Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:9224

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-12-2015
Datum publicatie
31-12-2015
Zaaknummer
AMS 15/4265
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:1970, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres voert aan dat artikel 5a, vijfde lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Bvr) in strijd is met artikel 4:31, eerste lid, en artikel 4:46, eerste lid, van de Awb. Nu er zeven punten stond vermeld op het besluit tot toevoeging, had verweerder de subsidie overeenkomstig dit besluit moeten vaststellen en zeven punten moeten uitbetalen, aldus eiseres. De rechtbank is van oordeel dat eiseres geen belanghebbende is bij het besluit tot toevoeging en zij zich daarom in deze procedure, in het kader van de vaststelling van de subsidie, ter bepaling van de hoogte daarvan niet kan beroepen op het in het besluit tot toevoeging genoemde aantal punten. Het bestreden besluit is dan ook niet in strijd met de genoemde bepalingen uit de Awb.

Voorts is de regeling niet in strijd met hogere regelgeving. Het recht op gesubsidieerde rechtsbijstand is niet absoluut en mag in nationale wetgeving beperkt worden, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. De beperking mag niet de essentie van het recht aantasten, moet een legitiem doel beogen en moet in redelijke verhouding tot het beoogde doel staan. De rechtbank is van oordeel dat de regeling van artikel 5a, vijfde lid, van het Bvr aan deze voorwaarden voldoet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/4265

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2015 in de zaak tussen

[naam] , te Amsterdam, eiseres,

en

de Raad voor Rechtsbijstand Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. M.E. Schooten).

Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag tot vergoeding inzake toevoeging [nummer] toegewezen.

Bij besluit van 24 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2015.

Eiseres is vertegenwoordigd door een kantoorgenoot, mr. J.C.E. Hoftijzer. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.1

Eiseres heeft op 13 augustus 2014, namens haar cliënt [betrokkene] , een toevoeging aangevraagd in het kader van een ‘voornemen vervolgaanvraag asiel’.

1.2

Bij besluit van 19 augustus 2014 (het besluit tot toevoeging) heeft verweerder positief beslist op de aanvraag en een toevoeging verleend met het kenmerk [nummer] . Het besluit is op die datum aan de cliënt van eiseres gestuurd. Aan eiseres is eveneens op die datum een kopie van deze beslissing gezonden. In de begeleidende brief aan eiseres staat vermeld dat positief is beslist op de aanvraag. Tevens staat in die brief een aantal “persoons- en zaakkenmerken” vermeld, waaronder:

“Zaakcode en zaakaanduiding V070 Voornemen vervolgaanvraag asiel

Aantal punten 7”

1.3

Op 2 februari 2015 heeft eiseres bij verweerder een aanvraag ‘vergoeding vervolgaanvraag asiel’ ingediend voor de toevoeging met het kenmerk [nummer] .

2.1

In het primaire besluit heeft verweerder eiseres een vergoeding op basis van twee punten toegekend, hetgeen is gehandhaafd in het bestreden besluit. Verweerder stelt zich op het standpunt dat op grond van artikel 5a, vijfde lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Bvr) aan een procedure in het kader van een tweede of volgende aanvraag tot het verlenen van een asielvergunning zeven punten worden toegekend. Indien deze procedure wordt beëindigd door een afwijzende beslissing worden hieraan evenwel twee punten toegekend. Nu in de zaak van de cliënt van eiseres de opvolgende asielaanvraag is beëindigd door een afwijzende beslissing, worden overeenkomstig deze bepaling twee punten toegekend.

2.2

Eiseres kan zich hiermee niet verenigen en voert – samengevat weergegeven – het volgende aan. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 4:31, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 4:46, eerste lid, van de Awb. Nu er zeven punten stond vermeld op het besluit tot toevoeging, had verweerder de subsidie overeenkomstig dit besluit moeten vaststellen en zeven punten moeten uitbetalen. Het besluit tot toevoeging bindt immers niet alleen de subsidieaanvrager, ook eiseres kan hier als subsidieontvanger rechten aan ontlenen.

Voorts is de twee-puntenregeling uit artikel 5a, vijfde lid, van het Bvr in strijd met hogere regelgeving, namelijk artikel 19, 20 en 46 van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (de Richtlijn) en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). Door slechts twee punten toe te kennen in een herhaalde asielaanvraag, wordt de vreemdeling een effectief rechtsmiddel onthouden. De regeling is bovendien in strijd met het Europeesrechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel nu in andere bestuursrechtelijke zaken acht punten worden toegekend. Dit heeft gevolgen voor de kwaliteit van de rechtshulp voor de rechtzoekende.

3.1

Ten aanzien van de vraag of het bestreden besluit in strijd is met de bepalingen uit titel 4.2 ‘Subsidies’ van de Awb overweegt de rechtbank als volgt.

3.2

Op grond van artikel 4:31, eerste lid, van de Awb vermeldt de beschikking tot subsidieverlening het bedrag van de subsidie, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.

3.3

Op grond van artikel 4:46, eerste lid, van de Awb stelt het bestuursorgaan, indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.

3.4

Verweerder heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat het besluit tot toevoeging een besluit als bedoeld in artikel 4:31, eerste lid, van de Awb en dus een besluit tot subsidieverlening is.

3.5

De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) het belang, waarvoor een toevoeging wordt verleend, in beginsel slechts degene betreft aan wie rechtshulp wordt toegevoegd, en niet het belang van de rechtshulpverlener. Voorts volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD9408, dat de positie van de advocaat bij de verlening van een toevoeging als bedoeld in artikel 24 van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) niet kan worden vergeleken met de positie van de aanvrager van een subsidie in de zin van titel 4.2 van de Awb, aangezien een toevoeging niet ten behoeve van de rechtshulpverlener wordt verleend, maar ten behoeve van de rechtzoekende. Dat op basis van een toevoeging ingevolge artikel 37, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wrb aan de rechtshulpverlener een subsidie, genoemd vergoeding, wordt verstrekt maakt niet dat op grond hiervan de rechtshulpverlener als belanghebbende bij een besluit tot toevoeging van rechtsbijstand moet worden aangemerkt. Gelet hierop volgt de rechtbank eiseres niet in haar betoog dat zij rechten kan ontlenen aan het besluit tot toevoeging. Nu eiseres geen belanghebbende is bij het besluit tot toevoeging, kan zij zich in deze procedure, in het kader van de vaststelling van de subsidie, ter bepaling van de hoogte daarvan niet beroepen op het in het besluit tot toevoeging genoemde aantal punten. De rechtbank zal zich voorts niet uitlaten over de vraag of het besluit tot toevoeging in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 4:31, eerste lid, van de Awb, nu dat besluit in deze procedure niet voorligt. Het bestreden besluit is dan ook niet in strijd met de genoemde bepalingen uit de Awb. De beroepsgrond slaagt niet.

4.1

Ten aanzien van de beroepsgrond van eiseres dat het bepaalde in artikel 5a, vijfde lid, van het Bvr in strijd is met hogere regelgeving overweegt de rechtbank als volgt.

4.2

Verweerder heeft ter zitting verwezen naar de Nota van Toelichting bij het Nader Rapport behorende bij het advies van de Raad van State betreffende het ontwerpbesluit aanpassing vergoeding tweede of volgende aanvragen vreemdelingen van 17 december 2013 (Staatscourant 2014, nr. 213, 7 januari 2014) (de Nota van Toelichting). Hierin staat, voor zover van belang, onder “punt 8. De toegang tot het recht” het volgende:

“Het EHRM heeft expliciet erkend dat een stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand, gelet op de beperkte publieke middelen die beschikbaar zijn voor civielrechtelijke zaken, alleen kan functioneren wanneer dat stelsel de mogelijkheid biedt om zaken te selecteren die voor gesubsidieerde rechtsbijstand in aanmerking komen. Het recht op gesubsidieerde rechtsbijstand mag daarom worden onderworpen aan bepaalde beperkingen of voorwaarden, met dien verstande dat de beperking niet de essentie van het recht mag aantasten, een legitiem doel moet beogen en dat de toegepaste maatregel in een redelijke verhouding tot het beoogde doel moet staan.”

De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat verweerder zich niet op het bepaalde in de Nota van Toelichting kan beroepen nu daarin wordt verwezen naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) en het EHRM niet over de uitleg van Unierecht gaat. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) volgt immers dat deze redenering ook van toepassing is op het Unierecht. Dat volgt overigens ook uit de Nota van Toelichting (zie de verwijzing in noot 17 naar het arrest van
22 december 2010, DEB / Duitsland, zaaknummer: C-279/09). Hetgeen is overwogen in de Nota van Toelichting geldt dus ook voor de door eiseres aangehaalde bepalingen uit de Richtlijn en het Handvest.

4.3

Uit het bovenstaande volgt dat er geen absoluut recht op gesubsidieerde rechtsbijstand bestaat en dat dit recht in nationale wetgeving beperkt mag worden, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. De beperking mag niet de essentie van het recht aantasten, moet een legitiem doel beogen en moet in redelijke verhouding tot het beoogde doel staan. De rechtbank is van oordeel dat de regeling van artikel 5a, vijfde lid, van het Bvr aan deze voorwaarden voldoet en verwijst in dit verband naar de volgende passage uit de Nota van Toelichting:

“De toegang tot het recht op rechtsbijstand voor rechtzoekende manifesteert zich in eerste instantie bij de eerste aanvraagprocedure asiel. Tijdens de asielprocedure is een goede rechtsbijstandverlening van wezenlijk belang voor de rechtspositie van rechtzoekende. (…) Door goede rechtsbijstandverlening kunnen bovendien nodeloze procedures en tweede en volgende verblijfsaanvragen worden voorkomen. (…)

Indien een eerste verblijfsprocedure niet heeft geleid tot het verlenen van een verblijfsvergunning aan rechtzoekende, en de rechtsbijstandverlener van mening is dat er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die niet tijdens de eerste aanvraagprocedure konden worden aangevoerd, staat vanzelfsprekend ook in tweede instantie de toegang tot het recht op rechtsbijstand open. (…)

Op het moment dat er een tweede of volgende aanvraag wordt ingediend, zijn er dus al veel feiten gewisseld en beoordeeld en is het dossier bekend. De rechtsbijstandverlener kan in deze procedures zijn focus leggen op de nieuwe informatie, waardoor zijn inzet geringer kan zijn dan in het geval een geheel nieuw feitencomplex moet worden beoordeeld.”

Uit het bovenstaande volgt dat de essentie van het recht op rechtsbijstand niet wordt aangetast, aan de rechtshulpverlener wordt immers ook bij opvolgende asielaanvragen een vergoeding toegekend, zij het dat deze vergoeding lager is dan bij eerste aanvragen. Met de
regeling van artikel 5a, vijfde lid, van het Bvr wordt beoogd nodeloze procedures te voorkomen teneinde het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand te kunnen blijven handhaven. De rechtbank is van oordeel dat hiermee een legitiem doel wordt gediend en dat deze beperking in redelijke verhouding met het beoogde doel staat nu herhaalde asielaanvragen in beginsel slechts zien op de vraag of er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Hieruit volgt dat artikel 5a, vijfde lid, van het Bvr niet in strijd is met hogere Europese regelgeving. Het beroep van eiseres op de bepalingen uit de Richtlijn en artikel 47 van het Handvest kan derhalve niet slagen.

4.4

Wat betreft het beroep op het gelijkwaardigheidsbeginsel zoals genoemd in het arrest van 18 maart 2010 van het Hof van Justitie in de zaken C 317/08, C-318/08, C-319/08 en C-320/08, Alassini e.a. overweegt de rechtbank als volgt. Zoals in punt 47 van het arrest is overwogen, is het volgens vaste rechtspraak bij gebreke van Unieregelgeving ter zake in de eerste plaats een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om de procedureregels vast te stellen voor de beroepen die dienen ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, waarbij de lidstaten evenwel gehouden zijn in elk geval een doeltreffende bescherming van die rechten te verzekeren. Zoals volgt uit het voorgaande is het bepaalde in artikel 5a, vijfde lid, van het Bvr niet in strijd met het Unierecht. De enkele, niet nader onderbouwde, stelling van eiseres dat in andere bestuursrechtelijke zaken niet slechts twee punten worden uitbetaald, maar acht, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Van strijd met het gelijkwaardigheidsbeginsel is de rechtbank dan ook niet gebleken. Nu eiseres haar stelling dat het artikel tevens strijdig is met het bepaalde in de Wrb niet nader heeft gemotiveerd, gaat de rechtbank daaraan voorts voorbij.

4.5

Eiseres heeft tenslotte aangevoerd dat de kwaliteit van de rechtshulpverlening aan vreemdelingen met een herhaalde asielaanvraag door de regeling van artikel 5a, vijfde lid, van het Bvr in gevaar komt. De rechtbank constateert dat blijkens de Nota van Toelichting de Adviescommissie Vreemdelingenrecht van de Nederlandse Orde van Advocaten reeds op dit risico heeft gewezen. Dit risico is ondervangen doordat verweerder monitort of er voldoende kwalitatief goede rechtshulpverleners bereid zijn om deze groep rechtzoekenden bij te staan,

bijhoudt hoeveel toevoegingen er in asiel- en andere vreemdelingenzaken worden afgegeven en hoeveel rechtsbijstandverleners bij hen staan ingeschreven die bevoegd zijn om vreemdelingenzaken te doen. Aan de hand van deze cijfers kan voortdurend bezien worden of er voldoende kwalitatief goede rechtshulpverleners op dit rechtsterrein bereid blijven rechtsbijstand te verlenen. De rechtbank is van oordeel dat hiermee voldoende waarborgen zijn gegeven voor een voldoende kwalitatieve rechtshulpverlening aan vreemdelingen met een herhaalde asielaanvraag. De beroepsgrond slaagt derhalve niet.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Singeling, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 december 2015.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.