dat hieruit niet zonder meer blijkt dat het Bureau Erfpacht van de gemeente Amsterdam hoe dan ook geen medewerking of toestemming zal verlenen aan vergunninghoudster om bouwwerkzaamheden aan de bestaande steigerconstructies uit te voeren. Verweerder heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van een privaatrechtelijke belemmering die evident is. Het betoog van eiser faalt. De rechtbank overweegt verder dat in de bijlage met nadere aanwijzingen bij de verleende vergunning (het primaire besluit) is vermeld dat de omgevingsvergunning geen toestemming van de gemeente als grondeigenaar is om het bouwplan uit te voeren. De rechtbank overweegt hierover dat dit niet betekent dat de vergunning geweigerd dient te worden zolang die toestemming van de gemeente er niet is. Het ontbreken van de toestemming valt immers niet onder de verplichte weigeringsgronden die limitatief in de artikelen 2.10 en 2.12 van de Wabo zijn opgesomd.

9. De rechtbank is op grond van de hiervoor gegeven overwegingen van oordeel dat het bestreden besluit in stand kan blijven. Verweerder heeft toereikend gemotiveerd waarom de vergunning is verleend en heeft de belangen van eiser en vergunninghoudster voldoende kenbaar in de afweging betrokken. Hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft dus ook na heroverweging in redelijkheid aan de gevraagde omgevingsvergunning kunnen vasthouden.

10. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

11. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M Hamer, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. Breimer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2015.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.