Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:8948

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-12-2015
Datum publicatie
30-12-2015
Zaaknummer
AMS 15/7667
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Last onder bestuursdwang. Onmiddellijke sluiting voor onbepaalde tijd van een winkel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/7667

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 december 2015 in de zaak tussen

[naam] h.o.d.n. [bedrijf], te Amsterdam, verzoeker

(gemachtigde: mr. B. Temeltasch),

en

de burgemeester van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Osterwald).

Procesverloop

Bij besluit van 14 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder onder aanzegging van bestuursdwang de onmiddellijke sluiting voor onbepaalde tijd bevolen van de winkel/detailhandel [bedrijf] (hierna: de winkel) aan de [adres] , te Amsterdam.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningen-rechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2015. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en zijn zoon, [adres] . Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en [de man] , beleidsadviseur.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.1.

Verzoeker is [functie] van de winkel. Naar aanleiding van een tip dat ter plaatse mogelijk een vuurwapen aanwezig zou zijn, heeft de politie op 17 september 2015 een onderzoek ingesteld in het kantoortje van de winkel. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 26 september 2015. Uit die rapportage blijkt dat de politie de winkel is binnengetreden en dat de winkel en bijbehorende ruimtes zijn doorzocht. Onder het winkelgedeelte van het pand is een kelderruimte waarin een kantoorruimte is gelegen. Deze kantoorruimte is niet toegankelijk voor klanten en was afgesloten. Na betreding van de kantoorruimte heeft de politie bovenop een kast rechtsachter in de ruimte een gele tas aangetroffen. Hierin werden bolletjes en plakken hasjiesj aangetroffen met een totaalgewicht van ongeveer [aantal] gram. Bij het bureau linksachter in de kantoorruimte werd ook een plastic tas aangetroffen met daarin verschillende doosjes medicijnen en twee doosjes zonder tekst. In deze doosjes werden in totaal [munitie] aangetroffen. In dezelfde tas werd ook een plak hasjiesj gevonden. Een en ander is door de politie in beslag genomen.

2.2.

Vervolgens heeft verweerder verzoeker zijn voornemen kenbaar gemaakt de sluiting van de winkel te bevelen voor onbepaalde tijd. Verzoeker heeft zijn zienswijze gegeven. Bij het bestreden besluit heeft verweerder uitvoering gegeven aan zijn voornemen.

2.3.

Verweerder stelt zich – samengevat weergegeven – op het standpunt dat in de winkel een handelshoeveelheid softdrugs in een publiek toegankelijk inrichting is aangetroffen en dat daarmee de Opiumwet is overtreden. Het geopend blijven van de winkel levert een ernstig gevaar op voor de openbare orde. Ook dient voorkomen te worden dat de winkel in de toekomst een rol kan blijven spelen in het handelen in drugs. Naast de softdrugs zijn een groot aantal patronen aangetroffen, waarvan het bezit strafbaar is gesteld middels de Wet wapens en munitie, hetgeen impliceert dat het woon- en leefklimaat ernstig is aangetast en de openbare orde ernstig is verstoord. Volgens verweerder brengt het samengaan van drugs en munitie met een gewone alledaagse winkel, namelijk een [soort winkel] , het grote risico met zich dat onschuldige klanten worden geconfronteerd met criminele activiteiten. De aanwezigheid van drugs en munitie trekt in de regel criminelen aan. Verweerder heeft daarom de onmiddellijke sluiting van de winkel bevolen.

2.4.

Verzoekster voert aan dat verweerder in het bestreden besluit heeft verwezen naar het Sluiting- en heropeningsbeleid met betrekking tot artikel 13b van de Opiumwet van 2005 en dat dit beleid het toepassen van bestuursdwang in de vorm van sluiting enkel aangewezen acht in het geval van aantreffen van harddrugs, terwijl in dit geval alleen softdrugs zijn aangetroffen. Verder zegt het volgens het besluit toegepaste artikel 2.10 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (APV) niets over in welke gevallen verweerder van zijn discretionaire bevoegdheid om te sluiten bij het aantreffen van munitie gebruik zal maken. Niet duidelijk is welke bijzondere omstandigheden in het onderhavige geval zouden hebben geleid tot de thans getroffen zeer verstrekkende maatregelen. Een vuurwapen – hetgeen aanleiding was voor de zoeking – is niet aangetroffen. Uit de politierapportage blijkt niet van omstandigheden, naast de aangetroffen hoeveelheid van [aantal] gram softdrugs, die leiden tot de conclusie dat sprake zou zijn van een vermoeden dat de openbare orde in het geding is. Immers, uit niets blijkt dat verzoeker de intentie had om de softdrugs te verstrekken, vervaardigen of te verkopen. Verzoeker heeft aannemelijk gemaakt dat de aangetroffen hoeveelheid uitsluitend en exclusief bestemd was voor eigen gebruik, aangezien verzoeker lijdt aan [ziekte] . Uit klinisch onderzoek blijkt dat in het geval reguliere behandeling niet meer volstaat, het gebruik van cannabis een heilzaam effect heeft op de symptomen van de ziekte. De aangetroffen hasjiesj zijn speciaal voor dat medicinale gebruik bestemd en zijn door verzoeker in het groot ingekocht om kosten te besparen. Verzoeker heeft er voor gekozen de middelen op te slaan en te gebruiken op de enige plek waar hij zich veilig waande voor de nieuwsgierige blikken van zijn familie en bekenden: het door hem uitsluitend gebruikte, niet openbaar toegankelijke, volledig afgesloten kantoortje in de kelder van zijn winkel. De openbare orde is hier dus niet in het geding. De aangetroffen munitie ligt er waarschijnlijk al van voor dat verzoeker het pand huurde, betreft een kleine hoeveelheid relatief lichte munitie, die bovendien blijkens de rapportage niet of nauwelijks meer bruikbaar was. Verzoeker ontkent de intentie te hebben gehad deze munitie ooit te gebruiken.

3.1.

Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is verweerder bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II bij de Opiumwet wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

3.2.

Op grond van artikel 2.10, eerste lid, van de APV kan verweerder de sluiting bevelen van een voor publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte als daar:

a. is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen;

b. door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen;

c. discriminatie heeft plaatsgevonden op grond van ras, geslacht, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook;

d. wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend of

e. zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van het gebouw, de inrichting of de ruimte ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde.

4.1.

Ter zitting heeft verweerder nader uiteengezet dat hij bij de toepassing van de bestuursdwang gebruik heeft gemaakt van beide in rechtsoverweging 3 weergegeven gronden. Met betrekking tot de aangetroffen hasjiesj is de sluiting geëffectueerd met behulp van het bepaalde in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. Met betrekking tot de aangetroffen munitie vindt de sluiting zijn grondslag in artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder e, van de APV.

4.2.

Bij de beoordeling van het geschil stelt de voorzieningenrechter voorop dat, gelet op de redactie van de hier toepasselijke bepalingen, verweerder bij de uitoefening van de in die bepaling neergelegde bevoegdheid over beleidsvrijheid beschikt. Dit brengt mee dat de bestuursrechter de uitoefening van die bevoegdheid met terughoudendheid dient te toetsen.

Munitie

4.3.

Vaststaat dat op 17 september 2015 in de winkel [munitie] zijn aangetroffen. Het voorhanden hebben van deze munitie is strafbaar gesteld in de Wet wapens en munitie. Door het enkele aantreffen van de patronen heeft verweerder kunnen concluderen dat de vrees gewettigd is dat het geopend blijven van de winkel ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde. Hiermee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter de bevoegdheid tot sluiting gegeven. De voorzieningenrechter kan verzoeker voorts niet volgen in zijn stelling dat de munitie oud, verroest en kennelijk onbruikbaar zou zijn, nu daarover in de politierapportages niets wordt gerelateerd.

4.4.

Het voorgaande betekent dat de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel is dat verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid als neergelegd in artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder e, van de APV. Alleen al om deze reden heeft verweerder kunnen besluiten tot onmiddellijke sluiting van de winkel. Niettemin acht de voorzieningenrechter het zinvol aangaande de aangetroffen softdrugs als volgt te overwegen.

Hasjiesj

4.5.

Vaststaat dat op 17 september 2015 in de winkel ongeveer [aantal] gram softdrugs – hasjiesj – is aangetroffen. Dat brengt met zich dat ter zake gesproken kan worden van een handelshoeveelheid, waarbij aangeknoopt wordt bij (strafrechtelijke) maatstaven die het openbaar ministerie hanteert. Naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is, bij de aanwezigheid van een hoeveelheid drugs die groter is dan een hoeveelheid voor eigen gebruik, in beginsel aannemelijk dat die drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de rechthebbende op het pand om het tegendeel aannemelijk te maken. Indien het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd om ten aanzien van het pand een last onder bestuursdwang op te leggen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2547).

4.6.

De voorzieningenrechter vindt geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aannemelijk is dat in de inrichting softdrugs aanwezig waren voor de verkoop, aflevering of verstrekking als bedoeld in artikel 13b van de Opiumwet. Daarbij is van belang dat de politie een opmerkelijk grote hoeveelheid hasjiesj heeft aangetroffen in de winkel; een hoeveelheid die zelfs in een coffeeshop op grond van het gedoogbeleid niet is toegestaan. Dat verzoeker genoodzaakt zou zijn de hasjiesj in een grote hoeveelheid voorhanden te hebben en te gebruiken ter bestrijding van de symptomen van zijn ziekte kan niet worden gevolgd nu de mogelijkheid bestaat gebruik te maken van medicinale cannabis.

4.7.

Het voorgaande betekent dat de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel is dat verweerder eveneens niet ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid als neergelegd in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. Ook op deze grond heeft verweerder dus in redelijkheid kunnen besluiten tot onmiddellijke sluiting van de winkel.

4.8.

De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat verweerder in redelijkheid – na afweging van de betrokken belangen – gelet op de aard en de ernst van hetgeen aan de sluiting ten grondslag is gelegd en gezien het daarmee beoogde doel, een sluiting voor de onbepaalde duur heeft kunnen gelasten.

4.9.

Gelet op het voorgaande zal het bestreden besluit naar verwachting in bezwaar standhouden. Ondanks de gestelde belangen bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening geen aanleiding. Voor een proceskostenveroordeling of bepaling dat het griffierecht wordt vergoed bestaat geen grond.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Looij, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 december 2015.

de griffier

de voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Coll: RG

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.