Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:9312

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-12-2015
Datum publicatie
29-12-2015
Zaaknummer
C/13/583257 / HA ZA 15-270
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De oorspronkelijke tekst van de dagboeken van Anne Frank mocht worden gekopieerd voor wetenschappelijk onderzoek door de KNAW.

Het Anne Frank Fonds uit Basel had de rechter verzocht om het kopiëren en publiceren van de manuscripten van de dagboeken te verbieden. Dat deed het Fonds nadat het vernam dat de Amsterdamse Anne Frank Stichting voornemens was in samenwerking met de KNAW de manuscripten van de dagboeken integraal te publiceren. Het Fonds beschikt over de auteursrechten van alle werken van Anne Frank en vindt dat de Stichting daarop inbreuk maakt, door zonder toestemming van het Fonds de teksten te kopiëren voor wetenschappelijk onderzoek en deze na afronding van het onderzoek te publiceren.

Volgens de Stichting is een uitvoerige analyse van Anne Frank als schrijfster van groot historisch en maatschappelijk belang. Toewijzing van de vordering van het Fonds zou een aanzienlijke beperking zijn op de grondrechten van de Stichting en niet in verhouding staan tot het zuiver formele belang van het Fonds op handhaving van het auteursrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
IER 2017/5

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/583257 / HA ZA 15-270

Vonnis in hoofdzaak en in incident van 23 december 2015

in de zaak van

de stichting naar Zwitsers recht

ANNE FRANK-FONDS,

gevestigd te Basel (Zwitserland),

eiseres in de hoofdzaak en in het incident,

advocaat: mr. K.J. Koelman te Amsterdam,

tegen

1. de stichting

ANNE FRANK STICHTING,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. T. Cohen Jehoram te Amsterdam,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

KONINKLIJKE NEDERLANDSE AKADEMIE VAN WETENSCHAPPEN,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. A.A.H. Bruinhof te Amsterdam.

Eiseres zal hierna worden aangeduid als het Fonds. Gedaagden zullen gezamenlijk in vrouwelijk enkelvoud worden aangeduid als de Stichting c.s. en afzonderlijk als de Stichting en de KNAW. Gedaagde sub 2 zal, waar nodig, tevens worden aangeduid als Huygens ING.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 9 maart 2015, met producties (tevens houdende een incidentele vordering tot het geven van een voorlopige voorziening);

  • -

    de conclusie van antwoord in de hoofdzaak en (naar de rechtbank begrijpt tevens in het incident) aan de zijde van de KNAW;

  • -

    de conclusie van antwoord (tevens houdende conclusie van antwoord in het incident tot een voorlopige voorziening) aan de zijde van de Stichting, met producties;

  • -

    de brief van 19 juni 2015 van de griffier namens de rechtbank aan partijen, waarbij een comparitie van partijen in de hoofdzaak en in het incident is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie in de hoofdzaak en in het incident gehouden op 9 november 2015, met de daarin genoemde gedingstukken, waaronder de akte houdende vermindering/wijziging van eis;

  • -

    het faxbericht van 23 november 2015 van mr. Koelman, met opmerkingen betreffende de inhoud van het proces-verbaal;

  • -

    het faxbericht van 23 november 2015 van mr. V. Rörsch, namens de Stichting c.s., met opmerkingen betreffende de inhoud van het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Het Fonds is een stichting naar Zwitsers recht. Het is in 1963 opgericht door de vader van Anne Frank, Otto Heinrich Frank (hierna: Otto Frank). Het Fonds heeft tot doel om een sociale en culturele rol te spelen in de geest van Anne Frank. Bij testament van 15 december 1978 heeft Otto Frank het Fonds aangewezen als zijn enig erfgenaam. Otto Frank is in 1980 overleden. Door de aanwijzing tot enig erfgenaam is het Fonds rechthebbende geworden op alle aan Otto Frank toekomende auteursrechten op de werken van Anne Frank. De fysieke werken van Anne Frank zijn door Otto Frank nagelaten aan het toenmalige Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (later genaamd en hierna aangeduid als: het NIOD), thans onderdeel van de KNAW.

2.2.

De Stichting houdt het zogenaamde Anne Frank Huis aan de Prinsengracht 263 te Amsterdam in stand en draagt de idealen uit die nagelaten zijn via het dagboek van Anne Frank.

2.3.

De KNAW is een publiekrechtelijke rechtspersoon. Dit betreft een overkoepelend orgaan waaronder een aantal instituten hangt zonder eigen rechtspersoonlijkheid. Het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis (Huygens ING) is daar een van. Ook het NIOD is zo een instituut.

2.4.

Het NIOD heeft de fysieke dagboeken van Anne Frank in bruikleen gegeven aan de Stichting.

2.5.

Anne Frank heeft in de periode tussen 1942 en 1944 haar dagboek bijgehouden. Van haar dagboek heeft zij twee versies geschreven. De eerste versie bestaat uit het oorspronkelijke dagboek dat zij van haar ouders had ontvangen en twee bewaard gebleven schriften waarin zij eveneens heeft geschreven (hierna gezamenlijk: versie A). Toen Anne Frank via de radio hoorde dat na de oorlog dagboeken zouden worden ingezameld ter documentatie van het oorlogsleed, heeft zij haar dagboek herschreven voor publicatie. Deze tweede versie bestaat uit tweehonderdvijftien bewaard gebleven losse vellen papier (hierna: versie B).

2.6.

Naast de hiervoor vermelde versies A en B van het dagboek heeft Anne Frank “Verhaaltjes en gebeurtenissen uit het Achterhuis”, “Cadys’s leven” en het “Mooie zinnenboek” geschreven.

2.7.

Anne Frank is in 1945 te Bergen Belsen overleden.

2.8.

Otto Frank heeft in 1947 “Het Achterhuis” gepubliceerd. Deze publicatie is een door hem verzorgde tekst samengesteld uit delen van de versies A en B (hierna: versie C). Enkele passages uit de versie A en B zijn verwijderd of verplaatst. Tussen passages die voorkwamen in zowel versie A als versie B heeft Otto Frank een keuze gemaakt. Sommige delen uit de versies A en B heeft hij niet gebruikt. Ook heeft hij enige correcties en taalkundige aanpassingen gemaakt.

2.9.

Het NIOD heeft in 1986 een wetenschappelijke editie van de door Anne Frank geschreven dagboeken gepubliceerd, “De Dagboeken van Anne Frank”. De integrale manuscripten van de versies A en B zijn hierin gepubliceerd.

2.10.

Het Fonds en de Stichting hebben in 1998 besloten gezamenlijk facsimile’s – dat zijn zeer nauwkeurige reproducties – van de manuscripten van de dagboeken van Anne Frank te laten maken. De facsimile’s waren in 2002 gereed. Zowel het Fonds als de Stichting bezit een exemplaar van de facsimile’s.

2.11.

Het NIOD heeft in 2001 een naar eigen stelling verbeterde heruitgave van “De Dagboeken van Anne Frank” gepubliceerd. In deze uitgave is een aantal in 1998 ontdekte losse vellen papier uit versie B verwerkt.

2.12.

Huygens ING heeft in opdracht van het Fonds en de Stichting in 2008 een vooronderzoek verricht naar de overgebleven manuscripten en gepubliceerde dagboeken van Anne Frank. Het heeft zijn bevindingen in februari 2009 aan het Fonds en de Stichting gepresenteerd.

2.13.

De Stichting en Huygens ING hebben het onderzoek naar de dagboeken van Anne Frank in 2009 voortgezet. Het Fonds heeft vanaf 2010 geen actieve bijdrage meer aan het onderzoek geleverd.

2.14.

Ten behoeve van het tekstonderzoek is door medewerkers van Huijgens ING een zogenoemd XML-TEI-bestand vervaardigd gebaseerd op de scans die voor de facsimile’s waren vervaardigd. In een XML-TEI-bestand worden alle kenmerken van de tekst in een gestructureerd digitaal bestand vastgelegd en voorzien van meta-informatie, bijvoorbeeld ten aanzien van doorhalingen, bijschrijvingen, gebruikte media, wijzigingen in het handschrift enzovoorts. Het idee hierbij is dat van een XML-TEI-bestand gebruik gemaakt wordt bij het volgende analytische onderzoek. XML-TEI is de internationaal gehanteerde standaard binnen de tekstuele wetenschap.

2.15.

De Stichting, Huygens ING en de KNAW hebben mededelingen gedaan, die erop neerkomen dat de Stichting en Huygens ING gezamenlijk onderzoek verrichtten naar de manuscripten van Anne Frank. Verder hebben zij aangekondigd dat de resultaten van het onderzoek naar verwachting in 2016 zouden worden gepubliceerd en dat daarbij alle teksten integraal digitaal zouden worden ontsloten.

3 Het geschil

in de hoofdzaak

3.1.

Het Fonds vordert – na eiswijziging – dat de rechtbank bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. primair: de Stichting c.s., althans de Stichting en/of de KNAW, verbiedt inbreuk te maken op de auteursrechten van het Fonds,

subsidiair: de Stichting c.s., althans de Stichting en/of de KNAW, verbiedt de manuscripten van de dagboeken van Anne Frank integraal te verveelvoudigen, althans integraal te verveelvoudigen anders dan, althans strikt, noodzakelijk ten behoeve van het beschikbaar stellen op terminals in de eigen gebouwen, en/of de manuscripten integraal openbaar te maken, althans openbaar te maken anders dan door het beschikbaar stellen op enkele, of een, terminal(s) in de eigen gebouwen;

2. primair: voor recht verklaart dat openbaarmaking en/of verveelvoudiging van de integrale manuscripten van de dagboeken van Anne Frank, ook na 1 januari 2016, de auteursrechten van het Fonds schendt;

subsidiair: voor recht verklaart dat openbaarmaking en/of verveelvoudiging van de integrale manuscripten van de dagboeken van Anne Frank, ook na 1 januari 2016, de auteursrechten van het Fonds schendt, tenzij deze openbaarmaking en/of verveelvoudiging is geautoriseerd door het Fonds;

meer subsidiair: voor recht verklaart dat openbaarmaking en/of verveelvoudiging van de integrale manuscripten van de dagboeken van Anne Frank, ook na 1 januari 2016, de auteursrechten van het Fonds schendt, tenzij deze openbaarmaking en/of verveelvoudiging is geautoriseerd door het Fonds, of een wettelijke beperking van het auteursrecht van toepassing is;

3. de Stichting c.s. verbiedt integrale verveelvoudigingen te maken van de manuscripten van de dagboeken van Anne Frank ter voorbereiding van de aangekondigde, inbreukmakende publicatie;

4. primair: de Stichting c.s. verbiedt niet door het Fonds geautoriseerde verveelvoudigingen van de integrale manuscripten van de dagboeken van Anne Frank binnen hun organisatie, en tussen hun organisaties, te verspreiden en anderszins openbaar te maken;

subsidiair: de Stichting c.s. verbiedt niet door het Fonds geautoriseerde verveelvoudigingen van de integrale manuscripten van de dagboeken van Anne Frank (1) binnen hun eigen organisatie openbaar te maken, anders dan dan door ze beschikbaar te stellen op een, of enkele, terminal(s) in de eigen gebouwen, en/of (2) tussen hun organisaties te verspreiden en/of anderszins openbaar te maken;

5. de Stichting c.s. beveelt om binnen vijf dagen na betekening van het vonnis aan de raadsman van het Fonds opgave te doen van alle, al dan niet digitale, niet door het Fonds geautoriseerde integrale verveelvoudigingen, al dan niet in gewijzigde vorm welke niet als een nieuw oorspronkelijk werk moeten worden aangemerkt, van de manuscripten van de dagboeken van Anne Frank die zijn gemaakt tijdens de, althans: ter, voorbereiding van de aangekondigde, inbreukmakende publicatie van de manuscripten van Anne Frank, en om deze verveelvoudigingen binnen tien dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis te vernietigen in het bijzijn van een door het Fonds aan te wijzen deurwaarder, welke deurwaarder onverwijld schriftelijk verslag van de vernietiging zal uitbrengen aan de raadsman van het Fonds;

6. de Stichting en de KNAW ieder veroordeelt tot betaling van een direct opeisbare dwangsom van EUR 25.000,00 met een maximum van EUR 5.000.000,00, voor iedere dag of dagdeel dat door henzelf niet, of onvolledig, in overeenstemming met een van de bovengenoemde bevelen of verboden wordt gehandeld; en

7. de Stichting c.s. op de voet van artikel 1019h Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering veroordeelt in de kosten van dit geding, zodanig dat zij hoofdelijk aansprakelijk is voor vergoeding van deze kosten.

in het incident

3.2.

De rechtbank leidt uit hetgeen het Fonds onder randnummer 52 van de dagvaarding heeft gesteld af, dat de hiervoor in het petitum van de hoofdzaak onder 3 en 4 genoemde vorderingen, tevens hebben te gelden als de vorderingen tot het geven van een voorlopige voorziening in het incident. De rechtbank zal daarvan uitgaan.

in de hoofdzaak en in het incident

3.3.

Het Fonds legt – onder verwijzing naar de door hem gestelde feiten en in het geding gebrachte stukken – aan zijn vorderingen in de hoofdzaak en in het incident ten grondslag, dat het, als enig erfgenaam van Otto Frank, het auteursrecht bezit op alle werken van Anne Frank. Daarmee heeft het Fonds het uitsluitend recht om een werk openbaar te maken en te verveelvoudigen. De Stichting en de KNAW hebben een integrale publicatie van de tekst van alle manuscripten van Anne Frank in voorbereiding. Deze voorbereiding tussen deze organisaties is slechts mogelijk door uitwisseling van kopieën van de manuscripten. Hiervoor heeft het Fonds geen toestemming gegeven. De Stichting c.s. heeft inbreuk gemaakt op de auteursrechten van het Fonds door de verveelvoudiging en uitwisseling van de manuscripten en dreigt verdere inbreuk te maken op het auteursrecht van het Fonds door de integrale publicatie van de teksten. Om te voorkomen dat de Stichting c.s. voor het eindvonnis tot publicatie overgaat, heeft het Fonds belang bij de gevorderde voorlopige voorziening, aldus het Fonds.

3.4.

De Stichting c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank ziet aanleiding eerst de vorderingen in de hoofdzaak te beoordelen. De KNAW heeft in haar conclusie van antwoord in de hoofdzaak tevens conclusie van antwoord in het incident aangekondigd dat zij zich aansluit bij hetgeen de Stichting naar voren heeft gebracht.

in de hoofdzaak

4.2.

De onderhavige procedure betreft de (beweerde) (dreigende) inbreuk op de auteursrechten van het Fonds.

4.3.

Tussen partijen staat vast dat het Fonds over de auteursrechten beschikt op de werken van Anne Frank.

Duur van het auteursrecht

4.3.1.

Bij de opdracht aan Huijgens ING in 2008 (zie hiervoor onder 2.12) gingen partijen er nog vanuit dat per 1 januari 2016 de dagboeken van Anne Frank in het publieke domein zouden vallen. Deze aanname baseerden zij op artikel 37 Auteurswet (hierna: Aw). Dit artikel bepaalt dat het auteursrecht vervalt door verloop van 70 jaren, te rekenen vanaf de 1e januari van het jaar volgend op het sterfjaar van de maker. Nu Anne Frank in 1945 is overleden, zou daarmee met ingang van 1 januari 2016 het auteursrecht op haar werken zijn vervallen. Na de aanvang van het onderzoek door Huijgens ING heeft het Fonds nader onderzoek laten verrichten naar de beschermingsduur van het auteursrecht. Dit heeft erin geresulteerd dat het is gewezen op het hierna beschreven overgangsrecht bij de wetswijziging van 1995.

4.3.2.

In de Aw gold tot 1995 een beschermingsduur van 50 jaren. Voor postuum gepubliceerde werken echter verviel het auteursrecht niet 50 jaar na de dood van de auteur, maar na 50 jaar, te rekenen vanaf de 1e januari van het jaar volgend op dat waarin het werk voor het eerst rechtmatig werd openbaar gemaakt. Bij de invoering van de nieuwe beschermingstermijn van 70 jaar is de afwijkende regel voor postume werken vervallen. Ook voor postuum gepubliceerde werken geldt thans dat deze een beschermingsduur kennen van 70 jaar te rekenen vanaf de 1e januari van het jaar volgend op het sterfjaar van de maker.

In artikel 51 Aw is als overgangsregeling opgenomen - voor zover hier van belang - dat de nieuwe wet een beschermingsduur die al is aangevangen, op de dag voor inwerkingtreding van dit artikel (29 december 1995) niet kan verkorten.

4.3.3.

Voor de werken van Anne Frank betekent dit het volgende. Nu deze niet tijdens haar leven zijn gepubliceerd, worden zij beschermd naar het oude regime van 50 jaar na de eerste rechtmatige publicatie, indien dat tenminste een termijn is die langer is dan 70 jaar na het sterfjaar van Anne Frank.

Een deel van de werken is opgenomen in “Het Achterhuis”, gepubliceerd in 1947. Voor dat deel gold een termijn van 50 jaar na de publicatie, zodat deze op 1 januari 1998 in het publieke domein zouden zijn gevallen, indien de wet in 1995 niet was gewijzigd. Ingevolge de wetswijziging geldt echter dat de termijn is verlengd tot 70 jaar na het overlijden van Anne Frank.

Voor de delen die voor het eerst zijn openbaar gemaakt in de editie van 1986 gold op grond van de regeling van voor 1995 dat die delen eerst in het publieke domein vallen 50 jaren na 1 januari 1987. Deze beschermingstermijn is op grond van artikel 51 Aw door de wetswijziging in 1995 niet verkort.

4.3.4.

Terecht twisten partijen dan ook (niet langer) over het antwoord op de vraag of er op het werk van Anne Frank ook nog na 1 januari 2016 nog auteursrecht rust. Tussen partijen staat immers vast dat pas in 1986 grote delen van de versies A en B voor het eerst zijn gepubliceerd.

4.4.

De Stichting c.s. heeft erkend dat het auteursrecht op belangrijke delen van de werken van Anne Frank ook ná 1 januari 2016 voortduurt. Integrale publicatie van de werken van Anne Frank zou derhalve voor die delen een inbreuk vormen op de auteursrechten van het Fonds. De Stichting heeft toegezegd dat in Nederland – zolang niet alle auteursrechten daarop zijn vervallen – geen integrale publicatie van de werken van Anne Frank zal plaatsvinden zonder toestemming van het Fonds. Verder heeft de Stichting toegezegd dat er in ieder geval voor 1 januari 2017 geen enkele publicatie over het uitgevoerde onderzoek zal plaatsvinden (randnummer 21, spreekaantekeningen Stichting). De KNAW heeft zich bij dit alles aangesloten (randnummer 1, spreekaantekeningen de KNAW) en zich – naar het oordeel van de rechtbank – daartoe dan ook eveneens verbonden.

Dreigende inbreuk door publicatie?

4.5.

Gelet op de hiervoor onder 4.4 genoemde omstandigheden rijst de vraag naar het belang van het Fonds bij de door hem onder 2 van het petitum (primair, subsidiair en meer subsidiair) gevorderde verklaring voor recht. Zowel de Stichting als de KNAW heeft toegezegd geen integrale publicatie van de werken van Anne Frank zonder toestemming van het Fonds te verrichten. De eerder gerezen onduidelijkheid ten aanzien van de duur van de auteursrechten en de daarmee samenhangende discussie is beslecht (zie hiervoor onder 4.3.1 tot en met 4.3.4). Van een voldoende reële dreiging van inbreuk is niet gebleken. De verwijzing door het Fonds naar eerdere procedures tussen partijen waarmee de rechtbank bekend is, maakt niet dat gesteld kan worden dat de Stichting doelbewust en voortdurend grove inbreuken maakt op de rechten van het Fonds. Het gaat in die zaken feitelijk om bagatelgeschillen waarbij in redelijkheid verschillende standpunten verdedigd konden worden. Verder kan, zoals door het Fonds is betoogd, onderhavige zaak ook niet gelijkgesteld worden met gevallen waarin sprake is van een commerciële partij die met een winstoogmerk voortdurend inbreuk maakt op de intellectuele eigendomsrechten van anderen. Bij deze stand van zaken acht de rechtbank de gestelde dreigende inbreuk zo weinig reëel dat zij de gevorderde verklaring voor recht zal weigeren, omdat het Fonds hierbij geen redelijk belang heeft.

Inbreukmakende verveelvoudigingen?

4.6.

Tussen partijen staat vast dat - behoudens de met toestemming van het Fonds gemaakte facsimile’s - in ieder geval nog één verveelvoudiging van de manuscripten heeft plaatsgevonden, het omzetten van de manuscripten naar het XML-TEI-bestand genoemd in r.o. 2.14.

Anders dan de Stichting c.s. betoogt volgt uit de omstandigheden dat de facsimile’s die voor het maken van het XML-TEI-bestand zijn gebruikt, zijn vervaardigd met toestemming van het Fonds en dat de Stichting over één van de twee facsimile’s beschikt niet dat het Fonds daarmee toestemming heeft gegeven voor de omzetting van de betreffende facsimile in een XML-TEI-bestand. De stelling dat het wetenschappelijk onderzoek mede op initiatief van het Fonds is gestart – en dat het Fonds de Stichting c.s. aldus toestemming heeft gegeven voor de verveelvoudiging – treft evenmin doel. Het Fonds heeft zich immers – zo blijkt uit de stellingen van de Stichting c.s. – na het vooronderzoek uit 2008 uit het onderzoek teruggetrokken, waarna de Stichting c.s. het onderzoek zonder de medewerking van het Fonds heeft voortgezet.

Beperkingen op het auteursrecht?

4.7.

De Stichting c.s. heeft ter afwering van de vorderingen een beroep gedaan op enige in de Aw opgenomen (en de daarmee in de “Richtlijn 2001/29 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij” corresponderende) beperkingen op het auteursrecht.

4.7.1.

De Stichting c.s. heeft aangevoerd dat verveelvoudigingen die gemaakt worden ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek vallen onder de citaatexceptie van artikel 15a Aw. Dit verweer wordt verworpen. Nog daargelaten of een verveelvoudiging ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek, zonder dat dat onderzoek wordt gepubliceerd, kan worden aangemerkt als het citeren uit een werk in een wetenschappelijke verhandeling of voor een uiting met een vergelijkbaar doel, geldt het volgende. Het XML-TEI-bestand bevat de volledige tekst van de werken. Er is dus geen sprake van het overnemen van een gedeelte, maar van het gehele werk. Weliswaar is niet uitgesloten dat onder bijzondere omstandigheden ook de overname van een geheel werk onder exceptie van artikel 15a Aw toelaatbaar is, maar dat van een dergelijk geval hier sprake is, is onvoldoende onderbouwd. Het gaat hier om een beperking die restrictief moet worden uitgelegd. Daarom zal degene die zich op die uitzondering beroept, in dit geval de Stichting c.s., voldoende inzichtelijk moeten maken waarom het verveelvoudigen van het gehele werk in overeenstemming is met hetgeen naar de regels van het maatschappelijk verkeer redelijkerwijs geoorloofd is en waarom aantal en omvang van de geciteerde delen door het te bereiken doel zijn gerechtvaardigd. Dat heeft zij echter nagelaten.

4.7.2.

Verder heeft de Stichting c.s. aangevoerd dat zowel de Stichting als de KNAW zijn aan te merken als een publiek toegankelijke bibliotheek, onderwijsinstelling, museum en/of archief en dat de werken deel uitmaken van de verzamelingen van de Stichting en de KNAW. Op grond van artikel 15h Aw zou de Stichting c.s. het recht hebben de verzameling digitaal beschikbaar te maken op terminals binnen de instelling in verband met het onderzoek.

Ook dit verweer treft geen doel. Indien moet worden aangenomen dat de werken via terminals digitaal ter beschikking worden gesteld, geldt dat artikel 15h Aw vereist dat de werken aan individuele leden van het publiek voor onderzoek of privéstudie ter beschikking worden gesteld. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. De werken worden immers aan medewerkers van Huygens ING ter beschikking gesteld.

4.7.3.

Evenmin slaagt het verweer van de Stichting c.s. dat de verveelvoudiging van de facsimile is aan te merken als een verveelvoudiging die uitsluitend dient tot eigen oefening, studie of gebruik (artikel 16b lid 1 Aw). Die exceptie betreft immers alleen verveelvoudigingen door of in opdracht van een natuurlijk persoon. Daarvan is geen sprake, nu de verveelvoudiging heeft plaatsgevonden door de rechtspersonen de Stichting en de KNAW. Op die grond strandt ook het beroep op artikel 16b lid 2 sub a Aw. Dit lid van artikel 16b Aw heeft immers betrekking op de verveelvoudiging genoemd in het eerste lid van het artikel.

4.7.4.

Ook het beroep van de Stichting c.s. op artikel 16n Aw slaagt niet. Het XML-TEI-bestand is gemaakt ten behoeve van het doen van wetenschappelijk onderzoek naar de teksten van Anne Frank. Het is, naar door de Stichting c.s. niet is betwist, niet gemaakt om het werk te restaureren, of om de tekst bij dreigend verval te behouden.

De Stichting c.s. heeft aangevoerd dat het in artikel 16n lid 1 onder 3o Aw genoemde doel hier toepasselijk zou zijn, omdat naar de huidige stand van de wetenschap, behoorlijk tekstwetenschappelijk onderzoek niet mogelijk is zonder dat van de betreffende tekst een XML-TEI-bestand is gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank faalt dat betoog. Artikel 16n Aw betreft een exceptie die naar zijn aard beperkt moet worden uitgelegd. Onder het “raadpleegbaar houden als de technologie waarmee het [werk] toegankelijk gemaakt kan worden in onbruik raakt ” dient te worden verstaan dat de inhoud van het werk niet meer kan worden geraadpleegd, omdat het is vastgelegd op een medium dat door de voortschrijdende techniek niet meer toegankelijk is, als gevolg van het feit dat de benodigde afleesapparatuur in onbruik is geraakt. Daaronder kan niet worden verstaan dat de wijze van raadpleging en voorbewerking van het werk niet meer voldoet aan de wetenschappelijke standaard.

Botsende grondrechten?

4.8.

De Stichting c.s. heeft aangevoerd dat aan haar bepaalde grondrechten toekomen die aan een beroep op het auteursrecht door het Fonds in de weg staan, althans dat haar belang tegen de belangen van het Fonds bij handhaving van het auteursrechten dienen te worden afgewogen en dat haar belangen zwaarder wegen.

Volgens de Stichting c.s. dienen aan haar zijde bij de afweging de volgende belangen te worden betrokken: het eigendomsrecht van de Stichting op de facsimile en het feit dat de Stichting ook het fysieke dagboek van Anne Frank onder zich heeft, de vrijheid van informatie van het publiek en de vrijheid van wetenschap.

4.8.1.

Vastgesteld wordt dat de Stichting c.s. slechts met betrekking tot haar beroep op de vrijheid van wetenschap een nadere concrete onderbouwing van de te maken afweging van grondrechten heeft gegeven. De overige aangevoerde gronden kunnen reeds om die reden niet bij de afweging van grondrechten worden betrokken.

De Stichting c.s. heeft naar voren gebracht, dat in het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) is bepaald dat “het wetenschappelijk onderzoek vrij [is]” en dat het belang van onderhavige wetenschappelijk onderzoek groot is. Het gaat om een onderwerp van groot historisch en maatschappelijk belang dat bijdraagt aan de bestrijding van discriminatie en revisionisme. De toegevoegde waarde van het wetenschappelijk onderzoek ligt onder meer in de uitvoerige analyse van Anne Frank als schrijfster. Toewijzing van de vorderingen van het Fonds zou een aanzienlijke beperking zijn op de grondrechten van de Stichting c.s. De omvang van deze beperking staat niet in verhouding tot het geringe – zuiver formele – belang van het Fonds bij strikte handhaving van zijn auteursrecht, aldus steeds Stichting c.s.

4.8.2.

Vooropgesteld wordt dat de rechter, indien een daarop gericht verweer wordt gevoerd, dient te onderzoeken of in het concrete geval de handhaving van een intellectueel eigendomsrecht afstuit op een ander grondrecht. Weliswaar dient reeds bij de totstandbrenging van regelgeving betreffende intellectuele eigendom een juist evenwicht tussen de diverse grondrechten te worden verzekerd, maar dat laat onverlet dat ook de rechter in een hem voorgelegd geschil, indien de stellingen van de aangesproken partij daartoe aanleiding geven, dient te onderzoeken of in de omstandigheden van het geval bij toewijzing van de gevraagde maatregel, gelet op het beginsel van proportionaliteit, niet te zeer afbreuk wordt gedaan aan het grondrecht waarop de aangesproken partij zich beroept (HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:841).

4.8.3.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Uit 4.6 tot 4.7.4 volgt dat in beginsel inbreuk is gemaakt op het auteursrecht van het Fonds door het vervaardigen van een XML-TEI-bestand dat aan derden ter beschikking wordt gesteld. Beoordeeld moet dan ook worden of in de omstandigheden van dit geval toch aanleiding bestaat de vorderingen van het Fonds niet toe te wijzen omdat daarbij, gelet op het beginsel van proportionaliteit, te zeer afbreuk zou worden gedaan aan de vrijheid van het wetenschappelijk onderzoek. Hierbij zijn de volgende omstandigheden van belang.

Allereerst wordt geconstateerd dat het door de Stichting uitgebreid onderbouwde maatschappelijke belang van het onderzoek door Huijgens ING niet is weersproken door het Fonds. Voor zover het Fonds met de verwijzing naar het door hem inmiddels opgestarte onderzoek beoogd heeft te stellen dat het door de Stichting opgedragen onderzoek door Huijgens ING aan betekenis zou verliezen, wordt het daarin niet gevolgd. Juist de tussen partijen ontstane discussie omtrent de insteek van het onderzoek en de aspecten waarop de nadruk zou moeten liggen, onderstreept naar het oordeel van de rechtbank de noodzaak van onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek door meerdere partijen, waarbij ruimte moet bestaan om diverse hypotheses op validiteit te onderzoeken.

Het spreekt voor zich dat het voor gedegen tekstueel wetenschappelijk onderzoek noodzakelijk is dat de onderzoekers de beschikking moeten kunnen hebben over enkele exemplaren van de te onderzoeken teksten. Zonder deze verveelvoudigingen kan immers geen kennis worden genomen van het bronmateriaal en wordt onderzoek feitelijk onmogelijk. Het door Huijgens ING geproduceerde XML-TEI-bestand valt daar binnen. Immers, dit bestand is gecreëerd – zo heeft de Stichting c.s. onbetwist naar voren gebracht – met het uitsluitende doel om het wetenschappelijk onderzoek te kunnen uitvoeren.

Tegen deze achtergrond mag van het Fonds als eiser worden verwacht, dat het – tegenover het gemotiveerde verweer van de Stichting c.s. – op het concrete geval betrekking hebbende omstandigheden naar voren brengt die rechtvaardigen dat zijn auteursrecht niet hoeft te wijken voor de hiervoor omschreven vrijheid van wetenschap. Dat heeft het echter niet gedaan. Het Fonds heeft er slechts in algemene zin op gewezen dat het niet alles hoeft te dulden wat er met de teksten gebeurt. Voor zover het Fonds zich daarmee zeggenschap probeert toe te eigenen over welk onderzoek wel en welk onderzoek niet zou mogen plaatsvinden, is dat geen recht dat door het auteursrecht wordt beschermd.

Vast staat voorts dat de inbreuk op het auteursrecht van het Fonds waarvan bij dit onderzoek sprake is, niet verder strekt dan het ter beschikking stellen van slechts enkele verveelvoudigingen van de werken, die slechts ter beschikking staan van een beperkt aantal direct met het onderzoek belaste onderzoekers. De inbreuk op het auteursrecht heeft daarmee slechts minimale impact.

Onder deze omstandigheden concludeert de rechtbank dat handhaving van het auteursrecht door het Fonds, afstuit op het grondrecht van de Stichting c.s. op haar vrijheid van wetenschap.

4.9.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen stuit de handhaving van de auteursrechten van het Fonds af op de vrijheid van wetenschap en zijn er onvoldoende concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat er een reële dreiging is dat de Stichting c.s. in de toekomst het auteursrecht van het Fonds zal schenden. Daarbij komt dat de vorderingen van het Fonds zeer ruim zijn geformuleerd, terwijl – zoals hiervoor is gebleken – steeds in het concrete geval een afweging van grondrechten zal moeten plaatsvinden. De vorderingen zullen dan ook worden afgewezen.

in het incident

4.10.

De vorderingen in het incident zullen het lot van de vorderingen in de hoofdzaak moeten delen, zodat ook die vorderingen zullen worden afgewezen.

in de hoofdzaak en in het incident

4.11.

Het Fonds zal, als de in de hoofdzaak en in het incident in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure aan de zijde van de Stichting en de KNAW. De Stichting heeft de rechtbank door middel van productie 25 geïnformeerd, dat de drie partijen een afspraak over de proceskosten hebben gemaakt. Blijkens productie 25 zal het Fonds bij een proceskostenveroordeling in het voordeel van de Stichting en de KNAW EUR 25.000,00 aan de Stichting voldoen en EUR 5.000,00 aan de KNAW.
Het Fonds heeft het bestaan van de afspraak niet betwist.
De rechtbank zal daarom de proceskostenveroordeling zoals hiervoor weergegeven uitspreken. Daarbij merkt zij op dat, nu partijen overeenstemming over de proceskosten hebben bereikt, en de rechtbank geen andersluidend bericht heeft bereikt, zij het ervoor houdt dat deze afspraak ten aanzien van de Stichting tevens betrekking heeft op de door de haar gevorderde nakosten, maar geen betrekking heeft op de gevorderde en niet betwiste wettelijke rente over de proceskosten.

5 De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

5.1.

wijst de vorderingen af;

in het incident

5.2.

wijst de vorderingen af;

in de hoofdzaak en in het incident

5.3.

veroordeelt het Fonds in de kosten van deze procedure, aan de zijde van de Stichting begroot op EUR 25.000,00, vermeerderd met wettelijke rente ex artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis;

5.4.

veroordeelt het Fonds in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van de KNAW begroot op EUR 5.000,00;

5.5.

verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst af het ten aanzien van de proceskosten meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Marcus, mr. C.H. Rombouts en mr. B.T. Beuving, rechters, bijgestaan door mr. E.R. Mac-Donald, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2015.1

Dit vonnis is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste rechter.

1 type: ERM coll: