Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:8881

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-12-2015
Datum publicatie
29-12-2015
Zaaknummer
AMS 14-7176
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Export van toeslag op WIA-uitkering naar Turkije

Eiser heeft verweerder verzocht om zijn toeslag op zijn WIA-uitkering te mogen exporteren naar Turkije. Eiser heeft alleen de Turkse nationaliteit. Aangezien eiser niet tevens de Nederlandse nationaliteit heeft, is zijn situatie niet op één lijn te stellen met de situatie in het arrest Demirci. Eiser is volledig arbeidsongeschikt en verkeert in zoverre wel in dezelfde situatie als de personen op wie het arrest Akdas betrekking heeft, hetgeen betekent dat eiser in beginsel recht houdt op de toeslag bij remigratie naar Turkije. Het is vervolgens aan verweerder om zijn standpunt dat artikel 59 van het Aanvullend Protocol in deze zaak tot een ander oordeel leidt, van een draagkrachtige onderbouwing te voorzien. Weliswaar is tussen partijen niet in geschil dat eiser na de inwerkingtreding van Richtlijn 2003/109/EG naar Turkije is teruggekeerd en dat aan eiser de status van langdurig ingezetene is toegekend, maar verweerder heeft onvoldoende onderbouwd dat deze omstandigheden in het geval van eiser zouden moeten leiden tot een doorbreking van het beoordelingskader in het arrest Akdas, waarin het Hof heeft overwogen dat het verblijfsrecht van Turkse onderdanen rechtstreeks voortvloeit uit het associatierecht. In hetgeen verweerder voorts heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen grond om het arrest Akdas in deze zaak niet maatgevend te achten. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 14/7176

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 december 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] (Turkije), eiser

(gemachtigde: mr. N. Türkkol),

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: A.P. Prinsen).

Procesverloop

Bij besluit van 1 augustus 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om zijn toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) op zijn uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) te mogen exporteren, afgewezen.

Bij besluit van 21 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2015.

Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen om kenbaar te maken of het arrest Demirci e.a. van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2015 (zaak

C-171/13) consequenties heeft voor het onderhavige bestreden besluit.

Bij brief van 10 april 2015 heeft verweerder gereageerd. Bij brief van 28 april 2015 heeft eiser op de reactie van verweerder gereageerd.

Partijen hebben toestemming gegeven om de zaak zonder zitting af te doen. De rechtbank heeft hierop op 3 september 2015 het onderzoek op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gesloten.

Overwegingen

1. Verweerder heeft met ingang van 30 augustus 2010 aan eiser een WIA-uitkering toegekend in het kader van de regeling Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) alsmede een toeslag ingevolge de TW. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is per 8 augustus 2014 geremigreerd naar Turkije. Op 25 juli 2014 heeft eiser verweerder verzocht om zijn toeslag op zijn WIA-uitkering per 8 augustus 2014 te mogen exporteren.

2. Bij het primaire besluit is de aanvraag van eiser afgewezen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

3. In artikel 4a, eerste lid, van de TW is bepaald dat geen recht op toeslag heeft de persoon, bedoeld in artikel 2, gedurende de periode dat hij niet in Nederland woont.

4. In artikel 6, eerste lid, van Besluit 3/80 van de Associatieraad van 19 september 1980, betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen van de Lid-Staten der Europese Gemeenschappen op Turkse werknemers en hun gezinsleden (Pb. 1983, C 110, blz. 60, hierna: Besluit 3/80) is bepaald dat, tenzij in dit besluit anders is bepaald, de uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom of de uitkeringen aan nagelaten betrekkingen alsmede de renten bij arbeidsongevallen en beroepsziekten, verkregen op grond van een wettelijke regeling van een of meer lidstaten, op generlei wijze kunnen worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurdverklaard op grond van het feit dat de rechthebbende in Turkije woont of op het grondgebied van een andere lidstaat dan die, op het grondgebied waarvan zich het orgaan bevindt dat deze uitkering verschuldigd is.

5. In artikel 59 van het Aanvullend Protocol (het Aanvullend Protocol) bij de Overeenkomst van 12 september 1963 waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (Pb. 1964, 217, blz. 3685, hierna: Associatieovereenkomst) is bepaald dat op de onder dit protocol vallende gebieden, de behandeling van Turkije niet gunstiger mag zijn dan die welke de lidstaten elkaar toekennen krachtens het Verdrag tot oprichting van de Gemeenschap.

6. Op 23 januari 2004 is de Richtlijn 2003/109/EG betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (hierna: de Richtlijn) van 25 november 2003 (Pb. 2004, L 16, blz. 44-53) in werking getreden. Daarin is bepaald dat de Europese Unie een Europese status van langdurig ingezetene toekent aan onderdanen van derde landen die legaal en gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar op het grondgebied van een EU-land hebben verbleven. De richtlijn stemt de nationale wetgevingen en praktijken op het gebied van de toekenning van die status op elkaar af en stelt ook de voorwaarden vast voor verblijf in andere EU-landen dan het land dat de status van langdurig ingezetene heeft toegekend. In artikel 14, eerste lid, van de Richtlijn is bepaald dat een langdurig ingezetene het recht krijgt om gedurende een periode van meer dan drie maanden te verblijven in een andere lidstaat dan die welke hem de status van langdurig ingezetene heeft toegekend, indien wordt voldaan aan de in de Richtlijn gestelde voorwaarden.

7. De Richtlijn is geïmplementeerd in de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). In artikel 45a, tweede lid, van de Vw is bepaald dat de status van langdurig ingezetene permanent is. In artikel 45d, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw is bepaald dat de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen kan worden ingetrokken indien de vreemdeling een aaneengesloten periode van twaalf maanden of langer buiten het grondgebied van de Europese Unie, dan wel zes jaar of langer buiten Nederland heeft verbleven.

8. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser onder de personele werkingssfeer van Besluit 3/80 valt en dat artikel 6 van Besluit 3/80 rechtstreeks van toepassing is. Partijen zijn echter verdeeld over de uitleg van artikel 59 van het Aanvullend Protocol.

9. Eiser heeft aangevoerd dat zijn situatie vergelijkbaar is met die van Akdas in het arrest van het Hof van Justitie van de EU (het Hof) van 26 mei 2011 (Akdas e.a. C-485/07, hierna: arrest Akdas). Volgens eiser kan zijn verblijfsrecht voor de toepassing van artikel 59 van het Aanvullend Protocol niet nuttig worden vergeleken met die van burgers van de Unie.

10. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser – in tegenstelling tot Akdas e.a. – naar Turkije is verhuisd na inwerkingtreding van de Richtlijn. Eiser heeft een verblijfsrecht voor onbepaalde tijd dat mede steunt op de Richtlijn (langdurig ingezetene). Dit verblijfsrecht kan niet verloren gaan door arbeidsongeschiktheid. Aangezien eiser vanwege zijn arbeidsongeschiktheid het land niet hoefde te verlaten – zijn verblijfsrecht steunt immers mede op het Unierecht – is zijn situatie wel nuttig te vergelijken met die van burgers van de Unie. Volgens verweerder wordt daarom wel toegekomen aan toepassing van artikel 59 van het Aanvullend Protocol.

11. De rechtbank overweegt als volgt.

12. Het Hof heeft in het arrest Akdas, onder verwijzing naar zijn vaste rechtspraak (onder andere het arrest van 6 juni 1995 inzake Bozkurt, C-434/93) overwogen dat een Turkse staatsburger die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat heeft behoord in de zin van artikel 6 van Besluit 1/80, aan dit besluit geen recht van voortgezet verblijf op het grondgebied van die staat kan ontlenen, nadat hij door een arbeidsongeval blijvend arbeidsongeschikt is geworden en dus voorgoed de arbeidsmarkt heeft verlaten. In die omstandigheden kan niet met succes worden betoogd dat betrokkenen het grondgebied van Nederland op eigen initiatief en zonder gegronde reden hebben verlaten en dat een dergelijk gedrag leidde tot het verlies van de krachtens de associatie EEG-Turkije verworven rechten. Bijgevolg komt het Hof tot het oordeel dat de situatie van betrokkenen, voor zover zij naar Turkije zijn teruggekeerd nadat zij het recht om in Nederland te verblijven hadden verloren omdat zij er arbeidsongeschikt waren geworden, voor de toepassing van artikel 59 van het Aanvullend Protocol niet nuttig kan worden vergeleken met de situatie van onderdanen van de Unie. Deze laatsten mogen immers vrij reizen en verblijven op het grondgebied van de lidstaten en behouden zo het recht om te blijven wonen in de lidstaat waarin de betrokken prestatie is toegekend, zodat onderdanen van de Unie enerzijds mogen beslissen het grondgebied van die staat te verlaten waardoor zij deze uitkering verliezen en anderzijds steeds naar de betrokken lidstaat mogen terugkeren.

13. De Centrale Raad van Beroep (de Raad) heeft in de uitspraak van 11 november 2011 inzake Akdas e.a. (ECLI:NL:CRVB:2011:BU3180) overwogen dat, nu het verblijfsrecht van Turkse onderdanen rechtstreeks voortvloeit uit het associatierecht en het Hof dit verblijfsrecht bepalend heeft geacht in deze geschillen, hij niet toekomt aan een beoordeling van de vraag of op grond van nationaal recht wellicht nog sprake was van een verblijfsrecht. Ook komt de Raad niet toe aan een beoordeling van de zaken in het licht van de door het UWV genoemde richtlijnen 2003/109 en 2004/38, aangezien betrokkenen voor de datum van inwerkingtreding van Richtlijn 2003/109 naar Turkije zijn teruggekeerd.

14. De rechtbank stelt vast dat eiser de Turkse en niet tevens de Nederlandse nationaliteit heeft. Dat betekent dat eiser niet op één lijn te stellen is met de personen die naast de Turkse ook de nationaliteit van een lidstaat van de Unie hebben, zoals in het arrest van het Hof van 14 januari 2015 inzake Demirci e.a. (C-171/13). Dit arrest is daarom niet onverkort van toepassing op de situatie van eiser. Nu eiser alleen de Turkse nationaliteit heeft en volledig arbeidsongeschikt is, verkeert hij in zoverre in dezelfde situatie als de personen op wie het arrest Akdas betrekking heeft, hetgeen betekent dat eiser in beginsel recht houdt op de toeslag bij remigratie naar Turkije.

15. Gelet op de genoemde overeenkomsten tussen eisers geval en de in het arrest Akdas e.a. beoordeelde gevallen, is het aan verweerder om zijn standpunt dat artikel 59 van het Aanvullend Protocol in deze zaak tot een ander oordeel leidt, van een draagkrachtige onderbouwing te voorzien. Weliswaar is tussen partijen niet in geschil dat eiser na de inwerkingtreding van de Richtlijn naar Turkije is teruggekeerd en dat aan eiser de status van langdurig ingezetene is toegekend, maar verweerder heeft onvoldoende onderbouwd dat deze omstandigheden in het geval van eiser zouden moeten leiden tot een doorbreking van het beoordelingskader in het arrest Akdas, waarin het Hof heeft overwogen dat het verblijfsrecht van Turkse onderdanen rechtstreeks voortvloeit uit het associatierecht. Ten tijde van het wijzen van het arrest Akdas vormde de Richtlijn al een aantal jaar onderdeel van het Unierecht. Het had dan ook voor de hand gelegen dat het Hof daaraan op zijn minst overwegingen had gewijd, mede vanwege het door de verwijzende nationale rechter als problematisch ervaren verschil in behandeling van Unieburgers en Turkse onderdanen. Uit het feit dat dat niet gebeurd is, leidt de rechtbank dan ook af dat die Richtlijn in ieder geval niet in zijn algemeenheid kan leiden tot de door verweerder bepleite uitkomst. Daar komt nog bij dat, inhoudelijk bezien, de verblijfsrechtelijke positie in de EU op grond van de Richtlijn een andere en beduidend zwakkere is dan die van een Turkse onderdaan die tevens in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Bij de toepassing van artikel 59 van het Aanvullend Protocol verschilt eisers situatie inhoudelijk gezien dus wezenlijk van die van Demirci e.a. in het gelijknamige arrest van het Hof.

16. Ten aanzien van het standpunt van verweerder dat eiser vanwege zijn arbeidsongeschiktheid het land niet hoefde te verlaten, omdat zijn verblijfsrecht mede steunt op het Unierecht, stelt de rechtbank voorop dat dit ook niet door eiser is gesteld. Voor zover verweerder hiermee ook bedoelt te zeggen dat het gaat om een vrije keuze van eiser die geen aanspraak zou behoeven te verlenen op een grotere bescherming van export van de toeslag dan die welke EU-onderdanen ontvangen, geeft verweerder daarmee te kennen het in wezen niet eens te zijn met het arrest Akdas. Dat is voor de rechtbank echter geen grond om dat arrest in deze zaak niet maatgevend te achten. Nog daargelaten dat eiser zijn EU-verblijfsstatus kan verliezen indien hij twaalf aaneengesloten maanden buiten de EU heeft verbleven.

17. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. Bij deze uitkomst wijst de rechtbank het verzoek van eiser om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof af.

18. Nu gesteld noch gebleken is van een andere mogelijke grond tot beëindiging van de toeslag en afwijzing van de aanvraag van eiser, zal de rechtbank voorts het primaire besluit herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het te vernietigen bestreden besluit. Dat betekent onverkorte uitbetaling van de toeslag. Verweerder dient over te gaan tot uitkering aan eiser van de achterstallige bedragen.

19. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen tot betaling van de proceskosten in beroep. Deze kosten worden begroot op € 980,- (1 punt voor het verschijnen ter zitting en 1 punt voor het indienen van een beroepschrift, waarde per punt € 490,-). Tot slot dient verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit van 1 augustus 2014 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 980,- te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M.M. Schenk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

2 december 2015.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.