Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:8959

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-11-2015
Datum publicatie
15-12-2015
Zaaknummer
EA VERZ 15-893
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WWZ. Geen vernietiging van een verleend ontslag op staande voet. Geen transitievergoeding, wegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten zijdens werknemer. Onvoldoende bewijsaanbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-1259
AR 2015/2529
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht - team kanton

Clusternummer 103192

zaaknummer: 4398890 EA VERZ 15-893

beschikking van: 19 november 2015

func.: 245

beschikking van de kantonrechter ex artikel 7: 681 BW

I n z a k e

[verzoeker]

wonende te [plaats]

verzoeker

nader te noemen: [verzoeker]

gemachtigde: mr. T. Stevovic (DAS)

t e g e n

de besloten vennootschap [verweerster] .

gevestigd te [plaats]

verweerster

nader te noemen: [verweerster]

procederend in persoon

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij verzoekschrift van 10 augustus 2015 (binnen gekomen bij deze rechtbank op 14 augustus 2015) heeft [verweerster] een verzoek ex artikel 7:671b BW ingediend, voor zover het dienstverband met [verzoeker] nog bestond. Het verzoek is geregistreerd onder nummer EA 15-868. Een soortgelijk verzoek heeft [verweerster] ingediend jegens de echtgenote van [verzoeker] , [naam 1] (verder [naam 1] ). Dat verzoek is geregistreerd onder nummer EA 15-870.

[naam 1] heeft harerzijds op 25 augustus 2015, bij deze rechtbank binnengekomen op 27 augustus 2015, een verzoek ex artikel 7: 681 BW ingediend, dat strekt tot vernietiging van een opzegging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen. Dat verzoekschrift is geregistreerd onder nummer EA 15-895. [verzoeker] heeft eenzelfde verzoek ingediend, bekend onder nummer EA 15-893.

[verzoeker] en [naam 1] hebben bij hun verzoek tevens de kantonrechter ex artikel 223 Rv verzocht voor de duur van het geding een voorlopige voorziening te treffen.

De mondelinge behandeling van de verzoeken is bepaald op 22 oktober 2015. Voorafgaand aan de zitting hebben partijen reacties en overige stukken ingezonden, welke door de kantonrechter zijn toegerekend aan alle dossiers. De nadere stukken, door beide partijen ingezonden op 20 oktober 2015 en 21 oktober 2015 (op 21 en 22 oktober 2015 binnen gekomen), zijn te kort voor of zelfs na de zitting ontvangen en door de kantonrechter buiten beschouwing gelaten.

Ter terechtzitting van 22 oktober 2015 is de zaak mondeling behandeld. [verzoeker] en [naam 1] zijn verschenen, vergezeld door hun gemachtigde. [verweerster] is verschenen bij [naam 2] , [naam 3] en een belangstellende.

Beide partijen hebben een toelichting verstrekt en de kantonrechter heeft vragen gesteld. Van het besprokene zijn aantekeningen gemaakt, die in het dossier zijn opgenomen.

Op de provisionele verzoeken van [verzoeker] en [naam 1] is op 30 oktober 2015 beslist; op de verzoeken van [verweerster] ex 7:671b BW is beslist op 13 november 2015. In de onderhavige zaak is beschikking bepaald op heden, tegelijkertijd met de beschikking op het gelijkluidende verzoek van [verzoeker] .


BEOORDELING VAN HET VERZOEK

1. Als uitgangspunt in dit geding geldt het navolgende:

1.1.

[verweerster] drijft een onderneming in de schoonmaakbranche. Er zijn 110 medewerkers in dienst, waaronder [naam 2] als directeur (verder [naam 2] ) en [naam 3] (verder: [naam 3] ) op de loonadministratie.

1.2.

[naam 1] , geboren [datum] en thans derhalve 56 jaar oud, is op 11 maart 2005 als schoonmaakster bij [verweerster] in dienst getreden. Het betreft een dienstverband (sinds 2011) van 25 uur per week. [naam 1] was werk-zaam op het object “Legakker”. Het laatstgenoten salaris van [naam 1] bedraagt € 1.417,95 bruto per maand.

1.3.

[verzoeker] , geboren op [datum] en thans derhalve 44 jaar oud, is op 1 juli 2007 als oproepkracht bij [verweerster] in dienst getreden. Het betreft een dienstverband van 10 uur per week. Ook [verzoeker] was als schoonmaker werkzaam op het object ‘Legakker’. Zijn laatstgenoten salaris bedraagt € 567,18 bruto per maand.

1.4.

Op maandag 3 augustus 2015 heeft [naam 1] telefonisch contact opgenomen met [naam 2] . Zij had een klacht over uitlatingen, die een collega medewerker bij [verweerster] - [naam 4] , verder [naam 4] - over haar en [verzoeker] zou hebben gedaan. [naam 2] heeft met [naam 1] besproken dat hij de betreffende medewerker daarover zou aanspreken en het verder een privékwestie betrof, die niet op het werk thuis hoorde.

1.5.

Op 4 augustus 2015 heeft [naam 1] [naam 3] gebeld en gevraagd naar het adres van [naam 4] . Dat heeft [naam 3] niet verstrekt.

1.6.

Op 4 augustus 2015 aan het eind van de middag hebben [naam 1] en [verzoeker] [naam 4] opgezocht op het kantoor van [verweerster] Zij hebben hem gevraagd om mee te komen naar het magazijn beneden. [naam 4] is - uiteindelijk - meegegaan. Er waren diverse jeugdige medewerkers van [verweerster] aanwezig, evenals de bedrijfsleider [naam 5] (verder [naam 5] ).

1.7.

In het magazijn is op enig moment met een stemverheffing gesproken, hetgeen boven te horen was. [naam 5] is daarop naar beneden gegaan. Toen bleek dat de deur naar het magazijn van binnenuit was afgesloten. [naam 5] heeft de deur met zijn sleutel geopend. [verzoeker] heeft de deur geblokkeerd en getracht [naam 5] terug te duwen. Na dreiging met de politie heeft [naam 5] [naam 4] ontzet en [naam 1] en [verzoeker] bewogen te vertrekken.

1.8.

De aanwezige medewerkers hebben het optreden van [naam 1] en [verzoeker] als bedreigend ervaren en hebben er een verklaring over afgelegd.

1.9.

De volgende dag, 5 augustus 2015, heeft [naam 2] met [naam 1] en [verzoeker] over de gebeurtenissen gesproken. In het gesprek is zowel [verzoeker] als [naam 1] ontslag op staande voet aangezegd. De brief van 5 augustus 2015, met de bevestiging van het ontslag op staande voet, hebben [naam 1] en [verzoeker] na het gesprek meegekregen.

1.10.

De brieven aan [naam 1] en [verzoeker] zijn gelijkluidend en bevatten onder meer het volgende:
Hierbij delen wij u mede dat wij u op staande voet ontslag geven, om de volgende redenen;
. Samen met uw partner met een dreigende houding en verbaal geweld binnenkomen van het kantoor zonder melding of afspraak.
. Het angst aanjagen door uw dreigende houding van 7 jeugdige collega’s die zich nu niet veilig voelen op kantoor.
. Het opsluiten van een collega en die verbaal bedreigd door middel van een intimiderende houding.
. Het buitensluiten van de leidinggevende persoon met fysieke aanraking.
Deze persoon heeft u meerder malen verzocht het pand te verlaten, maar pas nadat hij de politie wilde bellen bent u weggegaan.

1.11.

De gemachtigde van [naam 1] en [verzoeker] heeft kort na het ontslag op staande voet contact met [verweerster] opgenomen en gesteld dat zij het niet eens waren met het ontslag op staande voet. Er is tussen partijen nog telefonisch contact geweest over een oplossing, maar partijen zijn niet tot elkaar gekomen.

1.12.

Bij brief van 12 augustus 2015 heeft de gemachtigde [verweerster] bericht dat [naam 1] en [verzoeker] van oordeel zijn dat er geen sprake is van een drin-gende reden en dat zij niet berusten in een einde van de arbeidsovereenkomst.

1.13.

Bij (tussen-)beschikking van 30 oktober 2015 zijn de provisionele verzoeken van [naam 1] en [verzoeker] tot loondoorbetaling afgewezen.

1.14.

Bij beschikkingen van 13 november 2015 zijn de arbeidsovereenkomsten van [naam 1] en [verzoeker] , onder het voorbehoud dat die nog niet ten einde waren gekomen, ontbonden.

Verzoek

2. [verzoeker] verzoekt - samengevat - primair vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst van 5 augustus 2015 met veroordeling van [verweerster] om [verzoeker] binnen 24 uur na betekening van de beschikking zijn werkzaamheden te laten hervatten, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag. Voorts verzoekt [verzoeker] veroordeling van [verweerster] tot doorbetaling van het loon ad
€ 567,18 bruto per maand vanaf 5 augustus 2015 tot het einde van de arbeids-overeenkomst, alsmede de wettelijke verhoging ex art 7:625 BW, de wettelijke rente en een bruto/netto-specificatie.

3. Subsidiair verzoekt [verzoeker] veroordeling van [verweerster] tot betaling van een billijke vergoeding ex artikel 7:681 BW, van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging [ex artikel 7:672 BW, ktr] en van de transistievergoeding ad € 633,44 bruto ex artikel 7:673 BW, onder afrekening van het dienstverband met betrekking tot vakantiedagen en vakantiegeld.

4. Meest subsidiair verzoekt [verzoeker] - voorwaardelijk, namelijk indien de opzegging niet vernietigd wordt - om toekenning van de transistievergoeding, nu geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] , danwel het niet toekennen van de transistievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, alsmede een billijke vergoeding op de voet van artikel 7:681 BW, naast de eindafrekening van het dienstverband met betrekking tot vakantiedagen en vakantiegeld.

5. Dit alles met veroordeling van [verweerster] in de kosten van de procedure.

6. [verzoeker] stelt hiertoe, samengevat en zakelijk weergegeven, dat het ontslag op staande voet volstrekt ten onrechte is verleend. In casu is absoluut geen sprake van een dringende reden en [verzoeker] heeft niet ingestemd met het ontslag. [verweerster] had [verzoeker] mondeling bericht dat zij het ontslag op staande voet zal intrekken en aan [verzoeker] een voorstel zal doen toekomen. [verweerster] deelde [verzoeker] mee dat zij de kwestie op een minnelijke manier wilde oplossen. [verzoeker] heeft helaas geen voorstel ontvangen, een telefoontje van de gemachtigde van [verzoeker] en [naam 1] leerde dat [verweerster] niet voornemens was het ontslag op staande voet in te trekken. [verzoeker] is dus genoodzaakt te verzoeken de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen. De gemachtigde heeft dat op 12 augustus 2015 aan [verweerster] laten weten.

7. Uit die brief van 12 augustus 2015 - die de kantonrechter bij de stellingen van [verzoeker] omtrent het ontslag op staande voet betrekt - en uit de toelichting ter zitting volgt dat [verzoeker] de inhoud van de ontslagbrief betwist en aanvoert dat [verzoeker] en [naam 1] door [naam 4] al langere tijd werden lastig gevallen en dat dit bij [naam 2] bekend was. Ter zitting is hieromtrent gesteld dat [naam 4] vervelende appjes en mailtjes verzond naar [naam 1] en [verzoeker] . Omdat [naam 2] niets heeft gedaan om [naam 1] en [verzoeker] te beschermen, hebben zij zelf de collega gevraagd hen met rust te laten. Zij hebben [naam 4] niet aangeraakt noch hebben zij bedreigingen geuit. Er is absoluut geen sprake geweest van opsluiting, noch van intimideren. Er is met stemverheffing gesproken, maar het was niet bedreigend.

7. [naam 1] en [verzoeker] hebben het goed voor met [verweerster] Zij doen veel extra voor het bedrijf en wilden [verweerster] waarschuwen voor mensen als [naam 4] , die in drugs handelt en meer strafbare feiten begaat. Bovendien is [naam 4] pas drie maanden in dienst en begrijpen [naam 1] en [verzoeker] niet waarom [verweerster] de kant van [naam 4] kiest.

Verweer

8. [verweerster] voert daartegen - kort gezegd - aan dat zij de actie van [naam 1] en [verzoeker] niet kan accepteren. [verweerster] wil voor haar werknemers zorgen dat zij zich veilig voelen in hun werkomgeving. Door het handelen van [naam 1] en [verzoeker] zijn werknemers, waaronder [naam 4] en een aantal jeugdige mede-werkers, erg geschrokken. Ze vroegen zelfs de volgende dag of ze beide personen tegen zouden kunnen komen en dat ze dan niet kwamen werken. Die situatie is onhoudbaar.

9. Ter onderbouwing wijst [verweerster] op de ingebrachte verklaringen van haar mede-werkers. De verklaringen spreken boekdelen. [verweerster] voegt daar nog aan toe dat tijdens het telefonisch contact op 3 augustus 2015 door [naam 1] of [verzoeker] niets is gezegd over vervelende appjes of mailtjes van [naam 4] . Wel hebben [naam 1] en [verzoeker] gesteld dat [naam 4] ‘dingen’ over hen zou hebben gezegd tegen hun buurjongen.

10. [naam 2] heeft daarop tegen [naam 1] en [verzoeker] gezegd dat hij erover met [naam 4] zou spreken, maar dat een privégeschil niet thuishoorde op de werkvloer en dat zij [naam 4] op het werk met rust moesten laten. Dat hebben [naam 1] en [verzoeker] echter niet gedaan en wat zij wel gedaan hebben gaat veel te ver. Daardoor voelen met name de jeugdige medewerkers van [verweerster] zich nu onveilig op kantoor en dat valt niet te tolereren.

11. [verweerster] heeft op uitdrukkelijk verzoek van de gemachtigde van [naam 1] en [verzoeker] een aanbod gedaan om de zaak te schikken. [verweerster] heeft eerst de gemachtigde gevraagd om dat verzoek op schrift te stellen, maar dat werd geweigerd. Het aanbod van [verweerster] (betaling tot het einde van de maand en einde van de arbeidsovereenkomst in wederzijds goedvinden) is trouwens afgewezen. Overigens is [naam 4] al sinds de zomer van 2014 in dienst en is er over zijn functioneren geen enkele klacht.

Beoordeling

12. In deze procedure ligt allereerst de vraag voor of het ontslag op staande voet van 5 augustus 2015 rechtsgeldig is gegeven. Is dat niet het geval, dient (gelet op het primaire verzoek van [verzoeker] ) beoordeeld te worden of het ontslag op staande voet vernietigd moet worden en/of [verweerster] veroordeeld moet worden tot loondoorbetaling en/of werkhervatting van [verzoeker] , op straffe van een dwangsom. Dit laatste mede in het licht van de beschikking ex artikel 7:671b BW van 13 november 2015. Bij die beschikking is de arbeidsovereenkomst tussen partijen - onder het voorbehoud dat deze niet reeds eerder is geëindigd - ontbonden tegen 1 december 2015.

12. ontslag op staande voet
Met betrekking tot het ontslag op staande voet overweegt de kantonrechter als volgt. Vaststaat dat [naam 1] met [verzoeker] op 3 augustus 2015 [naam 2] hebben gevraagd om met [naam 4] te spreken en onbetwist is gebleven dat [naam 2] heeft toegezegd dat te zullen doen én tegen [naam 1] en [verzoeker] heeft gezegd, dat een privékwestie niet op de werkvloer thuishoorde. Niettemin zijn [naam 1] en [verzoeker] reeds de volgende dag, 4 augustus 2015, naar het kantoor van [verweerster] getogen om zelf met [naam 4] te spreken.

12. Voorts staat vast dat [naam 1] en [verzoeker] [naam 4] hebben verzocht mee te gaan naar het magazijn en dat zijn daar met stemverheffing met [naam 4] hebben gesproken. Het magazijn is door [naam 1] en [verzoeker] vervolgens afgesloten, zodat [naam 4] niet kon vertrekken wanneer hij wilde.

12. Tot slot is onbetwist gebleven dat de leidinggevende, [naam 5] door [verzoeker] werd teruggeduwd, toen hij de deur opende en dat pas na dreiging met de politie [naam 1] en [verzoeker] bereid waren [naam 4] te laten vertrekken.

12. [verzoeker] voert ter verdediging aan (zo begrijpt de kantonrechter) dat zijn optreden werd gerechtvaardigd door het handelen van [naam 4] zelf, nu hij stelselmatig vervelende appjes en/of mailtjes aan [naam 1] en [verzoeker] verzond. [verzoeker] heeft echter op geen enkele wijze onderbouwd dat [naam 1] en hij door [naam 4] werden lastig gevallen met vervelende appjes en/of mailtjes, laat staan in die mate dat hun optreden op 4 augustus 2015 gerechtvaardigd is geweest. Bewijs daarvan is ook niet door [naam 1] en [verzoeker] aangeboden.

12. Maar los daarvan geldt dat zelfs indien dat bewijs wel in de procedure zou zijn ge-bracht, dan nog is het feit dat - én de wijze waarop - [naam 1] en [verzoeker] op de werkvloer bij [naam 4] ‘verhaal zijn komen halen’, niet aanvaardbaar. [naam 1] en [verzoeker] hadden een eventueel conflict met [naam 4] niet op het bedrijf mogen ‘uitvechten’, zeker niet nu zij kort daarvoor (voor het eerst) de bemid-deling van de heer Vries hadden ingeroepen en die had gezegd dat zo’n menings-verschil niet binnen het bedrijf thuishoorde.

12. De verklaringen van de medewerkers van [verweerster] over de gebeurtenissen zijn bovendien illustratief voor de intimiderende wijze waarop [naam 1] en [verzoeker] [naam 4] hebben benaderd. Daartegenover legt de enkele stelling van [verzoeker] , dat zijn handelen niet bedreigend is geweest, onvoldoende gewicht in de schaal. Bovendien is ook daarvan geen bewijs aangeboden.

19. Met [verweerster] is de kantonrechter van oordeel dat het gedrag van [naam 1] en [verzoeker] absoluut niet valt te accepteren. Het verleende ontslag op staande voet is niet een te zware sanctie, ook niet als de duur van het dienstverband of de wijze waarop dit door [naam 1] en [verzoeker] werd ingevuld, wordt meegewogen.

19. vernietiging
[verweerster] heeft derhalve op 5 augustus 2015 de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] rechtsgeldig opgezegd op grond van een dringende reden, als bedoeld in artikel 7:677 lid 1 BW. Dat impliceert dat het verzoek van [verzoeker] tot vernietiging van het ontslag op staande voet wordt afgewezen, nu [verzoeker] geen andere grond voor vernietiging heeft voorgedragen dan dat er geen dringende reden aanwezig is geweest.

19. billijke vergoeding en onregelmatige opzegging
Gelet op het rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet komt de kantonrechter niet toe aan een billijke vergoeding ex artikel 7:681 BW of een vergoeding wegens onregelmatige opzegging als bedoeld in artikel 7:672 lid 9 BW. Het (subsidiaire) verzoek van [verzoeker] ter zake wordt afgewezen.

19. transistievergoeding en eindafrekening
Resteert de vraag [verzoeker] recht heeft op een transistievergoeding en een eindafrekening. Volgens artikel 7:673 lid 7 BW is de transistievergoeding niet verschuldigd in het geval het einde van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Geoordeeld is dat daarvan in deze zaak sprake is. [verzoeker] heeft voorts nagelaten te onderbouwen waarom in dit specifieke geval het niet toekennen van de transistievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het verzoek van [verzoeker] ten aanzien van de transistievergoeding wordt derhalve afgewezen.

19. Het verzoek van [verzoeker] ten aanzien van de eindafrekening zal wel worden toegewezen. Immers, ook bij een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet dient het dienstverband financieel te worden afgerekend en moeten niet-genoten vakantie-dagen en het vakantiegeld te worden uitgekeerd. Nu niet duidelijk is dat [verweerster] dat al heeft gedaan, zal zij daartoe worden veroordeeld, welke veroordeling uiteraard niet ten uitvoer kan worden gelegd, indien en voor zover [verweerster] reeds aan haar verplichtingen ter zake heeft voldaan. [verzoeker] heeft in dit verband geen wette-lijke rente of verhoging gevraagd, zodat de kantonrechter daar niet aan toekomt.

19. kostenveroordeling
[verzoeker] wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten aan de zijde van [verweerster] belast, daaronder die van het provisionele verzoek begrepen, zoals hieronder berekend.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van de eindafrekening bestaande uit de opgebouwde vakantietoeslag en de opgebouwde doch niet-genoten vakantiedagen;

wijst het verzoek voor het overige af;

veroordeelt [verzoeker] in de kosten van het geding, aan de zijde van [verweerster] tot heden begroot op € 1.200,00 aan salaris van de gemachtigde, voor zover van toepassing, inclusief btw;

veroordeelt [verzoeker] tot betaling van een bedrag van € 50,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en [verzoeker] niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr M.V. Ulrici, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 november 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.

Griffier Kantonrechter