Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:8799

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-12-2015
Datum publicatie
10-12-2015
Zaaknummer
13/520094-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De voormalige directeur van woningcorporatie Rochdale krijgt tweeënhalf jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2016/54
FutD 2015-3007
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/520094-09

Datum uitspraak: 10 december 2015

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

1.1.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 22, 26 (inhoudelijke behandeling), 27 (requisitoir) en 29 oktober 2015 (pleidooi), 3 (repliek) en 4 (dupliek en laatste woord verdachte) november 2015 en 3 december 2015 (sluiting).

1.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. M.A. Boheur en M.J. Dontje en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. P.T.C. van Kampen, naar voren hebben gebracht.

2 Inleiding

Op 1 oktober 2007 is de Belastingdienst een onderzoek gestart naar de aangiften vennootschapsbelasting van Nawon Holding B.V. Nawon was een bedrijf dat zich richtte op beleggingen in vastgoed waarvan [naam 1] de directeur was. Uit dat boekenonderzoek kwam naar voren dat Nawon en [naam 1] gelden hadden overgemaakt voor de aanschaf en inrichting van een op naam van verdachte aangeschaft appartement in [plaats] . Verdachte was op dat moment bestuursvoorzitter van de Woningstichting Rochdale. Nawon had een deel van het woningbezit van Rochdale gekocht.

Op 27 november 2008 is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld. Op 13 maart 2009 is namens Rochdale aangifte gedaan tegen verdachte onder meer wegens verduistering in dienstbetrekking. In de aangifte van Rochdale wordt melding gemaakt van het gebruikmaken van telefoons van Rochdale door familieleden van verdachte en het doen van privéuitgaven door verdachte met creditcards van Rochdale. De aangifte van Rochdale is voornamelijk gebaseerd op het forensisch accountantsonderzoek dat Rochdale door Deloitte heeft laten uitvoeren.

Uit het strafrechtelijk onderzoek is naar voren gekomen dat naast betalingen die door Nawon/ [naam 1] zijn verricht voor een appartement van verdachte, [naam 1] een Spaanse villa aan verdachte ter beschikking heeft gesteld en andere betalingen ten behoeve van verdachte heeft verricht. In de periode dat [naam 1] deze betalingen heeft verricht, hebben diverse vastgoedtransacties plaatsgevonden tussen Rochdale en Nawon. Dit heeft geleid tot de verdenking dat verdachte zich heeft laten omkopen door [naam 1] .

Uit het onderzoek is verder naar voren gekomen dat [naam 2] die tot 1 juni 2009 bestuurder en enig aandeelhouder van de [naam 7] was, een bedrijf dat sloopwerkzaamheden verricht, drie keer geld heeft overgemaakt naar Spanje ten behoeve van verdachte. Tevens zou verdachte twee auto’s ter beschikking hebben gekregen van [naam 7] / [naam 2] . In de periode van het ter beschikking stellen van de auto’s en de overgemaakte bedragen zijn er diverse sloopopdrachten aan [naam B.V.] , een van de werkmaatschappijen van de [naam 7] gegund door Rochdale. Een en ander heeft geleid tot de verdenking dat verdachte steekpenningen heeft aangenomen van [naam 7] / [naam 2] .

Tijdens het strafrechtelijk onderzoek heeft het Openbaar Ministerie een kopie van een factuur van [bedrijfsnaam] , de toenmalige echtgenote van verdachte, gericht aan A.M. Development International B.V, ontvangen. Deze vennootschap investeert in, ontwikkelt en beheert grootschalig gemengd gebruik van winkelcentra en binnenstedelijke projecten. In de desbetreffende factuur staat dat [bedrijfsnaam] . advieswerkzaamheden heeft verricht voor A.M. Development International B.V. Aangezien het vermoeden was dat [naam 3] geen werkzaamheden heeft verricht, is de verdenking gerezen dat zij en verdachte deze factuur valselijk hebben opgemaakt. De betaling van deze factuur heeft plaatsgevonden op de dag vóórdat een omvangrijke transactie met Rochdale werd gesloten. A.M. Development International B.V. verkoopt dan het Bruggebouw aan het Bos en Lommerplein in Amsterdam aan Rochdale voor ongeveer 38 miljoen euro en wordt gezien als een steekpenning voor verdachte.

Het onderzoek heeft verder geleid tot de verdenking dat verdachte onjuiste belastingaangiften heeft gedaan en dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan (gewoonte)witwassen. Ten slotte wordt verdachte ervan beschuldigd dat hij meineed heeft gepleegd tijdens zijn verhoor bij de Parlementaire Enquêtecommissie Woningcorporaties.

3 Tenlastelegging

3.1.

Aan verdachte is na wijzigingen van de tenlastelegging op de terechtzitting van 3 december 2014, 22 oktober 2015 en 3 november 2015 – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, heeft schuldig gemaakt aan:

  1. Verduistering in dienstbetrekking en/of diefstal en/of oplichting (artikel 321 en 322, 310 en 326 van het Wetboek van Strafrecht).

  2. Niet-ambtelijk (passieve) omkoping, subsidiair en meer subsidiair ambtelijke (passieve) omkoping door [naam 2] en/of [naam 1] en/of A.M. Development International B.V. (artikel 328ter, 177 en 177a van het Wetboek van Strafrecht).

  3. (Gewoonte)witwassen (artikel 420bis/ter van het Wetboek van Strafrecht).

  4. Opzettelijk onjuist en/of onvolledig doen van belastingaangifte over de jaren 2003, 2005 en 2007 (Artikel 69 van de Algemene wet op de Rijksbelastingen);

  5. Valsheid in geschrift en het voorhanden hebben van een vals geschrift (artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht).

  6. Meineed ten overstaan van de Parlementaire Enquêtecommissie Woningcorporaties (artikel 207 van het Wetboek van Strafrecht).

3.2.

De tekst van de integrale (gewijzigde) tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

4.1.

De geldigheid van de dagvaarding

4.1.1.

De raadsvrouw heeft ter zitting van 22 oktober 2015 als preliminair verweer aangevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde (gewoontewitwassen) nietig is omdat volgens haar sprake is van een obscuur libel. Zij heeft samengevat het volgende betoogd. Het is de verdediging tegen de achtergrond van het dossier volstrekt onduidelijk wat verdachte nu precies wordt verweten. Het gaat hier om een kakafonie van beschuldigingen, te weten vijf juridische gedragingen (verwerven, voorhanden hebben, overdragen, omzetten en gebruik maken), gecombineerd met negen verschillende voorwerpen/geldbedragen. Het Openbaar Ministerie dient in zo’n geval in de tenlastelegging te duiden waaruit de strafbare handeling – de verbergings- of de verhullingshandeling met betrekking tot de criminele herkomst van het voorwerp – dan zou hebben bestaan omdat eerst met die handeling sprake is van witwassen.

4.1.2.

De rechtbank heeft het verweer verworpen en als volgt overwogen. Beoordeeld moet worden of de beschuldiging van witwassen in samenhang met het dossier voldoende duidelijk is in die zin dat verdachte geacht moet worden te begrijpen waartegen hij zich moet verdedigen en het de rechtbank ook duidelijk is wat verdachte wordt verweten. Vooropgesteld moet worden dat het verbergen of verhullen geen bestanddeel is van het ten laste gelegde witwassen, te weten artikel 420bis, eerste lid onder b van het Wetboek van Strafrecht in verbinding met artikel 420ter van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging voldoet aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering en dat duidelijk is waartegen verdachte zich moet verdedigen. De visie van de verdediging dat het Openbaar Ministerie gehouden is de verbergings- of verhullingshandeling in de tenlastelegging te vermelden, deelt de rechtbank niet. De vraag of sprake is geweest van een verbergings- en/of verhullingshandeling komt pas na een eventuele bewezenverklaring aan de orde als de vraag moet worden beantwoord of het bewezenverklaarde als strafbaar feit kan worden gekwalificeerd. De rechtbank merkt ten overvloede op dat aan de termen ‘verbergen en/of verhullen’, die ontleend zijn aan artikel 420bis aanhef en sub a van het Wetboek van Strafrecht, voldoende feitelijke betekenis toe komt (HR 9 september 2008, NJ 2008/496). De rechtbank verwerpt het verweer.

4.1.3.

De rechtbank heeft ter zitting van 22 oktober 2015 naar aanleiding van een daartoe strekkend verweer en overeenkomstig de vordering van het Openbaar Ministerie het onder 4 ten laste gelegde voor zover het betreft de zinsnede “en/of voordeel uit sparen en beleggen” partieel nietig verklaard. Ten aanzien van het overige onder 4 ten laste gelegde is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de inhoud van het desbetreffende zaaksdossier, het voor verdachte en rechtbank voldoende duidelijk is wat hem wordt verweten. Zij heeft het verweer van de verdediging dat dit niet het geval is daarom verworpen.

4.2.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

4.2.1.

De raadsvrouw heeft met betrekking tot het onder 6 ten laste gelegde (meineed) betoogd dat het Openbaar Ministerie (OM) niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte. Zij heeft hiertoe een drietal gronden aangevoerd.

1. Door verdachte onder de na te noemen omstandigheden te vragen naar mogelijk gepleegde strafbare feiten is hij door de Parlementaire Enquêtecommissie Woningcorporaties (PEC), zijnde een centraal orgaan van de Staat, aangezet tot het plegen van meineed. De Staat heeft daarmee bewust inbreuk gemaakt op een lopende strafzaak. Immers:

  1. De keuzemogelijkheid om of naar waarheid verklaren of te weigeren te verklaren, is verdachte niet voorgelegd. Daarbij komt dat niet alleen de eerste optie maar ook de tweede optie het risico op een strafrechtelijke vervolging mee brengt. Indien de enquêtecommissie volhardt in de vraag en de getuige volhardt in zijn weigering te verklaren, kan gijzeling volgen en loopt de getuige het substantiële risico op strafvervolging wegens schending van de getuigplicht. Bovendien is het de vraag of een weigering een vraag te beantwoorden met verwijzing naar een belastend antwoord daarop, feitelijk niet evenzeer een bevestigend antwoord op de vraag is. De ‘bescherming’ die artikel 30 van de Wet op de parlementaire enquête 2008 (WPE) biedt, is een schijnzekerheid. Dat die verklaring van het bewijs wordt uitgesloten, sluit niet uit dat een publieke bekentenis anderszins een rol kan spelen in een strafzaak bijvoorbeeld in de rechterlijke overtuiging. De keuzemogelijkheid van verdachte was de facto geheel afwezig, waardoor hij in een dwangpositie is geplaatst. Verdachte heeft aldus in een overmachtssituatie verkeerd.

  2. Parallel aan het parlementaire-enquêteonderzoek liep een strafrechtelijk onderzoek tegen verdachte, dat daaraan in tijd zelfs vooraf ging, en waarin hij reeds als verdachte was aangemerkt.

  3. Tussen de PEC en het OM vond overleg plaats over de verschillende onderzoeken.

  4. De gestelde vraag was niet van belang voor het parlementaire-enquêteonderzoek, maar wel relevant voor het strafrechtelijk onderzoek.

  5. De gestelde vraag betrof de essentie van het strafrechtelijk verwijt.

Leden van een parlementaire-enquêtecommissie dienen in de termen van het EHRM bij uitstek te worden aangemerkt als “state agents”. Zij behoren zich ervan te onthouden burgers te brengen tot het plegen van (vermeend) strafbare feiten die zonder die betrokkenheid niet zouden zijn gepleegd. Indien de nationale wetgeving toelaat dat het resultaat daarvan gebruikt kan worden als bewijs van dat strafbare feit, dan voldoet dat nationale recht niet aan het vereiste van een eerlijk proces. De beslissing van het OM verdachte vervolgens naast niet-ambtelijke (passieve) omkoping voor meineed te vervolgen is in strijd met alle beginselen geldend in een democratische rechtsstaat.

Primair is hierop (een variant van) het Tallon-criterium van toepassing, dat ook voor leden van een parlementaire-enquêtecommissie geldt. Wegens schending van dit criterium dient het OM niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Subsidiair geldt dat het OM het bovenbedoelde optreden van de PEC geïnitieerd dan wel (minst genomen) gefaciliteerd heeft (Vgl. HR 10 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7636) nu blijkt dat deze commissie in het kader van haar onderzoek werkafspraken heeft gemaakt met het OM met het oog op lopende strafrechtelijke onderzoeken. Het is onmogelijk dat de PEC geen kennis genomen heeft van het procesdossier van verdachte en niet wist dat hij de feiten ontkende. De opmerking van de commissie dat zij zich ervan heeft vergewist dat haar onderzoek geen inbreuk maakt op lopende strafzaken, impliceert dat de vragen aan verdachte tijdens het openbaar verhoor met het OM moeten zijn afgestemd.

2. De tweede grond voor het niet-ontvankelijkheidsverweer betreft een schending van het nemo-teneturbeginsel, dat inhoudt dat niemand gedwongen mag worden mee te werken aan zijn eigen veroordeling.

De (ontkennende) verklaring van verdachte, die onder ede stond tijdens het PEC-verhoor, is onder dwang afgelegd. Zie in dit verband met name de arresten van het EHRM inzake Saunders, Marttinen en Quinn.

Indien aan een verdachte, beëdigde getuige niet wordt voorgehouden dat hij het recht heeft om te zwijgen, dan kan de afgelegde verklaring niet als bewijs worden gebruikt in het geval van bestaande samenloop tussen verschillende procedures, waarvan er één strafrechtelijk van aard is. In deze situatie wordt immers doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijk proces tekort gedaan. Met inachtneming van het Zwolsman-criterium moet dit leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM.

Het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2003 (NJ 2003, 711) en het daarop gevolgde arrest van het EHRM van 23 maart 2006 (Van Vondel t. Nederland, 38258 EHRC 2006/80) waar het OM op heeft gewezen, zijn in de onderhavige situatie niet van toepassing. In die zaak bestond immers, anders dan hier het geval is, nog geen criminal charge op het moment dat de getuige onder ede werd gehoord.

3. De derde grond betreft het ontbreken van een redelijk belang van het OM bij de onderhavige vervolging. De PEC heeft geen aangifte gedaan van meineed en de voorzitter van de PEC heeft bij de presentatie van het eindrapport opgemerkt dat er voor de commissie daartoe geen aanleiding was. Hieruit volgt dat de waarheidsvinding naar het oordeel van de PEC niet in het geding was.

4.2.2.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.2.2.1. Op 6 juni 2014 is verdachte in zijn hoedanigheid van bestuursvoorzitter van Rochdale als getuige onder ede gehoord door de Parlementaire Enquêtecommissie Woningcorporaties (PEC) tijdens een openbaar verhoor (het PEC-verhoor). In het stenografisch verslag van dit verhoor staat vermeld:

“Mevrouw Hachchi: Hebt u ooit geld of gunsten aangenomen voor eigen voordeel?”

De heer [verdachte] : Nooit.

De heer Oskam: Mijn laatste vraag. Mevrouw Hachchi vroeg of u ooit geld, gunsten of steekpenningen hebt aangenomen. U antwoordde daarop met een volmondig “nee, nooit”. Nou lopen er twee gescheiden trajecten: een strafzaak bij het Openbaar Ministerie – daar hebben wij geen inzage in – en deze parlementaire enquête. Dit is weer een heel andere rechtsgang, zal ik maar zeggen. De verdenking dat u gunsten en steekpenningen hebt aangenomen, is er wel.

De heer [verdachte] : Ze zijn me nog nooit aangeboden en ik heb ze nog nooit gevraagd.

De heer Oskam: Dus: het wordt vrijspraak.

De heer [verdachte] : Voor mij wel.”

4.2.2.2. De doelstelling van de PEC was om “inzicht te verschaffen in de opzet en werking van het stelsel van woningcorporaties om te komen tot waarheidsvinding en beoordeling van het stelsel en zo bij te dragen aan ontwikkeling van toekomstig beleid.” Het verhoor van verdachte vond plaats in het kader van een deelonderzoek naar aanleiding van “incidenten bij woningcorporaties waar laakbaar gedrag door het interne en externe toezicht onvoldoende en te laat is onderkend”. De centrale vraag bij dit deelonderzoek luidde: “of de onderzochte casussen uitsluitend incidenten zijn of dat het ook symptomen zijn van structurele tekortkomingen in het stelsel van woningcorporaties”.

4.2.2.3. In het Hoofdrapport van de PEC1 staat vermeld: “De commissie legde, met het oog op lopende strafrechtelijke onderzoeken, contact met de Minister van Veiligheid en Justitie en maakte werkafspraken met betrekking tot informatieverstrekking door hem en het onder hem ressorterende Openbaar Ministerie (OM). De werkafspraken berusten op wederzijds begrip voor ieders verantwoordelijkheden. De commissie hanteerde in de op de werkafspraken gebaseerde contacten met het OM het uitgangspunt dat zij haar eigen onderzoek uitvoert en daarvoor onbelemmerd kennis kan nemen van alle voor haar onderzoek benodigde informatie. De commissie kon zo zelf een afgewogen keuze maken om tijdens de openbare verhoren desgewenst alle onderwerpen aan de orde te stellen die zij noodzakelijk achtte voor het onderzoek. De commissie heeft zich ervan vergewist dat haar onderzoek geen inbreuk maakt op lopende strafzaken.”

4.2.2.4. Ingevolge artikel 30 WPE mag wat ten overstaan van een parlementaire-enquêtecommissie wordt verklaard, niet als bewijs in een strafzaak worden gebruikt. Ingevolge artikel 32 WPE is dat slechts anders indien sprake is van (onder meer) een meinedige verklaring.

4.2.2.5. Uit de Memorie van Toelichting op de WPE2 blijkt dat bewust gekozen is om geen verschoningsrecht op te nemen voor personen die verplicht worden tot medewerking aan de verhoren omdat de artikelen 29 en 30 die personen voldoende bescherming bieden. Het opnemen van een dergelijk recht zou het belang van informatievergaring door de enquêtecommissie in feite ondergeschikt maken aan het strafproces.

4.2.2.6. De rechtbank zal de eerste twee gronden in onderlinge samenhang bezien beoordelen. Beide gronden zijn in essentie gefundeerd op het standpunt dat het PEC-verhoor in relatie tot de beoogde vervolging door het OM inzake meineed in het onderhavige geval strijdig is met artikel 6 EVRM. In het bijzonder doelt de raadsvrouw op de vraag van PEC-lid Hachchi en de opmerking van PEC-lid Oskam die in de tenlastelegging staan waarop betrokkene heeft geantwoord. De desbetreffende vraag en de opmerking worden hierna gezamenlijk aangeduid als “de vraagstelling”.

4.2.2.7. De rechtbank stelt voorop dat de parlementaire-enquêteprocedure, geregeld in de WPE, een procedure is die in beginsel los staat van en een ander doel dient dan de strafrechtelijke procedure. Hieruit volgt dat de rechtbank terughoudendheid dient de betrachten indien haar een oordeel wordt gevraagd ten aanzien van de gang van zaken tijdens die procedure in een concreet geval. De vraag is of het PEC-verhoor moet worden aangemerkt als een criminal charge als bedoeld in artikel 6 EVRM. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is.

4.2.2.8. Hiervoor is uiteengezet in welk kader het PEC-verhoor van verdachte plaatsvond. De specifieke onderzoeksvraag luidde of dit uitsluitend incidenten waren of ook symptomen van structurele tekortkomingen in het stelsel. In dat kader is verdachte als beëdigd getuige gehoord door de PEC. De in het geding zijnde vraagstelling in het PEC-verhoor was gericht op omkoping als mogelijk laakbaar gedrag van de bestuursvoorzitter van Rochdale. Deze vraagstelling was dus relevant voor het PEC-onderzoek, gelet op de strekking en doelstelling daarvan. Dit parlementaire onderzoek was, gegeven de parlementaire taken, gericht op waarheidsvinding en het vaststellen van feiten door middel van, onder meer, het horen van verdachte. De vraagstelling betrof niet het vaststellen van schuld aan strafbare feiten en was ook geen verkapte vorm van strafrechtelijk onderzoek. Er was geen sprake van een verhoor met het (enkele) doel de reeds gaande strafrechtelijke opsporing verder te helpen.

4.2.2.9. Dat sprake was van feitelijke overlap met een reeds bestaande strafrechtelijke verdenking van omkoping kan evenmin leiden tot een schending van artikel 6 EVRM. Het bestaan van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar gesteld feit stond niet in de weg aan het uitoefenen van bevoegdheden door de PEC. Op grond van artikel 30 WPE was verdachte ervan verzekerd dat een verklaring naar waarheid niet als bewijs in de strafzaak zou hebben kunnen gelden, ook niet nu de vraagstelling, als aangegeven door de raadsvrouw, feitelijk de kern van de strafrechtelijke verdenking raakte. De raadsvrouw heeft niet aannemelijk kunnen maken dat het getuigenverhoor als zodanig verdachtes strafrechtelijke positie heeft geraakt en overigens was het strafrechtelijk opsporingsonderzoek jegens verdachte reeds afgerond ten tijde van het PEC-verhoor.

4.2.2.10. Van relevante dwang was, gelet op deze bescherming, geen sprake. Dat, als aangevoerd door de raadsvrouw, de PEC bij aanvang van het verhoor verdachte niet gewezen heeft op de mogelijkheid niet te antwoorden ten aanzien van de genoemde specifieke vraag, maakt dit niet anders. Doorslaggevend is immers dat een naar waarheid afgelegde verklaring niet als bewijs gebruikt mag worden in een strafrechtelijke procedure. Hier is sprake van een wettelijke bewijsuitsluitingsgrond. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever oog heeft gehad voor de dilemma’s die verbonden zijn aan de plicht van een beëdigde getuige. Dit alles overziend, is de rechtbank van oordeel dat de aan betrokkene als verdachte toekomende waarborgen door de bewijsuitsluiting ex artikel 30 WPE op afdoende wijze in overeenstemming met artikel 6 EVRM in acht zijn genomen.

4.2.2.11. De rechtbank stelt volledigheidshalve vast dat de vervolging niet gericht is op een verklaring naar waarheid, maar op de door verdachte afgelegde verklaring die verondersteld meinedig is. Ingevolge artikel 32 WPE ziet de bewijsuitsluiting van artikel 30 WPE niet op meinedige verklaringen. Het nemo-teneturbeginsel heeft geen betrekking op het afleggen van onware verklaringen. Het beschermt tegen het gedwongen zijn om opening van zaken te geven en niet op het tegendeel daarvan. Ook om die reden kan geen sprake zijn van een inbreuk op artikel 6 EVRM.

4.2.2.12. Dit oordeel is in lijn met de genoemde arresten van de Hoge Raad en het EHRM in de zaak Van Vondel. Dat anders dan in die zaak, hier wel sprake is van een reeds bestaande strafrechtelijke verdenking, is daarbij niet van belang.

4.2.2.13. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is geweest van een inbreuk op artikel 6 EVRM door het PEC-verhoor als zodanig en evenmin in relatie tot de strafrechtelijke vervolging van verdachte ter zake van de door hem tijdens het PEC-verhoor afgelegde verklaring.

4.2.2.14. Hieruit volgt dat op die basis niet wordt toegekomen aan een beoordeling van de overige verweren. Ook overigens is niet gebleken van een zodanige betrokkenheid van het OM bij het PEC-verhoor, dat hieruit op zichzelf reeds voortvloeit dat artikel 6 EVRM is geschonden. Uit de enkele omstandigheid dat de PEC in het kader van het parlementaire-enquêteonderzoek werkafspraken heeft gemaakt met het OM, kan niet worden afgeleid dat het OM op onrechtmatige wijze aan de PEC informatie uit het strafrechtelijk onderzoek heeft verstrekt, de desbetreffende vragen met de PEC heeft afgestemd dan wel anderszins een zodanige beïnvloedende rol heeft gespeeld in dit verhoor, dat ernstig inbreuk is gemaakt op beginselen van behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

4.2.2.15. De conclusie is dat het niet-ontvankelijkheidsverweer in zoverre wordt verworpen.

4.2.2.16. Ten aanzien van het verweer dat het OM geen redelijk belang heeft bij de vervolging voor meineed en om die reden niet-ontvankelijk is, geldt het volgende:

In artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is het zogenoemde opportuniteitsbeginsel neergelegd. De beslissing om al dan niet tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing. Alleen in uitzonderlijke gevallen is plaats voor een niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. De rechtbank ziet in de enkele omstandigheid dat de PEC, hoewel daartoe bevoegd, geen aangifte heeft gedaan van meineed geen zodanige omstandigheid dat geen redelijk handelend lid van het OM heeft kunnen oordelen dat met het instellen van de vervolging voor meineed enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Ook dit onderdeel van het niet-ontvankelijkheidsverweer wordt daarom verworpen.

4.2.2.17. De conclusie is dat het niet-ontvankelijkheidverweer in al zijn onderdelen wordt verworpen. Het Openbaar Ministerie is daarom ontvankelijk in de vervolging.

5 Waardering van het bewijs

5.1.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officieren van justitie hebben gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle 6 ten laste gelegde feiten en gevorderd verdachte op onderdelen vrij te spreken dan wel te ontslaan van alle rechtsvervolging.

5.1.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft overeenkomstig de door haar overgelegde pleitaantekeningen integrale vrijspraak bepleit.

5.1.3.

Feiten en omstandigheden

Hierna zal de rechtbank per ten laste gelegd feit de feiten en omstandigheden bespreken in verband met de vraag of de ten laste gelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van de bewijsmiddelen zoals die in de voetnoten zijn genoemd.3 Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

5.2.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

5.2.1.

De beschuldiging

Verdachte wordt er kort gezegd van beschuldigd dat hij in de periode 2007 - 2008 in privé gemaakte mobieletelefoonkosten ten laste van Rochdale heeft laten komen en dat hij privéuitgaven heeft betaald met creditcards van Rochdale en zich aldus schuldig heeft gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking, diefstal en/of oplichting.

De officier van justitie heeft deze beschuldiging nader geconcretiseerd in die zin dat een bewezenverklaring dient te volgen ter zake van verduistering in dienstbetrekking betreffende de belkosten en voor oplichting wat betreft de creditcarduitgaven.

5.2.2.

Feiten en omstandigheden

5.2.2.1. Belkosten

Aan verdachte zijn in de loop van zijn dienstverband, maar in ieder geval vanaf 2001, door (de rechtsvoorgangers van) Rochdale verscheidene mobiele telefoons ter beschikking gesteld met nummers eindigend op #4653; #0501; #8100; #1691 en #8921. De telefoons stonden op naam van verdachte en de nota’s werden door Rochdale voldaan.4

De telefoons met de nummers eindigend op #4653 en #8921 waren in gebruik bij verdachte.5 De nummers #0501 en #1691 waren in gebruik bij de zoon en dochter van verdachte.6 Verdachte heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat het gebruik van deze laatstgenoemde telefoonnummers en de betaling van de daaraan verbonden kosten door Rochdale samenhing met de kritieke gezondheidstoestand van zijn in oktober 2001 overleden echtgenote en dat dit in samenspraak met en met goedvinden van Rochdale had plaatsgevonden.7 Verdachte heeft voorts verklaard dat hij, achteraf bezien, dit gebruik door zijn kinderen eerder had moeten beëindigen,8 zeker een jaar na het overlijden van zijn echtgenote en dit heeft verzuimd omdat hij het vergeten was.

Het telefoonnummer eindigend op #8100 is in gebruik geweest bij verdachtes toenmalige echtgenote [naam 3] .9 Verdachte heeft dit erkend10 maar heeft verklaard dat het gebruik van dit telefoonnummer samenhing met haar werkzaamheden voor Suriscoop en als zodanig daarmee zakelijk gebruik betrof.

Op grond van het bij Rochdale geldende en bij verdachte bekende beleid, was niet toegestaan deze uit te lenen of aan anderen ter beschikking te stellen.11

5.2.2.2. Creditcards

Aan verdachte zijn in de loop van zijn dienstverband door (de rechtsvoorgangers van) Rochdale verschillende creditcards ter beschikking gesteld, waarbij relevant zijn voor de beschuldiging de kaarten met de nummers eindigend op #5731 en #2083.12 Deze creditcards werden aan verdachte persoonlijk ter beschikking gesteld.

Verdachte gebruikte deze creditcards zowel zakelijk als voor privéuitgaven. Hij gaf vervolgens bij de interne controleur [naam 4] van Rochdale aan of het een zakelijke post, een privépost dan wel een bespreekpost was. De als privéuitgave aangemerkte bedragen werden dan op verdachtes salaris in mindering gebracht.13 Met deze creditcards werd een breed scala aan uitgaven voldaan. Enerzijds betroffen dit uitgaven voor brandstof en anderzijds diverse consumptieve uitgaven, etentjes, hotelovernachtingen en relatiegeschenken.14 Verdachte verstrekte bij de opgave van de uitgaven niet of nauwelijks de op die transacties betrekking hebbende bonnen en zou daar veelal later op terugkomen. Bij gelegenheid van de (externe) accountantscontrole zijn over deze gang van zaken geen opmerkingen gemaakt. In onder meer de periode van de non-actiefstelling van verdachte is onderzoek gedaan naar deze uitgaven en is aanvullend onderzoek gedaan vanwege Rochdale door de forensische accountants van Deloitte. In dat kader is verdachte in de gelegenheid gesteld om te reageren op de in dat verband vastgestelde voorlopige bevindingen. Bij monde van zijn toenmalige raadslieden is van die gelegenheid gebruikt gemaakt.15 Die bevindingen zijn grotendeels overgenomen door het FIOD in het kader van het strafrechtelijk onderzoek tegen verdachte.

5.2.3.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de belkosten wordt als volgt overwogen. Als Rochdale al bekend was met het feit dat verdachte vijf telefoonnummers op zijn naam had, is niet aannemelijk geworden dat Rochdale al dan niet stilzwijgend had goedgekeurd dat de telefoons door zijn vrouw en kinderen gebruikt werden.

De rechtbank ziet het gebruik van de telefoon #8100 door [naam 3] als privégebruik van verdachte.16

Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom de verduistering in dienstbetrekking door verdachte van belminuten en/of sms-berichten en/of abonnementskosten worden bewezen.

Ten aanzien van de creditcarduitgaven blijkt dat aan de hand van de door verdachtes secretaresses bijgehouden agenda17, de rittenstaten van zijn chauffeur en de overzichten van de via zijn creditcards voldane betalingen een overzicht c.q. onderscheid is gemaakt tussen de zakelijke en privé(creditcard)uitgaven van verdachte.

De stelling van de verdediging dat daarbij ten onrechte voorbij is gegaan aan het feit dat naast de zakelijke digitale agenda een privéagenda werd bijgehouden met vooral de zakelijke weekenduitgaven wordt door de rechtbank verworpen. Gezien de vaststelling dat nagenoeg alle afspraken van verdachte via zijn secretaresses liepen en dat daar ook vakanties, vrije en bijzondere dagen werden genoteerd,18 kan ervan worden uitgegaan dat vrijwel alle zakelijk (enigszins) relevante afspraken geregistreerd waren. Daarbij komt dat daar waar verdachte gebruik kon maken van zijn dienstauto met chauffeur alle brandstofkosten via de tankpas van diens chauffeur liepen. Van die ritten zijn, zoals hiervoor overwogen, door de chauffeur rittenstaten bijgehouden.

Hoewel niet kan worden uitgesloten dat verdachte incidenteel gebruik moest maken van eigen vervoer, had het voor de hand gelegen dat dan niet de gehele tankbeurt door verdachte als zakelijk zou worden aangemerkt maar slechts een deel van die kosten en dat daarbij een kilometerboekhouding zou zijn bijgehouden, wat niet het geval is geweest.

Overigens kan worden gewezen op de onder D-0802 en D-08009A opgemaakte creditcardoverzichten waarin slechts incidenteel uitgaven als privé worden aangemerkt. Indien die beoordeling heeft plaatsgevonden aan de hand van de kennelijk door verdachte zelf aangelegde maatstaf kunnen daarbij grote vraagtekens worden geplaatst. Sprekend voorbeeld is de uitgave ten behoeve van het huwelijksjubileum in Antwerpen. Verdachte heeft een bedrag van € 1.567,00 aangemerkt als ‘zk’. De rechtbank gaat ervan uit dat deze aantekening van verdachte is geplaatst omdat sprake was van een in zijn ogen zakelijke uitgave.19 Alle in het dossier aanwezige documenten en de verklaringen van de getuigen wijzen evenwel op het tegendeel.

Het voorgaande uitgangspunt – de zakelijke agenda is een voldoende betrouwbare basis voor de zakelijk c.q. privébeoordeling – betreft ook de kosten die door verdachte tegelijkertijd in Spanje en Nederland zijn gemaakt en door hem als zakelijk zijn aangemerkt. Aangenomen mag worden dat een wezenlijk deel van die uitgaven ziet op door verdachte of diens toenmalige echtgenote verrichte privéuitgaven.

Voor zover verdachte heeft willen betogen dat hij zakelijke activiteiten in Spanje heeft verricht, is daarvan niet gebleken.

Verdachte heeft vanuit zijn positie als leidinggevende de interne controleur [naam 4] en daarmee Rochdale stelselmatig een rad voor ogen gedraaid door voor te wenden dat sprake was van zakelijke in plaats van privéuitgaven.

Voor het antwoord op de vraag of sprake is van oplichting, komt het aan op alle omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoren de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer. Dat noch bij de interne noch bij de externe controle voldoende kritische vragen zijn gesteld disculpeert verdachte niet. Door stelselmatig te liegen over de ware aard van de kosten, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van listige kunstgrepen of een samenweefsel van verdichtsels.

De rechtbank acht dan ook de oplichting door verdachte als beschreven in de tenlastelegging bewezen.

5.3.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

5.3.1.

De beschuldiging

Verdachte wordt er kort gezegd van beschuldigd dat hij giften heeft aangenomen van [naam 1] , directeur van Nawon en van [naam 2] , directeur van Recycling Maatschappij [naam 7] Amsterdam B.V. en van A.M. Development International B.V. en dat hij die giften in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever, Woningstichting Rochdale.

5.3.2.1. Feiten en omstandigheden verdachte

Verdachte is op 1 april 1984 gaan werken bij de Beheersstichting Patrimonium.20 Op 1 januari 1994 is hij algemeen directeur geworden bij Woningstichting Patrimonium.21 Deze stichting is gefuseerd met Woningstichting Rochdale.22 Op 1 januari 2004 is verdachte voorzitter van de Raad van Bestuur van Rochdale geworden.23 Op 30 januari 2009 is hij door Rochdale ontslagen.24

Verdachte was als bestuursvoorzitter bij Rochdale de eindverantwoordelijke ten aanzien van de beslissingen betreffende de aankoop, verkoop, herontwikkeling en verhuur van onroerend goed.25 Hij had een belangrijke stem in de aankopen.26 Bij Rochdale bestond een bestuursreglement waarin onder andere het mandaat van de bestuurder was opgenomen. Verdachte had een mandaat van 50 miljoen euro. Hij had voor beslissingen tot dat bedrag vooraf geen toestemming nodig van de Raad van Commissarissen.27 Hij is op 6 juni 2003 getrouwd met [naam 3] en heeft twee kinderen, [kind 1] en [kind 2] .28

5.3.2.2. Feiten en omstandigheden aannemen giften van [naam 1]

( [naam 1] ) was directeur van Nawon Holding B.V. Deze rechtspersoon is opgericht op 30 december 1977. Onder deze holding hing Nationale Woning Bezit Groep (NWBG). Deze vennootschap is opgericht op 15 februari 2000. De handelsnaam is Nawon. In de NWBG vonden de activiteiten plaats, maar verdachte gebruikte altijd de naam Nawon.29 richtte zich met Nawon op het beleggen in vastgoed en was haar enig directeur en leidinggevende.

In 1995 of 1996 heeft verdachte [naam 5] , projectverwerver bij Smits Bouw Bedrijf, benaderd met de vraag of hij een vertrouwde relatie kende voor het kopen van complete pakketten huurwoningen, omdat verdachte geen losse huurwoningen, maar een compleet flatgebouw met huurwoningen wilde verkopen. De aankoop voor een compleet flatgebouw liep hierdoor op tot investeringen tussen de 20 en 25 miljoen gulden. [naam 5] heeft vervolgens verdachte en [naam 1] bij elkaar gebracht voor die ver- en aankoop van dergelijke pakketten huurwoningen.30

In 1997 heeft Nawon haar eerste transactie in dat kader met Rochdale gesloten. Het betrof de aankoop van het pakket [naam project] . Nadien heeft Rochdale verschillende onroerendgoedpakketten verkocht aan Nawon. In totaal was hier een bedrag van
€ 117.826.210 mee gemoeid. De laatste twee pakketten huurwoningen (Geldershoofd en Hogevecht) zijn op respectievelijk 30 november 2006 en 28 december 2007 verkocht waarbij het ging om onderscheidenlijk bedragen van € 22.590.000 en

€ 22.905.737.31

[naam 1] heeft verklaard dat verdachte een Volkswagen Beetle voor zijn zoon wilde aanschaffen en dat verdachte hem om een bijdrage voor deze auto heeft gevraagd en dat hij ( [naam 1] ) daarin heeft toegestemd en vervolgens de auto volledig heeft betaald.32

Op 8 juni 1999 heeft [naam 1] een Volkswagen Beetle, gekentekend [kentekennummer] , gekocht en op zijn naam gezet.33 Hij heeft deze auto vervolgens ter beschikking gesteld aan de zoon van verdachte, [kind 1] .34 Op 11 november 2000 is deze auto ingeruild.35

Bij de woning van verdachte op het adres [adres] te [plaats] is in 2000 een zwembad en overkapping gebouwd door aannemersbedrijf G.K. Visbeen & Co.36

Op 17 juli 2000 heeft Vevo Beheer BV (de rechtsvoorganger van Nawon) ten behoeve van de bouw van het zwembad bij het [adres] te [plaats] f 135.000,00 overgemaakt aan aannemersbedrijf G.K. Visbeen & Co met als omschrijving “Arma Visbeen”.37

[naam 1] heeft hierover verklaard dat op verzoek van verdachte een bijdrage heeft geleverd voor de bouw van het zwembad bij diens woning aan het [adres] te [plaats] .38

Op 26 september 2001 heeft verdachte twee appartementsrechten, met de nummers 13 en 14, gekocht in het te stichten appartementsgebouw genaamd Abacus te [plaats] . De beide appartementen hebben nadien als adres gekregen: [adres] respectievelijk [adres] te [plaats] . De beide appartementen zijn vóór aanvang van de bouw samengevoegd tot één dubbelappartement.39

Op 31 juli 2002 heeft Nationaal Woning Bezit Groep BV een betaling van
€ 172.796,00 verricht aan Hak en Rein Vos notarissen met als omschrijving 290 401 en 290 501 Abacus.40

Op 4 maart 2003 heeft Nationaal Woning Bezit Groep BV € 182.011,25 betaald aan Leyten Bouwplanontwikkeling t.b.v. termijn 4 en 5 app. Abacus, bouwnr. 13/14.41

Op 2 april 2003 heeft Nawon Holding BV een betaling van € 100.000,00 gedaan aan Van Heumen Incasso en advies BV t.b.v. appartement Abacus, bouwnr. 13/14.42

Op 23 mei 2003 heeft Nawon Holding BV een betaling verricht van € 64.099,75 aan Van Heumen Incasso en Advies BV t.b.v. meerwerk appartement Abacus, bouwnr. 13/14.43

Op 28 mei 2003 heeft Nationaal Woning Bezit Groep BV € 50.000,00 overgemaakt aan Lineale Interieurontwerp & Realisatie met als omschrijving deelbet. Fact. 20313 order 0020010523 interieur Aba Aus44 en € 46.173,00 aan Edmon Keukens BV met als omschrijving fact. 407084 Keuken Aba Aus.45

Op 28 mei 2004 heeft Nawon Holding B.V. ten behoeve van het (inmiddels) dubbelappartement [adres] en [adres] te [plaats] (het zogeheten appartementsgebouw Abacus, bouwnummers 13 en 14) een betaling van € 25.000,00 gedaan aan Lineale Interieurontwerp en Realisatie met als omschrijving aanbetaling meubels.46

Op 10 juni 2004 heeft [naam 1] € 140.030,52 aan de Stichting Derdengelden overgemaakt met als omschrijving ‘spoedopdracht Lineale’.47 Op 11 juni 2004 heeft deze stichting € 130.030,52 en op 2 juli 2004 € 5.103,38 overgemaakt aan Lineale Interieurontwerp & Realisatie met als omschrijving ‘ontvangen van dhr. [naam 1] ’.48

[naam 1] heeft hierover verklaard dat op een gegeven moment verdachte hem benaderde en vertelde dat er loonbeslag onder Rochdale lag door Lineale en dat hij in de knoei zat omdat hij de laatste termijn aan Lineale niet kon betalen. Hierop heeft verdachte besloten, aldus zijn verklaring, verdachte te helpen en vervolgens het verschuldigde bedrag per omgaande betaald.49

Op 28 december 2007 is door Nationaal Woning Bezit Groep BV € 300.000,00 overgemaakt aan Boekel de Nerée Notarissen ter afbetaling van de lening van [naam 6] aan verdachte.50

[naam 1] heeft hierover verklaard dat hij dat bedrag op verzoek van verdachte heeft betaald en dat het weer ‘hetzelfde huilverhaal’ van verdachte was. Hij stond voor het blok en moest met spoed € 300.000,00 terugbetalen aan [naam 6] . Verdachte kon dat bedrag op dat moment niet zelf betalen en daarom heeft [naam 1] betaald. Verdachte vroeg aan [naam 1] om het bedrag te betalen aan de notaris en die zou het verder afwikkelen. [naam 1] heeft verder verklaard dat hij de betaling heeft gedaan omdat hij zich niet kon veroorloven het desbetreffende bedrag niet te betalen. Hij zat in zijn woorden in verband met een aantal projecten “vast aan Rochdale”, kosten liepen uit de hand en de rekening-courantverhouding met Rochdale liep scheef. Rochdale was op dat moment feitelijk in de positie om zijn faillissement aan te vragen. Om tijd te kopen om alles af te wikkelen tussen Nawon en Rochdale heeft [naam 1] erin toegestemd om het bedrag van € 300.000,00 te betalen, aldus zijn verklaring.51

Verdachte heeft in de periode van 1 april 2001 tot 30 september 2009 gebruik gemaakt van een woning. van [naam 1] en/of Cap Negret Real Estate SL in Spanje en de daar aanwezige inrichting en inventaris, gelegen op het adres [adres] .52

[naam 1] heeft over het huis in Spanje onder meer verklaard dat verdachte een huis in Spanje had en een mooier en groter huis wilde. Hij kwam op een gegeven moment bij [naam 1] met het verhaal dat hij grond op het oog had in Spanje en dat hij al beschikte over tekeningen en dergelijke. Vervolgens heeft [naam 1] de betaling van de bouw van de woning volledig voor zijn rekening genomen. De enige afspraak die is gemaakt, is dat [naam 1] eigenaar zou worden van de woning. [naam 1] is uiteindelijk via Cap Negret SL, waar hij feitelijk de leiding had, eigenaar van het huis in Spanje geworden.

Op de vraag aan [naam 1] wat hij kon vertellen over het gebruik van de woning in Spanje heeft hij onder meer geantwoord dat verdachte in het huis mocht verblijven en dat verdachte het moest onderhouden en beheren. [naam 1] huurde het huis privé van Cap Negret SL en hij betaalde jaarlijks de huur aan Cap Negret SL. Zolang [naam 1] de woning als privépersoon huurde, mocht verdachte er gebruik van maken. Er was geen contract afgesloten voor het gebruik. Medio 2009 is het huurcontract afgelopen met Cap Negret SL en daarmee is het gebruik van verdachte beëindigd. Verdachte betaalde geen huur aan [naam 1] of aan Cap Negret SL. Hij kon over de woning beschikken alsof deze van hemzelf was. Voor de buitenwereld leek het alsof de woning diens eigendom was en zo gedroegen verdachte en zijn vrouw zich ook. Ten slotte heeft [naam 1] verklaard dat hij niet wilde dat algemeen bekend werd dat verdachte in zijn woning in Spanje verbleef.53

5.3.2.3. Feiten en omstandigheden aannemen giften van [naam 2]

( [naam 2] ) was ten tijde van het ten laste gelegde directeur en enig (middellijk) aandeelhouder van onder andere Recycling Maatschappij [naam 7] Amsterdam B.V. ( [naam 7] ) en [naam B.V.] ( [naam B.V.] ).54 De bedrijfsomschrijving van [naam B.V.] houdt in het aannemen en onderaannemen van werken in het bijzonder met betrekking tot sloopwerken, het drijven van handel in zand, grond, grind en uit de sloop vrijkomende materialen, alsmede de handel in alle andere koopmansgoederen, zowel voor eigen rekening als voor rekening van derden, al het voorgaande in de ruimste zin.55 De bedrijfsomschrijving van [naam 7] luidt: het breken, verpulveren, vermalen en verwerken van steen, puin, grind, beton, delfstoffen, mineralen, sloopproducten, hout en chemische stoffen, het smelten en verwerken van metalen.56

Op 23 april 2002 heeft [naam 2] namens [naam B.V.] een brief geschreven aan verdachte in diens hoedanigheid als directeur van Woningstichting Nieuw Amsterdam (één van de rechtsvoorgangers van Rochdale) waarin gewag wordt gemaakt van een aangeboden raamovereenkomst waarin staat dat zijn organisatie de Woningstichting Nieuw Amsterdam 8% bespaart en dat de slooptijd kan worden bespoedigd.57

Op 10 september 2002 heeft Woningstichting Patrimonium namens de Woningstichting Nieuw Amsterdam een opdracht aan [naam B.V.] verleend voor de sloop van het project Grunder.58 Op 7 oktober 2003 heeft Woningstichting Patrimonium namens de Woningstichting Nieuw Amsterdam aan [naam B.V.] de opdracht tot sloop van de flats Kempering in de Bijlmer gegeven.59 Op 14 januari 2004 heeft [naam B.V.] van Rochdale namens de Woningstichting Nieuw Amsterdam de opdracht gekregen tot het verwijderen van asbestzeiltjes en asbest voor het project Kempering.60

Op 23 april 2004 heeft Rochdale met [naam B.V.] een raamovereenkomst tot aanneming van werk gesloten voor de sloop van 2.631 woningen. Deze overeenkomst is mede ondertekend door verdachte.61

In de periode 2003 tot en met 2009 heeft [naam B.V.] in totaal € 15.843.346,63 gefactureerd aan Rochdale. In de periode 2004 tot en met 2009 was haar totale omzet ruim € 45,5 miljoen. Het aandeel van Rochdale voor [naam B.V.] in deze omzet was daarmee ruim 30%.62

Op 15 januari 2003 heeft [naam 2] een Mercedes Benz SL500, gekentekend [kentekennummer] gekocht en op naam gesteld van [naam 7] .63 Kort daarna staat deze auto bij verdachte voor de deur en heeft verdachte vervolgens van deze personenauto gebruik gemaakt.64 De Mercedes Benz SL500, gekentekend [kentekennummer] heeft tot en met 17 december 2005 op naam gestaan van [naam 7] .65

In december 2005 zijn verdachte en [naam 3] naar de showroom van Automobielbedrijf [naam 8] & Dochters B.V ( [naam 8] ) gegaan. Zij hebben daar een Mercedes Benz SL 55 AMG gekocht. Deze auto stond nog op een Zwitsers kenteken en moest nog ingevoerd worden hetgeen uiteindelijk door [naam 8] is gedaan.66

Op 10 januari 2006 wordt deze Mercedes Benz SL 55 AMG, gekentekend [kentekennummer] , voor € 124.750,00 aan [naam 3] gefactureerd. Op 6 februari 2006 heeft [naam 8]
€ 65.000,00 euro uit Spanje op naam van [verdachte] ontvangen. Vervolgens heeft verdachte € 1.250,00 euro overgemaakt. [naam 8] heeft de eerder genoemde Mercedes Benz SL 500 ingenomen met een inruilwaarde van € 58.500,00. Het desbetreffende inruilbedrag was bestemd voor [naam 7] , maar deze inruilwaarde is afgeboekt van de vordering ad € 124.750,00 op [naam 3] voor de levering van de Mercedes Benz SL55 AMG, kenteken [kentekennummer] .67

Op 23 juni 2006 heeft de dochter van verdachte, [kind 2] , bij [naam 8] een Mercedes 350 SLK gekentekend [kentekennummer] meegekregen.68 Het betrof een auto die zij eerder had gezien en die nadien telefonisch door verdachte is gekocht. Zij heeft de auto meegekregen omdat [naam 2] telefonisch aan de verkoper van [naam 8] had meegedeeld dat de auto aan verdachte kon worden meegegeven en dat hij, [naam 2] , garant stond voor de betaling van deze auto.69 [naam 8] heeft vervolgens vanaf 26 juni 2006 tot en met 13 november 2006 bij [naam 7] € 2.380,00 per maand in rekening gebracht voor de huur van deze auto en [naam 7] heeft die huur telkens betaald.70

Op 25 april 2007 heeft [naam 2] zijn Mercedes Benz CLK 200 zonder kenteken ingeruild bij [naam 8] voor een bedrag van € 44.000,00. Dit bedrag is in overleg met [naam 2] door [naam 8] in mindering gebracht op de aanschafprijs van de Mercedes Benz 350 SLK, gekentekend [kentekennummer] die verdachte heeft gekocht voor in totaal
€ 92.644,68.71

Op 6 juni 2007 heeft [naam 7] € 92.644,68 betaald aan [naam 8] . Op het rekeningafschrift is vermeld: “10.000 overboeken naar dhr [naam 2] uit [plaats] debnr 190867”. Hiermee wordt aangegeven dat er € 10.000 euro is afgeboekt of afgeboekt moet worden op de vordering op debiteur [naam 2] . [naam 8] heeft daaronder geschreven: “10.000,00 moet zijn 300495 [naam 9] ”. Hij bedoelde daarmee dat dit bedrag aanvankelijk op debiteur [naam 2] is afgeboekt en vervolgens is gecorrigeerd naar debiteur [verdachte] en dat zo de vordering op verdachte in verband met de aanschaf van de Mercedes Benz 350 SLK, gekentekend [kentekennummer] met € 10.000,00 is verlaagd.72

[naam 2] heeft op 23 september 1996 de locatie [locatie] te [plaats] , kadastraal bekend gemeente [plaats] onder sectie F nummer 2284 en sectie F nummer 2359 (de [plaats] ) voor een bedrag van NLG 4.250.000,00 (€ 1.928.500,00) gekocht.

Op 11 juni 2005 is een koopovereenkomst gesloten tussen [naam 2] en Rochdale die namens Rochdale werd ondertekend door verdachte. Rochdale kocht de onverdeelde helft van de locatie [plaats] voor € 3,95 miljoen.73 Op 11 juli 2005 werd de akte van levering ondertekend door [naam 2] en door verdachte namens Rochdale. [naam 2] bleef vooralsnog eigenaar van de andere onverdeelde helft.74

Op 28 juli 2005 heeft [naam 2] € 300.000,00 overgemaakt naar de Spaanse rekening van [naam 3] .75 Op 1 augustus is € 299.994 op haar rekening bijgeschreven.76 Het geld was bestemd voor verdachte.77

Op 23 mei 2007 heeft de ondertekening van de akte van levering van de tweede onverdeelde helft van de locatie De [plaats] plaatsgevonden. De akte is ondertekend door verdachte en de P.S. Ter Borgh namens De Landtong B.V. De koopprijs bedroeg € 4 miljoen.78

Op 11 juni 2007 heeft [naam 2] € 200.000,00 overgemaakt naar de Spaanse rekening van [verdachte] met als omschrijving ‘lening’.79 Op 14 juni 2007 is € 199.915 op die rekening van verdachte bijgeschreven.80

De Landtong B.V. heeft ter financiering van de aankoop van de tweede helft van De [plaats] een hypotheek van € 4 miljoen verkregen waarbij Rochdale samen met De Landtong B.V. voor een gelijk deel onderzetter is ten behoeve van De Landtong BV. Op 26 juni 2007 passeerde in verband hiermee de hypotheekakte tussen De Landtong B.V. en haar hypotheekverstrekker.81

Op 17 juli 2007 heeft [naam 2] € 25.000,00 naar de Spaanse rekening van [verdachte] overgemaakt met als omschrijving ‘lening.’82 Een dag later is
€ 24.999,71 op de rekening van [verdachte] bijgeschreven.83

5.3.2.4. Feiten en omstandigheden aannemen giften van A.M. Development B.V.

Op 4 december 2003 heeft A.M. Development International BV € 188.355,00 overgemaakt aan [naam 3] en/of [verdachte] met als omschrijving [bedrijfsnaam] QQ 0011.84

Op 5 december 2003 heeft verdachte namens Rochdale de overeenkomst tussen Rochdale en A.M. Development International B.V. betreffende de koop van “Bruggebouw – Zuid” getekend.85

5.3.3.

Het oordeel van de rechtbank

5.3.3.1. Artikel 328ter lid 1 van het Wetboek van Strafrecht.

Het eerste lid van artikel 328ter van het Wetboek van Strafrecht luidde ten tijde van de ten laste gelegde periode als volgt: Hij die, anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking of optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, een gift of belofte aanneemt en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgt tegenover zijn werkgever of lastgever, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie.

5.3.3.2. Anders dan als ambtenaar werkzaam zijnde in dienstbetrekking.

De rechtbank is met de officieren van justitie en de verdediging van oordeel dat verdachte ten tijde van de ten laste gelegde periode kan worden gekwalificeerd als iemand die “anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking”. Verdachte stond in een civielrechtelijke dienstbetrekking tot Rochdale en daarvoor tot haar rechtsvoorganger(s). Hoewel uit wet- en regelgeving volgt dat corporaties invulling geven aan een overheidstaak, namelijk de volkshuisvesting, kan niet worden gezegd dat verdachte daarom destijds onder (direct) toezicht en verantwoording van de overheid is aangesteld in een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd om een deel van de taak van de Staat of zijn organen te verrichten, waardoor hij als ambtenaar zou kunnen worden gekwalificeerd (Vgl. Hoge Raad 7 april 2009, NJ 2009, 187). De overheid had (ten tijde van de verweten gedraging) geen inspraak in de benoeming en het ontslag van bestuurders en commissarissen van woningcorporaties. De corporaties zijn met de verzelfstandigingsoperatie midden jaren negentig financieel zelfstandig en verantwoordelijk geworden. Hierdoor kwam de overheid op grotere afstand te staan en is het toezicht verschoven van de Rijksoverheid naar de interne toezichthouder (Handelingen II 20l4/15, 33 606, nr. 8, p. 156).

5.3.3.3. Het aannemen van een gift.

De verdediging heeft aangevoerd dat in de overtuiging van verdachte zowel met betrekking tot de betalingen door [naam 1] als met betrekking tot de betalingen door [naam 2] sprake was van leningen en niet van giften. De rechtbank gaat hieraan voorbij aangezien zij van oordeel is dat ten aanzien van de betalingen door zowel [naam 1] als door [naam 2] niet aannemelijk is geworden dat sprake was van leningen.

Ten aanzien van de betalingen door [naam 1] overweegt de rechtbank daartoe als volgt. Wat betreft de betalingen ten behoeve van [adres] verschillen de direct betrokkenen ( [naam 1] en verdachte) over de aard van de geldverstrekking. Verdachte heeft verklaard dat het wat hem betreft ging om een investering, dat er niets op papier is gezet en dat weliswaar zijn handtekening op een schriftelijke leningsovereenkomst staat, maar dat geen sprake was van een lening. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk dat de betalingen door [naam 1] kunnen worden aangemerkt als investering door [naam 1] , omdat het dubbelappartement alleen op naam van verdachte stond en [naam 1] heeft betwist dat het om investeringen ging. De rechtbank acht ook niet aannemelijk geworden dat het om leningen ging waar verdachte om had gevraagd zoals door [naam 1] is verklaard. [naam 1] had bij het geven van het geld geen zekerheid met betrekking tot het terugbetalen ervan. Hij heeft achteraf, na de betalingen, weliswaar formele leningsovereenkomsten opgesteld, maar deze zijn zo summier ten aanzien van de bedingen die normaal gesproken deel uitmaken van dergelijke overeenkomsten, dat niet aannemelijk is dat het daadwerkelijk ging om leningen. In de leningsovereenkomsten is bijvoorbeeld beschreven dat de leningen tegen de gebruikelijke condities worden verstrekt, echter nergens is vastgelegd wat deze gebruikelijke condities inhouden. Zo is niets vermeld ten aanzien van de looptijd, het rentepercentage, de hoogte van de aflossingstermijnen en/of welke zekerheid er wordt gesteld.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het gebruik van de woning in Spanje aangevoerd dat verdachte in de woning heeft geïnvesteerd zodat niet kan worden bewezen dat hij de woning om niet heeft kunnen gebruiken. De rechtbank is van oordeel dat wat betreft betalingen van verdachte voor de woning in Spanje slechts is komen vast te staan dat hij € 15.000,00 heeft betaald voor het terras bij het zwembad. Uit het dossier blijkt onvoldoende dat hij ook andere betalingen of investeringen heeft gedaan. Hieruit volgt dat, gelet op de (kennelijke gebruiks)waarde van de villa, geen sprake was van een vergoeding voor het gebruik van de woning, maar uitsluitend van onderhoudskosten.

Ten aanzien van de betalingen door [naam 2] overweegt de rechtbank als volgt.

Hoewel zowel [naam 2] als verdachte heeft verklaard dat de betalingen leningen betreffen, houdt de gelijkenis van de verklaringen daarmee ook op. Verdachte heeft verklaard dat een en ander schriftelijk is vastgelegd en dat die lening na zijn pensionering in één keer zou worden afgelost inclusief 1,5 tot 2% rente. [naam 2] heeft daarentegen kort samengevat verklaard dat er een mondelinge afspraak was, dat geen rente zou hoeven te worden betaald en er geen zekerheden en garanties waren. Mede gezien het feit dat de direct betrokkenen verschillend verklaren over de aard en de condities van de verstrekte geldbedragen is niet aannemelijk is geworden dat deze betalingen leningen waren. Evenmin is aannemelijk geworden dat (is afgesproken dat) verdachte na zijn vertrek bij Rochdale verdachte ineens zou terugbetalen. De gedachte dat verdachte een ‘gouden handdruk’ zou krijgen, leefde alleen bij [naam 2] , terwijl het risico dat er mogelijk geen volledige terugbetaling zou kunnen plaatsvinden alleszins reëel moet worden geacht. De slotsom is dat ten aanzien van de betalingen telkens sprake was van een gift als bedoeld in artikel 328ter van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank is van oordeel dat de genoemde betalingen en het verschafte gebruik van auto’s en de woning moeten worden aangemerkt als giften. De verdediging heeft aangevoerd dat ten aanzien van het permanente gebruik van de woning in Spanje en de auto’s telkens sprake is van een dienst en niet van een gift en dat het aannemen van een dienst ten tijde van het ten laste gelegde niet strafbaar was.

Het doen van een gift (in het kader van omkoping) heeft een andere betekenis dan die van enkel uit vrijgevigheid schenken. Het omvat elk overdragen aan een ander van iets dat voor die ander waarde heeft (HR 25 april 1916, NJ 1916, p. 551). Het begrip is daarmee niet beperkt tot materieel voordeel of stoffelijke zaken. De Commissie niet-ambtelijke corruptie (Commissie Mulder), die de strafbaarstelling van anderen dan Nederlandse ambtenaren heeft onderzocht en wier wetsvoorstel is overgenomen, schrijft in haar verslag: “De omkoping kan in één en dezelfde relatie zeer aanzienlijke vormen aannemen en zich over jaren uitstrekken. (…). Dure reizen en prestaties als het in bruikleen geven van een auto, het schenken van een hijskraan voor een plezierjacht en het verbouwen van een woning zijn andere vormen waarin steekpenningen zijn voorgekomen.” (Handelingen II 1966/67, 8437 nr. 4, pagina 10, rechterkolom - Bijlage bij de Memorie van Toelichting). Hieruit volgt dat de wetgever destijds bij het strafbaar stellen van niet-ambtelijke omkoping bij het bestanddeel het doen van een gift ook, en anders dan betoogd, het leveren van een immaterieel voordeel en verlenen van gunsten/diensten voor ogen heeft gestaan.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 31 mei 1994 (NJ 1994, 673) duidelijk gemaakt dat het ontvangen van seksuele gunsten ook kan worden aangemerkt als het aannemen van een gift als bedoeld in artikel 363 van het Wetboek van Strafrecht (aannemen van steekpenningen).

Met ingang van 1 april 2010 is het aannemen of vragen respectievelijk het verlenen van een dienst aan de wettekst toegevoegd. Anders dan de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat uit de Memorie van Toelichting niet kan worden afgeleid dat de wetgever het verlenen van een dienst alsnog of aanvullend en anders dan voorheen strafbaar heeft willen strafbaar stellen. De wettekst is aangepast om misverstanden te voorkomen aangezien niet absoluut en altijd duidelijk vaststond dat het aanbieden dan wel het aannemen van een dienst, zoals het voor een vriendenprijs ter beschikking stellen van een vakantiebungalow en het gebruik van een appartement zonder daarvoor huur te betalen, ook onder het begrip het doen of aannemen van een gift vallen vielen en strafbare omkoping kunnen konden opleveren. Bezien in het licht van het voorgaande was die toevoeging dus niet noodzakelijk en niet iets nieuws.

5.3.3.4. Naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten.

De woorden “naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten” houden in dat niet is vereist dat van een bepaalde prestatie van degene die wordt omgekocht sprake moet zijn (HR 27 november 1990, NJ 1991, 318). Zo is bijvoorbeeld voldoende dat de omkoper giften aan de omgekochte doet om zijn zakelijke relatie met de werkgever van de omgekochte in stand te houden of te verbeteren terwijl de omgekochte daarop invloed had en dit moet hebben begrepen (HR 16 januari 1990, DD 90.197).

Nawon deed zeker in haar beginperiode uitsluitend zaken met Rochdale. [naam 1] wist zich hierdoor afhankelijk van Rochdale omdat hij maar één leverancier had en een reëel gevaar zag dat zijn bedrijf onderuit zou gaan als de relatie tussen Nawon en Rochdale verbroken zou worden.86 [naam 1] heeft over de meergenoemde woning verklaard dat [verdachte] gebruik mocht maken van deze woning in Spanje omdat zij zakenvrienden waren en hij in die tijd zijn eerste project van Rochdale had gekocht, het project [naam project] , en dat hij wilde dat het zakendoen tussen Nawon en Rochdale (Patrimonium) gecontinueerd werd, zonder dat hij geld betaalde.87 Bovendien was verdachte degene die door [naam 1] werd benaderd na het stagneren van de doorbetaling van de huurinkomsten door Rochdale aan Nawon. Gelet op het mandaat van verdachte, zijn verantwoordelijkheden en bevoegdheden had verdachte invloed op de verkoop van onroerend goed van Rochdale.

Uit onderzoek in de financiële administratie van Deto Beheer B.V. ( [naam 7] ) is gebleken dat de totale omzet van [naam B.V.] over de jaren 2004 tot en met 2009 ruim € 45,5 miljoen bedroeg.88 Zij heeft in deze periode voor
€ 14.085.034,00 werkzaamheden gefactureerd aan Rochdale en behaalde daarmee in die periode derhalve ruim 30% van haar omzet.89 De (omzet)afhankelijkheid was in de jaren 2005 tot en met 2007 het hoogst; in 2005 ging het om 38%, in 2006 om 37% en in 2007 om 40,5%.90 [naam B.V.] was in de woorden van de financieel directeur van Delta Forte B.V, het ontwikkelingsbureau van Rochdale, de ‘huissloper’ voor Rochdale in de Bijlmer.91 Uit het voorgaande blijkt dat sprake was van een zakelijk relatie tussen de (werkmaatschappijen van de) [naam 7] en Rochdale.

Verdachte, die sinds 1 januari 2004 voorzitter was van de Raad van Bestuur van Rochdale en verantwoordelijk voor de aan- en verkoop van onroerend goed, heeft op 23 april 2004 een raamovereenkomst tot aanneming van werk tussen Rochdale en [naam B.V.] B.V. getekend. Hij gunde in het kader van zijn toebedeelde takenpakket ook andere sloopbedrijven opdrachten. Zo heeft hij bepaald dat het slopen van Dennerode en Develstein door Beelen Sloopwerken mocht worden gedaan.92

De geldelijke giften die verdachte heeft aangenomen kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet los gezien worden van de gang van zaken rond de [plaats] en de rol die verdachte daarin (namens Rochdale) heeft gehad. Uit het dossier volgt dat de aankoop van De [plaats] door Rochale persoonlijk door verdachte doorgezet is, ondanks louter negatieve adviezen door met name medewerkers binnen Rochdale. Verdachte heeft Rochdale daarbij misleid door voor te wenden dat er een “terugkoopregeling” in de akte van levering van De [plaats] was opgenomen, terwijl dit in het geheel niet het geval was. Hij kan voorts verantwoordelijk worden gehouden voor de onverplichte overname door Rochdale voor eigen rekening en risico van een bestaande verplichting tussen verdachte en De Landtong BV, bij de aankoop van de overgebleven onverdeelde helft van De [plaats] . Rochdale heeft zich daarbij garant gesteld voor de vrije oplevering van de helft die niet de hare was. Zij nam deze verplichting over van verdachte die aldus van deze alleen hem belastende verplichting was bevrijd.93 Verdachte heeft er ten slotte voor gezorgd dat Rochdale als onderzetter heeft gefungeerd bij een hypotheek ten behoeve van De Landtong BV. Hij heeft namens Rochdale de hypothecaire akte meegetekend met betrekking tot deze zogenoemde onderzetterverplichting die Rochdale op zich nam. Die verplichting hield in dat als Landtong BV haar hypothecaire verplichting niet zou nakomen en dit zou leiden tot de gedwongen verkoop van de tweede helft, ook het deel van Rochdale gedwongen zou kunnen worden verkocht. Verdachte heeft dit verzwegen binnen Rochdale, waardoor deze verplichting niet in de jaarrekening van Rochdale werd opgenomen.

5.3.3.5. In strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn werkgever.

Bij het bestanddeel de goede trouw geldt dat van essentieel belang is, of de ondergeschikte heeft gezwegen waar hij naar objectieve maatstaf tot spreken verplicht was geweest. Niet zijn goede trouw, maar de goede trouw is doorslaggevend. Deze strenge eis noodzaakt de ondergeschikte om, in geval van twijfel aan de toelaatbaarheid van de gift of belofte, zijn principaal te raadplegen (Kamerstukken II 1966/67, 8437, nr. 6, p. 3). Voor goede trouw gelden hier algemene, objectieve, maatstaven. Beslissend is dus of men naar objectieve maatschappelijke maatstaven (waaronder erkende handelsgebruiken) tot spreken verplicht was. Niet zijn goede trouw, maar de goede trouw is doorslaggevend, aldus de oorspronkelijke Memorie van Antwoord. Deze eis brengt mee, dat in gevallen van redelijke twijfel de ondergeschikte zijn principaal op een gepast tijdstip (en daarom tijdig) zal moeten raadplegen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, gelet op de zakelijke relatie die Rochdale had met onderscheidenlijk Nawon/ [naam 1] , Recycling Maatschappij Amsterdam B.V/ [naam 2] en A.M. Development B.V, de omvang van de giften (de betalingen, de (waarde van de) auto’s die verdachte mocht gebruiken en het gebruik van de villa in Spanje niet had mogen verzwijgen voor zijn werkgever.

Verdachte was als voorzitter van de Raad van Bestuur verantwoording verschuldigd aan de Raad van Commissarissen.94 In het Directiestatuut Woningstichting Rochdale d.d. 13 september 2004, dat is ondertekend door [naam 10] namens de Raad van Commissarissen, en verdachte namens de Raad van Bestuur, staat in onderdeel V: “Elke vorm van belangenverstrengeling van de leden van de Raad van Bestuur met de Stichting wordt vermeden. Besluiten tot het aangaan van transacties waarbij tegenstrijdige belangen tussen de leden van de Raad van Bestuur en de Stichting spelen, die van materiële betekenis zijn voor de Stichting en/of de [des]betreffende leden van de Raad van Bestuur, behoeven de voorafgaande goedkeuring van de Raad van Commissarissen.”95 Uit de verklaringen van de leden van de Raad van Commissarissen ( [naam 10]96, [naam 11]97 en [naam 12]98) volgt dat de Raad van Commissarissen niet op de hoogte was van de giften terwijl verdachte die wel had moeten melden.

5.4.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

5.4.1.

De beschuldiging

Verdachte wordt er kort gezegd van beschuldigd dat hij een gewoonte heeft gemaakt van witwassen door 4 geldbedragen (in totaal € 825.000), 3 auto’s (een Mercedes Benz SL500, een Mercedes Benz SL 55 AMG en een Mercedes Benz 350 SLK) en onroerend goed (een zwembad en een dubbelappartement) wit te wassen.

5.4.2.

Feiten en omstandigheden

Op grond van de feiten en omstandigheden zoals genoemd in rubriek 5.2.2.2. en 5.2.2.3 is de rechtbank van oordeel dat verdachte in 2005 ongeveer € 300.000,00 en in 2007 ongeveer € 200.000,00 en € 25.000,00 heeft ontvangen op zijn Spaanse bankrekening of die van zijn vrouw en dat hij een aantal Mercedes Benz in gebruik heeft gehad en daarna heeft ingeruild en ten slotte dat hij een dubbelappartement in [plaats] heeft gekocht en dat dit appartement gedeeltelijk is betaald door [naam 1] die ook een gedeelte van de rekening heeft betaald van het zwembad dat bij de woning van verdachte is aangelegd. Zoals reeds overwogen is de rechtbank van oordeel dat het hier smeergeld of steekpenningen betreft.

Uit een afschrift van de bankrekening van verdachte99 blijkt dat nadat de betaling van € 300.000,00 door [naam 2] in 2005 werd bijgeschreven op de rekening van verdachte er € 308.000.36 op de rekening stond. Uit het bankafschrift volgt dat vervolgens

€ 65.000 werd overgemaakt aan [naam 8] in verband met de aankoop van een auto op naam van [naam 3] . Verder hebben er afschrijvingen plaatsgevonden inzake een Visa-creditcard.

Nadat [naam 2] in 2007 € 200.000,00 had overgemaakt naar verdachte bedroeg diens saldo ruim € 200.000,00 en na de ontvangst van nog eens € 25.000 – en nadat er betalingen hadden plaatsgevonden – ruim € 203.000,00.100 Het saldo op de rekening werd aangewend voor onder andere creditcardbetalingen en een overboeking van
€ 70.000 naar juwelier [naam juwelier] .101 Nadat verdachte vanaf een andere rekening € 100.000,00 had overgemaakt naar zijn rekening, volgde ten slotte de aankoop van een Bentley door [naam 3] voor een bedrag van € 220.000,00.102

5.4.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van hetgeen achter het eerste gedachtestreepje van dit onderdeel van de tenlastelegging staat omdat uit de stukken blijkt dat [naam 1] € 300.000,00 rechtstreeks heeft overgemaakt naar de notaris in verband met de lening van [naam 6] aan verdachte. Deze betaling is direct aangewend voor het door verdachte beoogde doel, zodat de kwalificatie-uitsluitingsgrond zich voordoet. Aldus maakt dit geen onderdeel uit van het ten laste gelegde gewoontewitwassen.

Uit het dossier volgt dat de overige voornoemde bedragen zijn overgemaakt naar een rekening in Spanje die (mede) op naam van verdachte stond. Verdachte heeft zo geldbedragen verworven en voorhanden gehad die afkomstig waren uit een door hem zelf begaan misdrijf. Hij heeft de geldbedragen niet slechts verworven of voorhanden gehad, maar zijn gedragingen waren ook gericht op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst ervan aangezien hij betalingen heeft gedaan vanaf zijn rekening aan derden, een en ander in vergelijkbare omvang als de gedane stortingen, en zo deze bedragen heeft overgedragen. Bovendien waren de betalingen aan derden (deels) gericht op de aankoop van (luxe) goederen, zodat in zoverre tevens sprake is van omzetting en gebruik. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte de bedragen heeft witgewassen.

De rechtbank is van oordeel dat de Mercedes Benz SL500, met kenteken [kentekennummer] afkomstig is uit eigen misdrijf. Nu niet is komen vast te staan dat de gedragingen van verdachte ook waren gericht op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst ervan, is hierop de kwalificatie-uitsluitingsgrond van toepassing. Derhalve is geen sprake van witwassen en dient verdachte van dit onderdeel van de het ten laste gelegde gewoontewitwassen te worden vrijgesproken.

De Mercedes Benz SL 55 AMG, met kenteken [kentekennummer] heeft verdachte verkregen door hiertoe een andere auto in te ruilen, € 65.000,00 te betalen vanaf zijn Spaanse bankrekening die gevoed was door [naam 2] en een kleine eigen bijdrage van € 1.250. Deze auto is daarom middellijk afkomstig uit eigen misdrijf. Verdachte heeft deze auto verworven, voorhanden gehad en gebruikt en zich aldus schuldig gemaakt aan witwassen.

Verdachte heeft de Mercedes Benz 350 SLK, [kentekennummer] , die voor € 54.000,00 is gefinancierd door [naam 2] en daarmee voor dat gedeelte onmiddellijk afkomstig uit eigen misdrijf, op 15 oktober 2007 verkocht voor € 48.000,00. Het bedrag is overgemaakt naar een ABN Amro-rekening op naam van verdachte. Verdachte heeft deze auto verworven, voorhanden gehad, gebruikt, overgedragen en omgezet en zich aldus schuldig gemaakt aan witwassen.

Verdachte heeft op het adres [adres] te [plaats] gewoond totdat hij naar Spanje is verhuisd. Het zwembad dat later bij de woning van verdachte is gebouwd, is gedeeltelijk betaald door [naam 1] ; de aanleg van het zwembad heeft in totaal f 427.936,00 gekost en [naam 1] heeft daarvan 31% gefinancierd. Het zwembad is gedeeltelijk het product van die betaling en daarmee onmiddellijk afkomstig uit het eigen misdrijf omkoping. Door gebruik te maken van de woning en het inpandige zwembad heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen.

Hetzelfde geldt voor het dubbelappartement gelegen aan de [adres] en [adres] , [plaats] (appartementsgebouw Abacus, bouwnummers 13 en 14) en (een deel van) de daarin aanwezig inventaris. Verdachte heeft het dubbelappartement gekocht van Leyten Bouwplanontwikkeling. Het betrof een nog te bouwen appartementencomplex. Uiteindelijk heeft de bouw en inrichting van deze woning
€ 1.365.921 gekost. Hiervan heeft [naam 1] /Nawon € 780.110,00 betaald. Ook nu geldt dat er een substantiële bijdrage aan het totaal is geweest en dat het appartement gedeeltelijk het product is van die betalingen en daarmee onmiddellijk afkomstig uit het eigen misdrijf omkoping. Verdachte heeft zijn dochter een tijdje in dit appartement laten wonen103 en zij heeft in de periode van 9 februari 2004 tot 7 oktober 2010 ingeschreven gestaan op dit adres. Aldus heeft verdachte het appartement en de daarin aanwezige inventaris gebruikt en zich daarom schuldig gemaakt aan witwassen.104

De rechtbank is ten slotte van oordeel dat, gelet op de bewezenverklaarde periode en de hoeveelheid witgewassen geldbedragen, auto’s en het onroerend goed, dat verdachte van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

Het ten laste gelegde medeplegen van gewoontewitwassen acht de rechtbank niet bewezen, zodat hiervoor zal worden vrijgesproken.

5.5.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

5.5.1.

De beschuldiging

Verdachte wordt kort gezegd verweten dat hij onjuist en/of onvolledig aangifte inkomstenbelasting over jaren 2003, 2005 en 2007 heeft gedaan door telkens niet alle door hem genoten inkomsten (inkomen en/of resultaat uit overige werkzaamheden) te

melden zodat hij (mogelijk) minder belasting hoefde te betalen.

5.5.2.

Feiten en omstandigheden

De (papieren) aangifte IB van [verdachte] over het belastingjaar 2003 is op 22 juni 2005 door de Belastingdienst ontvangen te Heerlen.105 In deze aangifte wordt als inkomen uit werk vermeld: Loon Woningstichting Patrimonium € 248.520,00 en Uitkering SVB. Andere inkomsten uit werk zijn niet aangegeven. Niet onder (standaard)vraag 3a; Loon en andere inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking die onder de loonheffing vielen, noch onder (standaard)vraag 3b; Fooien, aandelenopties en andere inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking die niet onder de loonheffing vielen en evenmin onder (standaard)vraag 8; bijverdiensten of inkomsten als freelancer, alfahulp, artiest of beroepssporter (opbrengsten uit werkzaamheden die niet onder de loonheffing vielen).106

De (elektronische) aangifte IB van [verdachte] over het belastingjaar 2005 is op 12 februari 2007 digitaal door de Belastingdienst te Apeldoorn ontvangen.107

In de aangifte 2005 is in box 1 (inkomen uit werk en woning) alleen het inkomen uit de dienstbetrekking bij Rochdale (€ 166.079,00) aangegeven. Andere inkomsten uit werk zijn niet aangegeven.108

Verdachte heeft de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2003 en 2005 laten verzorgen door Sprangers Van den Ende accountants en belastingadviseurs. Zij stelden verdachte altijd schriftelijk vragen voor het opstellen van de aangiften benodigde informatie. Verdachte stuurde dan de gegevens.109

Verdachte heeft kennisgenomen van de aangifte 2005.110 Hij is schriftelijk akkoord gegaan met het doen van de door Sprangers Van den Ende accountants en belastingadviseurs opgestelde aangifte inkomstenbelasting 2005 en heeft toestemming gegeven deze in te dienen.

De (elektronische) aangifte IB van [verdachte] over het belastingjaar 2007 is op 14 september 2009 digitaal door de Belastingdienst te Apeldoorn ontvangen.

In de aangifte 2007 is bij box 1 (inkomen uit werk en woning) alleen het inkomen uit de dienstbetrekking bij Rochdale (€ 174.852,00) aangegeven. Andere inkomsten uit werk zijn niet aangegeven.111

De aangifte inkomstenbelasting 2007 is in opdracht van verdachte opgemaakt en gedaan door Vink en Partners.112 Zij zijn daarbij uitgegaan van de gegevens zoals die verwerkt zijn van de gegevens van de aangifte inkomstenbelasting 2006 zoals die is ingediend door Sprangers en Van den Ende en hebben die gegevens geactualiseerd voor het belastingjaar 2007 aan de hand van door verdachte aangeleverde stukken.113

Verdachte heeft kennisgenomen van de verwerking van zijn gegevens in zijn aangifte en Vink en Partners gemachtigd om namens hem aangifte te doen.114

5.5.3.

Het oordeel van de rechtbank

Zoals hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte in 2003, 2005 en 2007 steekpenningen (onder meer de betalingen door [naam 1] en [naam 2] ) heeft aangenomen en zich in 2007-2008 heeft schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking (het privégebruik van de telefoons) en oplichting van zijn werkgever (het privégebruik van de creditcards).

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad is af te leiden dat giften die iemand van een zakenrelatie van zijn werkgever ontvangt met het oog op diensten die hij in zijn betrekking aan de gever kan bewijzen dan wel geacht wordt te kunnen bewijzen, kortom steekpenningen, als ‘andere opbrengsten uit arbeid’ zijn aan te merken (Hoge Raad 22 mei 1929, B. 4517).

Met de inwerkingtreding van de Wet Inkomstenbelasting 2001 worden ‘andere opbrengsten uit arbeid’, ‘het resultaat van overige werkzaamheden’ genoemd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat dat de steekpenningen die verdachte heeft aangenomen, moeten worden aangemerkt als het resultaat van overige werkzaamheden en daarmee te beschouwen zijn als inkomsten in de zin van de Wet Inkomstenbelasting 2001. Onder een overige werkzaamheid, zoals bedoeld in artikel 3.90 van de Wet inkomstenbelasting 2001, dient te worden verstaan het verrichten van enige vorm van arbeid in het economische verkeer, die is gericht op het behalen van een geldelijk voordeel en die niet is aan te merken als winst uit onderneming of als loon uit dienstbetrekking. Het resultaat uit een werkzaamheid is het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden behaald met een werkzaamheid.

De verduisteraar geniet fiscaalrechtelijk het wederrechtelijke voordeel op het moment van toe-eigenen en kan daarvoor worden belast. (Hoge Raad 24 juni 1992 - ECLI:NL:HR:1992:ZC5026, BNB 1993/19 m.nt. Van Brunschot). Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank tevens voor het wederrechtelijk voordeel dat wordt behaald met oplichting.

De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte door geen melding te maken van het financieel voordeel uit de aangenomen steekpenningen alsmede het voordeel behaald uit de verduistering en de oplichting, onjuist en onvolledig aangifte heeft gedaan, althans laten doen over de jaren 2003, 2005 en 2007.

De verdediging heeft aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld. Feit van algemene bekendheid is dat ook illegale inkomsten zoals steekpenningen alsmede financieel voordeel uit verduistering en oplichting als het resultaat van overige werkzaamheden dienen te worden aangegeven. Verdachte, die bedrijfseconomie heeft gestudeerd, heeft door deze inkomsten desondanks niet te melden, minst genomen de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn belastingaangiften onjuist zouden zijn (Vgl. Hoge Raad 28 januari 1986, ECLI:NL:HR:1986:BI9570 - FED 1988/34 m.nt. P.J. Wattel).

Het is ten slotte een feit van algemene bekendheid dat, als voor de inkomstenbelasting minder inkomsten worden opgegeven dan in werkelijkheid zijn verkregen, hiervan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting wordt geheven.

5.6.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde

5.6.1.

De beschuldiging

Verdachte wordt verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrift door tezamen en in vereniging met [naam 3] een valse factuur op te maken en voorts dat hij tezamen en in vereniging heeft schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van die valse factuur doordat deze is opgenomen in de administratie van A.M. Development International B.V.

5.6.2.

De feiten en omstandigheden

[naam 3] heeft op 10 oktober 2003 een factuur opgemaakt waarin zij heeft vermeld dat [bedrijfsnaam] werkzaamheden heeft verricht voor A.M. Development International BV. [naam 3] heeft verklaard dat zij die werkzaamheden heeft verricht in opdracht van [naam 13] , destijds de directeur van A.M. Development International BV. De factuur is opgemaakt op de computer van [naam 14] in het kantoor van de boetiek van laatstgenoemde in [plaats] , Spanje. Zij heeft verklaard dat [naam 3] die dag vergezeld werd door verdachte. [naam 13] heeft verklaard dat hij [naam 3] nimmer een opdracht heeft gegeven. Bij een doorzoeking van de (bedrijfs)administratie van A.M. Development International BV/Multi Development BV. is een scan van de factuur aangetroffen.

5.6.2.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het (als eerste cumulatief/alternatief) ten laste gelegde medeplegen van valsheid in geschrift zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts dan gerechtvaardigd als de – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. (HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474 en HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395, m.nt. P.A.M. Mevis).

Uit de stukken blijkt dat [naam 3] de desbetreffende factuur heeft opgemaakt op de computer van [naam 14] . Uit de verklaring van laatstgenoemde volgt dat verdachte in het kantoor aanwezig was waar [naam 3] op dat moment de factuur heeft opgemaakt. Weliswaar moet het gefactureerde bedrag worden aangemerkt als een steekpenning voor verdachte, maar uit het dossier volgt niet dat verdachte een – intellectuele en/of materiële – bijdrage heeft geleverd aan het opmaken van de valse factuur. Het enige dat is komen vast te staan, is dat verdachte aanwezig was in het kantoor op het moment dat daar de factuur is opgemaakt en dat is onvoldoende om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking.

De rechtbank zal verdachte ook vrijspreken van het voorhanden hebben van het valse geschrift zoals cumulatief en als tweede alternatief is ten laste gelegd. Verdachte wordt kort gezegd verweten dat hij de door [naam 3] valselijk opgemaakte factuur samen met een ander of anderen voorhanden heeft gehad. Het (medeplegen van het) voorhanden zou hierin hebben bestaan dat de factuur is opgenomen in de (bedrijfs)administratie van A.M. Development International BV/Multi Development BV. Een of meer personen binnen die organisatie moeten, aldus de officieren justitie, betrokken zijn geweest bij de omkoping van verdachte zodat bewezen kan worden dat verdachte en medeverdachte [naam 3] tezamen en in vereniging met een of meer anderen hebben gehandeld.

Het voorhanden hebben van een vals geschrift houdt niet in dat het geschrift direct voor het grijpen moet liggen, het kan ook bij een derde worden bewaard. Essentieel bij het voorhanden hebben van een vals geschrift is het tot zijn beschikking hebben van dat geschrift, in die zin dat indien dat wordt gewenst gebruik kan worden gemaakt van de bewijsbestemming ervan (Kamerstukken II 1988/89, 21186, nr. 3, p. 15). Voor zover de in de tenlastelegging genoemde factuur in de bedrijfsadministratie A.M. Development International BV/Multi Development BV is opgenomen, blijkt niet dat dit door verdachte is gedaan. Uit de bewijsmiddelen blijkt evenmin dat hij over de desbetreffende factuur kon beschikken. Uit het dossier volgt wat betreft het opnemen van de factuur in de administratie van A.M. Development International BV ook niet dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en ((een van) de medewerkers) A.M. Development International BV. Voor zover verdachte wordt verweten dat hij de factuur heeft afgeleverd in de wetenschap dat de factuur (mogelijk) zal worden opgenomen in de administratie is hiervoor onvoldoende steun te vinden in het dossier. De slotsom is dat niet kan worden bewezen dat verdachte zoals is ten laste gelegd de desbetreffende factuur (die in de administratie van A.M. Development International BV is opgenomen) al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen voorhanden heeft gehad.

5.7.

Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde

5.7.1.

De beschuldiging

Verdachte wordt kort gezegd verweten dat hij op 6 juni 2014 toen hij als getuige onder ede werd gehoord door de Parlementaire Enquêtecommissie Woningcorporaties meineed heeft gepleegd.

5.7.2.

Feiten en omstandigheden

Verdachte heeft op 6 juni 2014 bij de Parlementaire Enquêtecommissie Woningcorporaties onder ede een verklaring afgelegd. De inhoud van die verklaring is hierboven (4.2.2.1.) weergegeven.

5.7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De raadsvrouw heeft op dezelfde gronden als weergegeven bij het niet-ontvankelijkheidsverweer bepleit dat de tijdens het PEC-verhoor afgelegde verklaring van verdachte moet worden uitgesloten van het bewijs ter zake van dit feit. Uit het voorgaande oordeel inzake het niet-ontvankelijkheidsverweer volgt dat geen sprake is van onrechtmatig bewijs als bedoeld in artikel 359a Sv. Bewijsuitsluiting is dus niet aan de orde. Het verweer wordt verworpen.

De raadsvrouw heeft betoogd dat het enkele gegeven dat de situatie feitelijk een andere is dan door de onder ede gestelde getuige is verklaard, niet voldoende is om aan te nemen dat deze getuige opzet had op het afleggen van een valse verklaring. Verdachte verkeerde in de overtuiging dat hij geen valse verklaring aflegde omdat hij naar zijn volle overtuiging zich niet aan het (strafbaar) aannemen van giften of beloften schuldig maakte, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank is van oordeel dat uit de wettige bewijsmiddelen inzake feit 2 (de niet-ambtelijke passieve omkoping) volgt dat verdachte willens en wetens, geld en gunsten heeft aangenomen. Daaruit vloeit voort dat verdachte tegen beter weten in een valse verklaring heeft afgelegd door onder ede zonder enige nuancering te verklaren dat hij nooit geld of gunsten voor eigen voordeel heeft aangenomen. Daarmee is het opzet op het afleggen van een valse verklaring bewezen.

De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte meineed heeft gepleegd zoals aan hem is ten laste gelegd en hierna in rubriek 5 nader is uitgewerkt.

6 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte het onder 1, 2 primair, 3, 4 en 6 ten laste gelegde heeft begaan met dien verstande dat hij

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2007 tot en met 27 oktober 2008 te Amsterdam enig geldbedrag aan mobiele telefoonkosten, te weten:

- belminuten en/of sms-berichten en abonnementskosten ter waarde van enig geldbedrag, voor het gebruik van het mobiele telefoonnummer [telefoonnummer] door [kind 1] in de periode 2007-2008, en

- belminuten en/of sms-berichten en abonnementskosten ter waarde van enig geldbedrag, voor het gebruik van het mobiele telefoonnummer [telefoonnummer] door [naam 3] en

- belminuten en/of sms-berichten en abonnementskosten ter waarde van enig geldbedrag, voor het gebruik van het mobiele telefoonnummer [telefoonnummer] door [kind 2] ,

die toebehoorden aan Woningstichting Rochdale en welke geldbedragen hij, verdachte, uit hoofde van zijn, verdachtes, persoonlijke dienstbetrekking als voorzitter van de Raad van Bestuur van Woningstichting Rochdale, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

en

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2007 tot en met 27 oktober 2008 te Amsterdam en/of [plaats] en/of [plaats] en/of Antwerpen, telkens met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels Woningstichting Rochdale heeft bewogen tot het teniet doen van een inschuld, immers heeft verdachte

met de door Woningstichting Rochdale aan verdachte ter beschikking gestelde creditcards met de nummers [cardnummer] en [cardnummer] van de ABN-AMRO betalingen verricht, te weten:

  • -

    enig geldbedrag aan benzine en/of andere kosten (periode 2007-2008 in Nederland), en

  • -

    enig geldbedrag aan benzine en/of andere kosten (periode 2007-2008 in Spanje), en

- enig geldbedrag aan bestedingen/uitgaven in restaurants en/of hotels althans in horecagelegenheden en/of bestedingen/uitgaven bij benzinestations (periode 2008) en

- ten bedrage van EURO 1.567,-, aan hotelkosten in Antwerpen in 2007

en deze betalingen vervolgens op de aan hem voorgehouden creditcardoverzichten niet als privéuitgaven bestempeld terwijl daarvan wel sprake was en deze betalingen als zakelijke betaling bestempeld,

waardoor Woningstichting Rochdale werd bewogen tot het teniet doen van een inschuld;

ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde

in de periode van 8 juni 1999 tot en met 30 januari 2009 in Nederland en Spanje, anders dan als ambtenaar, namelijk als bestuurder Woningstichting Patrimonium en als voorzitter van de Raad van Bestuur van Woningstichting Rochdale naar aanleiding van hetgeen hij, verdachte, in zijn dienstbetrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zou doen of nalaten, giften, namelijk, geldbedragen en gebruiksrechten van zakenrelaties van Woningstichting Patrimonium en Woningstichting Rochdale, te weten:

[naam 1] / Nawon Holding BV / Nationaal Woning Bezit Groep BV / Vevo Beheer BV / Cap Negret Real Estate S.L:

- het gebruik van een personenauto Volkswagen Beetle, gekentekend [kentekennummer] (door [naam 1] ter beschikking gesteld aan [kind 1] ) in de periode 08-06-1999 t/m 13-11-2000, zulks om niet en op 11-11-2000 de inruilwaarde van die Volkswagen Beetle, gekentekend [kentekennummer] en

- een betaling op d.d. 17-07-2000 van fl. 135.000,- (EURO 61.260,-) door Vevo Beheer BV (rechtsvoorganger van Nawon Holding B.V.) aan aannemersbedrijf G.K. Visbeen & Co met als omschrijving “Arma Visbeen”, ten behoeve van de bouw van het zwembad bij het [adres] te [plaats] en

ten behoeve van het dubbelappartement [adres] en [adres] , [plaats] (appartementsgebouw Abacus, bouwnummers 13 en 14):

- een betaling d.d. 31-07-2002 van EURO 172.796,- door Nationaal Woning Bezit Groep BV aan Hak en Rein Vos notarissen met als omschrijving 290 401 en 290 501 Abacus en

- een betaling d.d. 04-03-2003 van EURO 182.011,25 door Nationaal Woning Bezit Groep BV aan Leyten Bouwplanontwikkeling t.b.v. termijn 4 en 5 app. Abacus, bouwnr. 13/14 en

- een betaling d.d. 02-04-2003 van EURO 100.000,00 door Nawon Holding BV aan Van Heumen Incasso en advies BV t.b.v. appartement Abacus, bouwnr. 13/14 en

- een betaling d.d. 23-05-2003 van EURO 64.099,75 door Nawon Holding BV aan Van Heumen Incasso en Advies BV t.b.v. meerwerk appartement Abacus, bouwnr. 13/14 en

- een betaling d.d. 28-05-2003 van EURO 50.000,- door Nationaal Woning Bezit Groep BV aan Lineale Interieurontwerp & Realisatie met als omschrijving deelbet. Fact. 20313 order 0020010523 interieur Aba Aus en

- een betaling d.d. 28-05-2003 van EURO 46.173,- door Nationaal Woning Bezit Groep BV aan Edmon Keukens BV met als omschrijving fact. 407084 Keuken Aba Aus en

  • -

    een betaling d.d. 28-05-2004 van EURO 25.000,00 door Nawon Holding BV aan Lineale Interieurontwerp en Realisatie met als omschrijving aanbetaling meubels en

  • -

    een betaling d.d. 10-06-2004 van EURO 140.030,52 door [naam 1] aan Stichting Derdengelden met als omschrijving 'spoedopdracht Lineale' dan wel EURO 130.030,52 op 11-06-2004 en EURO 5.103,38 op 02-07-2004 door Stichting Derdengelden aan Lineale Interieurontwerp & Realisatie met als omschrijving 'ontvangen van dhr. [naam 1] ' en

  • -

    een betaling d.d. 28-12-2007 van EURO 300.000,- door Nationaal Woning Bezit Groep BV aan Boekel de Nerée Notarissen ter afbetaling van de lening van [naam 6] en

  • -

    het gebruik van een woning in Spanje en de daar aanwezige inrichting en inventaris, gelegen op het adres [adres] in de periode 01-04-2001 tot 30-09-2009, toebehorende aan [naam 1] en/of Cap Negret Real Estate SL, zulks om niet, en

[naam 2] / Recycling Maatschappij Steenkorrel Amsterdam:

- het gebruik van een personenauto Mercedes Benz SL500, gekentekend [kentekennummer] (op naam gesteld van Recycling Maatschappij Steenkorrel Amsterdam B.V.) in de periode van 15-01-2003 tot en met 10-01-2006, zulks om niet, en de inruilwaarde à EURO 58.500,- van deze Mercedes Benz SL 500, gekentekend [kentekennummer] , die op of omstreeks 10-01-2006 is ingeruild bij [naam 8] & Dochters B.V. ten behoeve van de aanschaf van de Mercedes Benz SL 55, gekentekend [kentekennummer] , door [verdachte] en/of [naam 3] en

- een betaling d.d. 28-07-2005 van EURO 300.000,- dan wel EURO 299.994,- door [naam 2] aan [verdachte] en/of [naam 3] en

- een betaling d.d. 11-06-2007 van EURO 200.000,- dan wel EURO 199.915,- door [naam 2] aan [verdachte] met als omschrijving 'lening' en

- een betaling d.d. 17-07-2007 van EURO 25.000,- dan wel EURO 24.999,71 door [naam 2] aan [verdachte] met als omschrijving 'lening' en

- het gebruik van een personenauto Mercedes Benz 350 SLK, gekentekend [kentekennummer] (gehuurd door (Recycling Maatschappij) Steenkorrel (Amsterdam) B.V. bij [naam 8] & Dochters B.V. en ter beschikking gesteld aan [kind 2] in de periode van 23-06-2006 tot 06-06-2007, zulks om niet, en

- de inruilwaarde van een Mercedes Benz CLK 200 à EURO 44.000,-, zonder kenteken, die op 25-04-2007 door [naam 2] is ingeruild bij [naam 8] & Dochters B.V. (ten behoeve van de aanschaf van de Mercedes Benz 350 SLK, gekentekend [kentekennummer] , door [verdachte] ) en

- een betaling van EURO 10.000,- d.d. 06-06-2007 (onderdeel uitmakend van een betaling met een totaalbedrag van EURO 92.644,68) door Recycling Maatschappij Steenkorrel Amsterdam B.V. aan [naam 8] & Dochters B.V. (ten behoeve van de aanschaf van de Mercedes Benz 350 SLK, gekentekend [kentekennummer] , door [verdachte] ) en

AM Development International BV:

- een betaling d.d. 04-12-2003 van EURO 188.355,- dan wel EURO 188.336,50 door A.M. Development International BV aan [naam 3] en/of [verdachte] met als omschrijving [bedrijfsnaam] QQ 0011,

telkens heeft aangenomen en dit aannemen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn, verdachtes, werkgever bovengenoemd;

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

in de periode van 14 december 2001 tot en met 11 november 2014, in Nederland en Spanje, een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van witwassen, immers heeft hij, verdachte:

geldbedragen en voertuig(en) en onroerende goederen afkomstig van zakenrelaties van Woningstichting Patrimonium en Woningstichting Rochdale, te weten:

  • -

    een geldbedrag van in totaal ongeveer EURO 300.000,- en

  • -

    een geldbedrag van in totaal ongeveer EURO 200.000,- en

  • -

    een geldbedrag van in totaal (ongeveer) EURO 25.000,-

en

  • -

    een personenauto Mercedes Benz SL 55 AMG, gekentekend [kentekennummer] en

  • -

    een personenauto Mercedes Benz 350 SLK, gekentekend [kentekennummer]

en

- een zwembad (behorend bij de woning gelegen aan het [adres] te [plaats] ) en

- een dubbelappartement gelegen aan de [adres] en [adres] , [plaats] (appartementsgebouw Abacus, bouwnummers 13 en 14) en (een deel van) de daarin aanwezig inventaris,

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet, althans van bovengenoemde voorwerpen, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

in de periode van 27 oktober 2003 tot en met 14 september 2009 in Nederland, telkens opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

  • -

    een aangifte 2003 voor de Inkomstenbelasting Premie volksverzekeringen ten name van [verdachte] en

  • -

    een aangifte 2005 voor de Inkomstenbelasting Premie volksverzekeringen ten name van [verdachte] en

  • -

    een aangifte 2007 voor de Inkomstenbelasting Premie volksverzekeringen ten name van [verdachte] ,

telkens onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, althans heeft laten doen door (een) ander(en), immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk op die bij de Inspecteur der Belastingen en/of de Belastingdienst in Nederland ingediende/ingeleverde (elektronische) aangiften Inkomstenbelasting / Premie volksverzekeringen over genoemde jaren telkens niet alle door hem, verdachte, genoten inkomsten (inkomen en/of resultaat uit overige werkzaamheden) vermeld en doen vermelden, terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde

op 6 juni 2014 te Den Haag tijdens een openbaar verhoor als getuige onder ede voor een commissie als bedoeld in artikel 1 onder b jo artikel 2 lid 2 van de Wet op de Parlementaire Enquête 2008, zijnde een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert en daaraan rechtsgevolgen verbindt, mondeling, persoonlijk, opzettelijk de navolgende, geheel of ten dele, valse verklaringen – zakelijk weergegeven – onder ede heeft afgelegd, te weten: op een vraag van mevrouw Hachchi tijdens het verhoor van de parlementaire enquêtecommissie Woningcorporaties: “Hebt u ooit geld of gunsten aangenomen voor eigen voordeel?” geantwoord: “Nooit.” en op een vraag en/of opmerking van dhr. Oskam tijdens het verhoor van de parlementaire enquêtecommissie Woningcorporaties: “Mijn laatste vraag. Mevrouw Hachchi vroeg of u ooit geld, gunsten of steekpenningen hebt aangenomen. U antwoordde daarop met een volmondig “nee, nooit”. Nou lopen er twee gescheiden trajecten: een strafzaak bij het Open Ministerie – daar hebben wij geen inzage in – en deze parlementaire enquête. Dit is weer een heel andere rechtsgang, zal ik maar zeggen. De verdenking dat u gunsten en steekpenningen hebt aangenomen, is er wel” geantwoord: “Ze zijn me nog nooit aangeboden en ik heb ze nog nooit gevraagd.”.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7 De strafbaarheid van de feiten

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte ter zake van het onder 2 ten laste gelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens niet-kwalificeerbaarheid omdat de woorden “werkzaam zijnde in dienstbetrekking of optredend als lasthebber”, die als zodanig een cruciaal bestanddeel van de delictsomschrijving van het toenmalige artikel 328ter van het Wetboek van Strafrecht vormen, in de tenlastelegging ontbreken verdachte (randnummer 268 van het pleidooi).

De rechtbank stelt vast dat in de (bewezenverklaarde) tenlastelegging inderdaad de in de delictsomschrijving van artikel 328ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals die ten tijde van de tenlastelegging luidde, opgenomen woorden ‘werkzaam zijnde in dienstbetrekking of optredend als lasthebber’ ontbreken.

De rechtbank is echter van oordeel dat deze woorden niettemin onderdeel uitmaken van hetgeen ten laste van verdachte is bewezenverklaard omdat uit de feitelijke omschrijving van het ten laste gelegde te weten: “namelijk als directeur directeur/bestuurder van Woningstichting Patrimonium en als voorzitter van de Raad van Bestuur van Woningstichting Rochdale (…) in zijn dienstbetrekking” voldoende duidelijk wordt dat het hier gaat om iemand die anders dan als ambtenaar werkzaam is in dienstbetrekking. De bewezenverklaring bevat dus alle bestanddelen van het delict waarop kennelijk wordt gedoeld. Het verweer wordt dan ook verworpen.

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straf

9.1.

De eis van het Openbaar Ministerie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden en daarbij opgemerkt dat als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden zij 48 maanden zouden hebben gevorderd.

9.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft samengevat het volgende aangevoerd. Verdachte werd in november 2008 op non-actief gesteld door Rochdale en in januari 2009 ontslagen. Op 24 januari 2012 is hij failliet verklaard. De vermeende omkopingsfeiten dateren thans van meer dan 8 jaar geleden. Hij is in de pers zijns ondanks herhaaldelijk door het slijk gehaald en de grond in geschreven. Thans is hij bijna 66 jaar oud. Tot zijn 65e weigerde de curator überhaupt om leefgeld aan verdachte te betalen, noch betaalde de curator de (verplichte) ziektekostenverzekering voor verdachte.

Het is dat hij inmiddels 65 is, maar anders waren de gevolgen (bepaald) niet te overzien geweest, toen hij 3 weken geleden in het ziekenhuis belandde vanwege een ontstoken galblaas, acuut geopereerd diende te worden, en vervolgens na die operatie nog 2 weken aan het zuurstof moest doorbrengen (in het ziekenhuis).

De eis van het Openbaar Ministerie verbaast. Vooral omdat op artikel 328ter van het Wetboek van Strafrecht destijds maximaal 1 jaar gevangenisstraf stond terwijl, zoals het Openbaar Ministerie zelf op verschillende plaatsen in het requisitoir memoreert, bij een bewezenverklaring van omkoping het doen van een onjuiste belastingaangifte (en witwassen) een ‘gegeven’ is. Dat indiceert een ‘verbondenheid’, die in de strafeis als zodanig niet lijkt terug te komen. De aanzienlijke, niet aflatende en steeds terugkerende media-aandacht, waarmee dit pleidooi begon, regardeert de rechtbank. Zoals blijkt uit een recent arrest van de Hoge Raad (HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3024), staat het de rechtbank vrij bij het bepalen van de straf rekening te houden met nadeel dat door media-aandacht voor een verdachte is veroorzaakt, ook indien dit niet aan het toedoen van het OM is te wijten of indien dit niet als een schending van artikel 8 EVRM kan worden aangemerkt. De verdediging verzoekt u in casu van die bevoegdheid gebruik te maken, mede tegen de achtergrond van het gegeven dat verdachte op één uitzondering (in 2010) na nimmer zelf de publiciteit heeft gezocht.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

9.3.1.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

9.3.2.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

9.3.3.

Verdachte heeft zich gedurende 10 jaar schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking, oplichting van zijn werkgever, niet-ambtelijke omkoping, witwassen, onjuiste belastingopgaven en aan meineed.

9.3.4.

De motieven van verdachte voor dit handelen zijn niet duidelijk geworden. Verdachte zegt niet meer te weten wat zich feitelijk had voorgedaan, of had daar een andere beleving van dan de feiten aantonen. Slechts op het punt van het privégebruik van de zakelijke telefoons door zijn kinderen heeft hij verklaard dat dit anders had gemoeten.

9.3.5.

Uit het dossier komt een beeld naar voren van een man met een ongekende geldzucht en de wens tot het ophouden en uitstralen van een beeld van een zakelijk en financieel geslaagd corporatiebestuurder. Aan verdachte kunnen zonder meer successen worden toegeschreven in het kader van de volkshuisvesting, maar er was sprake van een geheel andere werkelijkheid.

9.3.6.

De materiële eisen van verdachte gingen ver uit boven zijn financiële mogelijkheden en kennelijk zag hij geen reden om die eisen in overeenstemming met zijn reguliere inkomen en vermogen te brengen.

9.3.7.

Verdachte heeft er voor gekozen zijn zakenrelaties [naam 1] en [naam 2] herhaaldelijk en langdurig te vragen om, financiële ondersteuning in de vorm van giften. Verdachte heeft zich op die wijze met [naam 1] en [naam 2] begeven in een jarenlange illegale financiële houdgreep. Het initiatief daartoe kwam van verdachte, terwijl [naam 1] en [naam 2] zich daarvoor gewillig leenden, gelet op hun belang bij het in stand houden van een goede zakelijke relatie met Rochdale. Dat wordt verdachte ernstig verweten. Daarnaast bleek uit de gang van zaken rond de villa in [plaats] dat verdachte naar de buitenwereld deed voorkomen alsof de villa zijn eigendom was. Verdachte was steeds bezig de schijn op te houden. De situatie van het dubbele appartement in [plaats] geeft een identiek beeld. Voorts liet verdachte die zakenrelaties zeer aanzienlijke geldsommen overmaken ten behoeve van aandringende schuldeisers, dan wel betalingen doen direct aan verdachte ten behoeve van luxe uitgaven via zijn Spaanse bankrekening.

9.3.8.

De doelstelling van de strafbaarstelling van de wetgever van niet-ambtelijke omkoping betreft primair het beschermen van de zuiverheid van de dienstbetrekking en het vertrouwen dat een werkgever in zijn werknemer of lasthebber moet kunnen stellen. Een nevengeschikt oogmerk betreft het beschermen van de concurrentieverhoudingen. Blijkens de wetsgeschiedenis is de strafbaarstelling van niet-ambtelijke omkoping ingegeven door de vrees van de wetgever voor verval van de publieke moraal. Het vertrouwen dat een werkgever of lastgever een werknemer of lasthebber moet schenken zal toenemen waar bevoegdheden meer worden gedelegeerd en specialisatie binnen ondernemingen voortschrijdt. In een maatschappij waarin de welvaart toeneemt, zo overwoog de wetgever, zal de verleiding toenemen om zich op normatief onregelmatige wijze bezit toe te eigenen. Wanneer daartegen niet strafrechtelijk kon worden opgetreden, zo vreesde de wetgever, dreigde omkoping een maatschappelijk geaccepteerd verschijnsel te worden waarmee een verzwakking van de publieke moraal gepaard zou gaan, nu was gebleken dat niet iedereen het moreel verwerpelijke van dergelijk handelen aanstonds inzag. Voorts achtte de wetgever bescherming van vertrouwensverhoudingen bij het vervullen van contracten, meer in het bijzonder in de dienstbetrekking, van openbaar belang.

9.3.9.

Het op deze wijze aannemen van steekpenningen door verdachte, is naar het oordeel van de rechtbank bij uitstek een voorbeeld van handelen in strijd met de integriteit en de openheid die de wetgever heeft bedoeld te beschermen.

9.3.10.

Verdachte heeft daarnaast ook het vertrouwen van zijn werkgever geschaad door het privégebruik van telefoons van de zaak en het laten betalen van privéuitgaven door die werkgever en daarmee misbruik gemaakt van zijn positie als directeur van Rochdale.

9.3.11.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen en zo de integriteit van het financieel en economisch bestel in het bijzonder en schade aan de maatschappij in het algemeen ernstig geschaad. Daarnaast werkt het witwassen van crimineel geld het voortbestaan van verschillende vormen van criminaliteit in de hand.

9.3.12.

Verdachte heeft verder ontvangen irreguliere inkomsten verzwegen voor de Belastingdienst. Dat als gevolg daarvan geen inkomstenbelasting is geheven, strekt de gehele maatschappij tot nadeel.

9.3.13.

De handelwijze van verdachte is temeer laakbaar nu hij fungeerde als directeur/bestuurder van een woningcorporatie die zich richt op de sociale woningbouw en de volkshuisvesting voor de minst bedeelden in de samenleving. Hij vervulde aldus een maatschappelijke voorbeeldfunctie en zijn gedrag in die hoedanigheid had daarom bij uitstek onberispelijk moeten zijn. Hij heeft door zijn vergaand grensoverschrijdend gedrag niet alleen het vertrouwen van Rochdale geschaad, maar ook het vertrouwen van de maatschappij in de integriteit van bestuurders van woningcorporaties.

9.3.14.

Bij dit alles wordt in verzwarende zin meegewogen dat verdachte geen enkele blijk van inzicht in het laakbare van zijn handelwijze heeft getoond. De schaamteloze wijze waarop hij heeft gehandeld, rekent de rechtbank hem zwaar aan.

9.3.15.

Verdachte heeft ten slotte ten overstaan van een parlementaire enquêtecommissie meineed gepleegd. Hij heeft daarmee de waarheid geweld aangedaan en tevens zijn eigen geloofwaardigheid aangetast. Het valse verklaren onder ede is in het onderhavige geval te meer laakbaar gelet op het bijzondere maatschappelijk relevante belang van de waarheidsvinding in het kader van een parlementaire enquête.

9.3.16.

Het vorenstaande rechtvaardigt, mede gelet op de maatschappelijke impact, naar het oordeel van de rechtbank het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf met name met het oog op generale preventie en vergelding.

9.3.17.

De rechtbank sluit in navolging van het Gerechtshof Amsterdam in de zogenoemde Klimop-zaak, als uitgangspunt voor de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf, aan bij de door het LOVS in 2012 vastgestelde oriëntatiepunten die van toepassing zijn op fraudezaken, ook waar zoals in de zaak van verdachte sprake is van een feitencomplex van voor 2012.

9.3.18.

Ten aanzien van de media-aandacht waar door de verdediging op is gewezen, acht de rechtbank aannemelijk dat alle media-aandacht rondom de persoon van de verdachte en de daarin reeds verwerkte oordelen, een zware wissel hebben getrokken op verdachte en zijn privéleven. Tegelijkertijd ziet de rechtbank de media-aandacht voor deze zaak evenwel als een kennelijk onvermijdelijk en bovendien van een eigen dynamiek voorzien fenomeen dat zich bij uitstek in zaken met een zekere impact voordoet. In het geval van de verdachte is het niet onbegrijpelijk dat de verantwoordelijke maatschappelijke positie die hij ten tijde van de door hem gepleegde feiten bekleedde en de bekendheid van de instelling waarvoor hij werkzaam was, aandacht trekkende aspecten zijn. Daarbij wordt voorts aangetekend dat verdachte ook – kennelijk – zelf niet afwijzend heeft gestaan ten opzichte van incidentele media belangstelling. Overigens dient te worden opgemerkt dat van de zijde van het Openbaar Ministerie met grote terughoudendheid met die mediabelangstelling is omgegaan. De rechtbank zal derhalve de media-aandacht voor de zaak tegen verdachte niet in strafmatigende zin meewegen.

9.3.19.

De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. Deze termijn begint op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De redelijkheid van de duur van een zaak is afhankelijk van onder meer de volgende omstandigheden: de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop, en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM van kracht is geworden, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden (HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358).

Op 23 oktober 2009 is de woning van verdachte doorzocht. Vanaf dat moment is de redelijke termijn van kracht geworden. Het onderzoek door de FIOD is in 2011 afgerond. Vervolgens heeft het Openbaar Ministerie het dossier bestudeerd en zijn concept-tenlasteleggingen gemaakt. Deze zijn in september 2011 samen met het dossier ter beschikking gesteld van de verdediging om onderzoekswensen te kunnen formuleren. Tevens is het dossier overgedragen aan het kabinet rechter-commissaris. Door de verdediging van verdachte zijn in november 2011 onderzoekswensen ingediend. Het dossier heeft daarna tot juni 2012 bij het kabinet rechter-commissaris gelegen. Er was tot dat moment geen rechter-commissaris beschikbaar om de zaak ter hand te nemen. In juni 2012 heeft de zaaksrechter-commissaris een brief aan het Openbaar Ministerie gestuurd met het verzoek te reageren op de onderzoekswensen van de verdediging. Nadat daarop is gereageerd en de rechter-commissaris de onderzoekswensen heeft beoordeeld, is de zaak in februari 2013 feitelijk opgepakt door het kabinet rechter-commissaris. Op 2 april 2013 zijn de getuigenverhoren gestart en op 17 juni 2013 zijn deze geëindigd. Nadat de uitkomsten van een rechtshulpverzoek aan de Verenigde Staten bekend zijn geworden, is de zaak gepland voor een regiezitting om zo de verdediging en de rechtbank de kans te geven eventuele nadere onderzoekswensen te formuleren. Deze regiezitting heeft op 3 december 2014 plaatsgevonden. De nadere onderzoekswensen waren minimaal, maar vanwege een gebrek aan zittingsruimte is de inhoudelijke behandeling bijna een jaar later gepland. De rechtbank doet heden – meer dan 6 jaar nadien – uitspraak. Zij is van oordeel dat de redelijke termijn met 4 jaar is overschreden en zal in verband daarmee 10 maanden in mindering brengen op de gevangenisstraf die de rechtbank zou hebben opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.

9.13.20.

De rechtbank merkt ten slotte op dat de straf lager is dan de geëiste straf omdat verdachte op onderdelen wordt vrijgesproken.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 207, 321, 322, 326, 328ter, 420ter van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen. Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 5 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 primair, 3, 4 en 6 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op:

1. Verduistering in dienstbetrekking, meermalen gepleegd en oplichting, meermalen gepleegd;

2. Anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, een gift aannemen en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn werkgever, meermalen gepleegd;

3. Van het plegen van witwassen een gewoonte maken;

4. Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

6. In de gevallen waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert of daaraan rechtsgevolgen verbindt, mondeling, persoonlijk, opzettelijk een valse verklaring onder ede afleggen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) jaar en 6 (zes) maanden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.M. van Dijk , voorzitter,

mrs. P.J. van Eekeren en C. Klomp, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 december 2015.

1 Kamerstukken II 2014/15, 33 606, nr. 4, par. 7.3.3, pag 210

2 Kamerstukken II 2005/06, 30 415, nr. 3, par. 8.5, pag. 21 ev

3 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar hierna wordt verwezen naar verklaringen, betreft het ambtsedig opgemaakte processen-verbaal van de FIOD, bevattende een verklaring van een getuige of een verdachte. AH staat voor ambtshandeling. V staat voor proces-verbaal van verhoor verdachte. G staat voor proces-verbaal van verhoor getuige. Waar wordt verwezen naar ‘D’, betreft het andere geschriften als bedoeld in artikel 344 lid 1 onder 5 Wetboek van Strafvordering.

4 D-0112, p. 22

5 D-0123, p. 24 en 30

6 D-0112, p. 25 en 29 en D-550 en D-0463

7 Verklaring van verdachte ter zitting, D-0789, D-0550, D-0558 en D-796

8 Verklaring van verdachte ter zitting

9 D-0112, p. 25 en 27, G-027-01 en D-0557

10 Verklaring van verdachte ter zitting

11 D-0794, p. 52

12 AH-60, D-0677 en G-032-01

13 G032-01 en D-0789

14 D-0809A, D-0802, p. 101, D-0810 en D-0812A

15 D-0789, p. 4

16 Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de rechter-commissaris betreffende het verhoor van [getuige] , p.5

17 D-0789, G-047-01 en D-0812A

18 G-027-01 en G-047-01

19 D-0802, p. 101 en D-0789

20 D-0552

21 D-0473

22 V-001-01, p. 9

23 D-003

24 D-0553

25 G037-01, p. 10 ( [naam 6] )

26 G041-01, p. 5 ( [naam 15] )

27 G026-02, p. 2 ( [naam 16] )

28 D-001

29 AH-115

30 AH-112

31 AH-102

32 V002-003

33 D-0698, D-0175 4/8

34 V002-03, p.3

35 AH-073

36 G-038.

37 D-0704 2/2

38 V002-03 p. 3 en V002-05 p. 7

39 D-0005 en AH-017

40 D-0612

41 D-0144, D-0613

42 D-0614, D-0163

43 D-0615, D-0165

44 D-0614, D-0163

45 D-0168, D-0616

46 D-0030, D-0617 en AH-017

47 D-0032 3/5, D-0618 4/5

48 D-0031

49 V002-01, p. 6

50 D-0235, AH-73

51 V02-01, p. 8 van 9

52 AH-114

53 V-002-01, p. 3 en 4 en V-002-02, p. 6 en 7

54 AH-115

55 D-0266

56 D-0216A

57 D-0455

58 AH-106 en D-517

59 AH-106 en D-521

60 AH-106 en D-527

61 D-0426 en AH-057

62 AH-106 en D-0787 en D-0264

63 D-0627

64 AH- 86 p. 4 en 5 en AH-92 p. 2 en 3.

65 D-0158

66 G-06-01, p. 5

67 G005-01 ( [naam 8] ).

68 G005-01 en G006-01 en 02

69 G006-01

70 D-0388 1/6 tot en met 6/6 en D-260

71 G005 ( [naam 8] ), D-0261 8/12, D-0263 1/4

72 G005-01 ( [naam 8] ), D-0263 4/4.

73 AH-108

74 D-0273

75 D-0459/D-0188, D-0276

76 D-0825

77 V001-02, p.2, D-187

78 D-0274 en AH-108

79 D-0354

80 D-460/D-0189

81 D-0275 en AH-108

82 D-187, D-0190, D-0355

83 D-0252

84 D-0181, D-0579

85 D-0471

86 V-002-03 p. 4

87 V-002-02, p.2

88 AH-106

89 D-0264

90 D-0787 3/3

91 D-0138

92 D-0138

93 AH-131 en D-318

94 G-64-01

95 D-0473

96 G033-01

97 G065-01

98 G063-01

99 D-0825

100 D-0826 en D-0252

101 D-0826, D-0268

102 D-0253

103 V-001-01, p. 2

104 D-0006 p. 1 t/m 3

105 D-834

106 D-0007

107 D-0011 en D-0834

108 D-0781 3/11

109 G045-01, p.2

110 D-0779 2/9 en D-0781 2/11

111 D-0644, D-270 en D-0834

112 G013-02 en D-270

113 G013-02, p.2

114 D-0270 en G013, p. 2