Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:9208

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-12-2015
Datum publicatie
18-01-2018
Zaaknummer
AWB - 15 _ 2909
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

herziening en terugvordering studiefinanciering / beroep ongegrond / geen onomstotelijk bewijs

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/2909

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2015 in de zaak tussen

[de vrouw] , te Amstelveen, eiseres

(gemachtigde: mr. W. Vermeer),

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder

(gemachtigde: mr. G.J.M. Naber).

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de studiefinanciering van eiseres op grond van de Wet studiefinanciering (Wsf) 2000 herzien.

Bij besluit van 26 maart 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.1

Eiseres staat sinds 27 december 2012 in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBA), thans Basisregistratie Personen (BRP), ingeschreven op het [adres] te Amstelveen (hierna: het BRP-adres). Aan eiseres is vanaf 1 januari 2013 een uitwonendenbeurs toegekend.

1.2

Op 21 november 2014 omstreeks 13.01 uur heeft verweerder een controle in de vorm van een huisbezoek aan het BRP-adres verricht. De resultaten van deze controle zijn neergelegd in de Rapportage Huisbezoek met afsluitdatum 9 december 2014 (hierna: de rapportage). In de rapportage wordt geconcludeerd dat eiseres feitelijk niet woonachtig is op het BRP-adres.

1.3

Naar aanleiding van de bevindingen van het huisbezoek heeft verweerder bij het primaire besluit, gehandhaafd bij het bestreden besluit, het recht op studiefinanciering van eiseres vanaf 1 januari 2013 herzien, eiseres per die datum aangemerkt als thuiswonende student en een bedrag van € 4.537,50 aan te veel betaalde studiefinanciering van eiseres teruggevorderd.

2.1

Op grond van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 komt voor het normbedrag voor een uitwonende studerende in aanmerking de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:

a. de studerende woont op het adres waaronder hij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba) staat ingeschreven, en

b. het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat of staan ingeschreven.

2.2

Op grond van artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000, voor zover hier van belang, vindt herziening plaats op grond van het feit dat te veel of te weinig studiefinanciering is toegekend.

2.3

Op grond van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 200 vindt de herziening plaats met ingang van de dag waarop de studerende zijn laatste adreswijziging heeft doen inschrijven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.

3. In beroep heeft eiseres allereerst aangevoerd dat zij ten tijde van het huisbezoek kampte met een schurftbesmetting en daarom voor een periode van twee weken bij haar ouders verbleef. Zij had haar kleding en beddengoed in vuilniszakken afgevoerd.

Verder hebben de controleurs volgens eiseres willekeurige zaken vastgelegd en zijn er ook andere discutabele zaken voorgevallen. Zo hebben ze het aanbod om foto’s te maken van de vuilniszakken in de badkamer afgeslagen, evenals het aanbod om de laptop te openen. De controleurs zijn ook niet ingegaan op het voorstel van de hoofdbewoonster om een buurtonderzoek in te stellen. Het onderzoek is volgens eiseres dan ook onzorgvuldig en onvolledig geweest.

4.1

De rechtbank stelt voorop dat de herziening van de toegekende studiefinanciering naar de norm voor een thuiswonende studerende een voor eiseres belastend besluit betreft. De rechtbank is van oordeel dat het in dat geval aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. De bewijslast met betrekking tot de stelling dat eiseres niet woonachtig is op het BRP-adres waarop zij staat ingeschreven rust in eerste instantie op verweerder. Dit betekent dat verweerder aannemelijk moet maken dat eiseres niet woont op haar BRP-adres. De rechtbank verwijst in dit kader op de Memorie van Toelichting bij de Wijziging van de Wsf 2000 in verband met het treffen van diverse maatregelen ter bestrijding van het ten onrechte ontvangen van de uitwonende beurs (Kamerstukken II, 2010-2011, 32 770, nr. 3, p. 5), waarin onder meer is vermeld dat de controleur tijdens het huisbezoek grondig onderzoek doet naar de feitelijke woon- en leefsituatie van de studerende.

4.2

De rechtbank is van oordeel dat de bevindingen van het huisbezoek op het BRP-adres, zoals neergelegd in de rapportage, voldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van verweerder dat eiseres ten tijde van het controle niet woonde op het door haar opgegeven BRP-adres. Blijkens de rapportage heeft de hoofdbewoonster, de zus van eiseres, verklaard dat er alleen een badjas en een boek van eiseres aanwezig is. Voorts heeft zij, blijkens de rapportage, daarna nog tweemaal verklaard dat er geen persoonlijke spullen van eiseres liggen. Hieruit maakt de rechtbank op dat de zus van eiseres meermalen is gevraagd naar persoonlijke spullen van eiseres. Hoewel de rechtbank het begrijpelijk acht dat er geen kleding en beddengoed in verband met de besmettelijke ziekte zijn aangetroffen, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat eiseres - voor een tijdelijk verblijf bij haar ouders - al haar persoonlijke spullen heeft meegenomen waardoor er in het geheel geen persoonlijke spullen van eiseres zijn aangetroffen, temeer nu sinds 27 december 2012 woonachtig zou zijn op het BRP-adres. Bovendien blijkt uit de foto’s die de controleurs van de kamer hebben gemaakt die volgens de hoofdbewoonster aan eiseres zou toebehoren niet dat deze kamer door haar wordt bewoond, aangezien er veel kinderspullen zijn aangetroffen. Verweerder is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geslaagd in zijn bewijsopdracht, waardoor nader onderzoek in de vorm van een buurtonderzoek niet noodzakelijk is. Dat de controleurs geen foto’s hebben gemaakt van de vuilniszakken maakt het onderzoek niet onzorgvuldig, nu niet in geschil is dat eiseres al haar kleding en beddengoed had meegenomen aldus de hoofdbewoonster. Er zijn evenmin aanwijzingen voor het standpunt van eiseres dat er meerdere discutabele zaken ten tijde van de controle zouden zijn voorgevallen die afbreuk doen aan de conclusies en bevindingen van de rapporteurs. De rechtbank ziet geen reden voor twijfel dat de rapportage een onvolledig beeld geeft van hetgeen is voorgevallen en aangetroffen tijdens het huisbezoek.

Voorts overweegt de rechtbank dat eiseres met hoofdbewoonster en haar gezin in de zomervakantie naar België zijn geweest en dat zij allemaal toen, naar achteraf is gebleken, schurft hebben opgelopen. Uit de door eiseres overgelegde verklaring van haar huisarts blijkt dat zij op 20 november 2014, één dag voor het huisbezoek, haar huisarts heeft opgebeld met de mededeling dat haar zus schurft blijkt te hebben. De huisarts heeft haar geadviseerd de volgende dag langs te komen, hetgeen eiseres heeft gedaan. Bij haar is toen op 21 november 2014 (de dag van het huisbezoek) ook schurft vastgesteld waarna zij direct is gestart met de behandeling. Uit de verklaring van de hoofdbewoonster blijkt dat bij hoofdbewoonster (en haar gezin) reeds anderhalve week eerder schurft was vastgesteld door de dermatoloog en dat hoofdbewoonster en haar gezin direct met de behandeling zijn gestart. Het komt de rechtbank onaannemelijk voor dat de zus van eiseres zou hebben gewacht om eiseres te informeren dat bij haar en haar gezin schurft is geconstateerd. Als eiseres bij haar zus in huis zou wonen dan was immers de kans zeer groot dat ook eiseres schurft zou hebben. Schurft is een besmettelijke ziekte. Indien de zus eiseres wel direct op de hoogte zou hebben gebracht dat zij en haar gezin aan schurft leden, dan is het onaannemelijk dat eiseres pas anderhalve week daarna contact zou hebben gezocht met de huisarts. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiseres daags na het telefonisch contact met de huisarts bij de huisarts langs is gegaan en direct is begonnen met de behandeling. Voorts betrekt de rechtbank daarbij dat eiseres vlak na de zomervakantie in België al een keer bij haar huisarts was langs geweest vanwege jeuk. De beroepsgrond slaagt niet.

4.3

Het voorgaande betekent dat moet worden geoordeeld dat eiseres ten tijde van de controle niet voldeed aan het bepaalde in artikel 1.5 van de Wsf 2000. Ingevolge artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 vindt dan herziening plaats met ingang van de datum van de laatste adreswijziging van de studerende in het BRP.

5.1

Indien op grond van de door verweerder gepresenteerde feiten aannemelijk is dat eiseres niet woont op het adres waaronder zij in de BRP staat ingeschreven, dan ligt het op grond van de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (bijvoorbeeld de uitspraak van 2 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1146) op de weg van eiseres om het bewijs te leveren dat zij in een deel van de periode voorafgaand aan de constatering wel woonde op het betreffende BRP-adres. Dit bewijs moet zodanig zijn dat op grond daarvan onomstotelijk blijkt dat het wettelijk vermoeden onjuist is. Indien eiseres het onomstotelijk bewijs levert dat zij gedurende een deel van de periode voorafgaand aan de vastgestelde overtreding van artikel 1.5 van de Wsf 2000 feitelijk wel woonde op het betreffende BRP-adres, dan levert onverkorte toepassing van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 een onbillijkheid van overwegende aard op. Dan ligt het op de weg van verweerder om onder toepassing van de hardheidsclausule af te wijken van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 en daarmee over die periode van herziening af te zien.

5.2

Eiseres heeft ter onderbouwing van haar stelling dat zij ten tijde van de periode in geding wel woonachtig was op het BRP-adres, verschillende stukken overgelegd. Ten aanzien van de foto’s waaruit zou moeten blijken dat haar zus en zwager bezig waren met het anders indelen van de slaapkamers, evenals de foto’s van eiseres uit de afgelopen jaren merkt de rechtbank op dat sommige foto’s volgens de datering niet zijn genomen ten tijde van belang. Bovendien valt uit de foto’s niet op te maken dat de beelden het BRP-adres betreffen en voorts zeggen de foto’s niets over de feitelijke woonsituatie van eiseres. Dit geldt tevens voor de in beroep overgelegde poststukken en het overzicht van de geleende boeken uit de bibliotheek. De omstandigheid dat eiseres haar BRP-adres heeft doorgegeven aan bepaalde instanties, wil immers niet zeggen dat zij ook daadwerkelijk op het BRP-adres heeft gewoond.

5.3

De rechtbank is verder van oordeel dat uit de bankafschriften waaruit blijkt dat eiseres in de periode in geding zo nu en dan betalingen heeft verricht bij de benzinepomp, niet voldoende onomstotelijk bewijs is om aan te tonen dat eiseres wel woonachtig was op het BRP-adres. Ten aanzien van de overgelegde OV-chipkaart historie merkt de rechtbank op dat het niet is gespecificeerd naar haltes maar alleen een overzicht van de check-in en check-out tijden bevat. Met verweerder is de rechtbank dan ook van oordeel dat daarmee niet vaststaat dat eiseres ook daadwerkelijk van en naar het BRP-adres reisde. Uit de verklaring van haar studiegenoot, [de persoon] , blijkt dat zij eerder uitstapt dan eiseres, waardoor zij niet uit eigen wetenschap kan verklaren dat eiseres een halte later uitstapt.

5.4

Met betrekking tot de overige door eiseres overgelegde verklaringen van haar buren en de verklaringen van de buren van haar ouders is de rechtbank van oordeel dat aan deze verklaringen niet de waarde worden toegekend die eiseres daaraan gehecht wenst te zien. Uit de verklaringen van haar voormalige buren valt immers niet op te maken wanneer eiseres zou zijn verhuisd en uit de verklaringen van de buurtbewoners van het BRP-adres blijkt niet wanneer deze zijn opgemaakt en welke periode zij betrekking op hebben. Eiseres is ter zitting hiermee geconfronteerd, waarop zij te kennen gaf dat zij dit ook had onderkend maar het niet netjes vond om nogmaals langs te gaan. Dit acht de rechtbank niet afdoende. Uit het dossier blijkt namelijk dat eiseres ten aanzien van de verklaringen van drie buurtbewoners zowel ten behoeve van de bezwaarprocedure als voor de beroepsprocedure langs is geweest.

5.5

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank is van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om met toepassing van de hardheidsclausule van het wettelijke vermoeden van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 af te wijken.

6. De rechtbank komt tot de conclusie dat de aangevoerde beroepsgronden niet kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.


Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van H. Akbuz, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.