Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:8793

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-11-2015
Datum publicatie
11-12-2015
Zaaknummer
13/993080-14 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Fraude. Minimega. Een 50-jarige eigenaar van een administratiekantoor is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden en een geldboete van 16.500 euro voor het opzettelijk onjuist doen van aangifte van omzetbelasting en voor witwassen. Het kantoor heeft gedurende enige jaren in totaal 84 onjuiste aangiften gedaan waarbij telkens een te hoog bedrag aan terug te vragen omzetbelasting werd opgegeven. In totaal heeft de belastingdienst daardoor aan diverse bedrijven bijna één miljoen euro betaald. In werkelijkheid hadden de betrokken bedrijven nauwelijks of geen bedrijfsactiviteiten en waren de facturen waarop de betaalde BTW stond vermeld vervalst of was er in het geheel geen administratie.

De belastingdienst heeft geconstateerd dat de verdachte aangiften weliswaar waren ingediend met gebruikmaking van naam en wachtwoord van de bedrijven zelf, maar dat deze steeds afkomstig waren van het IP-adres van het administratiekantoor van verdachte. Vervolgens heeft nader onderzoek door de FIOD plaatsgevonden. Vijf medeverdachten waren bestuurders van de (fake)-bedrijven die de belasting terugvroegen. Een van hen is met regelmaat alleen of met de hoofdverdachte in het casino geweest en dan werd daar ook steeds geld van de rekening van een van de fake-bedrijven opgenomen. Hij is veroordeeld voor zowel de belastingfraude als witwassen. Drie medeverdachten waren katvanger; zij zijn vrijgesproken van het medeplegen van de belastingfraude maar wel veroordeeld tot werkstraffen en voorwaardelijke vrijheidsstraffen voor witwassen. Een vijfde bestuurder is geheel vrijgesproken. Zie ook: ECLI:NL:RBAMS:2015:8792, ECLI:NL:RBAMS:2015:8794, ECLI:NL:RBAMS:2015:8795, ECLI:NL:RBAMS:2015:8797, ECLI:NL:RBAMS:2015:8798

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/993080-14 (Promis)

Datum uitspraak: 16 november 2015

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1] , [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 oktober 2015 en 3 november 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. van Brakel, en van wat de gemachtigde raadsman van verdachte, mr. S. Ben Tarraf, naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan medeplegen van het opzettelijk bij de Belastingdienst voorziene aangiften onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging (feit 1) en medeplegen van witwassen van geldbedragen afkomstig uit het doen van deze onjuiste belastingaangiften (feit 2).

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

3.1.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft overeenkomstig de door hem overgelegde pleitaantekeningen betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging van verdachte. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het una via beginsel is geschonden, nu aan verdachte over de maanden april en augustus 2009 en over het jaar 2009 reeds boetes zijn opgelegd en het bestuursrechtelijk traject wordt doorlopen. De door de officier van justitie en de Belastingdienst aan verdachte verweten gedragingen zijn in materiële zin zo sterk verwant dat sprake is van hetzelfde feit in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr.) Verdachte kan daarom niet meer strafrechtelijk worden vervolgd, aldus de raadsman.

De officier van justitie heeft de zienswijze van de raadsman gemotiveerd bestreden.

Aan de orde is de vraag of aan verdachte hetzelfde feit wordt ten laste gelegd als waarvoor de boetes zijn opgelegd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Vooropgesteld wordt dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van “hetzelfde feit” aansluiting wordt gezocht bij artikel 68 Sr. Vuistregel is dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen van verdachte tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van hetzelfde feit als hiervoor bedoeld (HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102).

De rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende af.

Met betrekking tot de aangiften voor de omzetbelasting over de maanden april en augustus 2008 zijn door de Belastingdienst aan [bedrijf 1 B.V.] (hierna: [bedrijf 1 B.V.] ) boetes opgelegd voor het te laat indienen van de aangiften omzetbelasting. Met betrekking tot de aangiften omzetbelasting over het eerste, tweede en derde kwartaal van 2009 is door de Belastingdienst aan [bedrijf 1 B.V.] een naheffingsaanslag opgelegd met een boete van 10%. De officier van justitie heeft desgevraagd verklaard dat de naheffingsaanslag en boetes zijn opgelegd wegens het te laat indienen van de aangiften voor de omzetbelasting.

Het niet of niet tijdig doen van een aangifte betreffende de omzetbelasting is krachtens het bepaalde in artikel 69 lid 1 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) een feit waarvoor een verzuimboete kan worden opgelegd. Het verweer dat gehandeld is in strijd met het una via-beginsel berust kennelijk op de opvatting dat elke bestuurlijke boete, of het nu om een verzuimboete of een vergrijpboete gaat, aan latere strafvervolging in de weg zou staan. Het una-via beginsel geldt echter alleen als er vergrijpboetes als bedoeld in art. 67d en 67e van de AWR zijn opgelegd en niet als slechts verzuimboetes zijn opgelegd. Nu de raadsman de stelling van de officier van justitie dat ten aanzien van de voornoemde aangiften over de omzetbelasting slechts vergrijpboetes zijn opgelegd niet weerspreekt, moet het verweer reeds daarom worden verworpen.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat in de onderhavige zaak niet in het geschil is dat sprake is van overtreding van artikel 69 lid 2 van de AWR. Deze bepaling richt zich tot de onderneming. Zij moet worden aangemerkt als normadressaat en niet haar feitelijk leidinggevende. De mogelijkheid een feitelijk leidinggevende strafrechtelijk te vervolgen bestaat naast de mogelijkheid van een vergrijpboete die aan de normadressaat, de rechtspersoon, kan worden opgelegd.

De rechtbank komt op basis van het bovenstaande tot de slotsom dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging.

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Standpunten van de partijen

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – zo vat de rechtbank het schriftelijke requisitoir samen – de bewezenverklaring gevorderd van medeplegen van het opzettelijk indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting bij de Belastingdienst. Verdachte had – aldus de officier van justitie - wetenschap van de strafbare gedraging en heeft feitelijk leiding gegeven aan de strafbare rechtspersoon. Daarnaast heeft hij de vruchten geplukt van deze strafbare gedraging. Gelet hierop kan bewezen worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen van een geldbedrag van in totaal € 167.840,-. De officier van justitie baseert haar standpunt op de in het dossier aanwezige processen-verbaal van verhoor van verdachten, processen-verbaal van verhoor van getuigen, ambtshandelingen en overige documenten.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft overeenkomstig de door hem overgelegde pleitaantekeningen integrale vrijspraak bepleit. Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman – kort gezegd – aangevoerd dat verdachte geen wetenschap had van de strafbare gedraging en niet als feitelijke leidinggever kan worden aangemerkt van de strafbare rechtspersoon. Ten aanzien van feit 2 ontbreekt het bewijs voor witwassen. Voor zover kan worden bewezen dat de geldbedragen in het bezit van verdachte zijn geweest, is niet gebleken op welke wijze verdachte de criminele herkomst van deze gelden zou hebben gepoogd te verbergen of te verhullen.

De rechtbank zal – voor zover nodig – in rubriek 5. nader ingaan op specifieke standpunten van de partijen.

5 Het oordeel van de rechtbank

Op grond van de in de voetnoten vermelde bewijsmiddelen gaat de rechtbank uit van de redengevende feiten en omstandigheden, zoals hieronder vermeld.1 De inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – wordt slechts gebruikt tot het bewijs van het ten laste gelegde feit waarop het, zoals blijkt uit de inhoud, kennelijk betrekking heeft.

5.1.

Inleiding

De rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende af.

De Belastingdienst heeft in 2011 een onderzoek ingesteld bij [bedrijf 1 B.V.] naar aanleiding van de door haar ingediende negatieve aangiften voor de omzetbelasting. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat in de periode van 18 maart 2008 tot en met 18 november 2009 ten name van [bedrijf 1 B.V.] onjuiste aangiften voor de omzetbelasting zijn ingediend. Hoewel de inhoud van de aangiften dit wel doet vermoeden, hebben binnen [bedrijf 1 B.V.] geen bedrijfsactiviteiten plaatsgevonden. In de aangiften voor de omzetbelasting is dan ook telkens een te hoog en fictief bedrag aan voorbelasting vermeld. Omdat per saldo de voorbelasting hoger was dan de verschuldigde omzetbelasting, heeft [bedrijf 1 B.V.] het verschil van de Belastingdienst terug ontvangen.2 Voorts is uit het onderzoek naar voren gekomen dat de onjuiste aangiften zijn ingediend vanaf een IP-adres dat behoort bij het adres [adres 2] te Amsterdam, alwaar het bedrijf [administratiekantoor 1A B.V.] (hierna: [administratiekantoor 1A B.V.] ) is gevestigd. [administratiekantoor 1A B.V.] heeft per 12 maart 2008 de bedrijfsactiviteiten van de moedermaatschappij [administratiekantoor 1B B.V.] overgenomen.3 Vanaf 30 december 2011 staat [administratiekantoor 1A B.V.] onder de handelsnaam [administratiekantoor 1A B.V.] bij de Kamer van Koophandel ingeschreven.

Niet in geschil is dat de in de tenlastelegging opgenomen aangiften voor de omzetbelasting onjuist zijn en dat deze aangiften ertoe hebben gestrekt dat te weinig belasting werd geheven in de zin van de AWR.

5.1.1.

De rol van verdachte

Uit het dossier blijkt ten aanzien van de rol van verdachte het volgende.

De besloten vennootschap [bedrijf 1 B.V.] is opgericht op 11 november 2005. Bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 1 B.V.] is de besloten vennootschap [bedrijf 2 B.V.] (hierna: [bedrijf 2 B.V.] ). Verdachte heeft van 5 maart 2008 tot 17 april 2010 als enig aandeelhouder en van 5 maart 2008 tot 16 april 2010 als bestuurder van [bedrijf 2 B.V.] bij de Kamer van Koophandel ingeschreven gestaan. [bedrijf 2 B.V.] vormde in voornoemde periode een fiscale eenheid met [bedrijf 1 B.V.] .4

Mede naar aanleiding van de door de officier van justitie en de raadsman ter terechtzitting ingenomen standpunten, ziet de rechtbank zich voor de volgende vragen gesteld:

  • -

    Had verdachte een rol bij het indienen van de onjuiste aangiften voor de omzetbelasting en zo ja, welke?

  • -

    Heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan (schuld)witwassen?

5.2.

Ten aanzien van feit 1

5.2.1.

Algemene overwegingen

Juridisch kader artikel 51 Sr.

De rechtbank stelt voorop dat ingevolge artikel 51 Sr. strafbare feiten kunnen worden begaan door rechtspersonen. De strafbaarheid van een rechtspersoon wordt vastgesteld aan de hand van drie vraagpunten:

  • -

    Is de rechtspersoon geadresseerde van de norm?

  • -

    Kan de verboden gedraging – die door een natuurlijk persoon is verricht – aan de rechtspersoon worden toegerekend?

  • -

    Kan het bestanddeel opzet of schuld worden bewezen?

De beantwoording van de vraag of de verboden gedraging redelijkerwijs aan de rechtspersoon kan worden toegerekend, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon (HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938).

Indien een strafbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon, kan ingevolge het tweede lid van artikel 51 Sr. ook strafvervolging worden ingesteld, en kunnen ook straffen worden uitgesproken tegen hen die tot dat feit opdracht hebben gegeven en/of aan dat feit feitelijk leiding hebben gegeven.

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de strafbare gedraging van [bedrijf 1 B.V.] , het doen van onjuiste belastingaangiften.

5.2.2.

Vrijspraak

Toerekening aan de rechtspersoon?

De strafbare gedraging, te weten de indiening van de onjuiste aangiften voor de omzetbelasting, is verricht op naam van [bedrijf 1 B.V.] . Verdachte was op dat moment enig aandeelhouder, maar liet [administratiekantoor 1B B.V.] de administratie voor het bedrijf doen. Deze gedraging vond plaats als onderdeel van de bedrijfsadministratieve verantwoordelijkheden van het bedrijf en kan dus worden beschouwd als dienstig aan het bedrijf. De genoemde strafbare gedraging is daarmee verricht in de sfeer van [bedrijf 1 B.V.] en kan in redelijkheid aan de rechtspersoon worden toegerekend.

Feitelijk leidinggeven door verdachte?

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de strafbare gedragingen.

De rechtbank acht het niet aannemelijk dat verdachte in de ten laste gelegde periode werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van [bedrijf 1 B.V.] . Hij geeft aan dat de gehele administratie van het bedrijf, dus ook het indienen van de aangiften voor de omzetbelasting, werd verzorgd door [administratiekantoor 1A B.V.] .

Uit het dossier blijkt niet dat verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij [bedrijf 1 B.V.] en al helemaal niet bij het indienen van de onjuiste aangiften voor de omzetbelasting. Dat verdachte in de fraude geen rol had vindt steun in de omstandigheid dat van de in de tenlastelegging genoemde aangiften is vastgesteld dat deze zijn ingediend via het IP-adres dat afkomstig is van het bedrijfspand van [administratiekantoor 1A B.V.] . Voorts zijn op de server van [administratiekantoor 1A B.V.] gegevens aangetroffen, die vermoedelijk nodig waren om ten name van [bedrijf 1 B.V.] te kunnen inloggen op de site van de Belastingdienst.

De enkele omstandigheid dat verdachte bij de Kamer van Koophandel als enig aandeelhouder en bestuurder stond geregistreerd en wist dat er met de vennootschap fraude werd gepleegd (waarover meer onder 5.3), maakt hem niet als feitelijk leidinggever strafrechtelijk aansprakelijk voor onjuiste belastingaangiften die door [administratiekantoor 1A B.V.] zijn ingediend. De bijdrage van verdachte aan het strafbare feit is daarvoor van onvoldoende gewicht geweest.

De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het gedrag van verdachte wel opmerkelijk te noemen is, nu hij enkel voor het ter beschikking stellen van een B.V. een vergoeding heeft ontvangen en daar verder geen nadere vragen over heeft gesteld. Dat verdachte door voornoemde omstandigheden had moeten beseffen dat hij als ‘katvanger’ werd gebruikt, maakt echter niet dat hij als medepleger kan worden beschouwd. Het handelen van verdachte kan mogelijk gekwalificeerd worden als medeplichtigheid aan belastingfraude, maar nu medeplichtigheid niet ten laste is gelegd behoeft dit geen bespreking.

Bij deze stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende bewijs voorhanden is dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het opzettelijk indienen van onjuiste aangiften voor de omzetbelasting door [bedrijf 1 B.V.] .

5.3.

Ten aanzien van feit 2

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte zich tezamen en in vereniging met anderen heeft schuldig gemaakt aan witwassen, dan wel schuldwitwassen, van de geldbedragen die door [bedrijf 1 B.V.] op de privébankrekening van verdachte zijn gestort, te weten een totaal geldbedrag van € 15.000,-, en de € 79.940,- en € 72.900,- aan contante geldbedragen die van de bankrekening van [bedrijf 1 B.V.] zijn opgenomen bij pinautomaten en per kas.

Zoals onder rubriek 5.1. is besproken, heeft de rechtbank vastgesteld dat door [bedrijf 1 B.V.] onjuiste aangiften voor de omzetbelasting zijn ingediend. Naar aanleiding van de ingediende onjuiste aangiften omzetbelasting heeft de Belastingdienst in de periode van 4 januari 2008 tot en met 3 november 2009 een totaalbedrag van € 444.132,- op de bankrekening van [bedrijf 1 B.V.] gestort.5[bedrijf 1 B.V.] was houder van een bankrekening bij de ING Bank met nummer [rekeningnummer] . Sinds 5 maart 2008 was verdachte algemeen en onbeperkt bevoegd op deze rekening.6

Uit de bankrekeninggegevens van [bedrijf 1 B.V.] blijkt dat op 9 juli 2008, 30 augustus 2008 en in de maanden april, juli en augustus 2009 een totaalbedrag van € 15.000,- is overgemaakt naar de rekening van verdachte, bestaande uit deelbetalingen van € 1.500,- met de vermelding ‘salaris’.7 In 2009 is van de bankrekening van [bedrijf 1 B.V.] voor een totaalbedrag van € 79.940,- aan contante geldbedragen opgenomen bij pinautomaten en in 2009 heeft van deze bankrekening een totaal van € 72.900,- aan kasopnames plaatsgevonden bij de ING bank.8

Ook slaat de rechtbank acht op het volgende.

Verdachte heeft tegenover de FIOD verklaard dat hij per maand € 1.500,- aan inkomsten heeft ontvangen van [bedrijf 1 B.V.] . Ook heeft hij verklaard dat hij de beschikking heeft gehad over de bankpas van deze bankrekening en dat hij, soms in gezelschap van medeverdachte [medeverdachte 1] , geldbedragen heeft opgenomen van voornoemde bankrekening. Hij heeft de bankpas van [bedrijf 1 B.V.] ook weleens aan medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gegeven, aldus verdachte.9

Onder de gegeven omstandigheden kan het niet anders dan dat de verdachte zich bewust moet zijn geweest van de criminele herkomst van de in de tenlastelegging bedoelde geldbedragen.

Verdachte had als bestuurder van [bedrijf 1 B.V.] toegang tot deze bankrekening. Uit de omstandigheid dat er op de bankafschriften slechts in geringe mate mutaties zichtbaar zijn geweest die te maken zouden kunnen hebben met inkoop of verkoop van goederen en/of diensten, kon verdachte afleiden dat binnen de onderneming weinig of geen bedrijfsactiviteiten plaatsvonden. Verdachte wist derhalve dat [bedrijf 1 B.V.] vrijwel geen omzet had en geen inkopen deed maar niettemin teruggaven van de Belastingdienst ontving. Dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde hiervan op de hoogte moet zijn geweest, vindt tevens steun in de omstandigheid dat verdachte tegenover de FIOD geen sluitende verklaring heeft kunnen geven omtrent enige activiteiten of werkzaamheden die door [bedrijf 1 B.V.] zijn verricht. Verdachte heeft weliswaar verklaard over bouwwerkzaamheden ten behoeve van een stadion in Turkije, maar kan de naam daarvan niet noemen en door de FIOD is vastgesteld dat de bankafschriften van [bedrijf 1 B.V.] slechts in geringe mate blijk geven van mogelijke bedrijfsactiviteiten, terwijl twee mutaties die mogelijk met werkzaamheden in Turkije in verband zouden kunnen worden gebracht tegen elkaar wegvallen.10

De onterechte teruggaven zijn door de Belastingdienst overgemaakt op een bankrekening van [bedrijf 1 B.V.] waarover verdachte kon beschikken en waarover hij ook medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] liet beschikken. Het lag daarmee in hun macht de door fraude verkregen geldbedragen van die rekening over te maken en op te nemen. Het enkele feit dat verdachte de bankpas die bij de rekening hoorde aan (een) ander(en) heeft gegeven, maakt niet dat hij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor hetgeen door toedoen van die medeverdachten met die rekening is gebeurd. Hij is door het ter beschikking stellen van de bankpas als medepleger verantwoordelijk voor de door zijn medeverdachten opgenomen geldbedragen. De verdachten hebben de gelden in juridische zin tezamen en in vereniging verworven en daarvan gebruik gemaakt.

Ook zijn van de bankrekening van [bedrijf 1 B.V.] door fraude verkregen geldbedragen overgeboekt naar de bankrekening van verdachte. De rechtbank concludeert dat, doordat verdachte over deze geldbedragen kon beschikken, hij ook deze in juridische zin heeft verworven en daarvan gebruik heeft gemaakt.

De rechtbank komt op basis van bovenstaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, tot het oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte zich tezamen en in vereniging met anderen heeft schuldig gemaakt aan het witwassen van meerdere geldbedragen van in totaal € 167.740,-.

6 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond de in rubriek 5. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte,

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

in de periode van 9 juli 2008 tot en met 31 december 2009 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, voorwerpen, te weten geldbedragen, tot een totaal bedrag van 167.740 euro, bestaande uit:

- 15.000 euro, en

- 79.940 euro, en

- 72.900 euro,

heeft verworven en daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat die geldbedragen middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.

7 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 De strafbaarheid van verdachte

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straffen

9.1.

De strafeis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertien maanden. Bij het formuleren van de strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

9.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair bepleit dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Voor het geval de rechtbank dit standpunt niet mocht volgen, heeft de raadsman betoogd dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn zodat strafreductie op zijn plaats is. Voorts heeft de raadsman verzocht rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte weinig voordeel heeft verkregen van de onjuiste aangiften omzetbelasting.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich bij de Kamer van Koophandel ingeschreven als enig aandeelhouder en bestuurder van een onderneming. Achteraf is gebleken dat deze onderneming is gebruikt voor het indienen van onjuiste aangiften voor de omzetbelasting, waardoor de Belastingdienst gedurende een langere periode ten onrechte ruim vierhonderdduizend euro op de bankrekening van voornoemde onderneming heeft gestort. Verdachte wist dat de bankrekening van de onderneming gebruikt werd om daarop uit misdrijf afkomstige gelden te storten, maar hij heeft desondanks met zijn mededaders geldbedragen van deze bankrekening opgenomen en zij hebben van deze gelden gebruik gemaakt. Voorts zijn door de onderneming geldbedragen overgemaakt naar de bankrekening van verdachte, terwijl hij wist dat deze gelden afkomstig waren uit enig misdrijf. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan (het medeplegen van) witwassen. Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de daaronder liggende criminaliteit gefaciliteerd. Witwassen vormt bovendien een aantasting van de legale economie en is, mede vanwege de ontwrichtende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer, een bedreiging voor de samenleving.

De rechtbank neemt tevens mee in haar overwegingen dat blijkens een verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 26 oktober 2015 verdachte niet eerder is veroordeeld soortgelijke feiten.

Op grond van de aard, de ernst en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meerdere maanden op zichzelf gerechtvaardigd. Verdachte is echter al op 9 juli 2012 als verdachte gehoord en kon er sindsdien in redelijkheid rekening mee houden dat er tegen hem een strafvervolging zou worden ingesteld. De rechtbank doet meer dan drie jaar nadien uitspraak. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is met zestien maanden overschreden. Nu er geen bijzondere omstandigheden zijn die een dergelijke overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen, is sprake van een onnodige overschrijding van deze redelijke termijn.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank onder voornoemde omstandigheden een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet langer aangewezen. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn, gevoegd bij de enigszins ondergeschikte rol van verdachte, kan worden volstaan met een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur en een maximale taakstraf.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6. is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

medeplegen van witwassen

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.H.C. Jongeneel, voorzitter,

mrs. B. Vogel en J.L. Hillenius, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I. Stas, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 november 2015.

1 De weergegeven bewijsmiddelen bevinden zich, tenzij anders vermeld, in de dossiers van de FIOD-ECD. De in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en voldoen aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. Verwezen wordt naar de desbetreffende pagina’s in de dossiers.

2 Een overzichtsproces-verbaal, p. 17-18 (0-OPV-1), een zaaksproces-verbaal contra [bedrijf 1 B.V.] , p. 9-10 (4-OPV-1)

3 De bedrijfsactiviteiten die vóór 12 maart 2008 hebben plaatsgevonden zijn dus verricht door de moedermaatschappij [administratiekantoor 1B B.V.]

4 Geschriften, te weten uittreksels uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel (D-106, D-107)

5 Een proces-verbaal inzake ingediende aangiften, p. 6 (AH-004) en een geschrift, te weten een overzicht van de financiële verwerking door de Belastingdienst van de aangiften omzetbelasting betrokken in het strafrechtelijk onderzoek, p. 1-2 (D-032).

6 Een proces-verbaal van onderzoek aangiften [bedrijf 1 B.V.] in relatie tot bankafschriften, p.1 (AH-083)

7 Een proces-verbaal van onderzoek aangiften [bedrijf 1 B.V.] in relatie tot bankafschriften, p. 1-6 (AH-083) en (D-155 5/10) en (D-154 8/11)

8 Een proces-verbaal van onderzoek aangiften [bedrijf 1 B.V.] in relatie tot bankafschriften, p. 6-7 (AH-083)

9 Een proces-verbaal van verhoor van een getuige [verdachte] , p. 4 (G7-001)

10 Een proces-verbaal van onderzoek aangiften [bedrijf 1 B.V.] in relatie tot bankafschriften, p. 10-11 (AH-083)