Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:8792

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-11-2015
Datum publicatie
11-12-2015
Zaaknummer
13/993078-14 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Fraude. Minimega. Een 50-jarige eigenaar van een administratiekantoor is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden en een geldboete van 16.500 euro voor het opzettelijk onjuist doen van aangifte van omzetbelasting en voor witwassen. Het kantoor heeft gedurende enige jaren in totaal 84 onjuiste aangiften gedaan waarbij telkens een te hoog bedrag aan terug te vragen omzetbelasting werd opgegeven. In totaal heeft de belastingdienst daardoor aan diverse bedrijven bijna één miljoen euro betaald. In werkelijkheid hadden de betrokken bedrijven nauwelijks of geen bedrijfsactiviteiten en waren de facturen waarop de betaalde BTW stond vermeld vervalst of was er in het geheel geen administratie.

De belastingdienst heeft geconstateerd dat de verdachte aangiften weliswaar waren ingediend met gebruikmaking van naam en wachtwoord van de bedrijven zelf, maar dat deze steeds afkomstig waren van het IP-adres van het administratiekantoor van verdachte. Vervolgens heeft nader onderzoek door de FIOD plaatsgevonden. Vijf medeverdachten waren bestuurders van de (fake)-bedrijven die de belasting terugvroegen. Een van hen is met regelmaat alleen of met de hoofdverdachte in het casino geweest en dan werd daar ook steeds geld van de rekening van een van de fake-bedrijven opgenomen. Hij is veroordeeld voor zowel de belastingfraude als witwassen. Drie medeverdachten waren katvanger; zij zijn vrijgesproken van het medeplegen van de belastingfraude maar wel veroordeeld tot werkstraffen en voorwaardelijke vrijheidsstraffen voor witwassen. Een vijfde bestuurder is geheel vrijgesproken. Zie ook: ECLI:NL:RBAMS:2015:8793, ECLI:NL:RBAMS:2015:8794, ECLI:NL:RBAMS:2015:8795, ECLI:NL:RBAMS:2015:8797, ECLI:NL:RBAMS:2015:8798

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/993078-14 (Promis)

Datum uitspraak: 16 november 2015

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1] , [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 oktober 2015, 29 oktober 2015 en 3 november 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. van Brakel, en van wat de gemachtigde raadsman van verdachte, mr. N.D. de Fluiter, naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan medeplegen van het opzettelijk bij de Belastingdienst voorziene aangiften onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging (feit 1) en medeplegen van witwassen van geldbedragen afkomstig uit het doen van deze onjuiste belastingaangiften (feit 2).

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Standpunten van de partijen

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – zo vat de rechtbank het schriftelijke requisitoir samen – de bewezenverklaring gevorderd van medeplegen van het opzettelijk indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting bij de Belastingdienst. Verdachte had – aldus de officier van justitie - wetenschap van de strafbare gedraging en heeft feitelijk leiding gegeven aan de strafbare rechtspersoon. Daarnaast heeft hij de vruchten geplukt van deze strafbare gedraging. Gelet hierop kan bewezen worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen van een geldbedrag van in totaal € 326.862,-. De officier van justitie baseert haar standpunt op de in het dossier aanwezige processen-verbaal van verhoor van verdachten, processen-verbaal van verhoor van getuigen, ambtshandelingen en overige documenten.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft overeenkomstig de door hem overgelegde pleitaantekeningen integrale vrijspraak bepleit. Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman – kort gezegd – aangevoerd dat verdachte geen wetenschap had van de strafbare gedraging. Subsidiair meent de verdediging dat de rol van verdachte van onvoldoende gewicht is om hem als medepleger aan te merken, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken. Voor het geval de rechtbank mocht komen tot een bewezenverklaring van feit 1, dient vrijspraak te volgen van een deel van de contante geldopnames. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman erop gewezen dat het bewijs ontbreekt van witwassen met betrekking tot de pintransacties van de rekening van [bedrijf 1 B.V.] (hierna: [bedrijf 1 B.V.] ). Voorts heeft de raadsman erop gewezen dat in het geval dat witwassen de opbrengsten van een eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop gericht is de criminele opbrengsten veilig te stellen. Ten aanzien van de pinopnames van de rekening van [bedrijf 2 B.V.] is aan dit vereiste niet voldaan, aldus de raadsman.

De rechtbank zal – voor zover nodig – in rubriek 5. nader ingaan op specifieke standpunten van de partijen.

5 Het oordeel van de rechtbank

Op grond van de in de voetnoten vermelde bewijsmiddelen gaat de rechtbank uit van de redengevende feiten en omstandigheden, zoals hieronder vermeld.1 De inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – wordt slechts gebruikt tot het bewijs van het ten laste gelegde feit waarop het, zoals blijkt uit de inhoud, kennelijk betrekking heeft.

5.1.

Inleiding

De rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende af.

De Belastingdienst heeft op 9 oktober 2008 een onderzoek ingesteld bij [bedrijf 2 B.V.] (hierna: [bedrijf 2 B.V.] ) naar aanleiding van de door deze vennootschap ingediende negatieve aangiften voor de omzetbelasting. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat in de periode van 26 april 2007 tot en met 11 maart 2009 ten name van [bedrijf 2 B.V.] onjuiste aangiften voor de omzetbelasting zijn ingediend. Omdat de administratie niet compleet was of ontbrak, kon geen aansluiting worden gemaakt tussen de administratie en de aangiften. Voorts is gebleken dat in de administratie van [bedrijf 2 B.V.] valse verkoop- en inkoopfacturen waren opgenomen. Dit betekent dat [bedrijf 2 B.V.] in zoverre feitelijk geen goederen heeft afgenomen van leveranciers en in het kader daarvan dus geen omzetbelasting aan leveranciers heeft betaald, maar die wel als voorbelasting in aftrek heeft gebracht. Ook kon de op de aangiften aangegeven export op geen enkele wijze worden aangetoond. In de aangiften voor de omzetbelasting is dan ook telkens een te hoog en fictief bedrag aan voorbelasting vermeld. Omdat per saldo de voorbelasting hoger was dan de verschuldigde omzetbelasting, heeft [bedrijf 2 B.V.] het verschil van de Belastingdienst terug ontvangen.2 Voorts is uit het onderzoek naar voren gekomen dat de onjuiste aangiften zijn ingediend vanaf een IP-adres dat behoort bij het adres [adres 2] te Amsterdam, alwaar het bedrijf [administratiekantoor 1A B.V.] (hierna: [administratiekantoor 1A B.V.] ) is gevestigd.3 [administratiekantoor 1A B.V.] heeft per 12 maart 2008 de bedrijfsactiviteiten van de moedermaatschappij [administratiekantoor 1B B.V.] overgenomen.4 Vanaf 30 december 2011 staat [administratiekantoor 1A B.V.] onder de handelsnaam [administratiekantoor 1A B.V.] bij de Kamer van Koophandel ingeschreven.5

Niet in geschil is dat de in de tenlastelegging opgenomen aangiften voor de omzetbelasting onjuist zijn en dat de facturen die ten grondslag liggen aan deze aangiften, zijn vervalst en/of valselijk zijn opgemaakt.

Mede naar aanleiding van de door de officier van justitie en de raadsman ter terechtzitting ingenomen standpunten, ziet de rechtbank zich voor de volgende vragen gesteld:

  • -

    Had verdachte een rol bij het indienen van de onjuiste aangiften voor de omzetbelasting en zo ja, welke?

  • -

    Heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan (schuld)witwassen?

5.2.

Ten aanzien van feit 1

5.2.1.

Feiten en omstandigheden

[bedrijf 2 B.V.] is op 13 juli 2004 opgericht. Verdachte heeft van 24 oktober 2006 tot en met 27 maart 2009 als enig aandeelhouder van [bedrijf 2 B.V.] ingeschreven gestaan bij de Kamer van Koophandel en van 26 september 2006 tot 27 maart 2009 als bestuurder.6 Op naam van [bedrijf 2 B.V.] is na de datum waarop verdachte bestuurder is geworden van [bedrijf 2 B.V.] – over de kwartalen van 2007, de maanden januari 2008 tot en met juli 2008 en de maanden december 2008 tot en met januari 2009, onjuiste aangifte voor de omzetbelasting gedaan. De eerste onjuiste aangifte, die van het eerste kwartaal van 2007, is bij de Belastingdienst ingediend op 26 april 2007. De laatste onjuiste aangifte is ingediend op 11 maart 2009.7

Uit onderzoek is gebleken dat voornoemde onjuiste aangiften voor de omzetbelasting zijn verstuurd vanaf het IP-adres [IP-adres] . Dit IP-adres behoort bij het adres [adres 2] te Amsterdam, alwaar het bedrijf [administratiekantoor 1A B.V.] (hierna: [administratiekantoor 1A B.V.] ) is gevestigd.8 [administratiekantoor 1A B.V.] heeft per 12 maart 2008 de bedrijfsactiviteiten van de moedermaatschappij [administratiekantoor 1B B.V.] overgenomen.9 Vanaf 30 december 2011 staat [administratiekantoor 1A B.V.] onder de handelsnaam [administratiekantoor 1A B.V.] in de Kamer van Koophandel ingeschreven.10 Verdachte heeft desgevraagd bevestigd dat de aangiften voor de omzetbelasting door [administratiekantoor 1A B.V.] werden ingediend.11

De vraag waarvoor de rechtbank zich ziet gesteld is of verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de strafbare gedraging van [bedrijf 2 B.V.] , het doen van onjuiste belastingaangiften.

5.2.2.

. Algemene overwegingen

Juridisch kader artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht

De rechtbank stelt voorop dat in gevolge artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr.) strafbare feiten kunnen worden begaan door rechtspersonen. De strafbaarheid van een rechtspersoon wordt vastgesteld aan de hand van drie vraagpunten:

  • -

    Is de rechtspersoon geadresseerde van de norm?

  • -

    Kan de verboden gedraging – die door een natuurlijk persoon is verricht – aan de rechtspersoon worden toegerekend?

  • -

    Kan het bestanddeel opzet of schuld worden bewezen?

De beantwoording van de vraag of de verboden gedraging redelijkerwijs aan de rechtspersoon kan worden toegerekend, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon (HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938).

Indien een strafbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon, kan ingevolge het tweede lid van artikel 51 Sr. ook strafvervolging worden ingesteld, en kunnen ook straffen worden uitgesproken tegen hen die tot dat feit opdracht hebben gegeven en/of aan dat feit feitelijk leiding hebben gegeven.

5.2.3.

Nadere overwegingen

Toerekening aan de rechtspersoon?

De strafbare gedraging, te weten de indiening van de onjuiste aangiften voor de omzetbelasting, zijn verricht op naam van [bedrijf 2 B.V.] . Verdachte was op dat moment bestuurder en liet [administratiekantoor 1A B.V.] de administratie voor het bedrijf doen. Deze gedraging vond plaats als onderdeel van de bedrijfsadministratieve verantwoordelijkheden van het bedrijf en kan dus worden beschouwd als dienstig aan het bedrijf. De genoemde strafbare gedraging is daarmee verricht in de sfeer van [bedrijf 2 B.V.] en kan in redelijkheid aan de rechtspersoon worden toegerekend.

Feitelijk leidinggeven door verdachte?

De rechtbank is, gelet op voornoemde feiten omstandigheden, in onderling verband beschouwd, van oordeel dat ten tijde van het doen van de onjuiste belastingaangiften de feitelijke positie van verdachte dusdanig was, dat hij als opdrachtgever en feitelijk leidinggever van de aan [bedrijf 2 B.V.] toegerekende strafbare gedraging moet worden aangemerkt.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte in de tenlastegelegde periode als bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 2 B.V.] stond ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Verdachte is in zijn hoedanigheid van bestuurder verantwoordelijk geweest voor het voeren van een correcte administratie van [bedrijf 2 B.V.] . De raadsman heeft ter terechtzitting desgevraagd verklaard dat verdachte zich niet heeft bemoeid met de facturering en dat verdachte geen acht heeft geslagen op de bankafschriften van het bedrijf. Naar het oordeel van de rechtbank ligt deze bemoeienis bij een leidinggevende functie echter wel voor de hand, temeer nu [bedrijf 2 B.V.] , zo blijkt ook uit de verklaring van belastinginspecteur [belastinginspecteur 1] , een bedrijf was dat zich via een webshop bezighield met de verkoop van elektronische artikelen, die voor dat doel ook door verdachte waren ingekocht (aldus de raadsman in zijn pleitnota) en met deze verkoop ook omzet heeft gegenereerd. Het is voor iedere bestuurder die aan een bedrijf leiding geeft noodzakelijk met regelmaat kennis te nemen van de financiële positie van de onderneming en daarvoor van de bankafschriften kennis te nemen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat deze verklaring als ongeloofwaardig terzijde moet worden geschoven. De stelling van de verdediging dat verdachte ervan mocht uitgaan dat de administratie en fiscale zaken van [bedrijf 2 B.V.] op een correcte wijze en zorgvuldige wijze door het [administratiekantoor 1A B.V.] werden behartigd, gaat naar het oordeel van de rechtbank mede tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen niet op. De rechtbank overweegt hierbij voorts dat het de verantwoordelijkheid van de ondernemer zelf is om bekend te zijn met de administratie van zijn bedrijf. Er moet vanuit worden gegaan dat verdachte de dagafschriften wel kende en dus heeft kunnen zien dat er grote bedragen van de fiscus werden ontvangen; als bestuurder van de onderneming kon hij weten dat de onderneming daarop geen recht had. Dat is te meer het geval als hierbij wordt betrokken dat verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] zoals nader bij feit 2 aan de orde zal komen grote bedragen ten laste van [bedrijf 2 B.V.] hebben opgenomen bij Holland Casino en op de data dat zij die opnamen deden ook daar als bezoeker zijn geregistreerd. Dat die bedragen zijn besteed aan normale uitgaven ten behoeve van de onderneming is niet gebleken en is gezien het feit dat zij het casino bezochten ook onaannemelijk. Uit het voorafgaande kan worden afgeleid dat verdachte met zijn medeverdachte [medeverdachte 1] de van de belastingdienst ontvangen gelden geheel of grotendeels voor eigen gebruik, te weten gokken in het casino, hebben aangewend.

Bij deze stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat de betrokkenheid van verdachte bij de ingediende onjuiste aangiften voor de omzetbelasting is aan te merken als feitelijk leidinggeven aan deze verboden gedraging. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door zijn handelen niet alleen, hoewel daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden, maatregelen ter voorkoming van de verboden gedraging van [bedrijf 2 B.V.] achterwege gelaten, maar deze gedraging juist bevorderd.

Medeplegen

De werkwijze waarbij onderling moest worden afgestemd om alle vereiste gegevens voor de aangiften te verkrijgen, kenmerkt zich door een bewuste en nauwe samenwerking. Verdachte heeft daarbij in het samenwerkingsverband als leidinggevende van het bedrijf een essentiële rol gespeeld. Zonder zijn bijdrage zouden de frauduleuze handelingen die hebben plaatsgevonden, immers niet mogelijk zijn geweest. Naar het oordeel van de rechtbank is voorafgaand, tijdens en na afloop van de in de tenlastelegging ingediende aangiften sprake geweest van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte, zijn mededader en de rechtspersoon, gericht op de planning en uitvoering van het feit, dat is voldaan aan de voorwaarden voor de strafbare vorm van samenwerking die als medeplegen kan worden gekwalificeerd. Verdachtes opzet was zowel gericht op het onjuist doen van aangiften omzetbelasting, als op het medeplegen daarvan.

5.2.4.

Conclusie

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte als feitelijk leidinggevende, tezamen en in vereniging met anderen, onjuiste aangiften voor de omzetbelasting bij de Belastingdienst heeft ingediend. Deze onjuiste belastingaangiften hebben ertoe gestrekt dat te weinig belasting werd geheven in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Door de Belastingdienst is berekend dat zij door de onder rubriek 5.2.1. besproken aangiften een fiscaal nadeel heeft geleden van € 99.929,-.12

De rechtbank is van oordeel dat feit 1 wettig en overtuigend is bewezen.

5.3.

Ten aanzien van feit 2

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte zich tezamen en in vereniging met anderen heeft schuldig gemaakt aan witwassen, dan wel schuldwitwassen, van geldbedragen van in totaal € 326.312,- die op de privé bankrekening van verdachte, dan wel op de bankrekening van [bedrijf 2 B.V.] zijn gestort en die door verdachte van de bankrekening van [bedrijf 1 B.V.] zijn opgenomen. De tenlastelegging spreekt weliswaar van € 326.862,- maar de afzonderlijke bedragen uit de tenlastelegging opgeteld geven niet meer dan een totaal van € 326.312,-.

5.3.1.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden (inclusief de bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit met betrekking tot de criminele herkomst van de gelden).

Zoals onder rubriek 5.2.4. is besproken, heeft de rechtbank ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit overwogen dat verdachte zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. Dit strafbare feit heeft ertoe geleid dat de Belastingdienst ten onrechte geldbedragen heeft gestort op de bankrekening van [bedrijf 2 B.V.] . Het ten onrechte uitgekeerde geldbedrag op de bankrekening van [bedrijf 2 B.V.] is daarom van eigen misdrijf afkomstig.

De Belastingdienst heeft naar aanleiding van de ingediende onjuiste aangiften omzetbelasting in de periode van 9 maart 2007 tot en met 17 juni 2008 een totaalbedrag van € 49.724,- op het bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van [bedrijf 2 B.V.] is gestort.13 Van voornoemde bankrekening is in de ten laste gelegde periode een totaalbedrag van € 241.940,- aan contant geld opgenomen.14 Ook hebben in de periode van 17 mei 2007 tot en met 22 september 2008, naast de hiervoor genoemde contante opnames, diverse pinopnames plaatsgevonden bij vestigingen van het Holland Casino, eveneens vanaf de rekening van [bedrijf 2 B.V.] , voor een totaalbedrag van € 5.500,-.15 Verdachte heeft verklaard dat hij als bestuurder de beschikking had over de pinpas van [bedrijf 2 B.V.] .16 Voorts heeft verdachte op zijn privé bankrekening onder vermelding van ‘salaris’, in deelbedragen van circa € 1500,.- een totaalbedrag van € 16.422,22 ontvangen. Deze bedragen waren afkomstig van de bankrekening van [bedrijf 2 B.V.] .17

Uit onderzoek van de Belastingdienst is gebleken dat in de jaren 2008 en 2009 ook ten name van [bedrijf 1 B.V.] onjuiste aangiften voor de omzetbelasting zijn ingediend.18 Naar aanleiding van de ingediende onjuiste aangiften omzetbelasting heeft de Belastingdienst in de periode van 4 januari 2008 tot en met 3 november 2009 een totaalbedrag van € 444.132,- op de bankrekening van [bedrijf 1 B.V.] gestort.19

[bedrijf 1 B.V.] heeft circa € 130.000,- van een van haar rekeningen overgemaakt naar een rekening van [bedrijf 2 B.V.] . De Belastingdienst heeft niet kunnen constateren dat voor die betalingen werkzaamheden zijn verricht door [bedrijf 2 B.V.] . De Belastingdienst heeft geen administratie van [bedrijf 1 B.V.] kunnen inzien waaruit de juistheid van de betalingen zou blijken.20 De rechtbank concludeert dat bedoelde geldstroom geen zakelijke reden had en dat het geld was verkregen uit de onjuiste aangiften omzetbelasting van [bedrijf 1 B.V.] .

Op verschillende tijdstippen in de periode van 15 januari 2009 tot en met 24 november 2009 is met de pinpas van [bedrijf 1 B.V.] een totaalbedrag van € 116.052- aan contant geld opgenomen bij diverse vestigingen van het Holland Casino.21

Ook slaat de rechtbank acht op het volgende.

Uit registratiegegevens van het Holland Casino blijkt dat de dagen waarop met de pinpas van [bedrijf 1 B.V.] geld is opgenomen, overeenkomen met de dagen waarop medeverdachte [medeverdachte 1] en verdachte, tezamen dan wel afzonderlijk van elkaar, een bezoeken hebben gebracht aan het casino. Verdachte heeft in voornoemde periode negentien bezoeken gebracht aan diverse vestigingen van het Holland Casino, waarbij is vastgesteld dat op diezelfde dagen voor een totaalbedrag van € 62.450,- aan contant geld is opgenomen van de bankrekening van [bedrijf 1 B.V.] . Bij elf van deze bezoeken heeft medeverdachte [medeverdachte 1] gelijktijdig hetzelfde casino bezocht.22 Verdachte heeft ten aanzien van voornoemde pinopnames verklaard dat hij in opdracht van medeverdachte [medeverdachte 2] bij het Holland Casino contant geld moest opgenomen van de bankrekening van [bedrijf 1 B.V.] . Deze geldbedragen heeft hij daarna overhandigd aan medeverdachte [medeverdachte 2] , aldus verdachte.23 De rechtbank acht dit echter niet aannemelijk, nu uit het strafdossier naar voren komt dat [medeverdachte 2] als katvanger heeft gefungeerd.24

5.3.2.

Nadere overwegingen

Ten aanzien van het geldbedrag van € 16.422,-

De rechtbank stelt op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen vast dat de het totale geldbedrag dat de Belastingdienst heeft betaald aan [bedrijf 2 B.V.] van misdrijf afkomstig is door het indienen van de onjuiste aangiften omzetbelasting. Van de bankrekening van [bedrijf 2 B.V.] is in totaal een geldbedrag van € 16.422,- overgeboekt naar de privé bankrekening van verdachte.

Ten aanzien van het geldbedrag van Є 5,500,-, het geldbedrag van € 241.940,-

Van de bankrekening van [bedrijf 2 B.V.] is in de ten laste gelegde periode een geldbedrag van in totaal € 5.500,- opgenomen in het Holland Casino. Voorts is van voornoemde bankrekening een totaalbedrag van € 241.940,- aan contant geld opgenomen. Uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat verdachte het beheer had over de bankrekening van [bedrijf 2 B.V.] .

Bovenstaande geldbedragen zijn naar het oordeel van de rechtbank door verdachte op middellijke wijze uit eigen misdrijf verkregen. Het betreft hier immers gelden die ten gevolge van de strafbare gedraging van verdachte op de bankrekening van [bedrijf 2 B.V.] zijn binnengekomen. Voorts kan worden vastgesteld dat de forse illegale geldstromen, te weten de teruggaven van de omzetbelasting, zijn vermengd met de beperkte geldstromen die dit bedrijf ontving uit legale activiteiten, waardoor het gehele vermogen van dit bedrijf te beschouwen is als afkomstig van misdrijf. Verdachte heeft deze gelden verworven, nu blijkt dat hij de beschikking heeft gehad over de bankrekening. Vervolgens is een deel van de geldbedragen contant opgenomen door verdachte. Deze omzetting van giraal naar chartaal geld moet naar het oordeel van de rechtbank worden beschouwd als een handeling die erop is gericht ‘om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen’. Immers, door de omzetting is er sprake van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Inherent aan deze specifieke situatie is dat de kwalificatieuitsluitingsgrond niet van toepassing is (vgl. HR 25-03-2014, ECLI:NL:HR:2014:702, r.o. 3.8.). Verdachte heeft zich derhalve schuldig gemaakt aan het omzetten en gebruik maken van gelden die afkomstig zijn uit eigen misdrijf.

Ten aanzien van het geldbedrag van Є 62.450,-

De rechtbank stelt op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen vast dat het totale geldbedrag dat de Belastingdienst heeft betaald aan [bedrijf 1 B.V.] van misdrijf afkomstig is door het indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting.

Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden volgt dat er geldbedragen, variërend van € 1.000,- tot € 2.500,-, van de bankrekening van [bedrijf 1 B.V.] zijn opgenomen in diverse vestigingen van het Holland Casino. Tevens blijkt dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 1] en medeverdachte [medeverdachte 2] de beschikking heeft gehad over de pinpas van deze bankrekening. Uit de registratiegegevens van het Holland Casino volgt dat medeverdachte [medeverdachte 1] en verdachte, tezamen dan wel apart, een bezoek hebben gebracht aan de casino’s op de dagen dat de pinopnames hebben plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders dan dat verdachte tezamen en in verenging met medeverdachte [medeverdachte 1] de geldbedragen heeft opgenomen. Het lag immers in hun macht geldbedragen van die rekening op te nemen. Aldus heeft verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 1] aanzienlijke geldbedragen contant opgenomen in casino’s van een bankrekening waarop geld, dat afkomstig is uit misdrijf afkomstig, is gestort. Verdachte heeft zich derhalve tezamen en in vereniging schuldig gemaakt aan het omzetten en gebruik maken van gelden die afkomstig zijn uit enig misdrijf. Het verweer van verdachte dat hij in opdracht van medeverdachte [medeverdachte 2] geld heeft gepind van de bankrekening van [bedrijf 1 B.V.] en niets wist van de criminele herkomst van het geld verwerpt de rechtbank. Onder deze omstandigheden kon verdachte vermoeden dat de geldbedragen opgenomen van de bankrekening van [bedrijf 1 B.V.] geheel of gedeeltelijk, middellijk of onmiddellijk, afkomstig waren uit enig misdrijf.

5.3.3.

Conclusie

De rechtbank komt op basis van bovenstaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, tot het oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen van meerdere geldbedragen van in totaal € 326.312,-.

6 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond de in rubriek 5. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

[bedrijf 2 B.V.] , op tijdstippen in de periode tussen 26 april 2007 tot en met 11 maart 2009, te Amsterdam of elders in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met (rechts)perso(o)n(en), opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, te weten 13 kwartaal- of maandaangiften omzetbelasting ten name van [bedrijf 2 B.V.] , te weten D-008, p. 5 t/m p. 15 en p. 20 t/m 21, over enige tijdvakken (maand of kwartaal) in de periode van januari 2007 tot en met januari 2009, (gedeeltelijk) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan of heeft laten doen, immers hebben verdachte en zijn mededader(s) telkens opzettelijk op het bij de Inspecteur der Belastingen of de Belastingdienst ingezonden digitale aangiftebiljet omzetbelasting over de daarin genoemde tijdvakken, onjuiste bedragen aan omzetbelasting en/of voorbelasting en/of aan te betalen belasting opgegeven of laten opgeven, terwijl die feiten telkens er toe strekten dat te weinig belasting werd geheven, aan welke bovenomschreven verboden gedragingen hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

verdachte in de periode van 17 mei 2007 tot en met 24 november 2009, te Nijmegen of Utrecht of Amsterdam, tezamen en in vereniging met (rechts)perso(o)n(en), voorwerpen,

te weten geldbedragen tot een totaal bedrag van 326.312 euro, bestaande uit:

-241.940 euro, en

-62.450 euro, en

-5.500 euro, en

-16.422 euro,

heeft omgezet en daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader(s) wisten dat die geldbedragen middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 De strafbaarheid van verdachte

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straffen

9.1.

De strafeis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertien maanden. Bij het formuleren van de strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

9.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair bepleit dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Voor het geval de rechtbank dit standpunt niet mocht volgen, heeft de raadsman betoogd dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn zodat strafreductie op zijn plaats is. Voorts heeft de raadsman verzocht rekening te houden met de beperkte rol van verdachte en de omstandigheid dat hij weinig voordeel heeft verkregen van de onjuiste aangiften omzetbelasting.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft gedurende een periode van ruim twee jaar als feitelijke leidinggever van [bedrijf 2 B.V.] samen met zijn mededader(s) meermalen bewust onjuiste aangiften voor de omzetbelasting laten doen, waarbij telkens een te hoog bedrag aan terug te vragen omzetbelasting werd opgegeven. De Belastingdienst is hierdoor voor bijna € 100.000,- benadeeld. Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van grote bedragen. Door zo te handelen is verdachte in staat geweest om zich met weinig moeite grote geldbedragen te verschaffen ten koste van de maatschappij. Een constructie zoals door verdachte gebruikt, vergt een zorgvuldig opgetuigde structuur van valse facturen en andere documenten, louter opgezet uit eigen financieel gewin. Door zijn handelwijze heeft verdachte de fiscus en de samenleving in het algemeen aanzienlijk benadeeld.

Verder blijkt uit het op zijn naam gestelde uittreksel Justitiële Documentatie van 27 oktober 2015 dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk delict.

Op grond van de aard, de ernst en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, acht de rechtbank een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 14 maanden, zoals geëist door de officier van justitie, in beginsel op zijn plaats. Verdachte is echter op 9 oktober 2012 als verdachte gehoord en kon er sindsdien in redelijkheid rekening mee houden dat er tegen hem een strafvervolging zou worden ingesteld. De rechtbank doet iets meer dan drie jaar nadien uitspraak. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is met dertien maanden overschreden. Nu er geen bijzondere omstandigheden zijn die een dergelijke overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen, is sprake van een onnodige overschrijding van deze redelijke termijn.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank onder voornoemde omstandigheden een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet langer aangewezen. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank een gedeelte van genoemde gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm opleggen. Alles afwegende, acht de rechtbank na te melden strafoplegging passend en geboden.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 51, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6. is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

medeplegen van feitelijk leiding geven aan het opzettelijk een bij de belastingdienst voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

medeplegen van witwassen

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 4 (vier) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.H.C. Jongeneel, voorzitter,

mrs. B. Vogel en J.L. Hillenius, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I. Stas, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 november 2015.

1 De weergegeven bewijsmiddelen bevinden zich, tenzij anders vermeld, in de dossiers van de FIOD-ECD. De in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en voldoen aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. Verwezen wordt naar de desbetreffende pagina’s in de dossiers.

2 Een overzichtsproces-verbaal, p. 14-16 (0-OPV-1), een zaaksproces-verbaal contra [bedrijf 2 B.V.] , p. 7-8 en p. 16-43 (1-OPV-1) en een proces-verbaal van verhoor van een getuige [belastinginspecteur 1] , p. 3 (G3-001)

3 Een proces-verbaal inzake ingediende aangiften, p. 3 (AH-004) en een proces-verbaal inzake IP-adres [IP-adres] (AH-006)

4 De bedrijfsactiviteiten van [administratiekantoor 1A B.V.] die vóór 12 maart 2008 hebben plaatsgevonden zijn dus verricht door de moedermaatschappij [administratiekantoor 1B B.V.]

5 Een proces-verbaal inzake organisatie [administratiekantoor 1A B.V.] (AH-039)

6 Een geschrift, te weten een uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel (D-034)

7 Geschriften, te weten dertien uitdraaien digitale aangiften omzetbelasting ten name van [bedrijf 2 B.V.] 1ste kwartaal 2007 tot en met 4de kwartaal 2007, januari 2008 tot en met juli 2008 en december 2008 tot en met januari 2009, p.5-15, p. 20-21 (D-008) en een geschrift, te weten een overzicht ingediende aangiften omzetbelasting betrokken in het strafrechtelijk onderzoek aan de hand van informatie uit D-008 tot en met D-014, p. 1 (D-022) en een geschrift, te weten een overzicht bedragen ingevuld op ingediende aangiften omzetbelasting betrokken in het strafrechtelijk onderzoek gemaakt aan de hand van informatie uit D-008 tot en met D-014, p. 1 (D-023).

8 Een proces-verbaal inzake ingediende aangiften, p. 3 (AH-004) en een proces-verbaal inzake IP-adres [IP-adres] (AH-006)

9 De bedrijfsactiviteiten die vóór 12 maart 2008 hebben plaatsgevonden zijn dus verricht door de moedermaatschappij [administratiekantoor 1B B.V.]

10 Een proces-verbaal inzake organisatie [administratiekantoor 1A B.V.] (AH-039)

11 Een proces-verbaal van verhoor van een getuige [verdachte] , p. 4 (G04-001)

12 Een overzichtsproces-verbaal, p. 26 (0-OPV-1)

13 Een proces-verbaal inzake onderzoek bankrekening [bedrijf 2 B.V.] , [bedrijf 3] , [bedrijf 4] , p. 2 (AH-011)

14 Een proces-verbaal inzake onderzoek bankrekening [bedrijf 2 B.V.] , [bedrijf 3] , [bedrijf 4] , p. 6-9 (AH-011)

15 Een proces-verbaal inzake onderzoek bankrekening [bedrijf 2 B.V.] , [bedrijf 3] , [bedrijf 4] , p. 5 (AH-011)

16 Een proces-verbaal van verhoor van een getuige [verdachte] , p. 3 (G04-01)

17 Een proces-verbaal inzake onderzoek bankrekening [bedrijf 2 B.V.] , [bedrijf 3] , [bedrijf 4] , p. 3 (AH-011)

18 Een overzichtsproces-verbaal, p. 17 (0-OPV-1) en een zaaksproces-verbaal contra [bedrijf 1 B.V.] , p. 49-51 (4-OPV-1)

19 Een proces-verbaal inzake ingediende aangiften, p. 6 (AH-004) en een geschrift, te weten een overzicht van de financiële verwerking door de Belastingdienst van de aangiften omzetbelasting betrokken in het strafrechtelijk onderzoek, p. 1-2 (D-032).

20 Een proces-verbaal contra [bedrijf 1 B.V.] , p. 9-10 (4-OPV-01).

21 Een proces-verbaal inzake onderzoek aangiften [bedrijf 1 B.V.] in relatie tot bankafschriften, p. 6 en een geschrift, te weten overzichten inzake bankrekening [bedrijf 1 B.V.] nummer [rekeningnummer 2] inzake 2009, p. 7 (D-154)

22 Een geschrift, te weten een overzicht casinobezoek [medeverdachte 1] (D-175) en een geschrift, te weten een overzicht casinobezoek [verdachte] (D-176)

23 Een proces-verbaal inzake verhoor van een getuige [verdachte] , p. 13 (G4-001)

24 Een proces-verbaal inzake vermoedelijk gebruik katvangers (AH-084)