Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:908

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-02-2015
Datum publicatie
27-02-2015
Zaaknummer
13-529012-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is in de tenlastegelegde periode informant van de CIE. Beroep op niet-ontvankelijkheid van het OM nu de CIE, dan wel de runners op de hoogte waren van de door verdachte gepleegde strafbare feiten. Rechter-commissaris neemt kennis van het CIE-rapport en maakt proces-verbaal van bevindingen op. Horen van runners op de zitting.

Zwolsman-criterium. Conclusie: niet aannemelijk dat de CIE de geldende regels heeft overtreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/529012-09 (promis)

Datum uitspraak: 9 februari 2015

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Turkije),

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, met als opgegeven postadres het adres [adres 1, te plaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 20 juni 2013, 14 april 2014, 16 april 2014, 25 april 2014, 15 januari 2015 en 26 januari 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H. Oppe en van wat verdachte en zijn raadsvrouw M.J. van Essen, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij

1. op of omstreeks 16 februari 2009 te Amsterdam en/of op de A4 ter hoogte van hectometerpaal 42,5 richting Den Haag (gemeente Leidschendam-Voorburg), in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval voorhanden heeft gehad, (ongeveer) 990 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2. op of omstreeks 16 februari 2009 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 647 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3. op of omstreeks 16 februari 2009 te Amsterdam in elk geval in Nederland, opzettelijk (een) bankbiljet(ten) van 50 en/of 20 euro, dat/die verdachte zelf had nagemaakt of vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing verdachte, toen hij dat/die bankbiljet(ten) ontving, bekend was, met het oogmerk om dat/die bankbiljet(ten) als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad;

4. in of omstreeks de periode van 29 juli 2008 tot en met 16 februari 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een identiteitskaart (op naam van [persoon 1]) heeft verworven, en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

3 Voorvragen

3.1.

De dagvaarding

De dagvaarding is geldig.

3.2.

De bevoegdheid van de rechtbank

Deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten.

3.3.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.3.1.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie verschillende dwangmiddelen onrechtmatig heeft ingezet. Het gaat daarbij om het tappen van het mobiele telefoonnummer van verdachte, het stelselmatig observeren van verdachte, het aanhouden van verdachte en het doorzoeken van de auto en de woning van verdachte. Volgens de raadsvrouw was de beschikbare informatie namelijk onvoldoende concreet en betrouwbaar voor het ontstaan van de verdenking van een strafbaar feit en de inzet van deze dwangmiddelen.

Ook de werkwijze van de Criminele Inlichtingen Eenheid (verder: CIE), die onder de verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie valt, is in relatie tot verdachte onrechtmatig geweest. Volgens de raadsvrouw valt uit de stukken, waaronder het rapport van The Maastricht Forensic Institute (verder: TMFI), af te leiden dat de CIE en haar runners op de hoogte waren van het feit dat verdachte als CIE-informant strafbare feiten pleegde, zoals het voorhanden hebben en vervoeren van verdovende middelen. Hiertegen en tegen de duidelijke signalen dat verdachte op ontoelaatbare wijze zijn informatie verkreeg, zoals door woninginbraken te plegen en personen stelselmatig te volgen, is door de CIE niet opgetreden.

De raadsvrouw heeft verder betoogd dat het Openbaar Ministerie het onderzoek in de onderhavige zaak heeft gefrustreerd door het verstrekken van BOB-stukken en inzage geven in het CIE-dossier te weigeren, bewust telecomonderzoek en getuigenverhoren te frustreren, te rommelen met telecomresultaten, nader onderzoek naar de werkwijze van de runners te weigeren en slordig om te gaan met het originele strafdossier. Ook heeft het Openbaar Ministerie misbruik gemaakt van zijn bevoegdheden, gecommuniceerd met de rechter-commissaris zonder de verdediging hiervan op de hoogte te stellen en onrechtmatig processtukken onthouden.

Vanwege de cumulatie van deze onrechtmatigheden en schendingen is een ernstige inbreuk gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Als gevolg hiervan moet overeenkomstig het bepaalde in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard in de vervolging van verdachte, dan wel moeten de resultaten van de onrechtmatig ingezette dwangmiddelen van het bewijs worden uitgesloten.

3.3.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat op basis van de feiten en omstandigheden die uit de stukken blijken, kan worden vastgesteld dat de inzet van de dwangmiddelen tappen, observatie, aanhouding en doorzoeking rechtmatig is geweest. De anonieme brief en processen-verbaal van CIE-informatie waren voldoende concreet en dringend om het telefoonnummer van verdachte te tappen en hem te observeren. Met de informatie die daarmee werd verkregen, waren de aanhouding van verdachte en de doorzoekingen van zijn auto en woning gerechtvaardigd.

De stelling van de verdediging dat de CIE en haar runners op de hoogte waren van het gegeven dat verdachte op ontoelaatbare wijze informatie verkreeg en strafbare feiten pleegde, waaronder op de ten laste gelegde datum, is gelet op de onderzoeksbevindingen niet aannemelijk geworden. De officier van justitie heeft in het kader hiervan verwezen naar onder meer de processen-verbaal van de rechter-commissaris, de verklaring van de teamchef bij de CIE [persoon 2] en de verklaringen van de runners [persoon 3], [persoon 4] en [persoon 5]. Het TMFI-rapport moet voorts met terughoudendheid worden bekeken, omdat de inhoud ervan niet geverifieerd kan worden en de conclusies van de deskundige niet deugdelijk zijn onderbouwd.

De officier van justitie heeft de stelling van de raadsvrouw dat het Openbaar Ministerie opzettelijk het onderzoek in deze zaak heeft gefrustreerd en gemanipuleerd, betwist. Het Openbaar Ministerie heeft binnen de grenzen van de wet en met de nodige voortvarendheid zijn onderzoek verricht. Dit heeft geresulteerd in het thans beschikbare dossier. De omstandigheid dat de verklaring van verdachte over de ten laste gelegde feiten en zijn doen en laten als CIE-informant hierin geen steun vindt, is niet te wijten aan gebrekkig onderzoek door het Openbaar Ministerie. Wel is het volgens de officier van justitie tekenend voor de geloofwaardigheid van verdachte en de aannemelijkheid van zijn verklaring.

Gezien het vorenstaande stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat van onrechtmatigheden of schendingen van beginselen van een behoorlijke procesorde in de onderhavige zaak geen sprake is geweest. Niet-ontvankelijkheid in de vervolging of bewijsuitsluiting is om die reden niet aan de orde.

3.3.3.

Het oordeel van de rechtbank

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad komt niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats in geval vormverzuimen daarin bestaan dat met de opsporing of vervolging ernstig inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van een verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

De vragen die in de onderhavige zaak thans voorliggen, zijn of de door de raadsvrouw genoemde onrechtmatigheden en schendingen van beginselen van een behoorlijke procesorde zich hebben voorgedaan en zo ja, of deze onrechtmatigheden en schendingen, al dan niet in onderlinge samenhang bezien, moeten leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie of bewijsuitsluiting. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Tappen en stelselmatig observeren

Het onderzoek in deze zaak is gestart naar aanleiding van een anonieme brief en twee processen-verbaal van CIE-informatie. Op 10 februari 2009 ontving het onderzoeksteam een anonieme brief waarin onder meer stond vermeld dat [verdachte] (verblijvend op het adres [adres 1, te plaats] en gebruik makend van een BMW 3-serie met kenteken [kenteken 1]) in het bezit zou zijn en zou beschikken over (vuur)wapens die zijn compagnon [persoon 6] en hij hadden buit gemaakt bij een ripdeal in Amsterdam. [verdachte] zou beschikken over een waar wapenarsenaal. Ook zouden [persoon 6] en [verdachte] een drugsdealer in Utrecht hebben geript en zouden zij zich bezig houden met wapenhandel, drugshandel, afpersing en ripdeals. Het onderzoeksteam heeft deze informatie gelegd naast twee processen-verbaal van CIE-informatie. Op 11 februari 2009 ontving het team vanuit een ander district CIE-informatie van 1 oktober 2008, inhoudende dat [persoon 6] in het bezit zou zijn van een pistool. Op 12 februari 2009 ontving het onderzoeksteam CIE-informatie uit september 2008 waarin onder meer stond vermeld dat [persoon 6] en [verdachte] zich zouden bezighouden met het rippen van mensen door zich voor te doen als politieagenten.

De verdenking van een strafbaar feit kan volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad worden aangenomen op basis van een anonieme melding en CIE-informatie (zie onder meer ECLI:NL:HR:2013:BZ2191). Naar het oordeel van de rechtbank was de in deze zaak beschikbare informatie voldoende concreet met betrekking tot de personalia en de verblijfplaats van verdachte en voldoende specifiek ten aanzien van de vermoede strafbare gedragingen. Verificatie van de informatie leverde op dat [persoon 6] is genaamd [persoon 6] (verder: [persoon 6]) en dat met [verdachte] of [verdachte], verdachte werd bedoeld. Uit de politiesystemen bleek vervolgens dat [persoon 6] en verdachte allebei als vuurwapengevaarlijk stonden geclassificeerd enonderzoek maakte duidelijk dat [persoon 6] en verdachte op 4 december 2008 samen reden in een auto voorzien van het kenteken [kenteken 2]. Bij het natrekken van dit kenteken kwam naar voren dat het kenteken behoorde bij een auto van het merk BMW type 3 en dat deze auto in de periode van 7 juni 2008 tot en met 2 februari 2009 op naam van verdachte stond. Gezien deze informatie en het feit dat uit onderzoek is gebleken dat het kenteken [kenteken 1] niet bestaat, werd in de anonieme brief kennelijk het kenteken [kenteken 2] bedoeld.

Op basis van de geverifieerde informatie heeft het Openbaar Ministerie de rechter-commissaris om toestemming gevraagd voor het tappen van het telefoonnummer van verdachte, welke toestemming is verleend. Ook zijn er op basis van deze informatie verschillende observaties verricht. De rechtbank is van oordeel dat de geverifieerde informatie afkomstig uit de anonieme brief en van de CIE, voldoende grond boden voor het inzetten van de dwangmiddelen ‘tappen’ en ‘observatie’ op basis van de Wet Wapens en Munitie (verder: WWM). Dat een betrouwbaarheidsoordeel over de CIE-informatie niet kon worden gegeven, maakt die conclusie niet anders. Van onrechtmatigheden met betrekking tot het tappen van het telefoonnummer van verdachte en de stelselmatige observatie van verdachte is niet gebleken. Het verweer van de raadsvrouw hieromtrent wordt verworpen.

Aanhouding en doorzoekingen


Ook het verweer van de raadsvrouw dat de aanhouding van verdachte en de aansluitende doorzoekingen van zijn auto en woning op basis van de WWM onrechtmatig waren, wordt verworpen. Van verdachte zijn diverse gesprekken afgeluisterd waarin hij versluierd taalgebruik hanteert en spreekt over ‘dinges’, een tekort aan ‘papier’, hoeveelheden ‘lira’ en een op handen zijnde ontmoeting. Verdachte wordt op 16 februari 2009, de dag van zijn aanhouding, gezien met een gevulde plastic tas, waarmee hij in zijn auto stapt. Naar het oordeel van de rechtbank was deze informatie, die middels de tapgesprekken en observaties werd verkregen, in combinatie met de informatie die uit de anonieme brief en CIE-informatie was gebleken, voldoende voor het aannemen van de verdenking van de betrokkenheid van verdachte bij overtreding van de WWM. Dit leidt ertoe dat de aanhouding van verdachte op 16 februari 2009 en de latere doorzoekingen van zijn auto en woning rechtmatig waren. De doorzoekingen hebben geresulteerd in het aantreffen van respectievelijk twee bollen en twee pakketjes met heroïne. Deze resultaten kunnen meewerken tot het bewijs.

De omstandigheid dat uit de anonieme brief, de CIE-informatie en de tapgesprekken ook informatie werd verkregen die aanwijzing was voor de mogelijke betrokkenheid van verdachte bij overtreding van de Opiumwet, welke betrokkenheid met de bevindingen van de doorzoekingen is bevestigd, doet geen afbreuk aan de rechtmatigheid van de inzet van de dwangmiddelen op grond van de WWM. Op het moment van het inzetten van die dwangmiddelen was immers sprake van een redelijk vermoeden van schuld aan een in de WWM strafbaar gesteld feit. Voorts is het algemeen bekend dat het bezit van en de handel in (vuur)wapens en verdovende middelen vaak hand in hand gaan.

De werkwijze van de CIE

Met betrekking tot de al dan niet onrechtmatige werkwijze van de CIE overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte is enkele jaren informant van de CIE geweest. Hij heeft in die hoedanigheid CIE informatie verschaft over met name het bezit van en de handel in verdovende middelen. Gebleken is dat verdachte zich in de periode dat hij CIE-informant was, in ieder geval in de jaren 2006 en 2007, heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten, dan wel was er in die jaren sprake van het vermoeden van zijn betrokkenheid bij strafbare feiten. Dit leverde, zoals de raadsvrouw terecht heeft betoogd, een verzwaring van de toezichtplicht van de CIE op. De rechtbank is, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat gebleken is van het uitvoering geven aan die verzwaarde toezichtplicht. Hierbij is het volgende van belang.

Uit de processen-verbaal van de rechter-commissaris, die ten aanzien van de onderhavige zaak bij hoge uitzondering heeft kennisgenomen van het CIE-dossier, kan worden afgeleid dat er met betrekking tot het doen en laten van verdachte als CIE-informant en de contacten met zijn runners, geen hiaten zijn aangetroffen tussen het CIE-dossier en het dossier van deze zaak. Ook heeft de rechter-commissaris in het CIE-dossier geen mutaties gelezen waaruit volgt dat verdachte met toestemming of met medeweten van de CIE verdovende middelen heeft vervoerd of in zijn bezit heeft gehad ten tijde van zijn aanhouding. Verdachte heeft verklaard dat hij op 16 februari 2009 een sms-bericht heeft verstuurd naar zijn runners, waarin hij hen, terwijl hij al onderweg was naar Den Haag, op de hoogte heeft gesteld van het vervoeren van de onder 1 ten laste gelegde hoeveelheid verdovende middelen. Dit sms-bericht bevindt zich echter niet in het CIE-dossier en ook niet in het dossier van deze zaak. De stelling van de raadsvrouw dat de CIE er belang bij zou hebben gehad om het sms-bericht te verdoezelen, gaat niet op, omdat het sms-bericht in geen van de dossiers is terug te vinden en het dossier van deze zaak door de politie en het Openbaar Ministerie, zonder bemoeienis van de CIE, is samengesteld.

De rechtbank heeft voorts gekeken naar de verklaring van teamchef [persoon 2] en de verklaringen van de runners [persoon 3] ([persoon 3]), [persoon 4] en [persoon 5]. Hieruit is naar voren gekomen dat de informatie die verdachte aan de CIE verschafte, werd gecontroleerd door de runners, namelijk door te vragen naar de herkomst van die informatie en die herkomst waar mogelijk te verifiëren. Vanuit de CIE zijn de regels aangaande het zijn van CIE-informant herhaaldelijk aan verdachte uitgelegd. Ook hebben de runners verdachte herhaaldelijk gezegd wat onder strafbare feiten werd verstaan, dat een informant geen strafbare feiten mag plegen om aan informatie te komen en dat eventueel gepleegde strafbare feiten voor de rekening en het risico van de informant komen. Dit heeft verdachte ter terechtzitting van 14 april 2014 bevestigd. Verdachte heeft tijdens die terechtzitting ook verklaard dat hij het initiatief nam bij het vervoeren van verdovende middelen en dat hij daarmee probeerde iets bij te verdienen. Ter terechtzitting van 15 januari 2015 heeft verdachte voorts verklaard dat hij zijn runners niet altijd op hoogte bracht van zijn handelen, dat zijn runners geen wetenschap hadden van de hoeveelheden verdovende middelen die verdachte vervoerde en dat zij ook niet wisten dat verdachte een deel van de verdovende middelen die hij in zijn bezit had, verkocht.

Voor de beantwoording van de vraag of de CIE op de hoogte was of moest zijn van de strafbare feiten die verdachte pleegde, heeft de rechtbank ook acht geslagen op het TMFI-rapport. Verdachte heeft verklaard dat hij opnames heeft gemaakt van een aantal gesprekken die hij met zijn runners heeft gevoerd. De raadsvrouw heeft deze opnames ter beschikking gesteld aan het TMFI, waarna de opnames door een deskundige zijn uitgeluisterd. Ook de rechter-commissaris heeft de geluidsbanden uitgeluisterd en hierover een proces-verbaal opgemaakt.

De rechtbank acht op basis van de verklaring van [persoon 4] bij de rechter-commissaris aannemelijk dat in ieder geval een deel van de gesprekken die in het transcript van het TMFI-rapport voorkomen, inderdaad heeft plaatsgevonden tussen verdachte en zijn runners. Het gaat hierbij om de eerste veertien minuten van het geluidsbestand 002. De rechtbank kan de uitgeluisterde gesprekken, waaronder dit geluidsbestand, echter niet duiden in plaats en tijd. Ook is de inhoud van de gesprekken onvoldoende duidelijk en kan die inhoud, mede vanwege de slechte kwaliteit van de opnames en het niet hoorbaar zijn van delen van de gesprekken, niet in een context worden geplaatst. Verder bestaan er, behalve voor het begin van geluidsbestand 002, twijfels over de gespreksdeelnemers. Dit betekent dat de rechtbank bij het ontbreken van verdere informatie en een duidelijke verklaring van verdachte over deze details de juistheid en betrouwbaarheid van het TMFI-rapport niet kan controleren.

In het licht van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het standpunt van de verdediging dat verdachte als CIE-informant met medeweten van de CIE en haar runners, handelde en strafbare feiten pleegde, geen steun vindt in de zich in het dossier bevindende stukken. Op geen enkele wijze is gebleken dat de runners expliciet of impliciet voor het plegen van strafbare feiten toestemming hebben gegeven. Dat er aanwijzingen waren op basis waarvan de runners moesten vermoeden dat verdachte strafbare feiten had gepleegd, anders dan het bezit van een kleine hoeveelheid heroïne en een busje traangas, zoals in de strafzaak met parketnummer 13/523313-07 wordt vermeld, kan ook niet worden vastgesteld. Het gegeven dat verdachte de runners zou hebben medegedeeld zijn informatie te hebben verkregen in koffiehuizen, is hiervoor zonder meer onvoldoende, omdat bekend is dat in bepaalde koffiehuizen wel degelijk heimelijke informatie over strafbare feiten als wapen- en drugshandel rondgaat. In het midden gelaten of van de juistheid van het TMFI-rapport kan worden uitgegaan, is de rechtbank van oordeel dat dit rapport de conclusie, dat verdachte met medeweten en toestemming van de CIE handelde, ook niet kan dragen. De rechtbank acht nader onderzoek naar de geluidsbanden, gezien de inhoud van de overige stukken, niet noodzakelijk. De rechtbank komt op grond van het hiervoor gestelde tot de conclusie dat niet aannemelijk is geworden dat de CIE haar regels en richtlijnen heeft overtreden en de handelwijze van de CIE onrechtmatig is geweest.

De werkwijze van het Openbaar Ministerie


De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat door het onzorgvuldig handelen van de zijde van het Openbaar Ministerie en zijn weigerachtige houding, de waarheidsvinding in het geding is gekomen en de belangen van verdachte zijn geschaad. Dit verweer wordt bij gebrek aan steun in het dossier ten aanzien van alle door de raadsvrouw genoemde punten verworpen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen aanwijzingen gebleken op basis waarvan moet worden geconcludeerd dat het Openbaar Ministerie bewust onderzoek heeft gefrustreerd of bewust niet voortvarend heeft opgetreden om de verdediging op achterstand te zetten. De rechtbank kan niet anders dan vaststellen dat het onderzoek in deze zaak heeft plaatsgevonden binnen de grenzen van de wet en de beginselen van een behoorlijke procesorde.

Oordeel over de ontvankelijkheid van de officier van justitie

Gelet op al het vorenstaande constateert de rechtbank dat er in de onderhavige zaak geen sprake is geweest van onrechtmatigheden of schendingen die, al dan niet in onderlinge samenhang bezien, een inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde. Aan het recht van verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is dan ook niet tekort gedaan. Dit leidt ertoe dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte. Ook kunnen de resultaten van de doorzoekingen meewerken tot het bewijs.

3.4.

Schorsing der vervolging

Er zijn geen redenen gebleken voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

De rechtbank heeft bij de beoordeling van de ten gelegde feiten acht geslagen op de zich in het dossier bevindende stukken, in het bijzonder de bewijsmiddelen die in de bijlage van dit vonnis zijn vervat, en overweegt als volgt.

4.1.

Vrijspraak na bewijsuitsluiting


De raadsvrouw heeft bepleit dat de ten laste gelegde feiten als gevolg van bewijsuitsluiting niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Om die reden moet voor deze feiten vrijspraak volgen.

Dit verweer wordt verworpen. Zoals de rechtbank hierboven onder 3.3.3. heeft overwogen, hebben ten aanzien van deze zaak geen onrechtmatigheden plaatsgevonden. De resultaten van het onderzoek, waaronder de doorzoekingen, kunnen dan ook tot het bewijs worden gebezigd

4.2.

Feiten 1 en 2

Met de officier van justitie acht de rechtbank de onder 1 en onder 2 ten laste gelegde feiten bewezen. Verdachte is op 16 februari 2009 aangehouden op de rijksweg A4 toen hij op weg was van Amsterdam naar Den Haag. Bij doorzoeking van de auto van verdachte werden twee bollen met heroïne aangetroffen (onder 1 ten laste gelegd). In de kelderbox behorend bij de woning van verdachte werden eveneens twee pakketjes met heroïne aangetroffen (onder 2 ten laste gelegd). Aan de hand deze bevindingen, de inhoud van de deskundigenverslagen van [politiedeskundige] en de bekennende verklaring van verdachte kan worden vastgesteld dat verdachte op de ten laste gelegde datum handelshoeveelheden heroïne heeft vervoerd en in zijn woning aanwezig heeft gehad.

4.3.

Vrijspraak van feit 3

Het onder 3 ten laste gelegde feit kan niet worden bewezen. Op 16 februari 2009 zijn bij de doorzoeking van de woning aan het [adres 1] in een keukenkastje en in een koffertje van de kinderen van verdachte valse bankbiljetten aangetroffen. Verdachte heeft aangegeven dat de bankbiljetten gemaakt zijn door zijn kinderen om er mee te spelen. De officier van justitie heeft deze bankbiljetten ter terechtzitting van 14 april 2014 aan de rechtbank en de verdediging getoond. Hierbij heeft de rechtbank geconstateerd dat een deel van de biljetten scheef was geknipt en dat van sommige biljetten de voor- en achterkant met plakband bij elkaar werden gehouden. Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank dan ook van oordeel dat er, gezien de mate van valsheid en ook de plaats van het aantreffen van de bankbiljetten, onvoldoende bewijs is om tot een bewezenverklaring van artikel 209 van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr) te kunnen komen. Dit betekent dat verdachte van het onder 3 ten laste gelegde feit wordt vrijgesproken.

4.4.

Vrijspraak van feit 4

De rechtbank acht ook het onder 4 ten laste gelegde feit niet bewezen. Bij de fouillering van verdachte bevond zich op 16 februari 2009 een identiteitskaart op naam van [persoon 1] (verder: [persoon 1]). Verdachte heeft hierover ter terechtzitting verklaard dat [persoon 1] een kennis is en dat zijn identiteitskaart na een ontmoeting met hem per ongeluk in de auto van verdachte zou zijn achtergebleven. Verdachte heeft [persoon 1] naar eigen zeggen hier later over gesproken. Hij had toen echter al aangifte gedaan van vermissing.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de heling van de identiteitskaart kan worden bewezen op basis van de inhoud van het dossier, waaronder de aangifte van [persoon 1] en zijn verklaring bij de rechter-commissaris dat hij verdachte niet kent en nooit in zijn auto heeft gezeten. De rechtbank stelt vast dat daartegenover echter de verklaringen van [persoon 6] en verdachte staan, die samengevat inhouden dat [persoon 1] verdachte wel degelijk kent. Dit wordt ook bevestigd door het feit dat het telefoonnummer van [persoon 1] bij het onderzoek in de strafzaak uit 2007 in de mobiele telefoon van verdachte stond opgeslagen. In het licht van deze omstandigheden kan de rechtbank de verklaring van verdachte als zijnde onbetrouwbaar, niet ter zijde schuiven. De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat er om die reden onvoldoende bewijs is op grond waarvan de heling van de identiteitskaart kan worden vastgesteld. Dit betekent dat verdachte ook van het onder 4 ten laste gelegde feit wordt vrijgesproken.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit
op 16 februari 2009 te Amsterdam en op de A4 ter hoogte van hectometerpaal 42,5 richting Den Haag (gemeente Leidschendam-Voorburg) opzettelijk heeft vervoerd 990 gram van een materiaal bevattende heroïne;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit
op 16 februari 2009 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 647 gram van een materiaal bevattende heroïne.

6 De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Hij is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

Het standpunt van de officier van justitie


De officier van justitie heeft - met inachtneming van de ernst van de door hem bewezen geachte feiten en de overschrijding van de redelijke termijn - gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van achttien maanden, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht, en de (opbrengst van de verkoop van de) in beslag genomen personenauto verbeurd te verklaren.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht bij de straftoemeting de persoon van verdachte, de lange duur van de onderhavige procedure en de onrechtmatige handelwijze van de CIE en het Openbaar Ministerie, zoals hiervoor onder 3.3.1. genoemd, te betrekken. Gelet hierop en vanwege de richtlijnen volgens BOS Polaris vindt de raadsvrouw oplegging van een gevangenisstraf conform de duur van het voorarrest passend.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank


De rechtbank heeft bij de straftoemeting gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder die feiten zijn gepleegd. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van de Opiumwet, door een handelshoeveelheid heroïne te vervoeren en in zijn woning aanwezig te hebben. Verdachte heeft daarmee bijgedragen aan de verspreiding van verdovende middelen onder dealers en/of verslaafden. Verdovende middelen zijn voor de gezondheid van gebruikers daarvan zeer schadelijke stoffen en het gebruik ervan is bezwarend voor de samenleving, onder meer vanwege de daarmee gepaard gaande door verslaafden gepleegde criminaliteit. De handel in en het bezit van verdovende middelen worden dan ook krachtig bestreden.

Met betrekking tot de keuze van de op te leggen straf en de duur of hoogte daarvan heeft de rechtbank ook gekeken naar het tijdsverloop in deze zaak. De rechtbank heeft geconstateerd dat tussen de datum van het plegen van de feiten en de dag van het wijzen van het vonnis bijna zes jaren zijn verstreken. Dit levert een schending op van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, namelijk een overschrijding van de redelijke termijn van berechting. De rechtbank zal deze schending niet verdisconteren in de strafmaat, maar volstaan met de enkele vaststelling daarvan. Dit omdat de overschrijding van de redelijke termijn kan worden verklaard door de omvang en ingewikkeldheid van het onderzoek en de veelheid aan onderzoekswensen van de kant van de verdediging. Het tijdsverloop kan dan ook niet alleen het Openbaar Ministerie worden aangerekend.

Blijkens een verdachte betreffend uittreksel van justitiële documentatie van 18 december 2014 en het feit dat de rechtbank inmiddels uitspraak heeft gedaan in de zaak uit 2007 heeft artikel 63 Sr toepassing.

Gelet op het vorenstaande en de straffen die rechtbanken en gerechtshoven in soortgelijke zaken plegen op te leggen, acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf van twaalf maanden passend en geboden. In de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die ter terechtzitting zijn gebleken, ziet de rechtbank geen reden om ten voordele van verdachte van deze straf af te wijken.

Het verweer van de raadsvrouw dat de onrechtmatige handelwijze van de CIE en het Openbaar Ministerie ten aanzien van de strafmaat matigend zou moeten meewerken, wordt vanwege het oordeel van de rechtbank hierover, zoals onder 3.3.3. genoemd, verworpen.

8 Beslag

Op 16 februari 2009 is de auto waarin verdachte op het moment van zijn aanhouding reed, in beslag genomen. Het betreft een personenauto van het merk Fiat Stilo en met kenteken [kenteken 3] (itemnummer 3181895). Dit goed behoort toe aan de schoonzus van verdachte en was in de periode voorafgaand aan de onder 1 en onder 2 bewezen verklaarde feiten bij verdachte in gebruik. Omdat met behulp van deze auto het onder 1 bewezen verklaarde feit is begaan, is dit goed voor verbeurdverklaring vatbaar. Van de officier van justitie heeft de rechtbank echter begrepen dat de auto reeds is verkocht en dat de opbrengst ervan de plaats van het beslag heeft ingenomen. Om die reden wordt de opbrengst van de verkoop van de in beslag genomen personenauto verbeurdverklaard.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van de bewezen verklaarde feiten.

10 Beslissingen

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissingen.

Verklaart de onder 3 en onder 4 ten laste gelegde feiten niet bewezen en spreekt verdachte hiervan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 5. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

voor het onder 1 bewezen verklaarde feit

- opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

voor het onder 2 bewezen verklaarde feit

- opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte [verdachte] daarvoor strafbaar.

- Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden en beveelt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van voornoemde straf in mindering zal worden gebracht.

- Verklaart verbeurd de onder 8. genoemde opbrengst van de verkoop van de personenauto met itemnummer 3181895.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Knol, voorzitter,

mrs. R. Hirzalla en M.B. de Boer, rechters,

en mr. P.H. Boersma, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 februari 2015.

Bijlage

De bewijsmiddelen

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit

Een proces-verbaal van observatie van 18 februari 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren X-35, X-67, en X-98, doorgenummerde pag. 3.033-3.034.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voormelde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Wij hebben op 16 februari 2009 observatiewerkzaamheden verricht, waarbij de navolgende waarnemingen zijn gedaan.

09.50

uur: door X-35 wordt het centrale portiek waaronder perceel [adres 1, te plaats] valt, onder observatie genomen.

11.05

uur: door X-35 wordt gezien dat [verdachte] het centrale portiek van de flat verlaat. Hij heeft een gevulde witte plastic tas bij zich met een blauwe opdruk. Door X-35 wordt gezien dat [verdachte] in een grijze Fiat Stilo stapt, voorzien van het kenteken [kenteken 3]. Deze Fiat staat op de parkeerplaats voor de flat geparkeerd.

11.40

uur: op de Rijksweg A4 wordt [verdachte] aangehouden.

Een proces-verbaal van bevindingen van 19 februari 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar T-136, doorgenummerde pag. 3.063.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voormelde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 16 februari 2009 te 11.40 uur werd [verdachte] aangehouden op de Rijksweg A4 ter hoogte van hectometerpaal 42,5 richting Den Haag. Hectometerpaal 42,5 op de Rijksweg A4 bevindt zich in de gemeente Leidschendam-Voorburg.

Een proces-verbaal van doorzoeking van 17 februari 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar T-141, doorgenummerde pag. 5.001.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voormelde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 16 februari 2009 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in het motorvoertuig voorzien van het kenteken [kenteken 3], een Fiat Stilo. Wij, T-141 en T-109, hebben in het motorvoertuig aangetroffen een Albert Heijn plastic tas op de achterbank achter de bijrijdersstoel. In de Albert Heijn tas zaten twee ronde bollen omwikkeld met geel tape van ongeveer 15 cm doorsnede en 5 cm dik.

Een proces-verbaal en kennisgeving van inbeslagneming van 16 februari 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar T-141, doorgenummerde pag. 9.011-9.013.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voormelde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 16 februari 2009 heb ik tijdens de doorzoeking van het motorvoertuig aangetroffen:

- item 3541233, verdovende middelen, ronde bol in geel tape in AH tas;

- item 3541235, verdovende middelen, ronde bol in geel tape in AH tas.

Een verslag van 19 februari 2009, laboratoriumnummer 306N09 van [politiedeskundige], politiedeskundige, opgemaakt op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde eed, in de zaak tegen de verdachte NN voertuig [adres 1], doorgenummerde pag. 3.039.

Dit verslag houdt onder meer in als verklaring van voornoemde politiedeskundige, zakelijk weergegeven:

Het op 18 februari 2009 op het politielaboratorium ontvangen materiaal van de items 3541233 en 3541235, twee ronde, in tape gewikkelde pakken met 990 g. crèmekleurig poeder, bevat heroïne.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit

Een proces-verbaal en kennisgeving van inbeslagneming van 16 februari 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar T-138, doorgenummerde pag. 9.028-9.032.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voormelde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 16 februari 2009 heb ik tijdens de doorzoeking van de woning [adres 1, te plaats] aangetroffen:

- item 3541440, verdovende middelen, kelderbox rond geel pakket;

- item 3541448, verdovende middelen, kelderbox blauw/wit plastic zak met bruin.

Een verslag van 19 februari 2009, laboratoriumnummer 308N09 van [politiedeskundige], politiedeskundige, opgemaakt op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde eed, in de zaak tegen de verdachte NN [adres 1], doorgenummerde pag. 3.040.

Dit verslag houdt onder meer in als verklaring van voornoemde politiedeskundige, zakelijk weergegeven:


Het op 18 februari 2009 op het politielaboratorium ontvangen materiaal van item 3541440, één rond, in tape gewikkeld pak met 497 g. crèmekleurig poeder, en van item 3541448, één plastic zakje met 150 g. crèmekleurig poeder, bevat heroïne.

Ten aanzien van de onder 1 en onder 2 ten laste gelegde feiten

De verklaring die verdachte ter terechtzitting van 14 april 2014 heeft afgelegd, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 16 februari 2009 was ik vanaf Amsterdam op weg naar Den Haag met een pakje verdovende middelen. Ik had anderhalve kilo verdovende middelen opgehaald. De afnemer, de koper bevond zich in Den Haag en wilde ongeveer een kilo. Wat ik meer had, heb ik in mijn woning gelaten.

U vraagt mij waar de heroïne die ik op 16 februari 2009 in de auto aanwezig had, vandaan kwam. Ik heb op zondag een hoeveelheid heroïne opgehaald bij de tussenpersoon van Zaandam. Ik heb die hoeveelheid in de woning aan het [adres 1] gelegd. De volgende dag ben ik met ongeveer een kilo op pad gegaan. Daarom lag nog een ruime halve kilo thuis aan het [adres 1].