Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:9255

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-12-2015
Datum publicatie
22-12-2015
Zaaknummer
EA VERZ 15-1090
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tramconducteur. Depottekort. Artikel 7:671b BW, ontbinding gevraagd op de gronden a, e, g en d van artikel 7:669 lid 3. Verzoek afgewezen. Dienstverband van 29 jaar, bijzondere omstandigheden gelegen in de persoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2635
AR-Updates.nl 2015-1321
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht – team kanton

Clusternummer: 103.312

zaaknummer: 4528857 EA VERZ 15-1090

beschikking van: 16 december 2015

func.: 364

beschikking van de kantonrechter

I n z a k e

de besloten vennootschap GVB Exploitatie B.V.

gevestigd te Amsterdam

verzoekster, nader te noemen: GVB

gemachtigde: mr. D. van Dam

t e g e n

[verweerder]

wonende te [woonplaats]

verweerder, nader te noemen: [verweerder]

gemachtigde: mr. L.Chr. Kranendonk.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

GVB heeft op 13 oktober 2015 een verzoek ingediend dat strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. [verweerder] heeft op 19 november 2015 een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is mondeling behandeld ter terechtzitting van 1 december 2015. Voorafgaand aan de zitting heeft GVB nog stukken ingediend. GVB is verschenen bij [naam 1] en [naam 2] , vergezeld door de gemachtigde. [verweerder] is verschenen, vergezeld door zijn zuster, zijn echtgenote en zijn gemachtigde. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht, GVB aan de hand van een pleitnota. De griffier heeft aantekeningen gemaakt die aan het dossier zijn toegevoegd.

Na verder debat is een datum voor beschikking bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Uitgangspunten

1. Uitgegaan wordt van het volgende.

1.1.

[verweerder] , geboren op [geboortedatum] , heeft de lagere school niet afgemaakt. Wel heeft [verweerder] daarna een LOM-school bezocht. Uiteindelijk heeft hij een zogenaamde verkorte MBO-opleiding gedaan. [verweerder] werd, met name op het gebied van financiën, bijgestaan door zijn vader.

1.2.

[verweerder] is sedert 1 oktober 1986 in dienst van GVB, eerst als administratief medewerker en sinds 1998 in de functie van tramconducteur. Het salaris bedraagt € 2.506,00 bruto per maand exclusief emolumenten.

1.3.

In zijn functie is [verweerder] (onder andere) verantwoordelijk voor het verkopen van vervoersbewijzen en het verstrekken van (reis)informatie aan reizigers. [verweerder] heeft daarbij de beschikking over een persoonsgebonden depot, dat eigendom is van GVB en in beheer aan de tramconducteur is gegeven.

1.4.

Het depot bestaat uit: een voorraad kaartjes, contant geld en een saldo op een persoonsgebonden kaart, waarop alle aan- en verkopen geregistreerd staan.

1.5.

In de (ook) voor [verweerder] geldende gedragscode van GVB is onder meer opgenomen:
Depot- en kasbeheer
Medewerkers die beschikken over een depot of kas gebruiken deze alleen voor zakelijke doeleinden. Je houdt dit dus gescheiden van je eigen geld. Voor rijdend personeel geldt daarnaast het Reglement Depotbeheer Rijdend/varend Personeel (verder: Reglement Depotbeheer).

1.6.

In het Reglement Depotbeheer is onder 4.1. onder meer opgenomen:
A. De depothouder is verantwoordelijk voor het aan hem/haar beschikbaar gestelde depot.
B. Van de depothouder wordt verwacht dat deze het beheer nauwkeurig heeft gevoerd en de nodige voorzorgen heeft genomen voor de bewaring van geldswaardige papieren.
C. De depothouder dient een afwijking in het depot direct te melden aan de leidinggevende.
(..)

L. het aanwenden van een depot is alleen toegestaan voor het uitvoeren van de functie.
M. Het vermengen van het depot met privé-geld is niet toegestaan.

1.7.

Onder 4.2 van het Reglement Depotbeheer is daarnaast bepaald:
A. De depothouder dient tijdens de uitoefening van het werk inzage te kunnen geven in het volledige aan hem of haar toegekende depot. (..)
B. De depothouder dient tijdens de uitoefening van het werk te beschikken over voldoende middelen om kaartverkoop te kunnen uitvoeren.
C. een depothouder kan vervoersbewijzen betrekken uit één van de KUA’s. Daarnaast kan met kaarten kopen bij collega‘s. Daarbij wordt uitdrukkelijk geadviseerd hiervoor een kaartoverdrachtformulier in te vullen.
En onder 5 van het Reglement Depotbeheer is bepaald:
D. Het zich niet houden aan de regels en voorschriften uit dit reglement kan leiden tot sancties.

1.8.

In 2010 heeft [verweerder] twee waarschuwingen ontvangen; één voor het gebruiken van een mobiele telefoon tijdens de dienst en één voor het te vroeg afstappen van de tram. Dit is allebei sindsdien niet meer voorgekomen.

1.9.

[verweerder] heeft in juli 2010 een neuroloog bezocht in verband met een mogelijke toename van epileptische aanvallen. In de brief van de neuroloog aan de huisarts schreef deze:
(..) MRI-hersenen: groot gebied van weefselverlies (..) waarschijnlijk samenhangend met (..) geboorteletsel.
Conclusie: hemiplegia spastica infantilis rechts en uitgebreide (waarschijnlijk aangeboren) hersenbeschadiging in de linkerhemisfeer en hiermee samenhangende epilepsie (..)

1.10.

[verweerder] heeft eind 2010 een verbetertraject doorlopen omdat hij een aantal keren te laat op het werk was verschenen. Op de overige punten scoorde [verweerder] goed. In een verslag van 31 januari 2011 is opgenomen dat [verweerder] niet meer te laat op het werk is gekomen. Ook is vermeld dat [verweerder] in december 2010 na lange tijd weer een epileptische aanval heeft gehad en ziek was geweest.

1.11.

Op enig moment in 2010 heeft [verweerder] een relatie met een collega gekregen, thans zijn echtgenote.

1.12.

Op 30 maart 2011 is [verweerder] te laat gekomen, omdat hij zich had vergist in de aanvangstijd van zijn dienst. [verweerder] heeft hiervoor een waarschuwing gekregen.

1.13.

Op 16 mei 2011 is de vader van [verweerder] na een ziekbed van enkele maanden overleden.

1.14.

Op 13 juli 2012 bleek bij een controle van het depot van [verweerder] een tekort van € 464,82. [verweerder] heeft verklaard dat het depot niet op orde was vanwege persoonlijke financiële problemen. GVB heeft [verweerder] een waarschuwing gegeven.

1.15.

Naar aanleiding van het depottekort is er op initiatief van GVB een budgetcoach langsgegaan bij [verweerder] en zijn echtgenote. Het is bij één bezoek gebleven.

1.16.

Op 23 maart 2013 is [verweerder] niet verschenen op een dienst. [verweerder] gaf als reden dat op het rooster ‘vrij’ stond.

1.17.

In mei 2013 heeft [verweerder] een kind gekregen. Zijn vrouw is hierna een tijd ziek geweest. Ook is zij met haar kind twee keer opgenomen geweest op de zogenaamde PAAS-afdeling van het Waterlandziekenhuis te Purmerend. [verweerder] heeft in overleg met GVB zorg- en ouderschapsverlof opgenomen. Ook is [verweerder] in de periode na mei 2013 een aantal keer vanwege ziekte uitgevallen. [verweerder] heeft ook een epileptische aanval gehad.

1.18.

Op 3 oktober 2013 is [verweerder] te laat op het werk verschenen, waarvoor hij een waarschuwing heeft gekregen.

1.19.

Op 26 februari 2014 heeft [naam 1] voornoemd met [verweerder] een gesprek gevoerd over de situatie van [verweerder] , welk gesprek is bevestigd bij brief van 25 maart 2014. Daarin is onder meer weergegeven dat het de verantwoordelijkheid is van [verweerder] om werk en privé dusdanig te combineren dat hij zijn werkzaamheden verantwoord en veilig kan uitvoeren.

1.20.

Op 3 juni 2014 hebben [naam 1] en [verweerder] opnieuw een gesprek gehad, welk gesprek is bevestigd bij brief van 24 juni 2014. [verweerder] is er op gewezen dat zijn privésituatie nog steeds niet structureel is verbeterd. [verweerder] is uitgenodigd voor een gesprek op 8 juli 2014. Ook hiervan is een verslag gemaakt.

1.21.

In mei 2015 bleek het depot van [verweerder] niet op orde. Er was een tekort van € 424,60. Naar aanleiding hiervan heeft GVB [verweerder] geschorst.

1.22.

[verweerder] is uitgenodigd voor een gesprek op 2 juni 2015. [verweerder] heeft verklaard dat het tekort was ontstaan omdat hij achterstallige (privé)rekeningen moest betalen en het vakantiegeld binnenkort zou worden uitbetaald. [verweerder] heeft voorts erkend dat zijn gedrag onacceptabel was.

1.23.

Bij brief van 3 juni 2015 heeft [verweerder] , geholpen door zijn echtgenote, aan [naam 1] een brief geschreven, waarin hij onder meer zijn excuses aanbood en schreef dat hij voor de financiële problemen inmiddels weer contact heeft met een budgetcoach. [verweerder] vroeg [naam 1] ondanks de gebeurtenissen vertrouwen in hem te hebben, waartoe hij een plan van aanpak uiteen heeft gezet. [verweerder] schreef tot slot het vreselijk te vinden dat [naam 1] het vertrouwen kwijt is, nu hij zoveel voor [verweerder] heeft gedaan en [verweerder] hem daarvoor zeer dankbaar is.

1.24.

Bij brief van 13 juli 2015 heeft GVB [verweerder] bericht, voorzien van een toelichting, een ontslagprocedure te starten.

1.25.

[verweerder] heeft op 17 juli 2015 een verzoek tot heroverweging bij de directeur van GVB ingediend. De adviescommissie heeft bij meerderheid het advies gegeven de beslissing tot schorsing en ontslag in te trekken, gezien de achtergrond en opleiding van [verweerder] , het lange dienstverband en de recente gebeurtenissen in zijn privéleven en uit oogpunt van sociaal werkgeverschap.

1.26.

GVB heeft ondanks het advies op 5 oktober 2015 besloten de beslissing tot het starten van een ontslagprocedure te handhaven.

Verzoek en verweer

2. GVB verzoekt de arbeidsovereenkomst met de werknemer te ontbinden ex artikel 7:671b lid 1, onderdeel a jo. 7:669 lid 3, primair op grond van onderdeel e, subsidiair op grond van onderdeel g en meer subsidiair op grond van onderdeel d BW. Ten aanzien van het bepalen van de einddatum verzoekt GVB primair geen rekening te houden met de opzegtermijn en de arbeidsovereenkomst dadelijk te ontbinden en subsidiair rekening te houden met de duur gelegen tussen de ontvangst van het verzoekschrift en de dagtekening van de beschikking. Tot slot verzoekt GVB te bepalen dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten en hem in de proceskosten te veroordelen.

3. Aan dit verzoek legt GVB (primair) ten grondslag dat sprake is van verwijtbaar handelen dan wel nalaten van [verweerder] , zodanig dat van GVB redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Subsidiair is volgens GVB sprake van een verstoorde arbeidsverhouding en meer subsidiair acht GVB [verweerder] ongeschikt voor de functie.

4. Ter onderbouwing daarvan stelt GVB dat er tussen haar en [verweerder] regelmatig problemen zijn geweest, die te wijten zijn aan het verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] . De rode draad in de problematiek is dat [verweerder] zich diverse malen niet aan de geldende bedrijfsregels heeft gehouden, ondanks het feit dat hij hierop herhaaldelijk is gewezen, zoals het meerdere keren te laat komen of niet komen opdagen, het gebruiken van een mobiele telefoon tijdens de dienst en herhaaldelijk onzorgvuldig depotbeheer. GVB heeft [verweerder] diverse kansen gegeven, begeleiding aangeboden en hem gewaarschuwd voor de gevolgen van zijn handelwijze. Op 18 mei 2015 is opnieuw een ernstige overtreding van de bedrijfsregels geconstateerd, toen bleek dat [verweerder] een depottekort had. [verweerder] had daarvoor geen gerechtvaardigde verklaring en bovendien was sprake van ontoelaatbaar gebruik van het depot, omdat hij en zijn partner elkaars boekjes uitruilden zonder de formulieren te gebruiken of hiervoor geld te betalen.

5. Juist ook gezien de vele gesprekken die zijn leidinggevende met [verweerder] heeft gevoerd over zijn problemen en de kansen en ruimte die [verweerder] heeft gekregen, had het op zijn weg gelegen met GVB te praten over zijn financiële problemen. [verweerder] was op de hoogte van de geldende bedrijfsregels, zoals hij zelf heeft verklaard in de gesprekken van 18 mei 2015 en 2 juni 2015. Verder wist [verweerder] dat hem al een laatste kans was gegeven. Een en ander heeft tot gevolg dat van GVB in redelijkheid niet meer gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst langer te laten voortduren, als gevolg waarvan er een redelijke grond voor opzegging bestaat zoals bedoeld in art. 7:669 lid 3 onderdeel e BW.

6. Subsidiair stelt GVB zich op het standpunt dat vanwege de handelwijze en het gedrag van [verweerder] een zodanige verstoorde arbeidsverhouding is ontstaan dat van GVB in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Vanwege het veelvuldig overtreden van de bedrijfsregels en het niet nemen van eigen verantwoordelijkheid ondanks de gegeven waarschuwingen, heeft GVB geen enkel vertrouwen meer in [verweerder] . GVB meent dat het [verweerder] te verwijten is dat het vertrouwen is komen te ontbreken.

7. Meer subsidiair stelt GVB dat vanwege de handelwijze en het gedrag van [verweerder] sprake is van de ongeschiktheid voor de functie. GVB heeft [verweerder] voldoende in de gelegenheid gesteld zijn functioneren te verbeteren en gewaarschuwd voor de gevolgen van een volgende overtreding. Volgens GVB kan van deze ontslaggrond alleen sprake zijn als [verweerder] niets verweten kan worden ten aanzien van het depottekort. In het geval hem enig verwijt gemaakt kan worden is immers sprake van een verwijtbare grond, zoals verwijtbaar handelen en/of een verstoorde arbeidsrelatie.

8. GVB stelt verder dat gezien de omstandigheden en dan met name de handelwijze van [verweerder] en de daardoor ontstane vertrouwensbreuk, herplaatsing van [verweerder] niet in de rede ligt. Tot slot stelt GVB dat zij als gevolg van verwijtbaar handelen geen transitievergoeding is verschuldigd, welke ook overigens niet verschuldigd is, nu [verweerder] conform de CAO GVB in aanmerking zou kunnen komen voor een aanvullende bovenwettelijke uitkering.

9. [verweerder] verweert zich tegen het verzoek en voert – samengevat – aan dat hij vanaf zijn zeventiende, (waarschijnlijk) vanwege zuurstofgebrek tijdens zijn geboorte, soms last heeft van epileptische aanvallen. Ook is hij aan de rechterkant van zijn lichaam (licht) spastisch. GVB wist, voordat zij het dienstverband met hem aanging, dat [verweerder] als gevolg van zuurstofgebrek tijdens de geboorte, beperkingen had. Een van de gevolgen is dat ontvangst van een boodschap en de verwerking ervan in zijn hersenen niet congruent is.

10. Volgens [verweerder] heeft hij sinds 1998 jarenlang zonder problemen op [tramlijn] gewerkt. Toen overleed zijn vader en daarnaast kreeg hij een relatie met een collega, zijn huidige vrouw. [verweerder] is toen, wegens pesterijen, op eigen verzoek overgeplaatst en kwam op [tramlijn] , die veel drukker is dan [tramlijn] . Voorts was er minder begeleiding van de bestuurders van de tram.

11. Vóór 2010 hebben zich geen incidenten voorgedaan. Als [verweerder] ergens mee zat, wendde hij zich tot zijn vader dan wel tot [naam 3] , bestuurder van [tramlijn] , de tram waarvan [verweerder] voorheen conducteur was. Na het overlijden van zijn vader was [verweerder] op zichzelf aangewezen en moest [verweerder] zijn financiële zaken zelf regelen, waardoor schulden zijn ontstaan. [verweerder] heeft dit besproken met [naam 1] en GVB wist er dus van.

12. Ten aanzien van het depottekort stelt [verweerder] dat de budgetcoach die in 2012 is langsgekomen, zelf constateerde dat er voldoende financiële ruimte was en het derhalve niet nodig was [verweerder] en zijn echtgenote te begeleiden. In 2015 is er eigenlijk geen depottekort geweest, aangezien [verweerder] het depot nog dezelfde dag heeft aangevuld.

13. Na de geboorte van zijn zoon heeft zijn vrouw ernstige problemen ondervonden en is opgenomen geweest. GVB doet voorkomen alsof zij zich tot het uiterste heeft ingespannen, wat [verweerder] betwist. Op GVB rust na een zo lang dienstverband een zorgplicht, die zij niet is nagekomen, aldus [verweerder] .

14. Ondanks zijn problemen probeert [verweerder] zijn uiterste best te doen. Zijn werk is immers zijn lust en zijn leven. Uiteindelijk heeft GVB hem laten vallen, met name door te stellen dat men geen weet heeft van de verstandelijke beperking van [verweerder] . Het zou GVB sieren [verweerder] eventueel een andere functie aan te aanbieden. Het verzoek moet in ieder geval worden afgewezen, aldus [verweerder] .

Beoordeling

15. De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van [verweerder] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.

15. GVB stelt dat de redelijke grond voor ontbinding primair is gelegen in verwijtbaar handelen dan wel nalaten van [verweerder] , zodanig dat dat van GVB redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Subsidiair is volgens GVB sprake van een verstoorde arbeidsverhouding en meer subsidiair acht GVB [verweerder] niet geschikt voor zijn functie.

15. Gezien de hiervoor weergegeven feiten wordt vastgesteld dat [verweerder] vanaf aanvang dienstverband in 1986 tot 2010 goed heeft gefunctioneerd. Er zijn voor 2010 geen (noemenswaardige) incidenten of waarschuwingen geweest. GVB was tevreden over het werk van [verweerder] , ook als conducteur.

15. De in 2010 ontvangen waarschuwingen voor het eenmalig tegen de regels in zijn mobiele telefoon gebruiken en één keer te vroeg van de tram gaan kunnen niet bijdragen aan de primaire, subsidiaire of meer subsidiaire grond waarop GVB haar verzoek baseert. [verweerder] heeft na de waarschuwingen de betreffende regels niet meer overtreden en de waarschuwingen dateren inmiddels van ruim vijf jaar geleden. Na zo lange tijd is het niet redelijk om nog een beroep te doen op deze (eenmalige) overtredingen. Overigens gaat het GVB naar eigen zeggen ook om de periode daarna en dan met name om het depottekort in 2012 en vervolgens in 2015.

15. Duidelijk is dat er sinds 2011 een kentering is gekomen in de uitvoering van de werkzaamheden door [verweerder] . Hij kwam een aantal keer te laat, heeft een fors depottekort laten ontstaan en heeft in 2013 een paar keer op het laatste moment verlof aangevraagd. Het is begrijpelijk dat GVB er belang bij heeft dat dit soort gedrag zo min mogelijk voorkomt en daar streng op toeziet, aangezien het de uitvoering van de diensten van GVB, het vervoeren van mensen in Amsterdam per tram, bus of pont, (ernstig) belemmert.

15. In het geval van [verweerder] ligt een en ander echter genuanceerd. Dat een verband bestaat tussen het overlijden van zijn vader, die – zo is onweersproken gebleven – [verweerder] bijstond en onder meer hielp met zijn financiën, en het ontstaat van het tekort in het depot van [verweerder] in juli 2012 is zeer aannemelijk. Daar komt nog bij dat [verweerder] kort daarvoor een relatie kreeg met een collega, die, zo is evenmin betwist, de financiën niet goed op orde hield.

15. De geboorte van zijn kind maakte dat de privésituatie voor [verweerder] nog ingewikkelder werd. Aannemelijk is dat dit zijn uitwerking had op het uitvoeren van zijn werkzaamheden; opnieuw kwam [verweerder] te laat en twee keer kwam hij per vergissing helemaal niet. Duidelijk is dat [verweerder] onder stress minder presteert. De vraag is of dit [verweerder] , gezien zijn achtergrond, gezondheid en opleiding, kan worden aangerekend.

15. Bij dit alles speelt een rol dat [verweerder] , zo volgt uit de stukken en uit hetgeen de kantonrechter op zitting heeft kunnen constateren, geen doorsnee werknemer is. Hij is langzamer van begrip, zo heeft zijn zuster uitgelegd en zo heeft [verweerder] beaamd, en wanneer er teveel op hem afkomt, vindt hij het lastig om prioriteiten te stellen. Dit komt uit het hele dossier naar voren. Gedurende 25 jaar heeft [verweerder] goed gefunctioneerd, met behulp van zijn vader en met behulp van GVB. Na dat zijn vader overleed kwam [verweerder] in de knel. Ook twee jaar later, toen [verweerder] een kind kreeg, wat gepaard ging met (langdurige) zorg voor zijn vrouw, werd het opnieuw moeilijk voor [verweerder] om het overzicht te houden. Hij heeft dit ook zelf toegegeven en besproken met GVB. GVB heeft op haar beurt, als goed werkgever, haar best gedaan om [verweerder] de begeleiding te bieden die zij nodig achtte.

15. Tot het depottekort in mei 2015; dat is, zo komt uit het verzoekschrift naar voren, de druppel voor GVB. Echter, hoe ernstig deze overtreding ook, na een dienstverband van 29 jaar, waarvan 25 jaar nagenoeg vlekkeloos, en de persoonlijke omstandigheden van [verweerder] in achtgenomen, kan deze druppel het glas van de redelijke grond niet vullen. Daarbij speelt mee dat er geen problemen zijn met het inhoudelijke werk van [verweerder] , dat hij de fouten die hij heeft gemaakt erkent, steeds openstaat voor kritiek en telkens weer zijn best doet om verbetering aan te brengen in zijn gedrag en daar veelal in slaagt. Anderzijds rust op GVB als goed werkgever, mede vanwege het lange dienstverband en de bijzondere persoonlijke omstandigheden, een bepaalde zorgplicht, op grond waarvan van GVB een extra inspanning mag worden verwacht om werknemers zoals [verweerder] binnen boord te houden.

15. Dat twee keer een fors depottekort is ontstaan is als gezegd niettemin ernstig. De door [verweerder] gegeven reden voor het ‘lenen’ uit het depot – namelijk dat hij niet wilde worden afgesloten van gas en licht, terwijl hij bovendien het geld binnen drie dagen zou terugbetalen van zijn vakantiegeld – maken het begaan van de overtreding misschien begrijpelijk, maar nemen de ernst ervan niet van weg. [verweerder] moet daarom goed begrijpen dat hem, nu door de kantonrechter een allerlaatste kans wordt gegeven. Een nieuw depottekort kan betekenen dat hij alsnog zijn baan verliest.

15. [verweerder] lijkt zich dat ook goed te realiseren. Ter zitting heeft hij omstandig verteld welke hulp hij en zijn vrouw thans krijgen (onder andere van Humanitas), dat de financiën op de rit zijn en dat ze nu weten hoe ze hun zaken op orde moeten houden. Daarbij is de zuster van [verweerder] na verblijf in het buitenland sinds januari jl. weer terug in Nederland en heeft zij toegezegd [verweerder] bij te staan en te helpen wanneer er problemen zijn.

15. Dit alles maakt dat naar het oordeel van de kantonrechter de door GVB naar voren gebrachte feiten en omstandigheden geen redelijke grond voor ontbinding opleveren, noch op grond van de primaire reden noch op grond van de meer subsidiaire reden.

15. Dat sprake zou zijn van een verstoorde arbeidsverhouding is niet onderbouwd en niet gebleken, zodat ook op die grond het verzoek van GVB niet kan slagen.

15. De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van GVB zal afwijzen en dat de arbeidsovereenkomst derhalve niet zal worden ontbonden.

15. De proceskosten worden gecompenseerd in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

BESLISSING

De kantonrechter:

wijst de verzochte ontbinding af;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Aldus gegeven door mr. M.E.B. Terwee, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.

De Griffier De kantonrechter