Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:9127

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-12-2015
Datum publicatie
14-01-2016
Zaaknummer
AMS 15/4258
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Bedrijf dat de uitvoeringswerkzaamheden voor het eigenrisicodragerschap verricht is geen bestuursorgaan in de zin van de Awb. Brief van dit bedrijf is dus geen besluit. Ook niet als deze brief informatie zou bevatten over de uitvoering van de Ziektewet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/4258

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2015 in de zaak tussen

[eiseres] , te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. T.H.S.P. de Jonge),

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: P. Haakman).

Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2015.

Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door bovengenoemde gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiseres was in 2014 werkzaam voor Luba Uitzendbureau B.V. (Luba). Luba is eigenrisicodrager voor de uitvoering van de Ziektewet (ZW) als bedoeld in Hoofdstuk IIIA van de ZW. Luba laat de uitvoeringswerkzaamheden voor het eigenrisicodragerschap verrichten door Acture B.V. Eiseres heeft zich per 13 augustus 2014 ziek gemeld. Bij besluit van 24 december 2014 heeft verweerder haar een ZW-uitkering toegekend.

2. Bij besluit van 30 december 2014 is de hoogte van het dagloon van eiseres vastgesteld op € 27,64. Naar aanleiding van het bezwaar van eiseres tegen dit besluit is het dagloon bij besluit van 26 februari 2015 verhoogd naar € 38,14.

Bij brief van 12 mei 2015 heeft Acture B.V. eiseres te kennen gegeven dat er, in verband met een aan eiseres terugbetaald bedrag in het kader van het te laag berekende dagloon, geen grond is om haar tegemoet te komen in het vergoeden van de wettelijke rente.

3. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de brief van 12 mei 2015 van Acture B.V.

Verweerder heeft het bezwaar van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van Acture B.V. geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De brief is volgens verweerder niet afkomstig van een bestuursorgaan in de zin van de Awb.

4. Op grond van artikel 1:1, eerste lid, van de Awb wordt onder een bestuursorgaan verstaan:

a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of

b. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.

Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

5. Eiseres heeft – ter zitting – tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar aangevoerd dat de brief van Acture B.V. een appellabel besluit is in de zin van de Awb. Acture mag dan misschien geen bestuursorgaan in de zin van de Awb zijn, maar gedraagt zich wel als zodanig, want er wordt in dit geval een beslissing genomen die zijn oorsprong vindt in de publiekrechtelijke verhouding tussen de eigenrisicodrager en eiseres. De inhoud van de brief van Acture B.V. heeft immers betrekking op de uitvoering van de ZW, te weten een terugvordering, en beslissingen in het kader van de ZW vinden hun oorsprong in de publiekrechtelijke verhouding tussen de eigenrisicodrager en eiseres. Eiseres heeft verwezen naar de uitspraak van de CRvB van 22 mei 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1712).

6. De rechtbank overweegt dat de brief van Acture B.V. van 12 mei 2015 niet gaat over een beslissing tot terugvordering op grond van de ZW. Voor zover eiseres heeft bedoeld te betogen dat de brief een andere beslissing in het kader van de ZW bevat en daarom een besluit is in de zin van de Awb, en in dat verband verwijst naar de uitspraak van de CRvB van 22 mei 2015, overweegt de rechtbank als volgt. De uitspraak van de CRvB gaat – onder meer – over de wettelijk vastgelegde re-integratieplicht van de eigenrisicodrager op grond van artikel 42 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De CRvB overweegt in rechtsoverweging 4.5 dat die re-integratieplicht voor de eigenrisicodrager tot gevolg heeft dat de eigenrisicodrager als bestuursorgaan optreedt en de in die hoedanigheid genomen beslissingen in het kader van de re-integratieplicht als besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb moeten worden aangemerkt. Bij het nemen van niet op de re-integratieplicht terug te voeren beslissingen strekkende tot het behoud van arbeid, die hun oorsprong vinden in de civielrechtelijke verhouding tussen de eigenrisicodrager en de werknemer, treedt de eigenrisicodrager niet op als bestuursorgaan. Uit deze laatste zinsnede volgt, anders dan eiseres betoogt, niet dat zodra sprake is van besluiten die wel in het kader van een publiekrechtelijke verhouding tussen eigenrisicodrager en werknemer zijn genomen, de eigenrisicodrager altijd een bestuursorgaan is in de zin van de Awb. In het geval van eiseres zou het gaan om beslissingen in het kader van de ZW. Beslissingen in het kader van de ZW zijn uitdrukkelijk voorbehouden aan het UWV, zoals is voorgeschreven in artikel 2 van het Besluit werkzaamheden, administratieve voorschriften en kosten eigenrisicodragen ZW, in samenhang met artikel 63a, eerste lid van de ZW. De eigenrisicodrager verricht slechts de werkzaamheden ter zake van de voorbereiding van besluiten op grond van de ZW inzake uitkering. De besluiten zelf dienen te worden afgegeven door het bestuursorgaan, ofwel, het UWV. De positie van de eigenrisicodrager is dus in het kader van de uitvoering van de ZW een andere dan die van de eigenrisicodrager in de door eiseres aangehaalde uitspraak van de CRvB, zodat deze uitspraak eiseres niet kan baten.

7. De rechtbank is van oordeel dat Acture B.V. geen bestuursorgaan is als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onder a en b, van de Awb. Acture B.V. heeft immers geen wettelijke taak op het gebied van uitvoering van de ZW en is ook anderszins geen orgaan als vermeld in artikel 1:1, eerste lid van de Awb. De brief van 12 mei 2015 van Acture B.V. is dus geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, zodat de mogelijkheid bezwaar te maken tegen deze brief niet open stond. Verweerder heeft het bezwaar dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank zal het beroep daarom ongegrond verklaren.

8. Voor vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.M. Giesen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. Breimer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2015.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.