Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:8971

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-12-2015
Datum publicatie
28-12-2015
Zaaknummer
AMS 15/5559
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

intrekking bijstand, hennepkwekerij in – naar gesteld onderverhuurd - bedrijfspand

Op grond van vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep rechtvaardigt het feit dat in een – naar gesteld onderverhuurde – woning van iemand die bijstand ontvangt een hennepkwekerij is aangetroffen, de vooronderstelling dat hij daarvan (mede)exploitant is geweest en dat de opbrengst (ook) hem ten goede is gekomen. Ter zitting heeft eiser betoogd dat voormelde vooronderstelling in zijn geval niet gerechtvaardigd is, omdat het geen woning maar een bedrijfspand betreft en dat daarom minder gegevens volstaan om aan te tonen dat hij niet is betrokken bij de exploitatie van de hennepkwekerij. De rechtbank volgt eiser niet in dit betoog. Naar het oordeel van de rechtbank is voor dit beoordelingskader niet relevant of de hennepkwekerij in een woning of bedrijfspand is aangetroffen. In essentie betreft het immers een ruimte die door de bijstandsontvanger is gehuurd, naar mag worden aangenomen ten behoeve van hemzelf. De rechtbank is van oordeel dat eiser moet worden aangemerkt als (mede)exploitant van de hennepkwekerij en dat hem kan worden verweten dat hij hiervan geen melding heeft gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/5559

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 december 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats 1] , eiser

(gemachtigde: mr. J.C. Walker),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. H.H.J. ten Hoope).

Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de bijstand van eiser herzien (lees: ingetrokken) over de periode van 1 december 2014 tot en met 26 februari 2015 en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 3.043,83 van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 24 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2015. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten en omstandigheden. Eiser ontving sinds 18 augustus 2013 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), later op grond van de Participatiewet (Pw), naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%. Op 26 februari 2015 heeft de politie in een bedrijfspand dat door eiser werd gehuurd aan [adres 1] te [woonplaats 1] (adres) een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. De politie heeft eiser op 1 april 2015 als verdachte verhoord. De door eiser afgelegde verklaringen zijn opgenomen in een proces-verbaal. Een en ander is voor verweerder aanleiding geweest om een onderzoek te doen instellen naar de rechtmatigheid van de aan eiser verleende bijstand. Een sociaal rechercheur van verweerder heeft dit onderzoek uitgevoerd en daartoe dossieronderzoek verricht en eiser op 6 mei 2015 nogmaals verhoord. Deze verklaring is eveneens vastgelegd in een proces-verbaal. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport uitkeringsfraude met afsluitdatum 12 mei 2015 (rapport uitkeringsfraude). Daarin is onder meer gerapporteerd dat eiser sinds 1 december 2014 huurder is van het pand op het adres en dat op 26 februari 2015 op het adres 1.145 hennepplanten in beslag zijn genomen waarvan de gemiddelde hoogte 185 centimeter bedroeg.

3. De resultaten van het onderzoek zijn voor verweerder aanleiding geweest om de bijstand van eiser over de periode van 1 december 2014 tot en met 26 februari 2015 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand van eiser terug te vorderen. Verweerder heeft aan de intrekking ten grondslag gelegd dat eiser de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door zijn activiteiten niet te melden en dat over de periode in geding het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Eiser heeft niet met objectieve en verifieerbare gegevens aangetoond dat hij de hennepkwekerij niet zelf heeft geëxploiteerd en geen deugdelijke administratie bijgehouden.

4. De rechtbank stelt vast dat de beroepsgronden enkel betrekking hebben op de intrekking van eisers bijstand over de periode van 1 december 2014 tot en met 26 februari 2015 (periode in geding). Zoals door eiser ter zitting is bevestigd, zijn tegen de terugvordering geen zelfstandige beroepsgronden gericht.

5.1

Ter beoordeling ligt voor of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser in de periode van 1 december 2014 tot en met 26 februari 2015 de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de activiteiten voor de hennepkwekerij, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

5.2

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor eiser belastend besluit, waarbij het aan verweerder is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op verweerder rust.

6.1

Op grond van vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4257) rechtvaardigt het feit dat in een – naar gesteld onderverhuurde – woning van iemand die bijstand ontvangt een hennepkwekerij is aangetroffen, de vooronderstelling dat hij daarvan (mede)exploitant is geweest en dat de opbrengst (ook) hem ten goede is gekomen. Het is vervolgens aan de bijstandsontvanger om met overtuigende, objectieve en verifieerbare gegevens aan te tonen dat hij de hennepkwekerij niet zelf heeft geëxploiteerd.

6.2

Ter zitting heeft eiser betoogd dat voormelde vooronderstelling in zijn geval niet gerechtvaardigd is, omdat het geen woning maar een bedrijfspand betreft en dat daarom minder gegevens volstaan om aan te tonen dat hij niet is betrokken bij de exploitatie van de hennepkwekerij. De rechtbank volgt eiser niet in dit betoog. Naar het oordeel van de rechtbank is voor dit beoordelingskader niet relevant of de hennepkwekerij in een woning of bedrijfspand is aangetroffen. In essentie betreft het immers een ruimte die door de bijstandsontvanger is gehuurd, naar mag worden aangenomen ten behoeve van hemzelf.

7.1

Eiser voert aan dat hij de hennepkwekerij niet zelf heeft geëxploiteerd en geen wetenschap had van het bestaan ervan. Eiser stelt dat hij het bedrijfspand per 21 januari 2015 heeft onderverhuurd. Hij heeft deze stelling onderbouwd met een huurovereenkomst tussen hem en met [persoon 1] , een kopie van diens rijbewijs en een kwitantie met de tekst “ [persoon 1] Betaling huur maand februari 2015 Dhr. [persoon 1] te [woonplaats 2] datum 19-01-’15 (handtekening) 2200,-”. Eiser stelt voorts dat hij, anders dan verweerder meent, niet heeft verklaard dat de persoon die is afgebeeld op het rijbewijs niet leek op de onderhuurder. Eiser stelt ook dat hij aan verweerder openheid van zaken heeft gegeven over de huur van het bedrijfspand. Eiser wijst in dit verband op het formulier mededeling klant waarmee eiser op 27 oktober 2014 aan verweerder kenbaar heeft gemaakt dat [naam handelsonderneming] wordt ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK). Eiser stelt dat hij toen ook heeft gemeld dat hij het bedrijfspand aan het adres ging huren, maar dat hij dit niet kan onderbouwen. Deze handelwijze is volgens eiser moeilijk te rijmen met het vervolgens gaan exploiteren van een hennepkwekerij, omdat het in de rede lag dat verweerder een onderzoek zou gaan verrichten naar de omvang van de arbeid van eiser als zelfstandige. Tot slot acht eiser van belang dat de strafrechter van deze rechtbank hem bij uitspraak van 9 september 2015 (13/063654-15) heeft vrijgesproken.

7.2

De rechtbank is van oordeel dat eiser er niet in is geslaagd om met overtuigende, objectieve en verifieerbare gegevens aan te tonen dat hij de hennepkwekerij niet zelf heeft geëxploiteerd. Daartoe neemt de rechtbank in de eerste plaats in aanmerking dat het huurcontract met [persoon 1] alleen diens voorletters en achternaam bevat, en geen adres, telefoonnummer of bankgegevens. Aan de overgelegde kopie van het rijbewijs kan geen gewicht toekomen, omdat gebleken is dat het rijbewijs gestolen is. De rechtbank hecht ook geen bewijswaarde aan de kwitantie, omdat deze door eiser zelf is opgesteld en ondertekend. Overigens acht de rechtbank het niet overtuigend dat de bedrijfsmatige onderverhuur van het pand contant zou worden betaald. Meer in het algemeen vindt de rechtbank het zeer vreemd dat eiser op 1 oktober 2014 een onderneming heeft ingeschreven in het handelsregister, dat hij ten behoeve van die onderneming op 1 december 2014 een huurovereenkomst aangaat voor de duur van twee jaar, met een maandelijkse huur van € 2.200,- en een bankgarantie van € 6.600,-, dat hij al halverwege januari 2015 tot de conclusie komt dat de onderneming niet van de grond komt en dat hij dan direct toevallig iemand tegen het lijf loopt die het bedrijfspand van hem voor hetzelfde bedrag wil onderhuren. Ook eisers stelling dat zijn eigen melding van het opstarten van het bedrijf in zijn voordeel moet worden meegewogen, kan de rechtbank niet volgen. Zoals verweerder ter zitting heeft gesteld, was het feit dat eiser een bedrijf heeft laten inschrijven in het handelsregister van de KvK op zichzelf geen aanleiding om een rechtmatigheidsonderzoek in te stellen. Tot slot is de rechtbank volgens vaste jurisprudentie van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU6606) in het algemeen niet gebonden aan wat door de strafrechter is geoordeeld, te minder nu in een dergelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is. Eiser heeft geen aanknopingspunten aangedragen om daar in dit geval anders over te oordelen.

7.3

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser moet worden aangemerkt als (mede)exploitant van de hennepkwekerij en dat hem kan worden verweten dat hij hiervan geen melding heeft gemaakt. De beroepsgrond treft geen doel.

8.1

Eiser voert voorts aan dat verweerder niet heeft bewezen dat de exploitatie van de hennepkwekerij op 1 december 2014 is gestart. Een verbalisant van de politie heeft tijdens het verhoor van 1 april 2015 aan hem voorgehouden dat de hennepplanten ongeveer negen weken oud waren, maar dit is niet in een proces-verbaal van bevindingen vermeld.

8.2

De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat eiser de hennepkwekerij vanaf 1 december 2014 heeft geëxploiteerd. De vaststelling dat de aangetroffen hennepplanten 185 centimeter hoog waren, volgt uit een proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 26 februari 2015 dat is opgesteld door de brigadier en inspecteur van politie die de hennepkwekerij hebben aangetroffen. Het politieverhoor van 1 april 2015, waarin aan eiser is voorgehouden dat de hennepplanten ongeveer negen weken oud waren, is afgenomen door een hoofdagent van politie en op ambtsbelofte opgemaakt. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat de hoofdagent de leeftijd van de hennepplanten kon inschatten aan de hand van de gemiddelde hoogte ervan. Eiser heeft niet onderbouwd dat verweerder van onjuiste gegevens is uitgegaan. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

9. Naar vaste rechtspraak van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2988) levert een schending van de inlichtingenverplichting een grond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg van die schending het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat, indien wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan, recht op (aanvullende) bijstand zou hebben bestaan. De rechtbank is van oordeel dat eiser daarin niet is geslaagd. Eiser heeft geen verifieerbare gegevens verstrekt over de financiering van de aanvang van de exploitatie en de herkomst van de productiemiddelen.

10. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het beroep ongegrond zal verklaren. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, voorzitter, en mr. H.J. Schaberg en mr. M.J.M. Langeveld, leden, in aanwezigheid van mr. M.M. van Duren, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2015.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.