Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:8951

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-11-2015
Datum publicatie
15-12-2015
Zaaknummer
CV 15-7589
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Particulier verhuurt auto aan jeugdige automobilist; sleutel bij terugbrengen auto niet persoonlijk overhandigd; verhuurder claimt achteraf schade; onvoldoende bewijs tegen huurder; verzekeringsuitkering; art. 7:962 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: CV 15-7589

vonnis van: 5 november 2015

fno.: 178

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

[eiser] ,

wonende te [plaats] ,

eiser,

nader te noemen [eiser] ,

gemachtigde: mr. R. Sinke,

t e g e n

[gedaagde] ,

wonende te [plaats] ,

gedaagde,

nader te noemen [gedaagde] ,

gemachtigde: mr. J.W.C. Bruins.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

- dagvaarding van 11 maart 2015 met producties;
- conclusie van antwoord met producties;
- instructievonnis 10 juni 2015 met producties;
- dagbepaling comparitie.

De comparitie heeft plaatsgevonden 6 oktober 2015. Voorafgaand aan de comparitie heeft [eiser] een productie ingediend en is er een brief d.d. 5 oktober 2015 van de gemachtigde van [gedaagde] ingekomen. Partijen en hun gemachtigden zijn ter comparitie verschenen. Partijen zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. [eiser] heeft ter comparitie gevraagd om een akte wijziging (grondslag van de) eis te mogen indienen. Nadat [gedaagde] heeft verklaard hiertegen bezwaar te hebben, heeft de kantonrechter de wijziging eis als in strijd met een goede procesorde geoordeeld en derhalve niet toegestaan. Ten slotte is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.


GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet (voldoende) weersproken, alsmede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden inhoud van de bewijsstukken, staat in dit geding het volgende vast:

1.1.

[gedaagde] heeft op 31 december 2014 voor de duur van één dag van [eiser] gehuurd diens BMW 645 voor een prijs van € 250,00. De in verband hiermee opgemaakte en door partijen ondertekende schriftelijke overeenkomst vermeldt dat dit bedrag inclusief 200 gereden kilometers is en dat [gedaagde] voor iedere meer gereden kilometer € 0,20 moet betalen.

1.2.

Op 1 januari 2015 zijn partijen door middel van diverse what’s app berichten een verlenging van de huur overeengekomen. Afgesproken is dat [gedaagde] de auto op 2 januari om 20.00 uur de auto zou komen terugbrengen en daarvoor € 350,00 extra zou betalen.

1.3.

Op 2 januari 2015 heeft [gedaagde] de BMW rond de afgesproken tijd bij de woning van [eiser] neergezet en de sleutel bij [eiser] in de brievenbus gedaan. Dat hij de auto terug had gebracht heeft [gedaagde] op die avond om 20.37 uur per what’s app aan [eiser] meegedeeld, waarna [eiser] om 21.55 uur per what’s app aan [gedaagde] heeft verzocht hem nog even over de auto te bellen.

1.4.

Bij e-mail van 7 januari 2015, verzonden om 12.35 uur, heeft [eiser] aan [gedaagde] onder meer het volgende geschreven: Ik ontving uw e-mail adres in een sms vanaf een telefoonnummer waarmee u met mij heeft gecommuniceerd over de verhuur van mijn BMW aan u, d.d. 31-12-2014 t/m 02-01-2015.
U heeft de auto op 2 januari bij mij voor de deur gezet, maar u heeft tot op heden verzuimd de betalingen te voldoen die wij m.b.t. deze verhuur zijn overeengekomen. Aan huur, vergoeding voor gereden kilometers en benzine dient u mij nog € 537,60 te betalen.

1.5.

Bij e-mail van 7 januari 2015, verzonden om 16.32 uur, heeft [eiser] aan [gedaagde] onder meer het volgende geschreven: Reeds eerder vandaag heb ik u per e-mail gesommeerd mij nog openstaande bedragen m.b.t. de huur van mijn BMW 645 terstond te voldoen.
In aanvulling hierop informeer ik u middels deze e-mail over de schade welke ik heb geconstateerd aan mijn voertuig, nadat u deze voor mijn deur heeft geparkeerd op 2 januari 2015.
Op 31 december 2014 heeft u mijn voertuig in goede staat en zonder noemenswaardige schade meegenomen. Op 2 januari 2015 heeft u de auto voor mijn huis geparkeerd, zonder bij mij aan te bellen en ons daardoor in de gelegenheid te stellen gezamenlijk de staat van het voertuig te controleren. Nadat ik van u bericht had gekregen dat de auto voor mijn huis stond, ben ik direct de auto gaan bekijken en ik heb hierbij geconstateerd dat er sprake was van een aanzienlijke schade aan het voertuig, welke alleen kan zijn ontstaan ten tijde dat de auto door u tijdens de huurperiode werd gebruikt.
Ik heb heden in samenwerking met een schadeherstelbedrijf de procedure in gang gezet waarbij een schade expert de schade zal gaan taxeren. Zodra het schadebedrag bekend is, zal ik u hier nader over informeren. Aangezien de schade moet zijn veroorzaakt tijdens de huurperiode zal ik u aansprakelijk stellen voor deze schade.

1.6.

[eiser] heeft bij zijn verzekeraar een schadeclaim ingediend in verband met schade aan zijn auto. In verband daarmee is door of in opdracht van Achmea Claims Organisatie op 13 januari 2015 een schadecalculatie opgemaakt. De schade werd bij deze calculatie vastgesteld op € 5.721,76 (inclusief BTW), Dit bedrag is door verzekeraar FBTO aan [eiser] uitgekeerd.

Vordering en verweer

2. [eiser] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 6.212,17 vermeerderd met rente en kosten. Hij stelt daartoe dat [gedaagde] de nader overeengekomen huur van € 350,00 niet heeft betaald. Daarnaast is [gedaagde] hem een bedrag van € 112,60 schuldig vanwege teveel gereden kilometers (563 km x € 0,20) en een bedrag van € 27,81 wegens te weinig getankte benzine. Voorts stelt [eiser] dat [gedaagde] voor een bedrag van € 5.721,76 schade aan de auto heeft verzoorzaakt, welk bedrag hij aan [eiser] dient te vergoeden. [eiser] heeft ter comparitie erkend dat de schade door zijn verzekeraar is vergoed. Hij heeft echter de vordering doorgezet zodat hij zijn no claim niet kwijt zou raken, aldus [eiser] .

3. [gedaagde] heeft erkend dat hij de nader overeengekomen huur van € 350,00 niet heeft betaald, maar stelt de overeenkomst te hebben vernietigd wegens misbruik van omstandigheden, zodat om die reden hij dit bedrag niet aan [eiser] verschuldigd is. Hij betwist teveel kilometers te hebben gereden en de auto met te weinig benzine te hebben ingeleverd. [gedaagde] betwist voorts de schade aan de auto te hebben veroorzaakt en wijst er verder op dat hem kort voor de comparitie is gebleken dat FBTO op 23 januari 2015 aan [eiser] het volledige schadebedrag heeft uitgekeerd, waaruit volgt dat [eiser] de door hem gevorderde schade niet heeft geleden, aldus [gedaagde] .

Beoordeling

4. [gedaagde] verweert zich tegen de vordering tot betaling van € 350,00 aan huur met een beroep op misbruik van omstandigheden. Dit misbruik zou er uit bestaan dat [eiser] een veel te hoog bedrag in rekening heeft gebracht, daarbij misbruik makend van de onervarenheid van [gedaagde] en van het feit dat deze door zijn jeugdige leeftijd de auto niet via Snappcar kon huren.

5. [gedaagde] heeft onvoldoende omstandigheden gesteld voor een geslaagd beroep op misbruik van omstandigheden. Aan [eiser] kan niet tegenworpen worden dat [gedaagde] de auto niet via Snappcar kon huren. [gedaagde] mag jong en onervaren zijn, dat neemt niet weg dat hij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst en het verlengen ervan meerderjarig was, zodat [eiser] erop mocht vertrouwen dat [gedaagde] de gevolgen van zijn handelen overzag. Indien [gedaagde] de prijs te hoog vond had hij af kunnen zien van het sluiten van de overeenkomst. Daar komt nog bij dat de auto aanvankelijk voor een dag was gehuurd en [gedaagde] zelf om verlenging heeft verzocht. Dit verweer wordt mitsdien verworpen.

6. Dat betekent dat een bedrag van € 350,00 toewijsbaar is.

7. [gedaagde] betwist meer dan de overeengekomen 200 km te hebben gereden. Daargelaten dat [gedaagde] er in redelijkheid van uit had mogen gaan dat bij verlenging van het contract opnieuw een aantal vrije kilometers was inbegrepen, is het aan [eiser] om de door hem gestelde overschrijding te bewijzen. [eiser] heeft daartoe foto’s van (naar hij stelt) de kilometerstand voor en na de huur overgelegd. [eiser] heeft evenwel nagelaten om de beginstand in het schriftelijk contract op te nemen of anderszins tussen partijen vast te leggen. Alleen al daarom volstaat bewijs van de beginstand door middel van een foto, waarvan niet vaststaat wanneer die is genomen, niet. Nu geen ander bewijs is aangeboden wordt dit deel van de vordering afgewezen.

8. De vordering tot betaling van een bedrag aan te weinig getankte benzine wordt eveneens afgewezen, nu [eiser] , die op dit punt eveneens de bewijslast heeft, niet heeft vastgelegd met hoeveel benzine in de tank hij de auto heeft afgegeven.

9. [eiser] vordert een bedrag van € 5.721,76 aan schade aan de auto, welke schade naar hij stelt door [gedaagde] is veroorzaakt. [eiser] heeft naar aanleiding van de brief van de gemachtigde van [gedaagde] van 5 oktober 2015 erkend dat hij deze schade bij zijn verzekeraar heeft geclaimd, waarna de verzekeraar de schade op 23 januari 2015 aan [eiser] heeft vergoed. Hiervan is in de dagvaarding van 11 maart 2015 evenwel geen melding gemaakt.

10. Gevraagd om uitleg met betrekking tot het bovenstaande heeft [eiser] ter comparitie verklaard dat hij ondanks de verkregen verzekeringsuitkering de vordering tegen [gedaagde] toch wilde doorzetten om op deze wijze zijn no claim bij de verzekeraar te behouden. [eiser] heeft echter nagelaten te verklaren hoe een dergelijke gang van zaken zich verhoudt met het bepaalde in artikel 7:962 BW, waarin wordt bepaald dat een vordering als waarvan hier sprake is na vergoeding door de verzekeraar bij wijze van subrogatie overgaat op de verzekeraar. [eiser] heeft daarbij niet gesteld, laat staan aangetoond, dat hij de verzekeraar op de hoogte heeft gesteld van het feit dat hij na schadeloos te zijn gesteld alsnog om eerder genoemde reden op eigen naam de vordering tegen [gedaagde] heeft ingesteld. Gelet op een en ander moet er van worden uitgegaan dat er geen omstandigheden zijn die maken dat het bepaalde in artikel 7:962 BW in deze zaak niet zou gelden. Dat betekent dat het ervoor gehouden moet worden dat [eiser] niet (langer) bevoegd is deze schadevordering op eigen naam tegen [gedaagde] in te stellen. De vordering tot vergoeding van schade aan de auto wordt daarom niet ontvankelijk verklaard.

11. Ten overvloede wordt nog overwogen dat al zou dit anders zijn, de vordering eerst toewijsbaar zou zijn geweest indien [eiser] zou hebben bewezen dat de schade door toedoen van [gedaagde] is ontstaan. Anders dan [eiser] lijkt te menen staat de aansprakelijkheid van [gedaagde] niet reeds vast op grond van het enkele feit dat de schade is gebleken nadat de auto is teruggebracht door [gedaagde] zonder dat daarbij persoonlijk contact tussen [eiser] en [gedaagde] heeft plaatsgevonden (zie onder 1.3), noch brengt dit met zich mee dat [gedaagde] zou hebben te bewijzen de schade niet veroorzaakt te hebben. Daarbij is van belang dat van [eiser] verwacht had mogen worden dat hij onmiddellijk nadat hij op 2 januari 2015 de onder 1.3 genoemde what’s app van [gedaagde] had ontvangen de auto was gaan inspecteren en bij constatering van schade dit zou hebben meegedeeld aan [gedaagde] . Hoewel [eiser] in een e-mail van 7 januari 2015 aan [gedaagde] heeft verklaard de schade direct na laatstgenoemde what’s app te hebben geconstateerd, heeft [eiser] ter comparitie verklaard dat dit pas de volgende dag is gebeurd. Hoe dit ook zij, vervolgens heeft [eiser] pas op 7 januari 2015 tegenover [gedaagde] melding van de schade gemaakt, naar eigen zeggen omdat hij hem niet eerder kon bereiken. Wat daar dan weer van zij, daarmee laat [eiser] nog altijd onverklaard waarom hij op 7 januari 2015 om 12.35 uur per e-mail alleen betaling van achterstallige huur, benzine en kilometerkosten van [gedaagde] vordert en pas vier uur later in een e-mail meedeelt dat hij [gedaagde] aansprakelijk stelt voor aan de auto geconstateerde schade (zie onder 1.4 en 1.5).

12. Nu de vordering voor slechts een klein deel toewijsbaar is en bovendien buitengerechtelijke werkzaamheden niet aannemelijk zijn gemaakt, worden de gevorderde buitengerechtelijke kosten afgewezen.

13. Als grotendeels in het ongelijk gestelde partij wordt [eiser] veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde] .

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 350,00 met de wettelijke rente hierover vanaf 11 maart 2015 tot de voldoening;

verklaart de vordering tot betaling van een bedrag van € 5.721,76 aan schadevergoeding niet ontvankelijk en wijst de overige vorderingen van [eiser] af als ongegrond;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten die aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot worden op € 500,00 aan salaris van de gemachtigde;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. I.H.J. Konings, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 november 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.