Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:9123

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-12-2015
Datum publicatie
29-12-2015
Zaaknummer
AMS 15/3363
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussen 19 augustus 2014 en 22 januari 2015 heeft eiser in het kader van de aan hem gestelde bijzondere voorwaarden certificaten behaald en trainingen gevolgd, maar vervolgens is onvoldoende gebleken van het ondersteunen door verweerder van eiser bij het vinden van een oplossing voor zijn schuldensituatie. Verweerder stelt slechts dat hij heeft begrepen dat het UWV in het algemeen niet meewerkt aan een minnelijke regeling in het geval van schending van de inlichtingenverplichting en een opgelegde boete, maar hoe verweerder weet dat een minnelijke regeling in het specifieke geval van eiser niet haalbaar zal zijn en dus in het geheel niet met de betreffende schuldeiser is besproken, is in het bestreden besluit noch ter zitting duidelijk geworden. Welke beëindigingsreden van artikel 5 van de beleidsregels precies aan eiser wordt tegengeworpen is evenmin duidelijk geworden. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en herroept het primaire besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/3363

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. R.J. Ouderdorp),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. H.H.J. Ten Hoope).

Procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2015 (het primaire besluit) heeft SEZO maatschappelijke dienstverlening namens het dagelijks bestuur van het Stadsdeel Nieuw West aan eiser medegedeeld dat de schuldhulpverlening ingevolge de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening wordt beëindigd.

Bij besluit van 21 april 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is op 19 augustus 2014 toegelaten tot de schuldhulpverlening.

2. Bij het primaire besluit is de schuldhulpverlening beëindigd, welk besluit bij het bestreden besluit is gehandhaafd. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat in het geval van eiser geen minnelijke regeling tot stand kan komen en dat van een problematische schuldensituatie geen sprake is.

3. Eiser voert, onder meer, aan dat niet is gebleken dat verweerder met een bevoegd en kundig persoon van zijn grootste schuldeiser, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), contact heeft gehad om te proberen een minnelijke regeling tot stand te brengen. Het UWV heeft eiser bij in rechte vaststaand besluit van
26 mei 2014 weliswaar een boete opgelegd nadat eiser de op hem rustende inlichtingenplicht had geschonden, hetgeen heeft geleid tot ten onrechte uitbetaling van een volledige Wajong-uitkering, maar in die procedure heeft de verzekeringsarts gewezen op de verstandelijke beperking van eiser. Deze constatering van de verzekeringsarts zou er mogelijk toe kunnen leiden dat het UWV in dit specifieke geval zou instemmen met een minnelijke regeling. Eiser wijst er voorts op dat hij al tot de schuldhulpverlening was toegelaten en ten tijde van de beëindiging geen sprake was van relevante gewijzigde feiten of omstandigheden. Evenmin is één van de weigeringsgronden van de Beleidsregels schuldhulpverlening Amsterdam (beleidsregels) van toepassing. Ter zitting heeft eiser gesteld dat hij graag zou zien dat de schuldhulpverlening wordt hervat, omdat hij wil dat een minnelijke regeling tot stand wordt gebracht, waarbij bijvoorbeeld de maximale aflossingsperiode op vijf of drie jaar wordt gesteld.

4. Volgens artikel 5 van de beleidsregels besluit verweerder onverminderd de overige bepalingen in deze beleidsregels en de bepalingen in de wet tot beëindiging van de schuldhulpverlening indien:

a. de noodzaak voor schuldhulpverlening niet (langer) aanwezig wordt geacht;

b. de verzoeker niet of in onvoldoende mate de verplichtingen nakomt zoals bedoeld in artikel 4;

c. de gestelde doelen zijn gerealiseerd;

d. de verzoeker zijn beschikbare aflossingscapaciteit niet gebruikt voor de aflossing van schulden;

e. op grond van later gebleken onjuiste gegevens schuldhulpverlening aan de verzoeker is toegekend, en een andere beslissing zou zijn genomen als deze gegevens ten tijde van de besluitvorming bij het college, dan wel het dagelijks bestuur, bekend waren geweest;

f. de verzoeker zich misdraagt jegens personen die werkzaam zijn bij de uitvoerende instellingen voor schuldhulpverlening;

g. de geboden schuldhulpverlening, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, niet (langer) passend is;

h. de verzoeker niet langer te beschouwen is als inwoner.

5.1

De rechtbank overweegt dat eiser ten tijde van de toelating tot de schuldhulp-verlening, op 19 augustus 2014, kennelijk tot de doelgroep van schuldhulpverlening behoorde. In de tussentijd is, zoals tussen partijen ook niet in geschil is, de schuldensituatie van eiser niet wezenlijk gewijzigd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dit geval daarom niet zonder nadere motivering aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen leggen dat van een problematische schuldensituatie geen sprake was. De rechtbank overweegt voorts dat uit artikel 1, aanhef en onder d, van de beleidsregels volgt dat schuldhulpverlening het ondersteunen bij het vinden van een oplossing gericht op de aflossing van schulden, alsmede de nazorg is. Tussen 19 augustus 2014 en 22 januari 2015 heeft eiser in het kader van de aan hem gestelde bijzondere voorwaarden certificaten behaald en trainingen gevolgd, maar vervolgens is onvoldoende gebleken van het ondersteunen door verweerder van eiser bij het vinden van een oplossing voor zijn schuldensituatie. Verweerder stelt slechts dat hij heeft begrepen dat het UWV in het algemeen niet meewerkt aan een minnelijke regeling in het geval van schending van de inlichtingenverplichting en een opgelegde boete, maar hoe verweerder weet dat een minnelijke regeling in het specifieke geval van eiser niet haalbaar zal zijn en dus in het geheel niet met de betreffende schuldeiser is besproken, is in het bestreden besluit noch ter zitting duidelijk geworden. Welke beëindigingsreden van artikel 5 van de beleidsregels precies aan eiser wordt tegengeworpen is evenmin duidelijk geworden.

5.2.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet gegeven de omstandigheden geen belemmeringen om met het oog op finale geschilbeslechting met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank zal, onder gegrondverklaring van het daartegen gerichte bezwaar, het primaire besluit herroepen. Dit betekent dat het recht van eiser op schuldhulpverlening herleeft. Verweerder dient in dat kader in contact te treden met de schuldeisers, in het bijzonder het UWV, om te pogen een regeling te treffen, die bijvoorbeeld zou kunnen voorzien in een kortere termijn dan de termijn die staat voor fraudevorderingen, waarin eiser volledig aan zijn aflossingsverplichting moet hebben voldaan.

5.3

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1). De overige door eiser genoemde kosten, te weten de wettelijke rente over de met terugwerkende kracht verschuldigde uitkeringsbedragen en de extra kosten welke eiser heeft moeten maken omdat de schuldenregeling niet tot stand is gekomen, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Van met terugwerkende kracht door verweerder verschuldigde uitkeringsbedragen is immers geen sprake en eiser heeft niet geconcretiseerd welke extra kosten hij heeft moeten maken doordat de schuldenregeling is beëindigd. Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. van den Bergh, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.M. van Duren, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
18 december 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.