Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:9001

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-12-2015
Datum publicatie
23-12-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 7890
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:2952, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eisers hebben geen belang bij een beoordeling van hun beroepsgrond ten aanzien van het zonder machtiging binnentreden van het appartement door de arbeidsinspecteurs, nu geen sprake is van een schending van het huisrecht. Daarbij komt dat tijdens het onderzoek gebleken is dat hetgeen door de inspecteurs is waargenomen door de brievenbus ook daadwerkelijk door hen kon zijn waargenomen.

Eisers zijn gezamenlijk eigenaar van het appartementsrecht van het appartement (waar de WAV- overtredingen zijn geconstateerd). Artikel 3:166 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat dan een gemeenschap aanwezig is. Verweerder heeft daarom ten onrechte aan alle vijf de eisers afzonderlijk boetes opgelegd, waarbij van belang is dat verweerder eisers louter in hun hoedanigheid van eigenaren van het appartement heeft aangesproken zonder hen een concrete feitelijke opdrachthandeling te verwijten, anders dan het opdracht geven voor de verbouwing van het appartement en het vervolgens passief zijn ten aanzien van het voorkomen van de onderhavige overtredingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 14/7881, 14/7882, 14/7883, 14/7884, 14/7885, 14/7886, 14/7887, 14/7888, 14/7890, 14/7891

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 december 2015 in de zaak tussen

[eiseres 1] , te [woonplaats 1] , eiseres 1,

[eiser 1] , te [woonplaats 2] , eiser 1,

[eiseres 2] , te [woonplaats 2] , eiseres 2,

[eiser 2] , te [woonplaats 2] , eiser 2,

[eiseres 3] , te [woonplaats 2] , eiseres 3,

tezamen: eisers,

(gemachtigde: mr. J.P.C. ten Wolde),

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.E. van der Kamp).

Procesverloop

Bij separate besluiten van 11 februari 2014 (de primaire besluiten I) heeft verweerder eisers ieder afzonderlijk een bestuurlijke boete opgelegd van € 30.000,- wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) op 20 en 28 februari 2013.

Bij separate besluiten van 23 oktober 2014 (de bestreden besluiten I) heeft verweerder de bezwaren van eisers ten dele gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de primaire besluiten I herroepen voor zover eisers afzonderlijk een boete van € 30.000,- is opgelegd en stelt de boete per eiser(es) vast op € 6000,-.

Bij separate besluiten van 11 februari 2014 (de primaire besluiten II) heeft verweerder eisers ieder afzonderlijk een bestuurlijke boete opgelegd van € 12.000,- wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav op 27 juni 2013.

Bij separate besluiten van 23 oktober 2014 (de bestreden besluiten II) heeft verweerder de bezwaren van eisers ten dele gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de primaire besluiten II herroepen voor zover eisers afzonderlijk een boete van € 12.000,- is opgelegd en stelt de boete per eiser(es) vast op € 6000,-.

Eisers hebben ieder tegen de bestreden besluiten I en II afzonderlijk beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 19 mei 2015. Eisers en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft na afloop van de zitting het onderzoek gesloten.

Bij beslissing van 4 juni 2015 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de behandeling van de zaken verwezen naar de meervoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 29 september 2015. Eisers en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Tevens waren ter zitting aanwezig mevrouw [persoon 1] en de heer [persoon 2] , arbeidsinspecteurs van de inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en de heer [persoon 3] (aannemer).

Voorafgaand aan het onderzoek ter zitting heeft op grond van artikel 8:50 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een onderzoek ter plaatse plaatsgevonden op het adres [adres 1] , [postcode 1] , te [woonplaats 2] . [eiseres 2] was hierbij aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. De overige eisers en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Tevens waren als getuigen aanwezig mevrouw [persoon 1] en de heer [persoon 2] , arbeidsinspecteurs van de inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en de heer [persoon 3] .

De rechtbank heeft de beroepszaken gevoegd behandeld. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek voor onbepaalde tijd aangehouden in afwachting van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Op 4 november 2015 heeft de Afdeling de betreffende uitspraak gedaan (ECLI:NL:RVS:2015:3367). Nadat partijen de rechtbank toestemming hebben gegeven de zaken zonder nadere zitting af te doen, heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.1

Volgens het op ambtseed respectievelijk ambtsbelofte door inspecteurs van de Arbeidsinspectie (de inspecteurs) opgemaakte boeterapport van 6 november 2013 (boeterapport I) zijn tijdens controles op 20 en 28 februari 2013 in een appartement van eisers, gelegen aan [adres 1] te [woonplaats 2] , de vreemdelingen genaamd [persoon 4] , [persoon 5] , [persoon 6] , [persoon 7] en [persoon 8] , allen van Bulgaarse nationaliteit, aangetroffen terwijl zij arbeid verrichtten. Voor de door de vreemdelingen verrichte werkzaamheden waren geen tewerkstellingsvergunningen (twv) afgegeven.

1.2

Verweerder heeft op grond van de resultaten van boeterapport I aan eisers afzonderlijk een boete opgelegd van € 6.000,- wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav (bestreden besluiten I).

2.1

Volgens het op ambtseed respectievelijk ambtsbelofte door de inspecteurs opgemaakte boeterapport van 6 november 2013 (boeterapport II) zijn tijdens een controle op 27 juni 2013 in een appartement van eisers, gelegen aan [adres 1] te [woonplaats 2] , de vreemdelingen genaamd [persoon 9] en [persoon 10] , beiden van Bulgaarse nationaliteit, aangetroffen terwijl zij arbeid verrichtten. Voor de door de vreemdelingen verrichte werkzaamheden waren geen twv’s afgegeven.

2.2

Verweerder heeft op grond van de resultaten van boeterapport II aan eisers afzonderlijk een boete opgelegd van € 6000,- wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav (bestreden besluiten II).

Wettelijk kader

3.1

Op grond van artikel 1, aanhef en onderdeel b, onder 2˚, van de Wav wordt onder werkgever verstaan de natuurlijke persoon die een ander huishoudelijke of persoonlijke diensten laat verrichten.
Op grond van artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, is het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling ten aanzien van wie ingevolge bepalingen, vastgesteld bij overeenkomst met andere mogendheden dan wel bij een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, een tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning niet mag worden verlangd.
Op grond van artikel 18, eerste lid, voor zover thans van belang, wordt het niet naleven van artikel 2, eerste lid, als overtreding aangemerkt.
Op grond van artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de bestuurlijke boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten, welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als overtreding.
Op grond van het tweede lid van artikel 19a gelden de ter zake van deze wet gestelde overtredingen ten opzichte van elk persoon, met of ten aanzien van wie een overtreding is begaan.
Op grond van artikel 19d, zesde lid, voor zover thans van belang, stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de overtredingen worden vastgesteld.

3.2

Volgens artikel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2013 (de Beleidsregels) worden bij de berekening van een boete als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav' (de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd.

Volgens artikel 2 van de Beleidsregels wordt voor de werkgever als natuurlijk persoon bij een overtreding van de Wav als uitgangspunt voor de berekening van de op te leggen bestuurlijke boete gehanteerd: 0,5 maal het boetenormbedrag.

3.3

Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav op € 12.000,00 per persoon per beboetbaar feit gesteld.

Beoordeling beroepsgronden

4.1

Eisers voeren aan dat geen sprake is van een overtreding op grond van artikel 2 van de Wav, omdat een twv voor Bulgaren niet mocht worden geëist. Eisers hebben daartoe een beroep gedaan op de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 juli 2015 (ECLI:NL:RBZWB:2015:4991), waarin, kort samengevat, is geoordeeld dat vastgesteld moet worden dat Japanse onderdanen vrije toegang hebben tot de Nederlandse arbeidsmarkt en dat voor hen, in tegenstelling tot Roemenen, derhalve geen twv-plicht geldt. Gelet hierop gelden voor Roemenen, als onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie, strengere voorwaarden voor de toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt dan voor onderdanen van een derde land. Daarmee is niet voldaan aan het bepaalde in punt 14, tweede alinea van Bijlage VII van het Toetredingsverdrag dat de huidige lidstaten voorrang geven aan werknemers van de lidstaten boven werknemers van een derde land. De rechtbank Zeeland-West-Brabant is daarom van oordeel dat de boetes in strijd zijn met deze begunstigingsclausule. Volgens eisers geldt dit ook voor Bulgaren, nu op hen eenzelfde begunstigingsclausule van toepassing is.

4.2

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank verwijst daartoe naar de uitspraak van de Afdeling van 4 november 2015 (rechtsoverweging 7.2, ECLI:NL:RVS:2015:3367). Deze uitspraak dateert weliswaar van na het tweede onderzoek ter terechtzitting, maar partijen hebben te kennen gegeven geen behoefte te hebben om op die uitspraak te reageren.

5.1

Eisers voeren aan dat het binnentreden op 20 en 28 februari 2013 door de inspecteurs niet rechtmatig was omdat zij het appartement zijn binnengetreden zonder voorafgaande schriftelijke machtiging. De inspecteurs hebben ook niet voorafgaand aan het binnentreden vastgesteld of sprake was van bewoning. Het kadaster hebben zij immers pas achteraf geraadpleegd. De inspecteurs zijn op de gok zonder schriftelijke machtiging binnengetreden. Dat geen sprake zou zijn van bewoning konden de inspecteurs pas waarnemen na het binnentreden, niet voorafgaand daaraan, nu de ramen in de voorgevel waren geblindeerd met witte verf. De opgetekende waarneming in het boeterapport dat door de brievenbus is gezien dat het pand volledig was gestript en de vloer van de begane grondverdieping geheel was verwijderd, is onjuist. Deze waarneming kan onmogelijk zijn gedaan, omdat achter de brievenbus een naar beneden gerichte beschermer is bevestigd, waardoor het zicht beperkt is. Ter onderbouwing van dit standpunt hebben eisers foto’s van de brievenbus, een 3D-weergave van de oude situatie van het pand, opgemaakt door architect [persoon 11] en verklaringen van de heren [persoon 12] en [persoon 13] overgelegd. Op 27 juni 2013 zijn de inspecteurs wederom onrechtmatig binnengetreden door een gat in de muur. Op dat moment werd niet het hele pand verbouwd. In een deel van het pand woonden en werkten eisers als zij in Nederland waren. Gelet hierop zijn de tijdens de controles gedane waarnemingen verboden vruchten van het onrechtmatig binnentreden en hadden deze niet ten grondslag mogen worden gelegd aan de bestreden besluiten I en II, aldus eisers.

5.2

De rechtbank overweegt dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 29 oktober 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG1869), in beginsel uitgegaan dient te worden van de juistheid van een op ambtseed onderscheidenlijk ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend boeterapport. Dit is slechts anders, indien sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot afwijking van dit uitgangspunt.

5.3

De rechtbank is allereest van oordeel dat eisers geen belang hebben bij een beoordeling van hun beroepsgrond dat de inspecteurs zijn binnengetreden zonder schriftelijke machtiging, nu geen sprake is van schending van het huisrecht. Wat er ook zij van het standpunt van eisers dat de inspecteurs voorafgaand aan het binnentreden niet wisten of wel of geen sprake was van bewoning, stelt de rechtbank vast dat de op 20 en 28 februari 2013 betreden ruimte, te weten de in het proces-verbaal van het onderzoek ter plaatse zogenoemde ruimte A, en de op 27 juni 2013 betreden ruimte, ten tijde van de controle niet werd bewoond. Dat de inspecteurs op 20 en 28 februari 2013 ruimte A zijn binnengetreden door de linker deur van [adres 1] en de daarachterliggende hal maakt dit niet anders, nu niet in geschil is dat deze hal zelf geen ruimte betrof waar zich privé huiselijk leven afspeelde. Uit boeterapport I blijkt immers dat bij het openduwen van die deur, nog vóór het binnentreden van de hal, al duidelijk was dat geen sprake was van bewoning van ruimte A. De inspecteurs konden immers ruimte A binnenkijken, omdat er een gat in de muur was geslagen, wat eisers niet betwisten. Daarbij overweegt de rechtbank nog dat de inspecteurs enkel de hal van [adres 1] hebben betreden om toegang te krijgen tot ruimte A, wat gelet op artikel 9 van de Wet op het binnentreden is toegestaan. Voorts blijkt uit boeterapport II dat ten tijde van de controle op 27 juni 2013 de voorgevel open lag en er een groot gat in de muur geslagen was. Hierdoor konden de inspecteurs reeds voor het binnentreden vaststellen dat de te betreden ruimte niet werd bewoond. De beroepsgrond slaagt reeds hierom niet.

5.4

De rechtbank overweegt voorts als volgt. Uit boeterapport I blijkt dat de inspecteurs op 20 februari 2013 waarnemen dat er een “big bag” met zand voor het pand staat, dat de ramen wit geverfd zijn, dat er puincontainers staan en dat ze stemmen vanuit het pand horen. Dit was voor de betreffende inspecteur aanleiding om door de brievenbus naar binnen te kijken, waarbij werd waargenomen dat er geen vloer meer in ruimte A zat. Tijdens het onderzoek ter plaatse is vastgesteld dat de inspecteur door de brievenbus zicht op de open vloer kan hebben gehad. Niet gebleken is dat de opgetekende waarneming evident geheel onmogelijk is en dat reeds daarom het boeterapport bewijskracht moet worden ontzegd. De waarnemingen buiten het pand en door de brievenbus zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende voor de inspecteurs om te constateren dat sprake was van een verbouwing en dat de ruimte waar zicht op was, te weten ruimte A, op dat moment niet werd bewoond en derhalve kon worden betreden. Ook gelet hierop slaagt de beroepsgrond niet.

6.1

Eisers voeren aan dat zij niet als werkgever in de zin van de Wav zijn aan te merken, nu de werkzaamheden die werden verricht het weghalen van divers interieur en diverse voorzieningen betrof, die het Bulgaarse bedrijf voor zichzelf weghaalde en niet ten behoeve van eisers. Het bedrijf mocht deze spullen houden, als het deze zelf zou verwijderen. Er is dan ook geen sprake van werkzaamheden die ten behoeve van eisers werden verricht.

6.2

De rechtbank volgt eisers niet in dit betoog, nu, nog daargelaten dat eisers niet nader specificeren om welk bedrijf het gaat, om welke spullen het zou gaan en om welke vreemdeling, de stelling van eisers dat enkel sprake is van werkzaamheden ten behoeve van de vreemdeling zelf en niet ten behoeve van eisers niet met stukken is onderbouwd en ook anderszins niet uit het dossier naar voren komt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eisers zijn aan te merken als werkgever in de zin van de Wav nu ten behoeve van hen werkzaamheden zijn verricht door de in de boeterapporten genoemde vreemdelingen. De beroepsgrond slaagt niet.

7.1

Eisers voeren aan dat het afzonderlijk beboeten van alle eisers niet evenredig is, omdat eisers ieder voor één vijfde eigenaar zijn van het pand. Het betreffen daarnaast gezinsleden die door het opleggen van een boete aan ieder afzonderlijk de mogelijkheid wordt ontnomen om bij elkaar te lenen of elkaar te helpen bij het voldoen van de boetes. Eisers trekken hier de vergelijking met een vereniging van eigenaren, waaraan ook maar één boete zou worden opgelegd, en met een bedrijf waaraan maar één boete wordt opgelegd in plaats van aan alle aandeelhouders van dat bedrijf afzonderlijk. Eisers verwijzen naar een uitspraak van de Afdeling van 19 maart 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1016).

7.2

Verweerder stelt zich, kort gezegd, op het standpunt dat eisers alle vijf afzonderlijk beboet moeten worden gelet op het werkgeversbegrip van de Wav. Er is arbeid verricht ten behoeve van de vijf mede-eigenaren van het pand, dus kan verweerder eisers alle vijf afzonderlijk beboeten.

7.3

De rechtbank stelt vast dat de overtredingen zijn geconstateerd in een appartementsrecht, waarvan ruimte A onderdeel uitmaakt, dat gezamenlijk eigendom van eisers is. Ieder van eisers is voor één vijfde deel mede-eigenaar van het appartement. Artikel 3:166 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat dan een gemeenschap aanwezig is. Uit de gemeenschapsregels van boek 3, titel 7, afdeling 1, van het BW volgt dat handelingen ten behoeve van het gezamenlijke appartement namens hen tezamen plaatsvinden. Ze delen naar evenredigheid van hun aandeel in de vruchten en voordelen van het appartement en delen eveneens naar evenredigheid in de kosten. Verweerder heeft in de bestreden besluiten I en II boetes opgelegd aan ieder van eisers afzonderlijk in hun hoedanigheid van eigenaar van het appartement. Zoals overwogen berust de volledige eigendom echter bij eisers tezamen, ten aanzien waarvan een gemeenschap in de zin van artikel 3:166 e.v. BW bestaat. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder in onderhavig geval ten onrechte eisers afzonderlijk heeft beboet en niet één boete aan eisers tezamen conform het gemeenschapsrecht heeft opgelegd. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eisers louter in hun hoedanigheid van eigenaren van het appartement worden aangesproken zonder dat hen een concrete feitelijke opdrachthandeling wordt verweten, anders dan het opdracht geven voor de verbouwing van het appartement en het vervolgens passief zijn ten aanzien van het voorkomen van de onderhavige overtredingen. In deze hoedanigheid kan die passiviteit dan slechts ten aanzien van eisers gezamenlijk een overtreding van de Wav opleveren, zoals hierna onder rechtsoverweging 9.3 nog verder wordt overwogen. Volledigheidshalve overweegt de rechtbank dat het voorgaande een eventuele ketenaansprakelijkheid niet uitsluit, nu er immers meerdere opdrachtgevers kunnen zijn en mogelijk ook anderen als werkgever in de zin van de Wav kunnen worden aangemerkt. In onderhavig geval zijn eisers echter louter in hun hoedanigheid van mede-eigenaar aangesproken. Verweerder had derhalve de gezamenlijke eigenaren (hoofdelijk) moeten aanspreken. De beroepsgrond slaagt.

8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zijn de beroepen gegrond en vernietigt de rechtbank de bestreden besluiten I en II. De rechtbank is op grond van artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gehouden zelf in de zaak te voorzien en zelf de hoogte van de boete vast te stellen. De rechtbank verklaart de bezwaren van eisers gegrond en herroept de primaire besluiten I en II. Om de hoogte van de op te leggen boetes vast te stellen zal de rechtbank eerst de overige beroepsgronden van eisers bespreken.

9.1

Eisers voeren aan dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Het was voor eisers niet mogelijk controle op de werkzaamheden uit te oefenen vanwege het langdurige verblijf van eisers in de Verenigde Staten. Dit zou te hoge kosten met zich meebrengen. Eisers hebben stukken overgelegd waaruit blijkt dat eiser 1 en eiseres 2 ten tijde van de controles in de Verenigde Staten studeerden. Daarnaast hebben eisers in februari 2013 de heer [persoon 14] ingehuurd voor de werkzaamheden. Hij is een zelfstandige en mag hier werken. Dat hij vreemdelingen inhuurt om de klus te klaren kan, aldus eisers, niet voor hun rekening en risico komen.

9.2

De rechtbank overweegt dat in situaties waarin verwijtbaarheid volledig ontbreekt van boeteoplegging wordt afgezien. Hiertoe moet de werkgever aannemelijk maken dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.

9.3

Nog daargelaten dat uit het proces-verbaal van de zitting van 19 mei 2015 blijkt dat ter zitting is gezegd dat eiser 2 en eiseres 3 elders in [woonplaats 2] woonachtig waren ten tijde van de controles en zij derhalve controle op de werkzaamheden hadden kunnen uitoefenen, is de rechtbank van oordeel dat het enkele feit dat een aantal van eisers in de Verenigde Staten verbleef, niet betekent dat hen niet of in mindere mate kan worden aangerekend dat in hun appartement overtredingen van de Wav hebben plaatsgevonden. Eisers hebben immers opdracht gegeven voor de verbouwing en daarmee werkzaamheden ten behoeve van eisers tezamen laten verrichten. Voorts is niet gebleken dat eisers al hetgeen mogelijk hebben gedaan om overtreding van de Wav te voorkomen. Zo blijkt niet dat zij uitdrukkelijk met [persoon 14] , dan wel met [eiser 2] , die toezicht hield op de werkzaamheden, afspraken hebben gemaakt over het inhuren van derden voor de werkzaamheden. De beroepsgrond slaagt reeds hierom niet.

10.1

Eisers voeren aan dat het onbetamelijk is van de inspecteurs dat zij geen vragen per e-mail mochten beantwoorden en dat zij daarom niet zijn gehoord door de inspecteurs. Eisers verblijven in de Verenigde Staten en van hen kan niet worden verlangd dat zij terug komen naar Nederland om vragen van de inspecteurs te beantwoorden.

10.2

Ingevolge artikel 7:2 van de Awb dient verweerder eisers in de gelegenheid te stellen gehoord te worden tijdens een hoorzitting. De rechtbank stelt vast dat verweerder eisers hiertoe ook de gelegenheid heeft geboden. Verweerder heeft dan ook voldaan aan zijn verplichtingen ingevolge de Awb. Daarbij merkt de rechtbank nog op, zoals reeds onder 9.3 is overwogen, dat in ieder geval eiser 2 en eiseres 3 in [woonplaats 2] woonachtig waren. Dat zij niet van de gelegenheid gebruik hebben gemaakt om gehoord te worden, komt voor rekening en risico van eisers. Voorts is de rechtbank gebleken dat eisers hangende hun bezwaarprocedures in de gelegenheid zijn gesteld te worden gehoord. Op 17 juni 2014 heeft vervolgens een telefonische hoorzitting plaatsgevonden. De beroepsgrond slaagt niet.

11.1

Ten aanzien van de overtreding op 27 juni 2013 voeren eisers aan dat inspecteur [persoon 1] hen (via de heer [eiser 2] ) niet juist heeft voorgelicht. Er is door [persoon 1] alleen gesproken over de voorwaarden voor een vreemdeling die als zelfstandige werkzaamheden wil verrichten, maar een twv is nimmer ter sprake gekomen. Deze onvolledige voorlichting heeft geleid tot de overtredingen in juni 2013. Eisers hebben alles gedaan wat redelijkerwijs van hen verwacht kon worden. Beide aangetroffen vreemdelingen hebben een bedrijf en mochten in Nederland als zelfstandige werkzaamheden verrichten. Eisers hebben op internet onderzoek gedaan naar de ingehuurde bedrijven en ze hebben contact gezocht met de boekhouders van de bedrijven. Tevens waren de vreemdelingen tijdens de controle in het bezit van een identiteitsbewijs, een uittreksel van de Kamer van Koophandel en een VAR-verklaring. Verweerder heeft dit onvoldoende meegewogen in de beoordeling, aldus eisers.

11.2

De rechtbank stelt vast dat de door de inspecteur gegeven informatie niet onjuist is. Van een verkeerde voorlichting is daarom geen sprake. De inspecteur heeft eisers voorts gewezen op de website weethoehetzit.nl. Het is aan eisers om overtredingen van de Wav te voorkomen, niet aan verweerder om hen daarvoor te behoeden. De beroepsgrond faalt. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat verweerder eisers niet tegenwerpt dat de betreffende vreemdelingen niet als zelfstandige mochten werken, maar juist dat zij niet als zelfstandige aan het werk waren, nu sprake was van een gezagsverhouding.

12. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van verminderde verwijtbaarheid van eisers ten aanzien van de geconstateerde overtredingen van de Wav op 20 en 28 februari 2013 en op 27 juni 2013.

13.1

In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank is van oordeel dat aan eisers gezamenlijk (hoofdelijk) een boete opgelegd kan worden voor drie overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wav op 20 februari 2013, twee overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wav op 28 februari 2013 en twee overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wav op 27 juni 2013. Dat komt neer op een totaal van zeven overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wav. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3138) zal de rechtbank uitgaan van het in de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2012 neergelegde boetenormbedrag van € 8.000,-. Dit bedrag wordt gehalveerd, nu de boete wordt opgelegd aan natuurlijke personen. De gemeenschap is immers geen rechtspersoon. Dit betekent dat de rechtbank aan eisers gezamenlijk (hoofdelijk) per overtreding van de Wav een boete op zal leggen van € 4.000,-. Dit komt neer op een totale boete van € 20.000,- voor de overtredingen van de Wav in februari 2013 en een totale boete van € 8.000,- voor de overtredingen van de Wav in juni 2013.

13.2

De rechtbank ziet geen reden om de opgelegde boetes te matigen. Voor zover eisers daar om vragen kan aan hen een betalingsregeling worden aangeboden door verweerder met een afbetalingstermijn van tien jaren. Het komt de rechtbank voor dat, gelet op het feit dat het door iedere eiser(es) te betalen maandbedrag gedurende tien jaren ten aanzien van de boetes voor de overtredingen in februari 2013 neerkomt op een afgerond bedrag van € 33,33 en voor de overtredingen in juni 2013 op een afgerond bedrag van € 13,33, er geen aanleiding is om tot matiging van de opgelegde boetes over te gaan. Voorts zitten er in het dossier geen stukken die er op duiden dat eisers een dergelijk maandelijks aflossingsbedrag niet zouden kunnen betalen. Bovendien is de rechtbank tijdens de descente gebleken, mede naar aanleiding van de verklaring van eiseres 2, dat verschillende appartementen in het pand worden verhuurd. Het komt de rechtbank dan ook zeer aannemelijk voor dat daar inkomsten uit worden verkregen, welke niet zijn opgenomen in de door eisers overgelegde stukken ten aanzien van hun afzonderlijke draagkracht.

14. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van samenhangende zaken zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Gelet op het eerste lid van dit artikel worden de zaken dan ook beschouwd als één zaak. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand dan ook vast op € 2.450,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het bijwonen van het onderzoek ter plaatse, 0,5 punt voor het verschenen ter nadere zitting, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1). Voor zover verweerder de proceskosten voor het indienen van het bezwaarschrift en het verschijnen ter hoorzitting reeds aan eisers heeft vergoed, hoeft verweerder dit niet nogmaals aan eisers te betalen. Indien aan eisers een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaken met nummers AMS 14/7882, 14/7884, 14/7886, 14/7888 en 14/7891:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten I;

- herroept de primaire besluiten I, bepaalt dat aan de gemeenschap van eisers een boete wordt opgelegd van € 20.000,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten I.

De rechtbank,

in de zaken met nummers AMS 14/7881, 14/7883, 14/7885, 14/7887 en 14/7890:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten II;

- herroept de primaire besluiten II, bepaalt dat aan de gemeenschap van eisers een boete wordt opgelegd van € 8.000,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten II.

De rechtbank,

in alle zaken:

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 1.650,- (zegge: duizendzeshonderdenvijftig euro) aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van

€ 2.450,- (zegge: tweeduizendvierhonderdenvijftig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.M. Giesen, voorzitter, en mrs. D. Bode en

Y. Schuurmans, leden, in aanwezigheid van mr. N. Vreede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 december 2015.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.