Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:9140

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-11-2015
Datum publicatie
18-12-2015
Zaaknummer
13/702447-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Ontslag van alle rechtsvervolging voor art. 197 Sr. ivm overmacht-situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/702447-15

Datum uitspraak: 6 november 2015

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Algerije) op [geboortedatum] 1968,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in [detentieadres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 oktober 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B.Y. de Boer, en van wat de raadsman van verdachte, mr. A. Boumanjal, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 23 mei 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (camera)tas (met daarin een camera en/of een of meerdere cameralenz(en) en/of geheugenkaart(en) en/of kaartlezer), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [persoon 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2.

hij op of omstreeks 20 juli 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000;

3.

hij op of omstreeks 7 oktober 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld en/of goederen van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [persoon 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, met zijn, verdachtes, hand in de tas van voornoemde [persoon 2] is gegaan en/of heeft gevoeld;

4.

hij op of omstreeks 18 februari 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000;

5.

hij op of omstreeks 14 september 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000;

6.

hij op of omstreeks 01 mei 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij, verdachte, wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij, verdachte, op grond van artikel 21 van de Vreemdelingenwet (oud), in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Vrijspraak

Met de officier van justitie en de raadsman acht de rechtbank niet bewezen hetgeen onder 3 is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

4.2

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van feit 1

4.2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 ten laste gelegde diefstal wettig en overtuigend kan worden bewezen.

4.2.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte verzoekt vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit en betwist daartoe de herkenning van verdachte door de verbalisanten. De foto’s op pagina 21 van het dossier, op basis waarvan verbalisant [verbalisant 1] verdachte meent te herkennen, zijn onscherp en de mogelijkheid dat hierop iemand anders te zien is die op verdachte lijkt, kan volgens hem niet worden uitgesloten. Het dossier bevat bovendien geen steunbewijs. Aan de herkenning door verbalisant [verbalisant 2] kan geen waarde worden gehecht nu die reeds op de hoogte was van de herkenning van verdachte door zijn collega, zodat hierin een zekere vooringenomenheid is gelegen, aldus de raadsman.

4.2.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van herkenning van 18 juni 2015 volgt dat verbalisant [verbalisant 1] verdachte herkent, omdat verdachte hem ambtshalve bekend is ten gevolge van het feit dat hij verdachte al meerdere malen heeft aangehouden en gevolgd terzake diefstal en het als ongewenst vreemdeling in Nederland verblijven. [verbalisant 1] verklaart meer specifiek dat hij verdachte (onder meer) herkent aan zijn gezicht, zijn inhammen en de vorm van zijn gezicht. Dat de foto’s niet geheel scherp zijn, doet aan deze herkenning niet af, nu de kenmerken die [verbalisant 1] noemt naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk waarneembaar zijn op de foto’s.

Deze herkenning door [verbalisant 1] is vervolgens op vergelijkingspunten gecontroleerd aan de hand van de camerabeelden van het hotel door verbalisant [verbalisant 3] . Die stelt vast dat de persoon die te zien is op de camerabeelden met zijn linkerhand een wegwerpgebaar maakt wanneer zijn fiets omvalt en dat deze persoon met zijn voeten opvallend ver naar buiten loopt. Tijdens een verhoor van verdachte ziet [verbalisant 3] dat verdachte meerdere malen met zijn linkerhand eenzelfde wegwerpgebaar maakt als de persoon op de camerabeelden en dat, wanneer verdachte na het verhoor wegloopt, hij erg met zijn voeten naar buiten loopt. Bovendien verklaart [verbalisant 3] dat de persoon op de camerabeelden dezelfde typerende haargroei, namelijk kalend op de bovenkant van het hoofd, dezelfde huidskleur en hetzelfde postuur heeft als verdachte. Deze bevestiging door [verbalisant 3] van de herkenning van verdachte door [verbalisant 1] is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd en kan als steunbewijs dienen.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de herkenning van verdachte door verbalisant [verbalisant 1] te twijfelen. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte was die op 23 mei 2015 in het [Hotel A] aan de Wibautstraat te Amsterdam de cameratas van [persoon 1] heeft weggenomen.

4.3

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

op 23 mei 2015 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een cameratas, met daarin een camera, meerdere cameralenzen, een geheugenkaart en een geheugenkaartlezer, toebehorende aan [persoon 1] .

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

op 20 juli 2015 te Amsterdam, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 21 van de Vreemdelingenwet (oud, thans artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000) tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:

op 18 februari 2015 te Amsterdam, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 21 van de Vreemdelingenwet (oud, thans artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000) tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde:

op 14 september 2014 te Amsterdam, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 21 van de Vreemdelingenwet (oud, thans artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000) tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegd:

op 1 mei 2015 te Amsterdam, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 21 van de Vreemdelingenwet (oud, thans artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000) tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

7.1

Het standpunt van de raadsman

De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte terzake de verdenkingen op grond van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) een beroep kan doen op overmacht, nu het voor hem niet mogelijk is om te worden uitgezet naar Algerije. De raadsman verwijst daarbij naar het arrest van het hof Amsterdam van 4 november 2014 (parketnummer: 23-002673-11), waarin het hof het beroep op overmacht van verdachte heeft gehonoreerd.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie betwist dat verdachte een beroep op overmacht toekomt, nu hij niet alles heeft gedaan wat van hem verlangd kan worden om Nederland te verlaten.

Het hof Amsterdam heeft in haar arrest van 4 november 2014 ter onderbouwing van het gehonoreerde beroep op overmacht een redeneerlijn gevolgd die geen steun vindt in de overige jurisprudentie van de hoven en de Hoge Raad. Volgens de officier van justitie dient het arrest van het hof Amsterdam begrepen te worden in het licht van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 december 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BP0425), waarin de Afdeling overweegt dat er geen zicht op uitzetting naar Algerije bestaat, omdat Algerije categorisch geen laissez-passer zou verstrekken. Op

1 juni 2012 heeft de Afdeling echter een uitspraak gedaan (ECLI:NL:RVS:2012:BW7941) waarin is geoordeeld dat Algerije weer bereid is – onder bepaalde condities - laissez-passer te verstrekken. Nu alle thans ten laste gelegde verdenkingen op grond van artikel 197 Sr dateren van na de uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2012 is er geen reden om in de onderhavige zaak aansluiting te zoeken bij voormeld arrest van het hof, aldus de officier van justitie.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Het hof Amsterdam heeft bij haar beslissing om het beroep op overmacht van verdachte te honoreren kennelijk betrokken dat geen antwoord is ontvangen op de door het hof bij tussenarrest van 7 juni 2012 geformuleerde vraag of vrijwillige terugkeer naar Algerije door verdachte al dan niet op bezwaar van de Algerijnse autoriteiten zou stuiten. Het door de Afdeling in haar uitspraak van 1 juni 2012 algemeen geformuleerde uitgangspunt dat Algerije weer bereid is – onder bepaalde condities - laissez-passer te verstrekken, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan het feit dat het hof op 7 juni 2012 met betrekking tot verdachte de specifieke vraag heeft gesteld of zijn vrijwillige terugkeer op bezwaren bij de Algerijnse autoriteiten zou stuiten. De rechtbank stelt vast dat deze vraag tot op heden onbeantwoord is gebleven en dat het Openbaar Ministerie evenmin een proces-verbaal heeft overgelegd waarin is neergelegd dat en waarom er geen antwoord meer op die vraag te verwachten is. Gelet op deze omstandigheden concludeert de rechtbank dat het oordeel van het hof van 4 november 2014 nog altijd overeind staat. De rechtbank zal zich dan ook aansluiten bij dit oordeel van het hof.

Nu niet kan worden uitgesloten dat ten aanzien van het onrechtmatig verblijf van de verdachte in Nederland sprake is geweest van een overmacht-situatie die tot gevolg had dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde Nederland niet heeft kunnen verlaten, al zou hij dat willen, is hij ten aanzien van de onder 2, 4, 5 en 6 bewezenverklaarde feiten niet strafbaar en dient hij dienaangaande te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is daarvoor dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte diefstal zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden, met aftrek van voorarrest.

Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering van benadeelde partij [persoon 1] integraal zal worden toegewezen en dat aan verdachte ter zake de schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde gevangenisstraf voor de diefstal geen strafmaatverweer gevoerd.

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van benadeelde partij [persoon 1] gelet op de gevorderde vrijspraak dient te worden afgewezen. Subsidiair voert de raadsman aan dat de vordering niet-ontvankelijk is, nu op basis van de in het geding gebrachte facturen niet kan worden vastgesteld dat de schade door [persoon 1] in persoon is geleden.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de diefstal van een cameratas en derhalve aan een vorm van zakkenrollerij. Door op deze wijze te handelen heeft verdachte niet alleen zich de eigendommen van een ander toegeëigend en de rechtstreeks gedupeerde hinder en financiële schade toegebracht, maar ook – omdat sprake is van zakkenrollerij – bijgedragen aan de gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Als strafverzwarende omstandigheid weegt de rechtbank mee dat verdachte blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 1 oktober 2015 veelvuldig is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Gelet op de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden passend en geboden. De officier van justitie zal mitsdien bij de strafoplegging in zijn eis worden gevolgd.

Ten aanzien van de benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij [persoon 1] , een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Immers, op basis van de door hem in het geding gebrachte facturen, die gericht zijn aan “ [bedrijf 1] ” en “ [bedrijf 2] ” kan niet eenvoudig worden vastgesteld dat de door hem gevorderde schade ook daadwerkelijk door hem in persoon is geleden, nu de vordering door hemzelf is ingediend en niet namens een van de bedrijven tot wie in elk geval een van de facturen is gericht. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in zijn vordering. De benadeelde partij kan deze vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van het identiteitsonderzoek

Gelet op het voorgaande komt de vraag of de terugkeerprocedure volledig is doorlopen hier niet meer aan de orde. Ten overvloede overweegt de rechtbank evenwel dat er blijkens de informatie van de Dienst Terugkeer en Vertrek d.d. 21 juli 2015 nog een identiteitsonderzoek loopt naar verdachte in Algerije. De rechtbank geeft het Openbaar Ministerie in overweging om ook op dit punt helderheid te verschaffen over de uitkomst van het onderzoek, ofwel door zorg te dragen voor een reactie van de Algerijnse autoriteiten, ofwel door in een proces-verbaal op te nemen dat en waarom geen uitkomst meer van dit onderzoek te verwachten is.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.3 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Diefstal.

Ten aanzien van het onder 2, 4, 5 en 6 bewezenverklaarde:

Als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenst vreemdeling is verklaard, meermalen gepleegd.

Verklaart het onder 2, 4, 5 en 6 bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.

Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart de benadeelde partij [persoon 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. M. van Mourik en J.H. Beestman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.F.E.M. Mes, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 november 2015.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.