Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:9415

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-12-2015
Datum publicatie
28-12-2015
Zaaknummer
CV EXPL 14-13214
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Conventie: collectieve waardeoverdracht pensioen vanuit pensioenfonds met lagere dekkingsgraad. Uitleg uitvoeringsovereenkomsten. Haviltex. Voorwaardelijke verplichting werkgever tot betaling financieringstekort door verrekening met eventuele premiekortingen, die na 2002 niet meer plaatsvinden. Nieuwe uitvoeringsovereenkomst waarin niet langer mogelijkheid tot verrekening op die wijze. Deze uitvoeringsovereenkomst na einde 5 jaar niet verlengd door werkgever die vervolgens toekomstige aanspraken onderbrengt bij verplicht bedrijfspensioenfonds. Collectieve waardeoverdracht na liquidatie vorige pensioenfonds. Werkgever gehouden tot betaling van resterend financieringstekort?

Reconventie: vraag of pensioenfonds gehouden is tot dekking van zogeheten uitlooprisico arbeidsongeschiktheidspensioen en premievrijstelling. Ziekte voor aflopen uitvoeringsovereenkomst en mogelijke ingang /opeisbaarheid uitkering daarna in verband met wachttijd. Vordering werkgever jegens pensioenfonds. Uitleg pensioenreglement aan de hand van cao-norm. Niet aannemelijk dat schade door werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0001
AR 2015/2701
PJ 2016/35
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 3046918 CV EXPL 14-13214

vonnis van 14 december 2015

fno.: 620

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

Stichting Pensioenfonds Campagne in liquidatie

gevestigd te Rotterdam

eiseres in conventie, verweerster in reconventie

nader te noemen: Campagne

gemachtigde: mr. M.W. Minnaard

t e g e n

1. Plukon Wezep B.V.

gevestigd te Wezep

2. De Kuikenaer B.V.

gevestigd te Wezep

3. Plukon Dedemsvaart B.V.

gevestigd te Dedemsvaart

gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie

gezamenlijk nader te noemen: Plukon c.s.

gemachtigde: mrs. A.G. van Marwijk Kooy en J.W. de Bruin

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

in conventie en in reconventie

  • -

    dagvaarding van 24 april 2014, met producties;

  • -

    antwoord/ eis in reconventie, met producties

  • -

    instructievonnis;

  • -

    repliek/antwoord, met productie;

  • -

    dupliek/repliek, met producties;

  • -

    dupliek in reconventie;

  • -

    dagbepaling pleidooi;

  • -

    pleidooi op 21 april 2015;

  • -

    verzoek vonnis na periode schikkingsonderhandelingen;

  • -

    dagbepaling vonnis.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten


in conventie en in reconventie

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet (voldoende) weersproken, alsmede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden inhoud van de bewijsstukken, staat in dit geding het volgende vast:

1.1.

Campagne is een op 1 januari 1996 opgericht ondernemingspensioenfonds van Cebeco Groep B.V., van welke groep Plukon c.s. sedert de jaren ’90 deel uitmaakte. Bij Campagne waren 20 ondernemingen aangesloten.

1.2.

Tot 1 januari 2002 was de pensioenregeling van Plukon c.s. ondergebracht bij Stichting Pensioenfonds Plukon (hierna SPP).

1.3.

Vanaf 1 januari 2002 is de pensioenregeling van Plukon c.s. gewijzigd en ondergebracht bij Campagne.

1.4.

De in dat kader tussen Campagne, SPP en Plukon c.s gemaakte afspraken zijn vastgelegd in een “pensioen- en financieringsovereenkomst” van 5 juli 2002 (hierna: FO 2002) en een ”overeenkomst ten behoeve van collectieve waardeoverdracht” van 25 oktober 2002 (hierna: CWO 2002), opgesteld door Campagne.

1.5.

In oktober 2002 vond de collectieve waardeoverdracht aan Campagne plaats met betrekking tot de tot en met 1 januari 2002 opgebouwde aanspraken van (gewezen) deelnemers van SPP.

1.6.

In artikel 10 lid 1 FO 2002 is vastgelegd dat indien en voor zover met betrekking tot de collectieve waardeoverdracht uit de inkoop van aanspraken bij Campagne een financieringstekort resulteert, Plukon c.s. verplicht is dit financieringstekort binnen 1 maand na ontvangst van de nota van Campagne te voldoen, behoudens het daarna in de FO 2002 gestelde.

1.7.

In artikel 10 lid 2 FO 2002 en in artikel II.2 CWO 2002 is bepaald dat indien en voor zover het in lid 1 FO 2002 bedoelde financieringstekort is veroorzaakt door een vermogenstekort bij SPP, Campagne op verzoek van Cebeco Groep B.V. bereid is om hiervoor de “Bestemmingsreserve Cebeco” aan te wenden tot een maximumbedrag van 5 miljoen euro in totaal voor alle collectieve waardeoverdrachten. Betaling van het meerdere zou door Plukon c.s. worden voldaan (“gedoteerd”) door verrekening met eventueel aan Plukon c.s. toe te kennen premiekortingen. Terugbetaling van de onttrekking van 5 miljoen zou eveneens via verrekening met eventuele premiekortingen van Plukon c.s. geschieden, echter slechts tot 1 januari 2007.

1.8.

In artikel 9 lid 4 FO 2002 is bepaald dat tot het moment van volledige (her) dotatie van het bedrag betreffende het vermogenstekort ex artikel 10 lid 2 FO 2002 geldt dat indien na beëindiging van de FO 2002 een collectieve waardeoverdracht wordt overeengekomen, op de collectieve overdrachtswaarde de resterende herdotatie betreffende het vermogenstekort ex artikel 10 lid 2 FO 2002 in mindering wordt gebracht.

1.9.

Het vermogenstekort bij SPP bedroeg in 2002 ca. € 7,2 miljoen. De betalingsverplichting met betrekking tot dit tekort is na 5 jaar, derhalve met ingang van 1 januari 2007, onherroepelijk en zonder verdere verplichtingen voor Plukon c.s. komen te vervallen.

1.10.

In artikel 10 lid 3 FO 2002 en artikel II.3 CWO 2002 is bepaald dat Plukon c.s. voorts een additionele koopsom verschuldigd is. Deze koopsom betrof kort gezegd het verschil tussen enerzijds de dekkingsgraad bij Campagne van 107,9 % en anderzijds de 100 % dekkingsgraad van SPP die bij SPP resulteerde na aanzuivering van het vermogenstekort, derhalve 7,9 % van de waarde van de pensioenverplichtingen. Betaling hiervan zou eveneens worden voldaan door verrekening met eventueel aan Plukon c.s. toe te kennen premiekortingen.

1.11.

In een e-mail van 20 oktober 2004 van [naam 1] van Plukon B.V. aan [naam 2] , toenmalig directeur van de uitvoerder van Campagne met als kop “inkoop dekkingsgraad” is bericht:
“ (…) Ik zal de directies van Plusfood en Poultry informeren over het exacte bedrag en de manier van berekenen. Jaarlijks dient 4 % rente bijgeschreven te worden, over het uitstaande bedrag, lees ik in de financieringsovereenkomst. Ik zal aankondigen dat Campagne jaarlijks gaat bevestigen, wat het per ultimo uitstaand bedrag is. In het kader van IAS 19 zal het bedrag vroeg of laat in de balans van de vennootschap moeten worden opgenomen. Ik meld nog definitief als de directies zich hebben uitgesproken.”

1.12.

Campagne heeft Plukon c.s. bij brieven van 7 december 2004, voor akkoord ondertekend door Plukon c.s., bericht dat de additionele koopsom is vastgesteld op € 2.331.597,- voor de ondernemingen gezamenlijk en heeft daarbij het per onderneming naar rato verschuldigde bedrag doorgegeven. Voorts is bericht:
”Overeenkomstig de financieringsovereenkomst is voornoemd bedrag inclusief rente vanaf 1 oktober 2002, uitsluitend opeisbaar respectievelijk verrekenbaar met eventueel door Campagne toe te kennen premiekorting c.q. de overdrachtswaarde ingeval van een uitgaande collectieve waardoverdracht.”

1.13.

In 2009 sloten partijen 2 nieuwe overeenkomsten; een uitvoeringsovereenkomst terugwerkend tot 1 januari 2008 met een looptijd tot ultimo 2013 (hierna: UO 2008), alsmede een overeenkomst terzake van verplichtingen voortvloeiend uit de collectie waardeoverdracht van 25 oktober 2002 (hierna: CWO 2008).

1.14.

In de considerans van de CWO 2008 is bepaald dat de FO 2002 per 31 december 2007 werd beëindigd en dat uit voornoemde overeenkomst voortvloeide dat, indien na beëindiging van de FO 2002 een collectieve waardeoverdracht van de pensioenaanspraken en pensioenrechten van (ex) werknemers van Plukon c.s. plaatsvindt, de overdrachtswaarde wordt verlaagd met bedragen, die daarna werden opgesomd.

1.15.

In artikel 1 van de CWO 2008 is bepaald:
“Uitsluitend indien en voor zover na beëindiging van de onder d. in de considerans bedoelde uitvoeringsovereenkomst (ktr: UO 2008) een collectieve uitgaande waardeoverdracht wordt overeengekomen van de pensioenaanspraken en pensioenrechten van (ex-) werknemers van werkgever (ktr: Plukon c.s.) door Campagne aan de door werkgever aangewezen nieuwe pensioenuitvoerder, wordt de door het fonds vast te stellen overdrachtswaarde daarvan vastgesteld overeenkomstig het hierna bepaalde. (…)
c. De overdrachtswaarde als berekend onder a. en b. in dit artikel wordt verminderd met het per de datum van de overdracht vastgestelde bedrag als hierna bepaald.”

1.16.

In 2012 heeft Campagne de mogelijkheid van een collectieve waardeoverdracht aan een verzekeraar onderzocht.

1.17.

Bij brieven van 26 juni 2013 heeft Plukon c.s. Campagne bericht dat zij de uitvoeringsovereenkomst niet zou verlengen. Hierdoor zou het aantal deelnemers bij Campagne verminderen van circa 1750 naar circa 500.

1.18.

In een memo van 7 oktober 2013 van [naam 3] , directeur van Campagne, is het volgende opgenomen:
“De financieringsconstructie bestond uit 2 delen. Het eerste deel is volgens afspraak na 5 jaar onherroepelijk en zonder verdere verplichtingen vervallen. Het 2e deel kent geen vervaldatum, maar bestaat uit een voorwaardelijke verplichting die jaarlijks wordt vermeerderd met 4 %. Deze onttrekking zou weer worden verrekend bij het toekennen van premiekortingen. Een eventueel resterend saldo is verrekenbaar bij de overdrachtswaarde ingeval van een uitgaande collectieve waardeoverdracht op verzoek van Plukon c.s.. (…)
context afspraak
De afspraak is destijds gemaakt met het idee dat op deze wijze de financiering vanuit de Cebeco bestemmingsreserve op enig moment in de navolgende jaren verrekend zou worden door Campagne. Afspraken gemaakt in een periode waarin regelmatig premiekortingen plaatsvonden en het gangbaar was om bij wisseling van uitvoerder de opgebouwde aanspraken en rechten van zowel actieven als inactieven mee te nemen naar de nieuwe uitvoerder. (…)
Volgens overeenkomst
Uit de overeenkomst (c.q. het addendum) blijkt dat de onttrekking alleen zal worden verrekend bij een uitgaande collectieve waardeoverdracht op verzoek van Plukon c.s. (premiekortingen zijn niet meer aan de orde). (…)
samenvattend
(…) Indien geen CWO ( ktr: collectieve waardeoverdracht) danwel een CWO op initiatief van Campagne plaatsvindt, kunnen de vorderingen in beginsel niet verrekend worden, maar resteert een bedrag in de overige technische voorzieningen waarover het bestuur een besluit dient te nemen. (…)”

1.19.

Per 1 januari 2014 heeft Plukon c.s. haar toekomstige pensioenaanspraken ondergebracht bij het pensioenfonds voor Vlees, Vleeswaren, Gemaksvoeding en Pluimveevlees (“BPF VLEP”). Tot die tijd had Plukon c.s. een vrijstelling voor deelname aan dit voor haar verplicht gestelde pensioenfonds. De tot 1 januari 2014 opgebouwde aanspraken bleven bij Campagne.

1.20.

Campagne heeft per 1 januari 2014 de pensioenaanspraken en - rechten met 10,8 % gekort.

1.21.

Met ingang van 1 januari 2014 is de uitvoering van de pensioenregeling van alle aangesloten ondernemingen door Campagne geëindigd. Op 17 januari 2014 heeft Campagne besloten tot liquidatie. De tot en met 31 december 2013 opgebouwde pensioenaanspraken zijn door Campagne overgedragen aan de Stichting Pensioenfonds voor de Grafische bedrijven (“PGB”).

1.22.

Per e-mail van 13 december 2013 heeft [naam 4] van DNB Campagne bericht:
“De gevolgen van de (voorwaardelijke) vordering van fonds op werkgever(s) op grond van CWO uit 2002 kan naar onze mening niet middels een korting worden verhaald op (een bepaalde groep) deelnemers. Het bestuur kan deze claim alleen mogelijk verhalen op de betrokken werkgevers, maar dient deze anders buiten beschouwing te laten bij afwikkelingstraject vwb korting tot MVEV ultimo 2013.”

Vordering in conventie

2. Campagne vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

  1. Plukon Wezep B.V. te veroordelen tot betaling van € 2.271.308,- vermeerderd met 4 % rente vanaf 1 april 2014;

  2. De Kuikenaer B.V. te veroordelen tot betaling van € 8.353,- vermeerderd met 4 % rente vanaf 1 april 2014;

  3. Plukon Dedemsvaart B.V. te veroordelen tot betaling van € 190.467,- vermeerderd met 4 % rente vanaf 1 april 2014;

  4. Plukon c.s. te veroordelen tot betaling van € 6.775,- wegens buitengerechtelijke incassokosten en in de proceskosten, vermeerderd met nakosten.

3. Campagne stelt daartoe - kort samengevat - dat haar vordering ziet op de nog niet ingelopen schuld aangaande de additionele koopsom (1.10). In feite heeft zich in 2014 de situatie van collectieve waardeoverdracht van artikel 1 CWO 2008 voorgedaan. Het is voor Campagne ondenkbaar dat de CWO 2008 wel geldt bij een individueel besluit van Plukon c.s. tot waardeoverdracht maar niet bij een collectief besluit daartoe van Campagne. Het is echter niet mogelijk gebleken om uitvoering te geven aan het daarin bepaalde en het tekort met de overdrachtswaarde te verrekenen in het kader van de waardeoverdracht aan PGB, doordat DNB dit heeft verboden. Verwezen wordt naar de e-mail van DNB van 13 december 2013.

4. Uitgangspunt voor Campagne is dat het tekort uit 2002 niet alsnog ten laste van haar dient te komen en daarmee uiteindelijk ten nadele van de aanspraak- en pensioengerechtigden die ultimo 2001 pensioenaanspraken hadden verzekerd bij Campagne. De waardeoverdracht in 2014 was het noodzakelijk gevolg van de liquidatie en die was het gevolg van het handelen van de aangesloten werkgevers waarvan Plukon c.s. de grootste is. In het licht van die omstandigheden dient het niet uit te maken dat geen formeel verzoek van Plukon c.s. ten grondslag lag aan de waardeoverdracht. Plukon c.s. heeft zich ten onrechte slechts bereid verklaard om 10 % van het tekort voor haar rekening te nemen onder voorwaarde van voortzetting van aansluiting voor een jaar.

5. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ex artikel 6:248 lid 2 BW is een dergelijk vasthouden door Plukon c.s. aan de tekst van de CWO 2008 onaanvaardbaar. Dit druist ook in tegen de in artikel 105 lid 2 PW (voorheen artikel 5 lid 4 PSW) voorgeschreven evenwichtige belangenbehartiging. Partijen dienden daarom een andere manier te vinden om de oorspronkelijke overeenkomst(en) gestand te doen. Ingevolge artikel 6:2 BW waren partijen gehouden om serieus met elkaar in onderhandeling te treden. Partijen hebben de onderhavige situatie van liquidatie van Campagne en een verbod van DNB tot verrekening niet voorzien, zodat de rechter op de voet van artikel 6:258 BW de gevolgen van de CWO 2008 zodanig dient te wijzigen dat Plukon c.s. wordt veroordeeld de openstaande bedragen te betalen.

6. Tijdens het pleidooi heeft Campagne toegelicht dat 0.8 % van de korting in 2014 ziet op het tekort uit 2002.

Verweer Plukon c.s. in conventie

7. Plukon c.s. betwist de vorderingen gemotiveerd en voert daartoe - samengevat - het volgende aan. Partijen sloten de UO 2008 en CWO 2008 omdat door invoering van de Pensioenwet (PW) er hoe dan ook een nieuwe uitvoeringsovereenkomst moest komen en de bestaande afspraken niet meer goed uitvoerbaar waren. Het fenomeen van de collectieve waardeoverdracht was uitvoeriger geregeld en ingevolge artikel 129 PW golden aanvullende voorwaarden voor premiekorting door pensioenfondsen. Bovendien was een deel van de afspraken ingehaald door tijdsverloop (1 januari 2007).

8. Uit de letterlijke tekst van het bepaalde in artikel 1 CWO 2008 blijkt dat Campagne slechts een recht heeft bedongen om de overdrachtswaarde te verminderen in geval van een collectieve waardeoverdracht ex artikel 83 PW op verzoek van Plukon c.s.. Het moet derhalve gaan om de situatie dat Plukon c.s. de UO 2008 opzegt teneinde haar pensioenregeling elders onder te brengen bij een specifieke pensioenuitvoerder, die uitvoering van de nieuwe opbouw gaat verzorgen en waaraan de opgebouwde waarden worden overgedragen. Het woord ‘uitsluitend’ maakt duidelijk dat Campagne dit verminderingsrecht niet kan inroepen buiten bedoelde specifieke situatie. Het doelt niet op het feit dat premiekorting geen soelaas meer bood.

9. Nu Campagne en Plukon c.s. professionele partijen zijn en de CWO naar haar aard beoogt om de rechtspositie van derden te beïnvloeden dient een meer objectieve uitlegmethode te worden toegepast. Als desondanks een groter gewicht zou worden toegekend aan de bedoeling van partijen is de uitkomst hetzelfde. De achtergrond van het verrekenbeding was dat hiervan een incentive uitging voor Plukon c.s. om niet snel na de aanwending van de Cebeco bestemmingsreserve opnieuw de opgebouwde waarden te verhuizen. Als Campagne het verrekenbeding had willen laten omslaan in een vorderingsrecht ten laste van de Plukon c.s. populatie, dan had het voor de hand gelegen dit te bedingen voor het moment dat Plukon c.s. de uitvoeringsovereenkomst zou beëindigen. Als het verrekenbeding ook een collectieve waardeoverdracht ex artikel 84 PW zou omvatten dan zou Campagne zich daarop niet kunnen beroepen in verband met het bepaalde in artikel 6:23 lid 2 BW. Nu Campagne de opsteller was van de CWO 2008 dienen eventuele onduidelijkheden op grond van het contra proferentum in beginsel voor haar rekening te komen.

10. Essentie van de afspraak in de CWO 2002 en 2008 is dat het risico voor het niet inlopen van de bufferkoopsom niet bij Plukon c.s. lag, maar bij Campagne. Het voorwaardelijk karakter van het verrekenbeding blijkt ook uit het feit dat Campagne en Plukon c.s. de bufferkoopsom niet hebben opgenomen op hun balans. In een notitie van de directeur van Campagne van oktober 2013 bevestigt hij dit en vermeldt hij dat de reden daarvoor is gelegen in het voorwaardelijke karakter van het verrekenbeding. Kennelijk wogen de door Campagne te verwachten voordelen van aansluiting van Plukon c.s. ruimschoots op tegen de te verwachten nadelen. Als Campagne ultimo 2002 niet akkoord was gegaan met de verrekenbepalingen had SPP de aanspraken van haar begunstigden dienen te korten. Plukon c.s. genoot dus geen voordeel van de onderhavige regeling. Het gaat dan ook niet aan om het tekort nu op Plukon c.s. af te wentelen. Voor Plukon c.s. was het van belang dat de collectieve waardeoverdracht betaalbaar zou blijven. Plukon c.s. had daarom niet ingestemd met een regeling waarbij zij een opeisbare verplichting jegens Campagne was aangegaan. Campagne had ook gedifferentieerd kunnen korten bij de Plukon c.s deelnemers die immers in 2002 hun “aandeel” kregen in de buffer zonder dat daarvoor betaald werd. Niet Plukon c.s. doch zij werden destijds bevoordeeld. In plaats daarvan koos Campagne voor een uniforme korting van 10.8 %.

11. Plukon c.s. heeft de UO 2008 in 2014 niet verlengd omdat zij voortzetting van de uitvoeringsrelatie met Campagne niet in haar eigen belang en dat van haar deelnemers achtte. Het woog zwaar mee dat Plukon c.s. eigenlijk onder de werkingssfeer viel van VLEP, waarvan zij was vrijgesteld. Aan vrijstelling was de voorwaarde verbonden dat de pensioenregeling van Plukon c.s. minimaal actuarieel en financieel gelijkwaardig was aan die van VLEP. Plukon c.s. maakte zich zorgen over de beperkte omvang van Campagne, de kritische kanttekeningen van DNB over de uitbesteding van vermogensbeheer en het steeds verder wegzakken van de dekkingsgraad van Campagne, ook ten opzichte van die van VLEP, ten gevolge van de matige beleggingsrendementen, terwijl het fonds hoog in de kosten zat. Plukon c.s. acht zich verder niet verantwoordelijk voor de keuze van Campagne om over te gaan tot liquidatie na het vertrek van Plukon c.s. en diverse andere ondernemingen.

12. Waar nodig zal bij de beoordeling nader worden ingegaan op de stellingen en verweren van partijen.

Beoordeling

In conventie

13. Ter beoordeling staat de vraag of Campagne op één van de door haar aangedragen grondslagen van Plukon c.s. uitbetaling kan vorderen van de resterende additionele koopsom, door Plukon c.s. aangeduid als buffertekort.

13. Campagne baseert haar vordering op het bepaalde in artikel 1 CWO 2008. Daarbij stelt zij niet dat daarin een verbintenis strekkende tot betaling van de resterende additionele koopsom door Plukon c.s. is vastgelegd. Partijen zijn het erover eens dat in artikel 1 CWO 2008 geen al dan niet voorwaardelijke vordering van Campagne op Plukon c.s. is opgenomen, doch slechts een recht op vermindering van de overdrachtswaarde door Campagne in geval van de in artikel 1 beschreven collectieve waardeoverdracht. Dit impliceert derhalve de mogelijkheid voor Campagne om aan het overnemend pensioenfonds een lagere overdrachtswaarde te betalen teneinde de resterende additionele koopsom alsnog te ontvangen.

13. Campagne stelt dat uitleg van artikel 1 CWO 2008 meebrengt dat niet zij doch Plukon c.s. de nadelige gevolgen dient te dragen voor het feit dat het in 2014 voor Campagne niet mogelijk was om de in artikel 1 CWO 2008 beoogde verrekening met het ‘resterende tekort uit 2002’ toe te passen. Indien Plukon c.s. niet zou bijdragen in het tekort verwatert volgens Campagne haar eigen vermogen alsnog ten nadele van de in 2002 zittende populatie deelnemers bij Campagne. Dat gevolg is volgens Campagne naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Campagne beroept zich voorts op imprévision en de contractuele goede trouw bij toepassing van het bepaalde in voornoemd artikel.

13. Campagne beroept zich voor de te hanteren uitlegnorm op het DSM/ Fox -arrest (HR 20 februari 2004, NJ 2005,493), waarbij het ging het om een procedure tussen een werknemer en een pensioenfonds. Campagne stelt dat beslissend zijn alle omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid met een vloeiende overgang tussen de meer subjectieve Haviltex-norm en de meer objectieve CAO-norm. Plukon c.s. verwijst eveneens naar dit arrest, voor zover het thans gaat om een overeenkomst die naar zijn aard meer is bestemd om de rechtspositie te beïnvloeden van een (potentieel groot) aantal toekomstige partijen en andere derden die niet bij de totstandkoming zijn betrokken en de bedoeling van partijen niet kunnen kennen. De aan objectieve aanknopingspunten ontleende argumenten dienen dan zwaarder te wegen bij de uitleg. Verder stelt Plukon c.s. dat de Haviltex-norm er niet aan in de weg staat dat bij onderhavige gecompliceerde overeenkomsten de taalkundige betekenis van de bewoordingen voorop dient te staan (Meyer/Europe, HR 19 januari 2007, NJ 2007,575; Derksen/Homburg, HR 29 juni 2007, NJ 2007,576).

13. De kantonrechter zal de Haviltex-norm hanteren nu Campagne en Plukon c.s. procespartij zijn en alle zijn betrokken bij de totstandkoming van de onderhavige overeenkomsten en het geschil zich toespitst op de financiering van de pensioenregeling bij Campagne en niet op de wijze waarop de rechten van de betrokken werknemers in de pensioenregeling van Campagne zijn vastgelegd. Tevens wordt rekening gehouden met de nuancering van de laatstgenoemde twee door Plukon c.s. vermelde arresten in het arrest Lundiform/Mexx (HR 5 april 2013, NJ 2013/214). Het komt dan ook aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de overeenkomsten mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien van elkaar mochten verwachten.

13. Campagne legt het bepaalde in artikel 1 CWO 2008 zo uit dat de onderhavige situatie van collectieve waardeoverdracht door Campagne na liquidatie ook valt onder het bereik van artikel 1 CWO 2008 en stelt dat slechts het verbod van DNB in de weg stond aan verrekening. Daarin wordt Campagne niet gevolgd. Allereerst - naar de letterlijke tekst van de bepaling bezien - omdat er nu eenmaal geen sprake is geweest van een waardeoverdracht aan een door Plukon c.s. aangewezen nieuwe pensioenuitvoerder. Daarnaast heeft Plukon c.s. gewezen op de uit het memo van de directeur van Campagne blijkende bedoeling van deze bepaling, te weten alleen verrekening ingeval van een collectieve waardeoverdracht op verzoek van Plukon c.s. en geen verrekening als een collectieve waardeoverdracht op initiatief van Campagne plaatsvindt. Het niet kunnen effectueren van het verrekenbeding is dan ook niet enkel het gevolg van een verbod van DNB. Overigens volgt dit verbod ook niet duidelijk uit de tekst van de e-mail van DNB d.d. 13 december 2013, maar Plukon c.s. heeft tijdens het pleidooi erkend dat sprake was van een verbod van DNB .

13. De situatie dat geen verrekening meer mogelijk is, is ook uitdrukkelijk voorzien door Campagne. [naam 3] , directeur van Campagne, heeft immers expliciet verklaard dat ingeval een collectieve waardeoverdracht op initiatief van Campagne zou plaatsvinden de vorderingen in beginsel niet verrekend kunnen worden en een bedrag resteert in de technische voorzieningen waarover het bestuur een besluit dient te nemen. Hiertegenover heeft Campagne niets gesteld.

13. Het betoog van Campagne dat de uitkomst waarbij zij geen betaling ontvangt van de additionele koopsom onaanvaardbaar is omdat zij in feite door de handelwijze van Plukon c.s. is gedwongen tot liquidatie en collectieve waardeoverdracht kan haar niet baten. Gelet op hetgeen Plukon c.s. heeft aangevoerd had zij goede en te rechtvaardigen gronden om de pensioenaanspraken van haar (ex)werknemers bij de VLEP onder te brengen. Door dit alleen voor de toekomst te doen en niet een volledige collectieve waardeoverdracht naar VLEP te bewerkstelligen was het verrekenbeding van artikel 1 CWOO 2008 niet aan de orde. Campagne heeft onvoldoende gesteld om aan deze handelwijze de consequentie te verbinden dat geen beroep kan worden gedaan op de letterlijke tekst van artikel 1 CWO 2008. Er gold voor Plukon c.s. geen verplichting om ingeval van beëindiging van haar relatie met Campagne zorg te dragen voor volledige collectieve waardeoverdracht opdat toepassing kon worden gegeven aan het bepaalde in artikel 1 CWO 2008. Als Campagne Plukon c.s. daartoe wel had willen verplichten had zij dit moeten bedingen. Dat zij dit niet heeft gedaan dient voor haar risico te blijven. Voorts heeft Campagne onvoldoende het verweer van Plukon c.s. bestreden dat liquidatie niet de enige optie was en het mogelijk was geweest voor Campagne om als fonds voort te blijven bestaan en niet over te gaan tot collectieve waardeoverdracht.

13. Van Campagne mag als professionele partij worden verwacht dat zij rekening hield met de mogelijkheid van een liquidatie gevolgd door een collectieve waardeoverdracht op eigen intitiatief. Hetzelfde geldt voor de situatie dat Plukon c.s. de UO 2008 niet zou voortzetten en alleen haar toekomstige pensioenvoorziening zou onderbrengen bij een andere pensioenverzekeraar. Campagne heeft onvoldoende gesteld om aan te nemen dat zij dit scenario niet had kunnen voorzien en daarom hierover geen afspraken heeft gemaakt. Van een leemte in artikel 1 CWO 2008 is geen sprake. Het beroep van Campagne op onvoorziene omstandigheden kan dan ook niet slagen.

13. Tijdens het pleidooi heeft Campagne gesteld dat het sowieso de bedoeling was van partijen dat uiteindelijk Plukon c.s. op enig moment zou zorg dragen voor betaling van de additionele koopsom en deze een onvoorwaardelijke schuld van Plukon c.s. betrof. Nog daargelaten dat dit een nieuwe grondslag voor de vordering lijkt te zijn, heeft Campagne deze stelling onvoldoende onderbouwd en is daarvoor geen steun te vinden in de door partijen overgelegde stukken.

13. Campagne beroept zich in dat verband tevergeefs op de e -mail van 20 oktober 2004 van [naam 1] aan [naam 2] (1.11). Daarin staat immers niet dat het uitstaande bedrag zag op een onvoorwaardelijke schuld van Plukon c.s.. Bovendien dient de e-mail in samenhang te worden bezien met de brief van 7 december 2004 van Campagne en de FO 2002. In deze brief heeft Campagne expliciet vermeld dat, overeenkomstig de financieringsovereenkomst, de additionele koopsom uitsluitend opeisbaar is met eventuele toe te kennen premiekortingen of verrekenbaar is met de overdrachtswaarde ingeval van een uitgaande collectieve waardeoverdracht. Dit wordt ook vermeld in het memo van de directeur van Campagne van 7 oktober 2013, waar hij het verder heeft over een voorwaardelijke verplichting. Uit de tekst van de brief van 7 december 2004 van Campagne blijkt voorts dat deze overeen stemde met het bepaalde in de FO 2002. Campagne heeft het stuk van haar directeur niet voldoende weerlegd en niet voldoende toegelicht waarom zij thans desondanks een ander standpunt inneemt ten aanzien van de bedoeling van partijen.

13. Ook uit de tekst van de UO 2008 en CWO 2008 en voornoemd memo van de directeur van Campagne blijkt niet dat partijen een onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van de additionele koopsom door Plukon c.s. hebben willen overeenkomen. Dit terwijl slechts in 2002 een premiekorting is toegekend aan Plukon c.s., zo hebben partijen tijdens het pleidooi desgevraagd verklaard. Ook nadat jarenlang geen premiekorting was verleend en Campagne derhalve geen betaling verkreeg van de additionele koopsom, heeft Campagne in de nieuwe opgestelde overeenkomst - de CWO 2008 - slechts het verrekenbeding van artikel 1 vastgelegd en geen verbintenis voor Plukon c.s. zelf, zelfs niet meer in de vorm van verrekening van premiekorting. Toen was het jaar 2007 al verstreken waarin de (voorwaardelijke) betalingsverplichtingen van Plukon c.s. ter zake het vermogenstekort waren komen te vervallen. Kennelijk nam Campagne de mogelijkheid dat ook de additionele koopsom niet zou worden ingelost voor lief. Indien geen collectieve waardeoverdracht in de zin van artikel 1 CWO 2008 zou plaatsvinden zou Campagne immers geen betaling van de additionele koopsom ontvangen. Verder heeft Plukon c.s. onbetwist gesteld dat Campagne haar niet heeft verzocht om bijvoorbeeld bijstortingen te verrichten.

13. Plukon c.s. voert aan dat Campagne zo haar redenen moet hebben gehad om geen onvoorwaardelijke betalingsverplichting bij Plukon c.s. te bedingen en zij er kennelijk voordelen in zag om Plukon c.s. op deze wijze - ‘ met gouden ketenen’ - binnen te houden. Plukon c.s. heeft verder aangevoerd dat de overstap vanuit SPP voor de toenmalige deelnemers van vóór 2002 bij Campagne kennelijk op het totaal bezien voldoende voordelig was en de DNB er ook zijn fiat aan heeft gegeven, zodat van een onvoldoende evenwichtige belangenbehartiging geen sprake was. Voorts heeft Plukon c.s. aangevoerd dat de situatie voor de voormalige deelnemers van SPP er ook niet slechter op is geworden omdat Campagne destijds had kunnen kiezen voor gedifferentieerd korten. Campagne heeft hier niet voldoende op gereageerd. Zij heeft slechts gesteld dat aanleiding voor het opstellen van de CWO 2008 was dat geen verrekening meer kon plaatsvinden via premiekorting, wat overigens niet juist is; de mogelijkheid van premiekorting bleef bestaan, zij het beperkt en daarnaast gaven de resultaten geen aanleiding voor premiekorting. Onduidelijk is gebleven waarom Campagne niet in de overeenkomst heeft laten vastleggen dat de additionele koopsom als een onvoorwaardelijke schuld van Plukon c.s. diende te worden aangemerkt als dat wel haar uitganspunt was. Waar Campagne nu stelt dat de onderhavige uitkomst apert onbillijk is en de deelnemers bij Campagne die dit al vóór 2002 waren, worden benadeeld, lag het op haar weg om op dit punt uitleg te geven. Nu zij dit heeft nagelaten wordt het ervoor gehouden dat er inderdaad ook voordelen waren verbonden aan het op deze wijze contracteren met Plukon c.s. Verder lijkt het erop dat met de korting van 10.8 % in 2014, waarvan 0.8 % ziet op het tekort uit 2002, Campagne haar verlies al bij de deelnemers heeft neergelegd, zonder dat hieraan nog een voorbehoud afhankelijk van de uitkomst van deze procedure is verbonden.

13. Slotsom is dat Campagne onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is of in strijd met de goede trouw dat Plukon c.s. niet zorg draagt voor betaling van de resterende additionele koopsom nu het verrekenbeding niet kan worden toegepast. Hiervoor is reeds overwogen dat het beroep op imprévision evenmin kan slagen.

13. Het bewijsaanbod van Campagne dat andere werkgevers haar vordering wel hebben erkend wordt als niet ter zake dienend verworpen.

13. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de vorderingen moeten worden afgewezen.

13. Campagne wordt als de in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten belast.


In reconventie


Feiten

2. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet (voldoende) weersproken, alsmede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden inhoud van de bewijsstukken, staat in dit geding het volgende vast:

1.23.

In artikel 33 CAO Plukon is bepaald dat ieder daarvoor in aanmerking komende medewerker is verzekerd voor ouderdoms-, nabestaanden- en wezenuitkering overeenkomstig de bepalingen in de statuten en reglementen van de Stichting Pensioenfonds Campagne, tenzij in de individuele arbeidsovereenkomst anders wordt bepaald.

1.24.

De pensioenreglementen van Campagne voorzien in een recht op arbeidsongeschiktheidspensioen (artikel 12 b) en premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid (artikel 12 a). De volgende bepalingen zijn van belang, zakelijk weergegeven:
- artikel 2 lid 1: deelnemer is de werknemer (…) die op de eerste van de maand de leeftijd van 22 jaar heeft bereikt en door het bestuur als deelnemer is aanvaard.
-artikel 2 lid 2: aanvaarding als deelnemer geschiedt slechts per onderneming of per groep collectief.
-artikel 2 lid 3: het deelnemerschap voor de (aspirant) deelnemers eindigt wanneer de uitvoeringsovereenkomst tussen het fonds en de aangesloten onderneming waarbij zij in dienst zijn wordt beëindigd.
-artikel 2 lid 4: het deelnemerschap van diegenen die de hoedanigheid van werknemers hebben verloren wordt voortgezet indien en zolang de pensioenopbouw wegens arbeidsongeschiktheid ingevolge artikel 12 a (…) wordt voortgezet.
-artikel 4 lid 1: het deelnemerschap geeft aanspraak op arbeidsongeschiktheidspensioen (op risicobasis) ten behoeve van de (aspirant) deelnemer.
-artikel 12a (met als kop “voortzetting deelnemerschap tijdens arbeidsongeschiktheid”): het deelnemerschap wordt voortgezet met betrekking tot het arbeidsongeschikte deel indien een deelnemer als bedoeld in artikel 2 lid 1 in het genot van een uitkering op grond van de WAO of WIA wordt gesteld. Hetzelfde geldt voor een arbeidsongeschikte aspirant-deelnemer die 22 jaar is op moment aanvang WIA-uitkering en waarvan het dienstverband nog in stand is. Alsdan komt de premieopbouw voor 100 % ten laste van Campagne.
-artikel 12 a lid 7 (betreft uitsluiting zogeheten inlooprisico): dit artikel vindt slechts toepassing indien de deelnemer niet reeds 35 % of meer ongeschikt was in de zin van de WIA op de datum waarop het deelnemerschap laatstelijk aanving.
- artikel 12 b lid 3: het arbeidsongeschiktheidspensioen (AOP) gaat in op de datum waarop de IVA of WGA uitkering is ingegaan. De (gewezen) deelnemer dient van een wijziging in de graad van arbeidsongeschiktheid onverwijld mededeling te doen.
In artikel 9 lid 3 FO 2002 is bepaald dat ingeval van beëindiging van de overeenkomst het deelnemerschap wordt beëindigd van de betrokken deelnemers en de pensioenaanspraken premievrij gemaakt op dezelfde wijze als bij individuele beëindiging met dien verstande dat geen uitlooprisico’s meer verzekerd zijn na de datum van beëindiging.

1.25.

Bij brief van 24 december 2013 heeft Campagne desgevraagd aan Plukon c.s. bericht dat zij zich niet gehouden acht tot dekking van de uitlooprisico’s.

Vordering

30. Plukon vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

  1. Voor recht te verklaren dat Campagne aansprakelijk is voor de schade aan de zijde van Plukon, doordat Campagne niet haar contractuele verplichtingen nakomt terzake de dekking van de uitlooprisico’s.

  2. Campagne te veroordelen tot betaling van een bedrag aan schade, als hiervoor onder a.) bedoeld, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na vonnisdatum.

31. Plukon c.s. definieert het uitlooprisico als het risico dat een uitkering moet worden verstrekt uit hoofde van een ziekte of aandoening die reeds gedurende de looptijd van de collectieve verzekering bestond, maar op grond waarvan een eventueel recht op uitkering opeisbaar wordt na afloop van de looptijd van die verzekering. Het uitlooprisico waarop de vorderingen van Plukon c.s. zien kent 2 componenten; de dekking van het arbeidsongeschiktheidspensioen zelf en de premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. Plukon c.s. stelt dat zij tenminste 23 werknemers in dienst heeft die arbeidsongeschikt zijn geworden tijdens de looptijd van de met Campagne gesloten UO 2008, maar die pas na het einde van de looptijd daarvan - op 31 december 2013 - de drempelperiode van 2 jaar zullen voltooien waarna de uitkering van het arbeidsongeschiktheidspensioen of de premievrijstelling in kan gaan.

31. Plukon c.s. stelt dat Campagne uitsluiting van het uitlooprisico expliciet had moeten bedingen en - nu dit niet is gebeurd - Campagne gehouden is om dekking te verlenen. Campagne kan zich er niet op beroepen dat gewezen deelnemers geen aanspraak kunnen hebben op AOP en premievrijstelling omdat het eigen is aan dekking van uitlooprisico’s dat deze zich voordoen bij gewezen deelnemers. Bovendien volgt uit de pensioenreglementen dat niet slechts deelnemers aanspraken kunnen doen gelden op AOP en premievrijstelling. Campagne heeft voor de dekking van uitlooprisico’s ook een voorziening op haar balans opgenomen. Verder beroept Plukon c.s. zich op het zogeheten Van Leeuwen Convenant van 11 november 2009 en het daaruit voortvloeiende Convenant van de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars van 23 januari 2013 over dekking van AOP en premievrijstelling in pensioenregelingen.

31. Campagne heeft de verplichting tot het verlenen van uitloopdekking ook niet overgedragen aan PGB. Plukon c.s. dient nu de dekking elders onder te brengen dan wel de arbeidsvoorwaardelijke schade zelf te dragen. Voor die schade is Campagne aansprakelijk. Campagne begroot deze thans op ongeveer € 1.005.000,-. Wanneer zou worden vastgesteld dat Campagne niet gehouden is om onderhavige dekking te bieden, heeft zij haar zorgplicht geschonden door Plukon c.s. en haar werknemers niet ruim voor het einde van de UO 2008 hierover te informeren.

Verweer

34. Campagne voert gemotiveerd verweer. Zij voert allereerst aan dat Plukon c.s. geen dan wel een onvoldoende concreet belang heeft bij haar vordering omdat er nog geen sprake is van schade en die bovendien niet is onderbouwd. Als er al schade zou zijn, dan wordt die niet door Plukon c.s. doch door haar werknemers zelf geleden.

35. Volgens Campagne beschrijven de pensioenreglementen uitsluitend welke risico’s wel zijn gedekt. De uitlooprisico’s zijn niet gedekt. Plukon c.s. heeft premie betaald voor risicodekking maar niet voor uitlooprisico. Dat op de balans een voorziening voor toekomstige arbeidsongeschiktheid is opgenomen betekent niet dat er ook een verplichting bestaat het uitlooprisico te dekken. Waar het om gaat is of zo’n gehoudenheid uit de pensioenreglementen en de UO’s volgt en dat is niet het geval. De voorziening is enkel op grond van verslagleggingsregels ingevoerd.

36. Waar nodig zal bij de beoordeling nader worden ingegaan op de (overige) stellingen en verweren van partijen.


Beoordeling

37. De vorderingen van Plukon c.s. zien in feite op potentiële schadeclaims van haar werknemers inzake uitlooprisico’s. Van belang is derhalve of deze werknemers op grond van de ingevolge de CAO Plukon toepasselijke pensioenreglementen van Campagne aanspraak kunnen maken op dekking van het uitlooprisico.

37. Daarbij komt het aan op uitleg van onderhavige pensioenreglementen in de relatie tussen werknemers van Plukon c.s. en Campagne. Daarvoor geldt de CAO-norm. (HR 20 februari 2004, JAR 2004/83, DSM/Fox; HR 8 oktober 2010, NJ 2010/546 van Ens/ABP). Deze norm houdt in dat aan de bepalingen van het pensioenreglement een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven. De bewoordingen van het reglement, inclusief de eventueel daaraan toegevoegde schriftelijke toelichting, zijn in beginsel van doorslaggevende betekenis. Daarbij komt het aan op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit deze bewoordingen en niet op de bedoelingen van de partijen die het reglement tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn. Bij de uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in het reglement gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden.

39. Campagne legt de pensioenreglementen aldus uit dat voor het ingaan van een AOP en premievrijstelling niet voldoende is dat een werknemer deelnemer is op het moment van ontstaan van de arbeidsongeschiktheid maar dat deze werknemer ook nog deelnemer dient te zijn gedurende de drempelperiode tot en met het moment waarop het recht ontstaat op een WAO, IVA of WGA uitkering. Het deelnemerschap van de werknemers van Plukon c.s. is geëindigd door opzegging van de UO 2008 en daarom kan geen uitkering van AOP of premievrijstelling plaatsvinden. Volgens Plukon c.s. daarentegen dient er slechts deelnemerschap te zijn op het moment van aanvang van de ziekte, waarmee de aanspraken worden gevestigd die pas later tot uitkering kunnen leiden. Plukon c.s. stelt dat het gaat om een recht op uitkering onder opschortende voorwaarde.

39. Geoordeeld wordt als volgt. De onderhavige regeling van AOP vertoont grote gelijkenis met die in de casus beslist in het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2004, JAR 2004/290 (Beuving/ Pensioenfonds Stork). Aansluiting zal worden gezocht bij de daar gehanteerde uitleg waarvan de uitkomst strookt met hetgeen Plukon c.s. voorstaat.

39. Ook in de huidige zaak is in het pensioenreglement bepaald dat deelnemerschap aanspraak geeft op AOP, terwijl het vereiste van deelnemerschap niet expliciet als voorwaarde is vermeld in het artikel waarin het ingangstijdstip voor het AOP is vermeld (artikel 12 b). Daarin wordt zelfs gesproken over de (gewezen) deelnemer. De wachttijd tot het ingaan van het AOP betreft een met de casus in het arrest vergelijkbare overbruggingsperiode, die afhankelijk is van ontvangst van de arbeidsongeschiktheidsuitkering WAO, IVA of WGA. Het hof had gelet op de bewoordingen van de regeling vastgesteld dat het recht op AOP ten gevolge van ziekte tijdens het deelnemerschap was gevestigd, dat dit verkregen recht inging na de wachttijd en dat werd aangenomen dat werknemer dan ook deelnemer was gebleven in de periode dat zijn AOP nog niet was ingegaan tijdens de eenmaal begonnen wachttijd. Het hof verwierp de redenering dat dit recht op grond van de andere bepalingen van het reglement weer kon vervallen als gevolg van ontbinding van de arbeidsovereenkomst en daarmee het eindigen van het deelnemerschap. Het hof wees onder meer op onduidelijkheden in de bepalingen en achtte doorslaggevend dat de regeling kennelijk aansluiting zoekt bij het systeem van de WAO welk recht ook eerst ingaat na een wachttijd en niet vervalt door beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Volgens het hof leidde een andere uitleg tot een willekeurige uitwerking van de pensioenregeling, hetgeen strijdig is met het verzekeringskarakter van de regeling. Gelet op al het voorgaande werd aangenomen dat ook het uitlooprisico voor de regeling inzake premievrijstelling gedekt diende te blijven (zie voormeld arrest van de Hoge Raad onder 4.3 tot en met 4.6). De Hoge Raad ( evenals de AG) achtte deze uitleg niet onbegrijpelijk en conform de toets van het DSM/Fox arrest omdat het ging om een uitleg naar objectieve maatstaven waarbij acht is geslagen op de elders in het reglement gebruikte bewoordingen en de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden tekstinterpretaties zouden leiden. Ook de Hoge Raad wees op het verzekeringskarakter (3.4.3 tot en met 3.6).

39. In het arrest van de Hoge Raad van 18 oktober 2002 (Pieterse/Nationale Nederlanden, NJ 2003/258) ging het eveneens om het uitlooprisico, zij het in een verzekeringsovereenkomst van een uitgezonden werknemer, waarbij de Hoge Raad een Haviltex-uitleg aangewezen achtte. Ten onrechte had het hof uitsluitend een uitleg toegepast aan de hand van de bewoordingen van de collectieve verzekeringsovereenkomst en de strekking van de regeling buiten beschouwing gelaten en geoordeeld dat het uitlooprisico niet verzekerd was. De AG kwam tot een vergelijkbaar resultaat als de Hoge Raad onder toepassing van de CAO-norm en achtte de uitleg van het hof evenmin juist.

39. Plukon c.s. beroept zich daarnaast terecht op de onaannemelijkheid van het rechtsgevolg van de uitleg die Campagne voorstaat, te weten dat alle (gewezen) werknemers van Plukon c.s. die in de jaren 2012 en 2013 ziek zijn geworden bij nader inzien onverzekerd zijn geweest. Daar komt bij dat er wel een voorziening op de balans van Campagne is opgenomen voor uitlooprisico’s.

39. Ten overvloede wordt nog overwogen dat de uitleg van Campagne zich ook moeilijk verdraagt met het bepaalde in artikel 9 lid 3 FO. De vraag dient zich aan waarom daarin nog is opgenomen “met dien verstande dat geen uitlooprisico’s meer verzekerd zijn” als dat volgens Campagne al het gevolg is van het einde van het deelnemerschap ten gevolge van beëindiging van de UO 2008? Plukon c.s. stelt voorts dat zij op grond van het ontbreken van deze zinsnede in de UO 2008 mocht begrijpen dat het uitlooprisico nadien wel gedekt was. Campagne heeft hiervoor geen verklaring gegeven en heeft ook daarmede de door haar voorgestane uitleg onvoldoende toegelicht. Deze argumenten spelen een rol in de relatie tussen Plukon c.s. en Campagne. Het is echter de vraag of ook werknemers van Plukon c.s. zich kunnen beroepen op de FO 2002 en UO 2008 omdat onbekend is of zij daarvan kennis hebben kunnen nemen.

39. Gelet op het bovenstaande is uitgangspunt dat werknemers van Plukon c.s. ten opzichte van Campagne aanspraak kunnen maken op dekking van de onderhavige uitlooprisico’s. Daaruit volgt echter dat deze werknemers geen schade kunnen vorderen van Plukon c.s. en is dan ook onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij schade kan lijden. Plukon c.s. heeft slechts een verklaring voor recht gevraagd dat Campagne aansprakelijk is voor de desbetreffende schade, met veroordeling tot betaling van schade nader op te maken bij staat. Een verklaring voor recht dat het uitlooprisico is gedekt is niet gevraagd. Nu het uitlooprisico is gedekt kan de subsidiaire grondslag, te weten schending van een waarschuwingsplicht niet meer aan de orde komen.

39. Slotsom is dat de vorderingen moeten worden afgewezen.

39. Bij deze uitkomst van de procedure, waarbij partijen over en weer in het gelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

BESLISSING

De kantonrechter:

In conventie:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt Campagne in de proceskosten, aan de zijde van Plukon c.s. tot op heden begroot op € 3.600,00 aan salaris gemachtigde, inclusief eventueel verschuldigde BTW;

veroordeelt Campagne tot betaling van een bedrag van € 75,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en Campagne niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;


In reconventie:

wijst de vorderingen af;

compenseert de proceskosten aldus dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt.

Aldus gewezen door mr. M.E.B. Terwee, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van14 december 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.